Oorlog in mijn Buurt
‘Mijn ooms hebben vliegtuigonderdelen gesaboteerd’
Kayra, Kieron, Wasim ontmoeten Janny Feenstra
Safouan, Quin, Samia van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord hebben Dorothy Borghardt geïnterviewd in de bibliotheek. Ze vertelt het verhaal van haar oma, die Han heette. Ze hebben thee gezet en het interview kan beginnen. Mevrouw Borghardt heeft allerlei spullen bij zich: foto’s, een kleed met daarop een voorpagina van het Parool, de krant die uitkwam een dag na de Bevrijding: 6 mei 1945.
Wat kunt u over uw oma vertellen?
‘Mijn oma, die we Tante Han noemden, had in 1942 Joodse onderduikers in huis genomen: een gezin met zeven kinderen. Die hebben zich vrijwillig bij kamp Westerbork gemeld en zijn uiteindelijk overleden. Later, in 1943, kwamen er drie nieuwe onderduikers: een violist, zijn moeder en nog een meneer. In maart 1944 zijn ze verraden en is mijn oma samen met hen opgepakt. Ze is verraden, vermoedelijk door een tante van een vriendinnetje van mijn moeder. Die tante praatte altijd slecht over Joden en is na de oorlog ook gearresteerd omdat ze de Duitsers geholpen zou hebben. Voor elke Jood die je aanbracht, kreeg je 7,5 gulden, dat was veel geld.
Mijn oma heeft eerst op het politiebureau gezeten en daarna is ze naar een grote gevangenis in Amsterdam gegaan, bij het Haarlemmermeerstation. Daarna is ze naar een concentratiekamp in Brabant gebracht, in de buurt van ’s-Hertogenbosch, in Vught. Dat was buiten Duitsland het enige concentratiekamp van de SS. De SS’ers waren geen schatjes, ze waren heel streng en mishandelden mensen verschrikkelijk.’
Hoe waren de omstandigheden in kamp Ravensbrück?
‘Toen de bevrijding eraan kwam, hoorden ze de Amerikanen met schieten en vliegtuigen naderen. De Duitsers werden bang en voerden duizenden mensen in twee dagen tijd met treinen naar Duitsland af. De mannen gingen naar kampen ver in Duitsland, de vrouwen boven Berlijn. Mijn oma heeft drie dagen in een veewagon gezeten, zonder toilet, zonder eten, alleen met een ton om in te plassen en poepen. Er lag een beetje stro op de vloer, maar dat was ook vies. Ze kregen een ton met water, waar ze met z’n allen van moesten drinken. Als je geen beker had, moest je met je handen water eruit halen.
Toen ze aankwamen in Ravensbrück, een verschrikkelijk kamp in het noorden van Duitsland, moesten ze vanaf de trein nog een stuk lopen. Het regende en het was koud, september. Ze lieten ze buiten slapen, zonder dekens, zonder bedden. Er lag een hoop kolen, dus ze gingen daarop liggen om een beetje droog te blijven. De volgende ochtend mochten ze in een barak, een houten schuur met stapelbedden van driehoog. Ze moesten soms met z’n tweeën of drieën in één bed slapen, op een dun matrasje vol luizen en andere beestjes. Je kon niet eens fatsoenlijk liggen, dus sliepen ze met hun hoofden in verschillende richtingen om te passen. Mijn oma heeft niet zo heel lang in Ravensbrück gezeten. Ze kozen 200 vrouwen uit die naar een munitiefabriek in het zuiden van Duitsland moesten, bij München. Daar moesten ze wapens en bommen in elkaar zetten. Mijn oma saboteerde die wapens waar ze kon, door schroefjes niet goed aan te draaien of juist te strak. Dat gebeurde heel stiekem, want als ze betrapt werd, was het afgelopen.’
Hoe was de terugkeer van uw oma na de oorlog?
Toen mijn oma terugkwam uit het kamp, woog ze nog maar 45 kilo. Ze heeft een maand lang in Frankrijk en België gezondheidschecks gehad en goed te eten gekregen voordat ze naar Nederland terug mocht. Ze is nooit naar de dodenherdenking op 4 mei geweest en kon geen films over de oorlog kijken, omdat de herinneringen te pijnlijk waren.’


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.