Archieven: Verhalen

‘Ze hebben met een pistool in zijn been geschoten

John Geelof heeft allemaal spullen klaarliggen uit de oorlog, als Mia, Sophia, Mees en Imani van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord, bij hem thuis op bezoek komen. Meneer Geelof was 5 jaar oud toen de oorlog begon en woonde op het Plejadenplein in Tuindorp Oostzaan. Het uur is zo voorbij na de verhalen over zijn vader en zijn eigen herinneringen aan de oorlog.

Bent u wel eens echt bang geweest in de oorlog?
‘Nee ik ben niet echt bang geweest, het overkomt je allemaal. Toen de oorlog begon, zijn ze de scheepswerven gaan bombarderen. En die bommen die kwamen ook wel op Tuindorp terecht. Ik weet nog goed dat er vijf mensen met een matras voor de deur stonden.  Hun huis was in elkaar gestort, en de Duitsers hadden gezegd dat ze bij ons konden komen slapen. We hadden plotseling 5 matrassen in huis met mensen die erop gingen liggen. Ik had nog nooit een bombardement meegemaakt, dus had geen idee. Later  begreep ik pas dat er met bommen gebouwen instortten.
Tijdens het derde bombardement op de Fokkerfabriek, hebben ze ook de scheepswerf en Ketje geraakt. Ik was op dat moment bij de kapper. Deze man zat bij de veiligheidsdienst als er luchtalarm was. Dan zette hij een ijzeren helm op en een gasmasker en ging bij de deur kijken of er gevaar was. Alle kinderen moesten onder de trap gaan zitten, want daar was het veiliger. Omdat ik een lange jongen  was, moest bij de mannen op de bank blijven zitten en ik zag dat allemaal gebeuren door de deur. Toen werd ik toch wel een beetje bang.’

Wat deed u toen de oorlog voorbij was?
‘Wij hoopten dat de oorlog voorbij was, maar dit was tot het laatste moment onzeker. We wisten niet hoe dit ging en hoe dit bekend werd gemaakt. Er waren in die tijd alleen maar kranten die schreven wat de Duitsers wilden. Toen werden van het verzet krantjes rondgestuurd. Op vier mei waren op de Meteorenweg een paar mensen die de vlag uitstaken en die gingen juichend door de straat en zeiden dat we bevrijd waren. Maar even later werden die vlaggen binnengehaald, want er werd gedreigd door de Duitsers dat ze gingen schieten op alle huizen waar een vlag hing. Op 5 mei de volgende dag, ontdekten we dat we echt vrij waren omdat de Duitsers  zich hadden overgegeven. Er was op dat moment een gebrek aan alles, mijn schoenen waren op, ik had houten schoenen. Kleren waren ook niet meer te krijgen in de winkels. Ik weet nog goed dat er ik voor het eerst een stuk chocola kreeg, dit was zo lekker!’

Heeft u iemand gekend in de oorlog die is overleden?
‘Mijn oom Henk is overleden in de oorlog. Hij woonde in Oosterbeek en in 1944  wilden er Duitse soldaten weten waar het hoofdkwartier van de Engelse troepen was.  Mijn oom is toen gedwongen om de weg te wijzen. Maar dit wilde hij niet en heeft ze de verkeerde kant op gestuurd. Toen de Duitsers dit door hadden dat ze de verkeerde kant op waren gestuurd, is hij dood geschoten. Onder een spoorlijn hebben ze zijn lijk geschoven. Hij is in Loenen begraven op een erebegraafplaats. Hij was 28 jaar toen hij overleed.’

Zat uw vader ook in het verzet?
‘Mijn vader heeft ook in het verzet gezeten. Op een gegeven moment werd hij op school gevangengenomen. Er kwam een Duitse auto langs, met de Sicherheitsdienst, en ze hebben hem toen uit de klas gehaald en hem meegenomen naar het hoofdkwartier in Amsterdam Zuid, in de Euterpestraat. Daar is hij dagenlang verhoord. Hij wist niet waarom hij vastzat, maar dat hij misschien wel verraden was. Die verhoren gingen dag en nacht door. Dat ging heel gewelddadig. Ze hebben met een pistool in zijn been geschoten, één van zijn vingers was kapotgeslagen. Toen brak er paniek uit en de officier die hem verhoorde riep: ‘Draus, Draus’, en toen moest hij op de gang gaan staan. Daar rende iedereen door elkaar heen, er was grote paniek. Mijn vader keek  rond en zag toen dat  de buitendeur openstond! Hij is rustig naar die deur gelopen, naar buiten in het donker tot de hoek van de straat en is toen gaan rennen en weg was hij.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘In een paar maanden tijd verloor mijn oma twee kinderen’

Langs besneeuwde bomen fietsen ze naar de Ritakerk. Nu gerenoveerd tot een prachtig hotel. Dana, Aaliyah, Novaley en Lamya van de Twiskeschool kijken hun ogen uit zodra ze de lobby binnenkomen. De 68-jarige Elly de Nijs wacht hun op. Ze mogen plaatsnemen in het atrium. Op deze plek raakte de kerk tijdens een bombardement in 1943 zwaar beschadigd. Bij de aanval kwamen tien kinderen om het leven. Ook de oom van mevrouw de Nijs, Theo de Nijs, overleefde de aanval samen met zijn vriend Hans niet.

