Archieven: Verhalen

‘De Joodse David werd mensenschuw en ziek omdat hij niet buiten kon spelen’

Als de leerlingen van de Willem-Alexanderschool in Bergen de lerarenkamer binnenlopen, zit Gerrit Sijpheer (84) er al. Het is een sfeervolle kamer met uitzicht op het schoolplein en op veel groen. Otis, Serhii, Leah en Cato zijn een beetje laat en hebben daarom nog even geen tijd voor een kopje thee. Ze installeren zich aan de grote tafel en stellen de eerste vraag.

Wie was uw vader?
‘Mijn vader werkte bij het gemeentelijk energiebedrijf. Hij moest ervoor zorgen dat er elektra geleverd werd aan de Duitse bezetter. Toen iedereen moest evacueren, mochten wij blijven wonen waar we woonden. De rest werd weggestuurd om de soldaten te huisvesten vanwege het vliegveld en de Atlantikwall.

Mijn vader was een hotemetoot van het verzet. In onze kelder stond een stencilmachine waarmee een verzetskrant werd gedrukt. De vellen zaten op een rol en met de hand moest je draaien en stencilen. De krant heette de Waarheid en werd verspreid door heel Noord-Holland. 1800 exemplaren moesten er gedrukt worden… Daar waren vier mensen een hele dag mee bezig.’

Hadden jullie ook onderduikers in huis?
‘Wij hadden meerdere onderduikers in huis. Een van de onderduiksters was Hannie, een Joods meisje van 12 jaar. Mijn moeder verfde haar haar blond met waterstofperoxide zodat ze gewoon met ons buiten kon spelen. Ze werd mijn grote zus en zorgde ook voor mij, ik was pas vier jaar toen.

Ook kwam David bij ons wonen. David zat eerst ondergedoken met zijn familie boven een Duitse winkel bij de familie Vrasdonk, dat was heel gevaarlijk. Toen iedereen in Bergen moest evacueren, moesten de onderduikers natuurlijk ook mee. In een kar tussen alle spullen met een doek over zich heen zijn ze toen vertrokken met de familie Vrasdonk.

Maar David zat toen al twee jaar in dat kamertje boven de winkel. Ze mochten geen geluid maken en niet naar buiten. Hij werd mensenschuw, bang en ziek van narigheid omdat hij niet buiten kon spelen en stil moest zijn.

Mijn vader bood toen aan dat David bij ons zou komen wonen. En zo gebeurde het dat hij het laatste driekwart jaar van de oorlog bij ons woonde. Hij zag er heel Joods uit en kon daarom meestal niet naar buiten. Soms als we wisten dat er geen gevaar was, riepen we ‘Piet Kieviet’! En dan kwam David buiten spelen, we hadden hem een andere naam gegeven omdat David een Joods naam is.

Hij werd mijn grote broer. Mijn vader gaf hem blokjes hout waarmee hij ging jongleren en ons voorstellingen gaf. David oefende heel veel omdat hij zoveel binnen zat en werd daarin zo goed dat hij er een echte act van maakte. Later heeft hij hiermee over de hele wereld opgetreden.’

Waarom hielpen uw ouders onderduikers?
‘Wat doe je als mensen bij jou op de stoep staan voor hulp? Help je ze dan? Mijn ouders hadden ontdekt dat de Duitse bezetters mensen gingen vervolgen en Joodse mensen naar vernietigingskampen stuurden. Dat vonden mijn ouders verschrikkelijk en ze vonden dat ze moesten helpen en zich moesten verzetten.’

Heeft u ook bombardementen gezien?
‘Ik heb bombardementen gezien op het vliegveld. De Duitse soldaten hadden daar vliegtuigen staan waarmee ze probeerden de geallieerden uit de lucht te schieten. En de geallieerden lieten bommen vallen op de Duitse vliegtuigen op het vliegveld.

