Oorlog in mijn Buurt
‘Mijn vader is helemaal vanuit Duitsland naar huis teruggelopen’
Benjamin, Samuel, Zwaan ontmoeten Els Burger
Jules, Milo en Vajèn van de Twiskeschool fietsen door Amsterdam-Noord naar het huis van Loes van der Poel. Bijzonder is haar grote olifanten-verzameling. Ze staan verspreid door het hele huis.
Hoe bent u erachter gekomen dat de oorlog was begonnen?
‘Toen de oorlog begon, was ik acht jaar oud. Ik herinner me nog goed dat ik aan het touwtjespringen was in de Hillegomstraat, toen ik opeens de Duitsers over zag vliegen. Ze gooiden bommen op Schiphol. Het was Moederdag, een zondag en het was prachtig weer. Maar op dat moment wist ik: nu is het mis. Alles veranderde in één klap. Plotseling waren er overal Duitse soldaten in de buurt, en op school mochten Joodse kinderen niet meer komen. Bij ons thuis logeerde toen Bepi, een Joods meisje. Op een dag riep een NSB’er door de straat: ‘Bij Koos Meijer hebben ze een Joods meisje in huis!’ Mijn moeder was doodsbang dat Bepi opgepakt zou worden, dus brachten ze haar snel naar mijn grootmoeder. Van daaruit is ze naar andere onderduikadressen gegaan. Haar vader is later in een kamp omgekomen, maar Bepi en haar moeder hebben de oorlog overleefd. We hebben ze nog een paar keer gezien, maar echt contact is er nooit meer geweest. Ze was iets jonger dan ik.’
Was er voldoende te eten ?
‘De verkoop in het kruidenierswinkeltje ging in het begin gewoon door, want mensen moesten toch eten. Maar al snel kwamen er bonnen voor alles: brood, olie, suiker – voor bijna alles had je een bonnetje nodig. Er was steeds minder voorraad, dus je moest met je pannetje naar grote eetketels in de Floris Versterstraat. Daar kon je je bon inleveren en kreeg je een portie eten mee. Het was niet veel, maar het was beter dan niets.’
Wat gebeurde er met uw vader?
‘Mijn vader zat in het verzet en dat was natuurlijk verboden. Op een dag werd hij opgepakt en in de gevangenis gezet. Mijn moeder, mijn zusje en ik huilden ons de ogen uit het hoofd. Gelukkig is hij niet naar andere kampen gestuurd en na vier maanden kwam hij weer thuis. Maar ik was elke avond bang. We moesten om acht uur binnen zijn, want na dat tijdstip mochten we niet meer op straat. Als ik dan die Duitse soldaten met hun klaklaarzen hoorde lopen, was ik doodsbang dat ze mijn vader weer zouden meenemen.’


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.