Kunt u iets over het gezin van uw oom vertellen?
Toen de oorlog begon in 1940, was Theo 11 jaar oud. Hij was namelijk geboren in 1929.
Zijn vader heette Jan en zijn moeder Ali. Ze woonden vlakbij de Ritakerk, in de Recedastraat in Noord. Ze hadden tien kinderen. Het was een katholiek gezin, en ze leefden met z’n allen in een huis met kleine kamertjes, waardoor meerdere kinderen een kamer deelden.

Wat gebeurde er in de Ritakerk?
Mijn oom was misdienaar. Tegenwoordig heb je nog steeds misdienaars in de katholieke kerk, en dat was vroeger ook. Op de dag van het bombardement waren Theo en zijn vriend Hans Molens ook misdienaar.
De kerk bestond 25 jaar en er was een speciale kinder-mis op zaterdag, dus er waren ontzettend veel kinderen aanwezig. Toen de mis bijna voorbij was, ging plotseling het luchtalarm. Het maakte een hard geluid, zoals dat op de eerste maandag van de maand om 12 uur klinkt, en waarschuwde dat er gevaar dreigde. De jongens stonden vooraan op het altaar en wilden door de zijdeur naar buiten om te kijken wat er aan de hand was, want het was natuurlijk spannend.

De pastoor zag dat en riep: ‘nee jongens, kom maar hier midden in de kerk staan, daar is het veilig’. Maar precies daar viel een bom. Ze stonden dus op de verkeerde plek. Op foto’s is de inslag te zien. Achterin de kerk was een soort balkon met een groot orgel, dat was ook volledig vernield. Mensen sprongen in paniek van het balkon af. Het was een enorme bom die een grote krater in de grond sloeg; overal was stof en paniek. De bom kwam door het dak heen, maar de buitenmuren van de kerk bleven grotendeels staan, dus de kerk was niet helemaal verwoest.’

Waarom bombardeerden ze de kerk eigenlijk?
‘De vliegtuigen van de Engelsen wilden de Fokkerfabriek in Amsterdam-Noord raken, waar vliegtuigen voor de Duitsers werden gemaakt. Die werd nooit nooit geraakt. In plaats daarvan vielen de bommen op de stad en daardoor kwamen onschuldige mensen om het leven, zoals Theo.
De piloten waren jonge jongens van 18 of 19 jaar en hadden weinig ervaring. Ze hadden geen moderne apparaten om precies te zien waar ze moesten gooien, dus ze moesten uit het raam kijken. Het weer was slecht en er ging van alles mis, waardoor de bommen overal vielen behalve op de fabriek.

Waar waren de ouders van Theo op het moment van de bomaanslag?
Zijn ouders waren thuis, want het was een speciale kinder-mis. Eén van Theo’s jongere broertjes, Hans, was wel in de kerk en zag wat er gebeurde. Hij rende meteen in paniek naar huis om zijn ouders te waarschuwen.
Mijn opa en oma gingen direct kijken, maar al snel bleek dat Theo bij de slachtoffers hoorde. Later moesten ze hem officieel identificeren. Volgens mijn vader konden ze Theo alleen nog aan zijn schoenen herkennen, want door de bom was hij zo zwaar geraakt dat hij bijna niet meer te herkennen was. Mijn oma heeft daarna nooit meer echt plezier in het leven gehad. In een paar maanden tijd verloor ze twee kinderen, wat natuurlijk verschrikkelijk was.’

Vonden de ouders van Theo het lastig om erover te praten?
‘Ja, ze spraken er niet veel over, waarschijnlijk omdat het zo heftig was voor het gezin van mijn vader. Kort voordat het bombardement plaatsvond, overleed een jong zusje van Theo en mijn vader, mijn tante. Ze was 11 jaar en had tyfus. Dat gebeurde in het voorjaar van 1943, rond april of mei. En enkele maanden later, in juli, vond het bombardement plaats en overleed ook Theo, die toen 13 was. In een korte tijd verloor mijn oma dus twee kinderen. Ze waren nauwelijks bekomen van het overlijden van hun dochter, en toen kwam er nog een groot verdriet overheen.’

Kunt u iets over uw vader vertellen?
‘Mijn vader heette Henk en werd in 1922 geboren, zeven jaar ouder dan Theo. Toen de oorlog begon, was hij ongeveer 18 of 19 jaar en kon hij in het begin gewoon naar zijn werk. Het gewone leven ging een beetje door.
Later moesten veel jonge mannen naar Duitsland om in fabrieken te werken, omdat de Duitse jongens naar het leger gingen. Ook mijn vader had daar naartoe gemoeten, maar hij dook onder in Friesland. Hij werkte daar op een boerderij, wat veel veiliger was dan in Amsterdam, waar je zomaar opgepakt kon worden en naar Duitsland gestuurd. Nederlanders werkten daar niet in het leger, maar moesten wel in de fabrieken werken, vaak onder slechte omstandigheden.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader werd twee dagen na de officiële bevrijding op de Dam doodgeschoten’

Dik ingepakt tegen wind en kou stappen Rivka, Eline, Adam, Yassine op de fiets richting de Oba-Molenwijk. Mevrouw Budde wacht hun daar op in de bibliotheek met een kopje koffie.  Ze is geboren in 1942 in Zaandam en in 1944 verhuisde het gezin naar Amsterdam. Ze vertelt het indrukwekkende verhaal over wat haar vader is overkomen.