Naast het vliegveld waren volkstuintjes waar meneer Gieling, een vriend van ons, bezig was. Hij zag een Engelse bommenwerper laag overkomen en hij dacht: dat is wel erg dichtbij! Naast zijn tuintje was een groot gat en hij besloot daarin te springen. Inderdaad viel er vlakbij een bom. Maar al het zand dat door de bom in de lucht spoot, kwam in het gat terecht waarin hij gevlucht was.’

 

Archieven: Verhalen

‘Op een dag stortte een Canadees vliegtuig neer op tien meter van ons huis’

Jaap Staadegaard (90) komt op zijn fiets naar de Willem-Alexanderschool in Bergen, het is een stralende dag! Rinad, Florence, Barend, Liam en Samuel interviewen hem over zijn herinneringen aan de oorlog. Meneer Staadegaard is heel vrolijk en vertelt graag en helder. Hij laat op allerlei plattegronden zien waar wat gebeurde.

Hoe voelde het toen de oorlog begon?
‘Ik ben geboren aan de Kogerdijk in Bergen, daar waar een trammetje reed tussen Bergen en Alkmaar. Ik was zeven jaar toen de oorlog begon. Op een nacht kwam de Duitse luchtmacht het vliegveld bombarderen, terwijl ik met mijn broertje boven in ons huis lag te slapen. We werden wakker en zagen het vuurwerk van de bombardementen door het dakraampje, dat was heel eng. Ik hoorde hoe de bommen uit elkaar sprongen.

Een goede vriend van mijn ouders werkte op het vliegveld en is daar toen verongelukt. Hij zat middenin het bombardement. In de maanden daarna zagen we ’s avonds vanuit ons dakraam allemaal Engelse vliegtuigen overvliegen en ‘s morgens om 06.00 uur zag je ze allemaal weer terugkomen. Zij hadden dan Duitsland gebombardeerd.’

Kende u onderduikers?
‘Mijn broers doken onder. Zij waren ouder dan ik en oud genoeg om in Duitsland in fabrieken te gaan werken. De meeste jonge mannen werden opgeroepen. Dat was omdat alle Duitse jonge mannen in de oorlog meevochten, waardoor er een tekort was aan arbeidskrachten in de Duitse fabrieken. Een heleboel Nederlandse mannen wilden natuurlijk niet naar Duitsland, dus die gingen onderduiken.

Wanneer mijn broers het bericht kregen van een razzia, gingen ze het land in naar een gesloopte boerderij, waar nog een kelder onder zat. Die hadden ze verbouwd. Bij dreiging gingen ze daarheen om onder te duiken.’

Hoe kwamen mensen aan eten in de oorlog?
‘Er was een hongerperiode tijdens het laatste jaar van de oorlog. Veel mensen kwamen met oude kinderwagens langs om te kijken of ze bij ons ergens in de buurt eten konden krijgen. Mijn vader was boer en was verplicht om melk te leveren aan de Duitse bezetter. Ook een aantal andere mensen kreeg melk van ons. Zoals de machinist van de tram. Als hij uit Alkmaar naar Bergen reed, trok hij aan de fluit en dan liepen wij naar de tram en gaven hem de melk. Als dank gooide hij dan wat steenkool uit de tram, zodat we brandstof hadden voor de kachel.

Sommige boeren waren verplicht om graan te verbouwen voor de Duitse soldaten. Zij hadden ook eten nodig. Tijdens het oogsten van het koren vielen er aren links en rechts. Mijn broer en zus kwamen dan naar Warmenhuizen met de tram om aren te zoeken en keerden terug met zakken vol!

Mijn vader sloeg de aren stuk, dorsen noemde je dat, en wij maalden de granen in de koffiemolen tot meel. Daar maakte mijn moeder weer brood van.’

Wanneer was u het bangst?
‘Op een dag stortte een Canadees vliegtuig neer op tien meter van ons huis. Het vloog in brand. In het vliegtuig zaten zes piloten, van wie drie de crash overleefden.

Deze drie piloten stonden na het ongeluk bij ons op de stoep voor hulp. Maar omdat mijn twee broers bij ons zaten ondergedoken, vond mijn moeder het te gevaarlijk. De piloten bleven bij ons op de stoep zitten totdat de Duitse soldaten kwamen om hen op te pakken. Deze drie piloten liggen begraven op de begraafplaats hier in Bergen.’