Wat gebeurde er op 7 mei?
‘Mijn verhaal begint op de Dam in Amsterdam, twee dagen na de officiële bevrijding op 5 mei 1945. Mensen waren ontzettend blij dat de oorlog voorbij was. Ze hingen vlaggen uit, dansten op straat en omhelsden elkaar. Om drie uur ’s middags stond de Dam helemaal vol met mensen die feest wilden vieren. Mijn vader en mijn broertje waren daar ook naartoe gegaan.
Bij de ingang van de Kalverstraat stond een groot gebouw met meerdere balkons. Ineens verschenen daar Duitse soldaten, zelfs op het dak. Vanaf daar begonnen ze te schieten. Ze waren waarschijnlijk dronken en jaloers. Er vielen 32 doden en veel mensen raakten gewond. Eén van de mensen die stierf, was mijn vader. Hij was 29 jaar. Mijn broertje was 6 jaar en stond naast hem. Alles gebeurde zo snel. Als je zes jaar bent en je vader wordt opeens doodgeschoten, snap je er niks van. Je wordt helemaal bang en verward. Mijn broer heeft nooit meer over de oorlog gesproken. Hij is twee jaar geleden overleden. Maar ieder jaar, op 7 mei, had hij altijd last van zijn maag. Zijn hele leven lang.’

Hoe ging het verder met uw moeder en jullie?
Door bombardementen waren veel mensen hun huis kwijt en kregen zij een vergoeding. Mijn moeder had haar man verloren en kreeg niets. Mijn vader werd twee dagen na de officiële bevrijding op de Dam doodgeschoten. Mijn moeder bleef achter met drie kleine kinderen, maar ze werd niet erkend als weduwe van een burger-oorlogsslachtoffer. Ze had nergens recht op. Mijn moeder schreef brieven en heeft geprocedeerd, overal naartoe. Pas na 45 jaar, dus eind jaren tachtig, werd mijn moeder erkend als weduwe van een burger-oorlogsslachtoffer. De oorlog duurde tot 5 mei 1945, maar zij moest zo lang wachten.

Mijn moeder trouwde later uit noodzaak met een weduwnaar. Het was geen leuke man. We werden groot samengesteld gezin van zeven kinderen en zij kregen ook nog twee kinderen.’

Moest uw vader onderduiken?
Twee jaar voordat hij werd doodgeschoten, moest mijn vader van de Duitsers in Duitsland in een fabriek werken. Voor de Duitsers dus. Mijn vader wilde net als zovelen ook niet in die fabriek werken.
Dus is hij samen met iemand anders gevlucht en liep terug naar Nederland. Maar de Duitsers waren goed georganiseerd en gingen naar hem op zoek. Toen moest mijn vader onderduiken. Hij verbleef waarschijnlijk ergens aan een gracht, dat adres was niet bekend.  Hij vertoonde zich niet meer op straat. De Duitsers wilden hem pakken, en het verzet hielp hem om verborgen te blijven.’

Wat aten jullie in de oorlog?
In de eerste twee jaar van de oorlog merkten veel mensen nog niet dat er minder te eten was. Maar hoe langer de oorlog duurde, hoe moeilijker het werd.  In Amsterdam gingen mensen daarom naar de boerderijen buiten de stad om melk, aardappels en groenten te halen. Soms gaven ze een gouden ring om iets te ruilen voor eten, bijvoorbeeld een bloemkooltje.

Het werd steeds erger. In de winter van 1944-1945, de Hongerwinter, stierven mensen zelfs op straat van de honger. Mijn grootvader vertelde dat iemand voor zijn deur was doodgegaan. Zelfs huisdieren, zoals katten, verdwenen soms omdat ze werden opgegeten. Het was een verschrikkelijke tijd.

Wanneer wist u dat uw vader nooit meer terug zou komen?
Ik was 13 jaar toen ik pas echt besefte wat er met mijn vader was gebeurd. Al die jaren had ik gedacht dat hij terug zou komen uit Duitsland, want er werd nooit over gepraat. Dat moest toen doodgezwegen worden. Toen werd er gevraagd of het graf van mijn vader op de Oosterbegraafplaats geruimd mocht worden. Pas toen besefte ik dat mijn vader echt niet terugkwam.

Op 7 mei ga ik naar de Dam. Ik neem een stoeltje en een boekje mee. Om drie uur ’s middags denk ik aan hoe het geweest moet zijn op 7 mei 1945. Dat doe ik om mijn vader te gedenken, want ik ben opgegroeid zonder vader.
Wat ik wil zeggen is dit: kinderen die nu in oorlog leven, zoals in Oekraïne en de Gazastrook, dragen dat hun hele leven mee. Als zij familie, vrienden of bekenden verliezen, vergeten ze dat nooit. Ook over 80 jaar niet. Het gaat pas weg als je er zelf niet meer bent. Oorlog is een van de ergste dingen die er bestaan. Wat er met de Joden is gebeurd, kan ik niet begrijpen. Het is moeilijk te bevatten dat mensen elkaar haten om geloof of afkomst. Echt onbegrijpelijk.’

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Met een theelepeltje suikerwater, bietenwater, hebben ze me grootgebracht’

Viggo, Jesse en Saar, leerlingen van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord, gaan op bezoek bij Ton Baardwijk. Meneer Baardwijk is geboren in 1945 en heeft de oorlog zelf niet bewust meegemaakt, maar hij kan wel veel vertellen over wat zijn familie heeft meegemaakt. Ze bekijken de prachtige verzameling postzegels, waarvan ze er alledrie één krijgen met een afbeelding van Hitler erop. ‘Een boosaardige man met een poppensnorretje’ aldus meneer Baardwijk. Ook neemt hij ze mee naar de Museumwoning, een klein museum in Amsterdam-Noord, waar ze heel mooi konden zien hoe mensen vroeger leefden.

Welke spullen zijn er die direct met de oorlog te maken hebben?
‘In het museum staat een verduisteringsluik. In de oorlog moesten de ramen verduisterd worden, want er mocht geen licht van binnen naar buiten komen. Het is papier, zwart papier dat je in een hor deed. En die moest voor de ramen komen. De Duitsers reden dan op de motor langs en als ze dan ergens licht zagen, schoten ze zo op het raam, of er nou mensen achter waren of niet. Dus je zorgde wel dat je de zaak goed verduisterde.
En ook een heel uniek, we hebben kakies uit de oorlog. Dat kwam uit Zweden aan het einde van de oorlog. En dat is een blik dat helemaal dicht gesoldeerd is.’

Heeft u de Hongerwinter meegemaakt?
‘Ik ben geboren in maart 1945. En de eerste melk die ik kreeg was in mei. Dat was melkpoeder die we kregen uit Zweden. En dat was de eerste keer dat ik melk kreeg. Mijn moeder had geen borst met voeding, dat was allemaal blauw water. Met een theelepeltje suikerwater, bietenwater, hebben ze me grootgebracht.’

Hoe kwam uw familie aan eten tijdens de Hongerwinter?
‘Het voedsel was op, en mensen moesten naar de boeren om voedsel te krijgen. En ik weet wel, mijn vader heeft een keer van mijn oom een half varken gekregen. Maar dat moest hij wel ophalen. Maar mijn oom durfde niet. Als je terugkwam van het boerenland werd je gecontroleerd door Nederlandse politiemensen. En het voedsel werd altijd in beslag genomen. Dat werd dan afgepikt. Maar mijn vader die heeft gedacht: ik moet er toch met dat halve varken doorheen zien te komen. Dat heeft hij gedaan. Hij heeft het op zijn rug gebonden, zijn jas er overheen, en ging zo gebogen, alsof hij een bochel had. En toen mocht hij zo doorlopen. Hij heeft geluk gehad, want als hij aangehouden was, had hij misschien de kogel gelegen. Want dat voedsel moest je inleveren. Dus dat waren wel spannende dagen.

En hij ging ook vaak naar de boer toe. Hij heeft een keer een kruiwagen vol met aardappels gekocht. Hij heeft er misschien wel 80 gulden voor betaald, voor een kruiwagen vol met aardappels. En wat gebeurt er nou; daar ziet hij ineens in de verte Duitse wagens. Er kwam een patrouille aan. Toen is hij gauw van de dijk afgegaan, maar toen rolde die kar om. Hij heeft de hele nacht op zijn knieën alle aardappels lopen zoeken. Die lagen allemaal over de dijk verspreid. Hij was bekaf toen hij thuis kwam. En mijn vader is met de handkar de deur in gereden. Voordeur open, hup, zo naar binnen, en in de gang omgekiept. En toen hadden wij weer een tijdje aardappels.’

Archieven: Verhalen

‘Op een dag werd mijjn vader opgepakt en in de gevangenis gezet’

Jules, Milo en Vajèn van de Twiskeschool fietsen door Amsterdam-Noord naar het huis van Loes van der Poel.  Bijzonder is haar grote olifanten-verzameling. Ze staan verspreid door het hele huis.

Hoe bent u erachter gekomen dat de oorlog was begonnen?
Toen de oorlog begon, was ik acht jaar oud. Ik herinner me nog goed dat ik aan het touwtjespringen was in de Hillegomstraat, toen ik opeens de Duitsers over zag vliegen. Ze gooiden bommen op Schiphol. Het was Moederdag, een zondag en het was prachtig weer. Maar op dat moment wist ik: nu is het mis. Alles veranderde in één klap. Plotseling waren er overal Duitse soldaten in de buurt, en op school mochten Joodse kinderen niet meer komen. Bij ons thuis logeerde toen Bepi, een Joods meisje. Op een dag riep een NSB’er door de straat: ‘Bij Koos Meijer hebben ze een Joods meisje in huis!’ Mijn moeder was doodsbang dat Bepi opgepakt zou worden, dus brachten ze haar snel naar mijn grootmoeder. Van daaruit is ze naar andere onderduikadressen gegaan. Haar vader is later in een kamp omgekomen, maar Bepi en haar moeder hebben de oorlog overleefd. We hebben ze nog een paar keer gezien, maar echt contact is er nooit meer geweest. Ze was iets jonger dan ik.’