Archieven: Verhalen

‘Je had de gekste dingen in de oorlog, ik had bijvoorbeeld malaria’

Annie Stoop (97 jaar) is een week eerder naar de Willem-Alexanderschool in Bergen gekomen om de kinderen te vertellen over haar jeugd tijdens de oorlog. Nu mogen Ruben, David, Jip, Lola en Melle haar zelf interviewen. Ze hebben allerlei vragen voor haar bedacht. Iedereen neemt plaats in het kantoor van de directrice van de school en de kinderen schenken lekkere koffie.

Waar woonde u in de oorlog?
‘We woonden op de Loudelsweg. Tegenover ons was een school die vol zat vol met Duitse soldaten. Aan de ene kant van ons woonden de SS‘ers en aan de andere kant was munitie opgeslagen. Daar woonden wij dus tussenin.’

Had u vriendjes?
‘Ik had veel vriendinnetjes. Thuis was ik alleen met mijn ouders want ik had geen broers en zussen. Maar naast ons en tegenover woonden gezinnen met kinderen. We speelden altijd samen buiten op straat: knikkeren, hinkelen touwtjespringen… dat was heerlijk!

Ik speelde ook veel met poppen en met mijn poppenwagen. Ik was zo trots op mijn poppenwagen. Maar mijn vader heeft hem in de oorlog geruild voor een kist aardappelen omdat er geen eten was. Ik vond het heel erg dat ik hem kwijt was.’

Veel mensen moesten evacueren uit Bergen, ook u moest weg. Hoe ging dat?
‘Op een dag kwam er iemand bij ons die zei: ‘Jullie moeten weg. Vanavond gaan ze bommen gooien en jullie wonen naast een munitiedepot.’ Toen zijn we met zijn drieën en andere buren op de fiets naar Krabbedam gegaan. Mijn moeder kon niet fietsen en zat bij de buurman voorop.

De volgende dag zagen we dat ze op het vliegveld alles lieten ontploffen. Het was een enorm lawaai. Dat was de dag dat de geallieerde landden: D-Day. Daarna moesten we allemaal weg uit Bergen. Wij zijn toen in Amsterdam-Noord terechtgekomen bij familie.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘Het was wel vrede, maar er was natuurlijk zoveel vernield. Er was nog niks, dus al het eten was nog op de bon. Er was geen huis gebouwd in de oorlog en er waren geen materialen. Heel West-Europa lag in puin.

Er was nog geen regering, het was allemaal nog een warboel eigenlijk. Je had dan wel de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten, dat waren mannen die in de ondergrondse gezeten hadden en nu een beetje soldaat waren geworden. Het was een samengeraapt zooitje in een blauwe overall met BS erop. Zij hebben de boel weer een beetje op orde gebracht.’

Is er iemand in uw familie overleden tijdens de oorlog?
Er was heel weinig medicatie en zorg en mensen waren heel erg verzwakt door gebrek aan eten. Daardoor werd iedereen ook sneller ziek. Er heerste difterie. Mijn nichtje van 17 jaar is eraan overleden. Nu zijn er genoeg medicijnen, maar in de oorlog was er bijna niets.

Je kreeg ook hele rare ziektes. Ik heb bijvoorbeeld malaria gehad, een tropische ziekte die hier nooit voorkomt. Je had de gekste dingen in de oorlog. Mijn vader is in maart 1946 overleden. Hij heeft het allemaal niet goed kunnen verwerken.’

Archieven: Verhalen

‘Als de rivier hoog stond, kwamen er krokodillen en slangen het dorp in’

Op een zonnige maandagochtend bezoeken Estee, Marie en Ilvy van basisschool de Talisman in Eindhoven Rasoelan Rodjan. Mevrouw Rodjan (1951) werd geboren in district Saramacca in Suriname, waar haar Hindoestaanse voorouders naartoe waren gebracht als contractarbeiders. Ze woonde er tot haar achtste jaar, diep in de jungle. Op haar drieëntwintigste kwam ze noodgedwongen naar Nederland.