Was er voldoende te eten ?
‘De verkoop in het kruidenierswinkeltje ging in het begin gewoon door, want mensen moesten toch eten. Maar al snel kwamen er bonnen voor alles: brood, olie, suiker – voor bijna alles had je een bonnetje nodig. Er was steeds minder voorraad, dus je moest met je pannetje naar grote eetketels in de Floris Versterstraat. Daar kon je je bon inleveren en kreeg je een portie eten mee. Het was niet veel, maar het was beter dan niets.’

Wat gebeurde er met uw vader?
‘Mijn vader zat in het verzet en dat was natuurlijk verboden. Op een dag werd hij opgepakt en in de gevangenis gezet. Mijn moeder, mijn zusje en ik huilden ons de ogen uit het hoofd. Gelukkig is hij niet naar andere kampen gestuurd en na vier maanden kwam hij weer thuis. Maar ik was elke avond bang. We moesten om acht uur binnen zijn, want na dat tijdstip mochten we niet meer op straat. Als ik dan die Duitse soldaten met hun klaklaarzen hoorde lopen, was ik doodsbang dat ze mijn vader weer zouden meenemen.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn oma heeft drie dagen in een veewagon gezeten, zonder toilet’

Safouan, Quin, Samia van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord hebben Dorothy Borghardt geïnterviewd in de bibliotheek. Ze vertelt het verhaal van haar oma, die Han heette. Ze hebben thee gezet en het interview kan beginnen. Mevrouw Borghardt heeft allerlei spullen bij zich: foto’s, een kleed met daarop een voorpagina van het Parool, de krant die uitkwam een dag na de Bevrijding: 6 mei 1945.

Wat kunt u over uw oma vertellen?
‘Mijn oma, die we Tante Han noemden, had in 1942 Joodse onderduikers in huis genomen: een gezin met zeven kinderen. Die hebben zich vrijwillig bij kamp Westerbork gemeld en zijn uiteindelijk overleden. Later, in 1943, kwamen er drie nieuwe onderduikers: een violist, zijn moeder en nog een meneer. In maart 1944 zijn ze verraden en is mijn oma samen met hen opgepakt. Ze is verraden, vermoedelijk door een tante van een vriendinnetje van mijn moeder. Die tante praatte altijd slecht over Joden en is na de oorlog ook gearresteerd omdat ze de Duitsers geholpen zou hebben. Voor elke Jood die je aanbracht, kreeg je 7,5 gulden, dat was veel geld.
Mijn oma heeft eerst op het politiebureau gezeten en daarna is ze naar een grote gevangenis in Amsterdam gegaan, bij het Haarlemmermeerstation. Daarna is ze naar een concentratiekamp in Brabant gebracht, in de buurt van ’s-Hertogenbosch, in Vught. Dat was buiten Duitsland het enige concentratiekamp van de SS. De SS’ers waren geen schatjes, ze waren heel streng en mishandelden mensen verschrikkelijk.’

Hoe waren de omstandigheden in kamp Ravensbrück?
Toen de bevrijding eraan kwam, hoorden ze de Amerikanen met schieten en vliegtuigen naderen. De Duitsers werden bang en voerden duizenden mensen in twee dagen tijd met treinen naar Duitsland af. De mannen gingen naar kampen ver in Duitsland, de vrouwen boven Berlijn. Mijn oma heeft drie dagen in een veewagon gezeten, zonder toilet, zonder eten, alleen met een ton om in te plassen en poepen. Er lag een beetje stro op de vloer, maar dat was ook vies. Ze kregen een ton met water, waar ze met z’n allen van moesten drinken. Als je geen beker had, moest je met je handen water eruit halen.

Toen ze aankwamen in Ravensbrück, een verschrikkelijk kamp in het noorden van Duitsland, moesten ze vanaf de trein nog een stuk lopen. Het regende en het was koud, september. Ze lieten ze buiten slapen, zonder dekens, zonder bedden. Er lag een hoop kolen, dus ze gingen daarop liggen om een beetje droog te blijven. De volgende ochtend mochten ze in een barak, een houten schuur met stapelbedden van driehoog. Ze moesten soms met z’n tweeën of drieën in één bed slapen, op een dun matrasje vol luizen en andere beestjes. Je kon niet eens fatsoenlijk liggen, dus sliepen ze met hun hoofden in verschillende richtingen om te passen. Mijn oma heeft niet zo heel lang in Ravensbrück gezeten. Ze kozen 200 vrouwen uit die naar een munitiefabriek in het zuiden van Duitsland moesten, bij München. Daar moesten ze wapens en bommen in elkaar zetten. Mijn oma saboteerde die wapens waar ze kon, door schroefjes niet goed aan te draaien of juist te strak. Dat gebeurde heel stiekem, want als ze betrapt werd, was het afgelopen.’

Hoe was de terugkeer van uw oma na de oorlog?
Toen mijn oma terugkwam uit het kamp, woog ze nog maar 45 kilo. Ze heeft een maand lang in Frankrijk en België gezondheidschecks gehad en goed te eten gekregen voordat ze naar Nederland terug mocht. Ze is nooit naar de dodenherdenking op 4 mei geweest en kon geen films over de oorlog kijken, omdat de herinneringen te pijnlijk waren.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

Onder de grote wasketel vol met poepluiers, zat de radio verstopt’

Daniël, Lou en Sam van de Twiskeschool wachten in de OBA in de Molenwijk op Jan Jansen. Voor het interview hebben alle drie een briefje in de hand met de vooraf bedachte vragen. Meneer Jansen woont in Tuindorp, dus het is maar een klein wandelingetje naar de bibliotheek.  Ze maken kennis en krijgen een lekker kopje thee. Hij heeft een tasje bij zich met een knijpkat (een zaklamp zonder batterijen) en foto’s van de polder en zijn huis.

 Waar bent u opgegroeid?
‘Ik ben geboren in 1940 en woonde in de oorlog in de polder op een terrein waar ook een kruitmagazijn was, waar ook munitie bewaard werd.Op dat terrein kwamen in de oorlog ook Duitsers, die de bewaking gingen over nemen. We woonden in een dubbel woonhuis, maar een  gedeelte was voor de Fortwachter, de kruithuisbewaker, maar daar gingen dus die Duitsers in. Nou, daar woonden we dus naast. Daar hadden we geen last van hoor, die waren niet boos op ons of zo.  Ze vonden het wel leuk als mijn moeder af en toe iets voor ze ging braden. Ze namen vlees mee en dan sneed zij er stiekem stukjes af voor de kinderen. En dan vroegen de Duitsers ‘Frau Jansen, ist dass kleiner?’ en dan zei mijn moeder dat dat door het braden kwam. En zo kregen de kinderen soms een klein stukje vlees.’

Wat was het spannendste moment in de oorlog? Heeft u een bom horen vallen?
‘Ja, dat heb ik wel gehoord toen, maar ik woonde beschermd. Ik heb ook een luchtgevecht gezien. Er werden wel eens vliegtuigen naar beneden geschoten. Dat wel. Mijn vader had ook een jachtvergunning en die geweren moesten ook ingeleverd worden. Die Duitsers wisten dat wij geweren hadden dus. Maar wat gebeurde er? Een van mijn oudste zusters had de geweren gepakt en in het kanaal gegooid. Ze lagen op de bodem. Mijn vader die moest die geweren weg brengen, maar hij kon ze niet vinden. Zegt mijn zus: ‘Die heb ik in het kanaal gegooid.’ Hij heeft ze gelukkig gevonden, schoongemaakt en ingeleverd. Anders was het misschien wel slecht afgelopen. Dat was wel spannend.’

Hadden jullie een radio?
Was ik bijna vergeten. Goed dat je dat vraagt. Vroeger had je een kastje met daarop een luidsprekertje. Er werd naar Radio Oranje geluisterd en ze moesten ingeleverd worden. De Duitsers kwamen ze ook zoeken in huis. Maar mijn vader had een grote wasketel, en die zat vol met poepluiers. Onder die luiers was de radio verstopt. Daar gingen ze echt niet zoeken.’

Wat deed u toen de oorlog voorbij was?
‘Nou, ik was 4 jaar en mijn moeder zei: ‘Het is vrede’. Maar we hoorden heel in de verte gebrom, brrrom brom brom..Waren allemaal vliegtuigen. Nou, dat waren er wel honderd en wat kwamen die doen? Die kwamen heel laag overvliegen en dan lieten ze pakketten vallen en daar zat eten in. Oh, dat was zo lekker: brood, koekjes, blikjes corned beef en repen chocola… Ik had nog nooit chocola gehad.
Ik was altijd aan het duimen vroeger en dan vroeg mijn oma: ‘Wat zit er in je duim Jantje?’ ‘Er zit chocola in.’ zei ik dan. Maar pas later, na de oorlog, kreeg ik voor het eerst een stukje chocola.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader zat toen verstopt in een stoffenkelder, bibberend, bang en zonder eten of drinken’

Linus, Mett en Nino ontmoeten Monica Kattenburg op de Twiskeschool. Haar vader was 25 jaar toen de oorlog uitbrak. Hij was de directeur van de Hollandia Kattenburg fabriek, die was vroeger vlakbij het IJplein. De verhalen die ze kent heeft ze van haar moeder gehoord en vertelt ze nu door. Ze heeft een tas bij zich met allerlei foto’s en documenten.

Wat gebeurde er in de fabriek tijdens de oorlog?
‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte mijn Joodse vader in de Hollandia Kattenburg fabriek in Amsterdam-Noord, bij het IJ-plein. Deze fabriek was opgericht door mijn familie en maakte onder andere regenjassen. In het begin van de oorlog veranderde er veel: Duitse opzichters hielden alles in de gaten en er kwamen steeds meer beperkingen voor Joodse werknemers. Mijn vader woonde vlakbij de Kattenburg fabriek. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen.