Hoe zijn uw voorouders in Suriname terechtgekomen?
‘De moeder van mijn oma was een jonge weduwe uit India. De Engelsen bepaalden dat zij met haar dochters naar Suriname moest om op de plantages te werken. Op de boot werd ze vaak lastiggevallen, maar er was ook een man die haar beschermde. Uiteindelijk trouwde hij met haar, maar hij moest haar eerst kopen voor 30 cent. Zo werkte dat toen. Na vijf jaar hard werken op de suikerrietplantage was hun beloofd dat ze terug mochten naar India. Maar dat is nooit gebeurd. In plaats daarvan werden ze met een groep van elf in een stuk oerwoud in Saramacca gezet. Er was niets: geen huizen, geen winkels, geen wegen. Met de kennis die ze meebrachten uit India, over gewassen en eetbare planten, hebben ze langzaam een bestaan opgebouwd.’

Hoe was het leven in het oerwoud?
‘Ik ben zelf ook in dat dorp geboren en heb er gewoond tot mijn achtste. We hadden niets: geen elektriciteit, geen televisie, geen stromend water. Rivierwater deden we in een vat en met een poedertje maakten we het drinkbaar. De huizen waren gebouwd van bamboestokken, met een dak van bladeren, op kokosstammen als palen. Als de rivier hoog stond, liep het water het huis in en kwamen er krokodillen en slangen het dorp in. Ik ben nog steeds bang voor slangen. Er was geen radio. Als er iemand was overleden, gingen er twee mensen met een boot en een luidspreker langs alle huizen om het nieuws te brengen.’

Hoe was uw dagelijks leven als kind?
‘Werken, altijd werken. Vanaf mijn achtste moest ik meehelpen: rijst planten, oogsten, de korrels van de stengels afhalen. We aten wat we zelf verbouwden: rijst, linzen, groenten, vis en later hadden we ook kippen en koeien, die we zelf slachtten. Puberen? Dat kende ik niet. Als kinderen de hele dag zinvol bezig zijn, komen er geen rare dingen in hun hoofd.’

Waarom moest u buigen voor witte mensen?
‘Onze ouders leerden ons dat witte mensen alles te vertellen hadden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er soldaten in Suriname, en als die langskwamen moesten wij buigen. Ik dacht altijd dat witte mensen heel hoog geleerd waren. Maar toen ik hier in Nederland kwam, ontmoette ik witte mensen die nog nooit naar school waren geweest. Toen dacht ik: ik weet meer dan zij. Dat was een grote verrassing. Ik vind nu dat iedereen gelijk is niemand is meer of minder.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Toen Suriname onafhankelijk werd, liepen de spanningen tussen Afro-Surinamers en Hindoestanen hoog op, die haat was er door de Nederlanders ingezaaid. Mijn man werd op een avond opgewacht, neergeslagen en met zijn vrachtwagen de rivier ingereden. Mensen zagen een lampje branden en hebben hem eruit gehaald. Ook mijn broers moesten vluchten: de een na een gevecht, de ander na het verlies van zijn beste vriend bij een schietpartij. Voor ons was het duidelijk: het was niet meer veilig. In 1974 zijn we met het vliegtuig naar Nederland vertrokken. Mijn man kreeg werk bij autofabrikant Daf en al snel daarna kochten we een huis voor 30.000 gulden. Dat heb ik later voor het viervoudige kunnen verkopen.’

Hoe was de aankomst in Nederland?
‘We waren een groot, vrij land gewend. Toen ik hier al die auto’s in de rij zag staan, dacht ik: is hier een feestje? Bij ons stonden er alleen bij een bruiloft auto’s. En toen we in ons huis kwamen, zei mijn vader: dit is net een apenkooi: zo klein, en de hele dag naar buiten kijken door een raam, als een gevangenis… Hij hield het een maand vol en ging terug. Wij zijn gebleven. Ik mis het leven in Suriname nog steeds. Maar ik woon al vijftig jaar hier, en via de app bel ik veel met mijn familie in Suriname.’