Duitse opzichters hielden alles in de gaten. Er kwam een verbod voor Joden in trams, bioscopen en openbare ruimtes. Joden moesten een gele ster dragen. De mensen in de fabriek dachten eerst dat ze veiliger waren omdat ze speciale werkstempels kregen.’

Wat gebeurde er met de Joodse werknemers van de fabriek?
‘Op 11 november 1942 vond er een grote razzia plaats. De Duitse politie kwam het fabrieksterrein op en arresteerde alle aanwezigen: Joden en niet-Joden, mannen en vrouwen. In totaal werden 826 mensen meegenomen. Mijn vader zat toen verstopt in een stoffenkelder, bibberend, bang en zonder eten of drinken.

De fabriek was een belangrijke plek voor veel Joodse families uit Amsterdam-Noord. Tijdens de razzia’s werden mensen gedwongen in treinen te stappen, vaak met als bestemming kamp Westerbork. Sommigen probeerden te ontsnappen, zelfs door uit de rijdende treinen te springen.

Hoe heeft uw vader Hans het overleefd?
‘Mijn vader heeft het overleefd, mede dankzij een vals persoonsbewijs. Hij moest onderduiken in ‘t Gooi. Maar omdat het ook daar steeds gevaarlijker werd voor Joden heeft hij samen met Bob van den Berg, die hij kende van de  Hollandia Kattenburg fabriek weten te ontsnappen aan de razzia. Hij heeft zich onder een valse naam en als niet-Jood aangemeld om in Duitsland te gaan werken. Hij heette toen Hans Kuilman. Dat was heel erg spannend natuurlijk, want als ze gesnapt zouden worden dan konden ze alsnog opgepakt worden. Maar de omstandigheden in de machinefabriek waar ze werkten waren goed en ze woonden met een klein groepje Nederlanders samen in één huis. In het najaar van 1943 zijn ze naar Baden Baden gegaan, daar heeft hij toen nog als portier in een hotel gewerkt.’

Hoe weet u dit allemaal?
‘Mijn vader was in die tijd al verloofd met mijn moeder Greetje en hij schreef heel veel brieven aan haar over hoe het was om in Duitsland te werken. Wel 98 brieven schreef hij in die tijd en die zijn er allemaal nog. De brieven die mijn moeder schreef aan mijn vader, zijn verloren gegaan.’

 

Archieven: Verhalen

‘De tweede pleegouder was een soort moeder voor mij’

Bodhi, Filip en Jay-Linn, leerlingen van de Twiskeschool, gaan op bezoek bij Leo van Zadel. Ze hebben allemaal superveel zin om hem te ontmoeten en zijn verhaal te horen. Meneer van Zadel is nu bijna 94, maar nog fit. Hij was bijna 7 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde met zijn ouders en jongere broertje in de John Franklinstraat in Amsterdam West.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
We woonden bij het Mercatorplein in een benedenwoning en wij hadden een radio. Niet iedereen had een radio in die tijd. Mijn vader zette die radio in de vensterbank en liet zo iedereen weten dat de oorlog was uitgebroken. Maar ja, wat dat dan ging betekenen dat wist je toen nog helemaal niet, daar heb je geen idee van.’

Wat waren uw hobby’s, toen de oorlog uitbrak?
‘Gewoon op straat spelen en pinkelen. Pinkelen dat is een rond houtje zo lang en aan de zijkanten is het een punt. Dus je kon met z’n drieën, vieren, vijven, kon je pinkelen op straat. En voetbalden veel. En knikkeren. In de straat stonden geen auto’s, dus we hadden alle ruimte. en ik ging naar school natuurlijk! Hoe voelt echte honger? Alles werd langzaamaan minder, ook het eten. Al heel gauw ging al het eten op de bon. Ieder gezin kreeg bonnetjes en daar moest je het mee doen. Mijn moeder zei; ‘gaan jullie maar brood halen’. Ik kreeg dan een bon van mijn moeder en dan gingen mijn broertje en ik naar Bakker Stork in de Jan Evertsenstraat. Als het druk was, dan letten ze minder op en dan probeerde we stiekem de bon niet uit te geven, dan hadden we een brood extra. We kregen een sneetje brood, soms twee. Dat deelden we in kleine blokjes, want je had maar één eetmoment. Je hoopt dat je ’s avonds weer iets krijgt. De Hongerwinter ging niet alleen over eten. De kachel moest branden, de konijnen moesten verzorgd worden. We gingen naar lege tarwevelden en zochten halmen met korrels. Die verzamelden we in een pot en brachten we naar de molen. Het werd gemalen en mijn moeder bakte er brood van. Wij hadden wel geluk want mijn vader ging ook vaak op de fiets naar Noord- Holland, naar Wervershoof of Hoorn, naar boeren om eten te krijgen.’

Hoe haalde uw vader dan eten?
‘Hij had dan een karretje achter zijn fiets hangen met eten erin. Dat heeft hij zo heel veel keren gedaan, samen met mijn oom. Ze sliepen dan bij boeren op de hooizolder. De allerlaatste keer toen hij terugreed moest hij in Amsterdam Noord de pont over en toen was er een controle van Duitsers en ook Nederlandse politie. Daar pakte ze alles af. Gelukkig zag mijn vader het op tijd en klopte ergens in Noord bij een huis aan om te vragen of hij daar zijn kar met eten veilig achter kon laten. De volgende dag ging hij terug om de kar te halen maar hij wist niet meer waar precies hij de kar had gebracht, dus die was ‘ie kwijt.’

Waarom ging u naar Friesland toe?
‘Mijn zusje is geboren midden in de Hongerwinter eind januari 1945. Ze is met een slechte gezondheid geboren, doordat mijn moeder door hongergebrek heel zwak was in de Hongerwinter. Mijn zusje kreeg niet de goede voedingsstoffen binnen en leed aan kalkgebrek, waardoor haar botten heel snel braken. Ze bleven lang in het ziekenhuis. Mijn broer en ik zijn toen met een autootje naar Friesland gebracht. Hier werden wij ondergebracht bij andere moeders of vrouwen die een kindje wilden hebben.
Mijn broer en ik kwamen uiteindelijk terecht in Moddergat. Toen zijn we bij twee verschillende pleegfamilies geweest. We hebben er 9 maanden gewoond. De tweede pleegouder was een soort moeder voor mij. Elke dag gingen wij naar meneer de Jong de postbode, om te vragen of er post voor ons was, dat was helaas nooit het geval.’

Had u heel veel nachtmerries, toen de oorlog voorbij was?
‘Gelukkig niet. Ik heb er wel over gedacht. Maar niet dat ik daardoor ziek werd of trauma had. Nee. Nee, we waren vrij nuchter. We werden ook goed verzorgd daar in Friesland, er was daar tenminste eten en wij waren de hele dag met z’n tweeën samen en dan gingen we op pad!’

Archieven: Verhalen

‘Zij heeft mij toen via het verzet ‘weggegeven’ aan een ander gezin’

Met veel energie fietsen Brian, Yuna en Semy van de Twiskeschool uit Amsterdam-Noord naar de bibliotheek in winkelcentrum in de Banne, waar ze Samuel de Leeuw gaan interviewen. De sfeer is gelijk ontspannen en hij stelt veel leuke vragen aan de kinderen. Ook laat meneer de Leeuw veel foto’s en documenten zien. Ze zijn gefascineerd door zijn indrukwekkende verhaal. ‘Blijf wie je bent, veroordeel elkaar niet’: hij geeft ze wijze lessen mee.

Hoe was het tijdens de oorlog?
‘Ik ben in de oorlog geboren, in Amsterdam, in 1941. Ik was dus heel klein. Mijn ouders waren Joods dus het was erg spannend. Mijn vader werkte bij de fabriek Hollandia Kattenburg. Eigenlijk dachten mijn ouders dat het veilig was, omdat de Duitsers dat hadden gezegd. Maar later bleek dat dat niet zo was. Er was een razzia in de fabriek en alle Joodse mensen werden opgepakt. Ook mijn vader. Iemand had hem verraden. Hij is naar Auschwitz gebracht en daar doodgegaan.’

Hoe was het toen je moest onderduiken?
‘Mijn moeder en ik moesten toen onderduiken. Zij heeft mij toen via het verzet ‘weggegeven’ aan een ander gezin. Dat was voor haar verschrikkelijk moeilijk, want ze wist niet waar ik terecht zou komen. Dat was in Limburg. Het leven daar was goed, want er waren weinig Duitsers. Er was ook genoeg eten. Ik kreeg ook een andere naam: Baukje. Ik werd goed opgevoed door mijn pleegouders, ik dacht dat zij mijn ouders waren. Na de oorlog, na vijf jaar, kwam mijn echte moeder naar Limburg. Ze zei: ‘Ik ben je moeder’. Het was voor mij heel vreemd. Maar mijn moeder deed het rustig aan aan, zodat ik geleidelijk aan haar kon wennen.’

Hoe heeft uw moeder de oorlog overleefd?
‘Ze ging onderduiken in Noord-Holland. Ze kreeg een vals paspoort van het verzet. Eerst had ze een paspoort waar een J op staat, van Jood. Later kreeg ze een vals paspoort, waar geen J. op stond. Deze hebben ze met de hand gemaakt, er waren toen nog geen printers. Uiteindelijk is mijn moeder in Heiloo terechtgekomen bij een mevrouw van wie de man ook zat ondergedoken in hetzelfde huis. Dat is een heel spannende tijd voor haar geweest. Zij mocht geen contact met mij hebben.’

Hoe wist je moeder waar jij ondergedoken zat?
‘Mijn pleegvader zag op een dag op een voedselbon mijn echte naam: Samuel de Leeuw. Hij besloot een brief te schrijven aan mijn echte moeder. Die brief werd via-via doorgegeven en kwam bij mijn moeder terecht. Daarna gingen ze brieven naar elkaar sturen. Al die brieven heb ik nog.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892