Archieven: Verhalen

‘We waren zo mager als een lat, onze ribben waren te zien’

De vader van Anton Stephan (1933) was officier bij de luchtmacht van het KNIL en had veel aanzien. Ze woonden dan ook in een luxe huis met een baboe voor elk kind, een kok en een tuinman. Toen de oorlog uitbrak veranderde alles en bracht meneer Staphan jaren met zijn moeder, inmiddels weduwe, door in verschillende kampen. Lucas, Fos en Cole van de Talisman in Eindhoven hebben zijn voorgeschiedenis gelezen en willen hem graag nog allerlei vragen stellen.

Hoe werd u behandeld in de kampen?
‘Dat hing af van de omstandigheden van het kamp zelf, in het ene kamp waren de kampcommandanten vriendelijker dan in het andere kamp. Maar ze waren allemaal heel streng en iedereen moest werken hoe klein je ook was. Ik was negen jaar en moest schoonmaken en wieden. Je kreeg heel weinig eten en als je ziek was, waren er geen medicijnen of soms ook geen dokter, dus dat was niet best.

Naarmate de oorlog vorderde, kregen we steeds minder eten en werden we strenger behandeld. Het eten dat we kregen in de ochtend en avond was een bord pap. Een soort stijfsel, gekookt van meel. En daar kreeg je een lepel van, gekookt in water, zonder suiker… het smaakte vies, maar je at alles op want je had honger. We kregen zo’n 100 gram en dat is eigenlijk te weinig, zelfs voor een kind. In de middag kregen we wat rijst met wat groenten, er was geen vlees. We waren zo mager als een lat; onze ribben waren te zien, echt vel over been.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt?
‘Ik heb daar geen rangorde in, maar wat indruk op me gemaakt heeft is wat er met mijn oma gebeurde. Zij woonde bij ons voordat er oorlog uitbrak en zij is met ons in die kampen gegaan. Ze was toen 72 jaar en een heel gezonde vrouw, vrij fors ook.

Als we ‘s avonds eten kregen dan was dat nooit lekker, echt viezig, maar we aten het wel op. Zij zei dan altijd: ‘Ik vind het niet lekker, eten jullie het maar op’, en dan gaf ze mijn zusje en mij wat van haar eten. Wij wisten echter niet dat zij veel te weinig eten kreeg als volwassen vrouw. Ze is van hongersnood gestorven waar wij bij waren. Dat heb ik me pas later gerealiseerd en toen vond ik dat heel erg.’

Archieven: Verhalen

‘De Molukkers kregen geen huis, maar moesten in oude kampbarakken wonen’

Anne-Fleur, Aras en Raffa zijn op bezoek bij Linda van der Heijden-Van Gurchom in Eindhoven. Ze vertelt de leerlingen van de Talisman, onder het genot van sponscake en spekkoek, het verhaal van haar Molukse en Indische ouders en grootouders. Ze beschrijft hoe het leven voor hen was in Nederlands-Indië tijdens de oorlog en hoe het daarna was om in Nederland te moeten wennen aan een heel andere cultuur. Ook vertelt ze over haar eigen jeugd.

Mevrouw Van der Heijden-Van Gurchom is geboren in 1956 in Eindhoven. Ze heeft tot haar vierde bij haar Molukse grootouders in Tiel gewoond, omdat haar ouders toen niet voor haar konden zorgen. Haar moeder is geboren in 1932 in Batavia (nu Jakarta), wat ligt op het eiland Java in Indonesië. Haar vader is ook geboren in Batavia, een jaar eerder in 1931. Ze waren kinderen van KNIL-militairen, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.

Haar grootouders van moeders kant komen van het Molukse eiland Ambon. Haar grootouders van vaders kant zijn Indisch (opa) en Moluks (oma). De overgrootvader van Linda (geboren in 1872) was een Nederlander uit Tilburg, die naar Nederlands-Indië emigreerde rond 1900 om daar het avontuur op te zoeken. Hij werkte onder meer voor het KNIL en als gevangenisbewaarder. Hij overleed op jonge leeftijd in 1921.

Hoe was het bij uw opa en oma in Tiel?
‘Mijn grootouders waren heel lief, ik werd op handen gedragen. Ze vonden het heel leuk dat er zo’n klein meisje in huis woonde. Ook later toen ik alweer in Eindhoven woonde, werd ik altijd extra verwend: als mijn broertjes en zusjes één gulden kregen, kreeg ik er twee!

Toen ik vier jaar werd, moest ik terug naar mijn ouders, zodat ik naar school kon en Nederlands leren. Dat voelde voor mij alsof ik mijn ‘ouders’ moest verlaten, want zo zag ik mijn opa en oma. Ik sprak alleen Maleis, geen Nederlands. Ik weet nog dat ik onder de eettafel verstopt zat, heel verlegen, en dat mijn moeder Nederlands tegen me praatte en ik er niks van begreep.

Die tijd heeft me sterker gemaakt. In het begin was het moeilijk, maar later heb ik een heel goede band opgebouwd met mijn moeder, vooral door muziek. Muziek verbond ons. Zelfs toen mijn moeder in het verzorgingstehuis zat, ging ik nog iedere week bij haar op bezoek en dan zongen we liedjes. Het zit in onze genen, muziek maken. Mijn vader speelde gitaar en mijn moeder zong.’

Hoe was het voor uw Indische opa om aan de Birma-spoorlijn te werken?
‘Mijn Indische opa moest als krijgsgevangene werken aan de Birma-spoorlijn in Thailand. Dat was extreem zwaar werk onder de hete zon, zonder machines. Als je even stopte, werd je geslagen. Veel mensen stierven; er wordt gezegd dat elke spoorbiels een mensenleven kostte.

Mijn opa overleefde het, maar kwam na twee jaar sterk verzwakt terug. In de tussentijd dacht zijn familie dat hij overleden was en had mijn oma een andere man die haar beschermde. Dat was nodig, omdat vrouwen anders gevaar liepen en door Japanse soldaten konden worden misbruikt. Later kreeg mijn opa een nieuwe vrouw met wie hij nog eens zes kinderen kreeg. Ik heb dus een hele grote familie.’

Waarom waren de Molukkers boos op de Nederlandse regering?
‘Molukse soldaten werden bij aankomst in Nederland ontslagen, terwijl ze jarenlang voor Nederland hadden gevochten. Dit voelde voor hen als verraad. Ook beloofde Nederland dat ze terug konden naar de Molukken en dat de Molukken zelfstandig konden worden, maar die belofte werd niet nagekomen. Ze zouden voor de rest van hun leven in Nederland blijven.

Hun toekomst was uitzichtloos. Ze mochten een lange tijd niet werken en leefden in armoede en in slechte omstandigheden in oude kampbarakken. Sommige Molukse jongeren gingen drugs gebruiken, om de ellende maar niet te hoeven voelen. Nederland zweeg erover en heeft nooit excuses aangeboden voor de slechte behandeling. Vooral dat maakte Molukse mensen zo boos.

Er kwamen protesten. Enkelen hebben zelfs treinen en een school gekaapt om aandacht te vragen voor hun zaak. Er ontstond discriminatie. Op basis van zijn uiterlijk werd mijn broer, jouw opa, meerdere keren gecontroleerd door de politie. Hij was toen 17 jaar en moest met de trein naar school in Helmond. Hij werd publiekelijk gefouilleerd. Zijn schooltas werd overhoop gehaald en hij werd hardhandig tegen de trein gezet. Dat was heel eng en intimiderend voor hem. Dat zou in deze tijd niet zomaar meer kunnen. En gelukkig maar.’

Hoe was het voor de Molukkers om naar Nederland te gaan?
‘Eenmaal in Nederland hadden ze helemaal niks meer. Geen werk, geen spullen en vaak met een oorlogstrauma. Alleen wat dunne kleren die bedoeld waren voor tropische weer.

Ze kregen geen huis maar moesten in oude, primitieve kampbarakken wonen, waar in de oorlog Joden naartoe werden gestuurd. Het was daar koud en kil en ook een beetje eng. Ik heb daar ook nog even gewoond. Ik kan me nog herinneren dat er lange keukens waren; aan de ene kant waste mijn oma mij in de gootsteen en aan de andere kant werd het eten gekookt.

Ook vond de Nederlandse bevolking ons maar vreemd. We droegen andere kleren en hadden een andere huidskleur. Ik weet nog dat ik met mijn oma naar de drogist ging en dat zij een sarong droeg (een Indonesische rok). Mensen stootten elkaar aan en wezen naar mijn oma en zeiden: ‘wat heeft jouw oma rare kleren aan’.’

Bent u verdrietig over de geschiedenis van uw familie?
Ja, best wel. In mijn jeugd werd er weinig gesproken over het verleden. Mijn ouders wilden ons beschermen en waren vooral blij dat er geen oorlog meer was. Als we ernaar vroegen, bleven ze stil.

Door hun trauma’s konden ze hun emoties soms niet goed verwerken. Daardoor kwam het voor dat ze streng waren en soms lijfstraffen gaven. Dat was in die tijd binnen Indische en Molukse gezinnen niet ongewoon. Het verdriet en de pijn uit de oorlog werden dus vaak doorgegeven aan de volgende generatie. Gelukkig zie ik dat dit bij mijn generatie is gestopt.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder ging bidden en ik knielde naast haar. We wachtten in angst’

Matteo, Devin en Cem, studenten van het ROC Nijmegen, spreken met de 89-jarige Trees van Asperen-Veldkamp tijdens een bijzondere avond in het ROC-restaurant, waar medestudenten koken en bedienen. Het wordt een warme en open ontmoeting, waarin niet alleen herinneringen aan de oorlog worden gedeeld, maar ook persoonlijke verhalen van de studenten zelf.

Wat herinnert u zich nog van het begin van de oorlog?
‘Toen de oorlog begon in mei 1940, was ik nog maar vier jaar oud. In juli zou ik vijf worden. We woonden aan de Heiweg in Nijmegen, met mijn vader, moeder en vijf oudere broers en zussen. Ik was de jongste van zes. Mijn vader werkte bij de politie.

Van het allereerste begin van de oorlog weet ik zelf niets meer. Ik was te jong. Mijn oudste broer was achttien toen de oorlog begon. Hij moest in Duitsland werken als schilder. Eerst in Kleef, later in Oberhausen en Frankfurt. Tegen het einde van de oorlog kreeg hij verlof om naar huis te gaan en is hij niet meer teruggekeerd. Daarna moest hij voorzichtig zijn, want in onze straat woonde een NSB’er.

Mijn eerste echte herinneringen zijn van 1942. Duitse soldaten werden in onze school ondergebracht en wij kregen les in een timmerwerkplaats aan het Knolpad. Een jaar later zaten we in een café aan de Jacobslaan. In die periode vond het bombardement op Nijmegen plaats, op 22 februari 1944.’

Hoe heeft u het bombardement ervaren?
‘Die dag zal ik nooit vergeten. Ik was thuis met mijn moeder toen de sirenes weer begonnen te loeien. Mijn broers en zussen waren in de stad, net als mijn vader. We hoorden de vliegtuigen laag overkomen. Mijn moeder ging op haar knieën in de gang bidden en ik knielde naast haar. We wachtten in angst. Later zagen we rookwolken boven de stad. Pas ’s avonds was iedereen weer thuis. Mijn vader was blijven helpen; hij was politieman en voelde zich verantwoordelijk.’

Wat is uw meest aangrijpende herinnering aan de oorlog?
‘Dat is mijn herinnering aan Letty. Letty logeerde met haar moeder twee huizen verderop bij familie. We speelden samen op straat. Op een dag vroeg ze of ze mee mocht spelen. Mijn broer zei: ‘Dat mag, als je geen NSB’er bent’. We wisten toen nog niet dat ze Joods was. Haar moeder had mijn ouders in vertrouwen verteld dat ze Joods waren en daarom uit Amsterdam waren weggegaan.

Op een ochtend wilde ik haar ophalen om te spelen. Toen hoorde ik dat ze plotseling terug waren gegaan naar Amsterdam. Ik vond het gemeen dat ze niets had gezegd. Later hoorde ik dat ze waren opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz waren gedeporteerd. Ze is daar omgekomen. Ik ben later op onderzoek gegaan naar wat er precies gebeurd is.’

Kunt u vertellen wat u later te weten bent gekomen over Letty en haar familie?
‘Ik kwam erachter dat Letty eigenlijk Lily Abrams heette. Na terugkomst in Amsterdam zijn zij en haar moeder verraden. Ik heb geschreven naar instanties en hoorde dat ze via Westerbork naar Auschwitz was gedeporteerd. Mijn man en ik zijn later naar Westerbork en Auschwitz geweest. In Amsterdam vond ik haar foto terug op een tentoonstelling met omgekomen Joodse kinderen. Dat moment raakte me diep.

De vader van Letty is niet vermoord is. Hij heeft de oorlog overleefd. Hij deed werk voor het verzet, onder andere het vervalsen van paspoorten.’

Archieven: Verhalen

‘Ik was op een dag buiten toen Piet op sokken onze straat in rende’

Tijdens een vijfgangendiner in het ROC-restaurant spreken Stef, Lucas en Amanda, studenten van het ROC Nijmegen, met de 89-jarige Jaap Mooi. Het is een gesprek over oorlog, de strijd van vandaag en de waarde van een diploma.

Hoe begon de Tweede Wereldoorlog voor u en uw gezin?
‘Ik ben geboren in 1937 in de Beethovenstraat in Nijmegen-Oost, recht tegenover het Sportfondsenbad. Ik woonde met mijn drie zussen, een broer en mijn ouders.

Mijn vader werkte bij het kadaster. Op een gegeven moment stond hij op de zwarte lijst. Er kwam een NSB’er in uniform bij hem op kantoor. Het was een bekende Nijmeegse ondernemer en hij wilde een huis van Joodse mensen die opgepakt waren, op zijn naam laten overschrijven. Mijn vader draaide zijn stoel om en weigerde mee te werken. Daarop kwam hij op de zwarte lijst te staan.

Ik was drie jaar toen de oorlog begon. Mijn herinneringen zijn vooral aan het einde van de oorlog, vanaf 1943 of 1944. Mijn moeder lag vaak ziek op bed, en als zevenjarige wilde ik altijd naar buiten, ook al werd Nijmegen de hele dag beschoten. Er was op straat en bij het zwembad bij ons aan de overkant, het Sportfondsenbad, altijd iets te doen. Het plein bij het zwembad trok aan mij als een magneet: eerst kwamen de Duitsers zwemmen, later de Engelsen en Amerikanen, en ik zat er altijd tussen.’

Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘Mijn eerste herinneringen beginnen in 1943 bij de spoorwegstaking. Toen de spoorwegstaking uitbrak, liet het personeel van het Sportfondsenbad uit solidariteit met de stakers het zwembad leeglopen. Er stond nog maar een laagje van 3 centimeter water in. Toen de Duitsers kwamen zwemmen, waren ze woedend. Ze stonden met geweren voor het zwembad en gingen op jacht naar het personeel van de spoorwegen dat de staking had veroorzaakt. Ze vonden niemand, behalve de vrouw van de machinist. Die hebben ze meegenomen, en zij is later in een concentratiekamp vermoord. Wij kinderen keken vanachter het slaapkamerraam onder de gordijnen door en zagen dit allemaal gebeuren.’

Heeft u voorbeelden gezien van verzet in uw omgeving?
‘Mijn buurmeisje was verloofd met Piet Berkelaar, een Nijmeegse politieman. Politiemensen kregen de opdracht om Joodse gezinnen op te halen en te transporteren. Piet zat ook in een groep politiemensen die deze opdracht kregen. Maar Piet en een aantal andere agenten hadden afgesproken dat ze, zodra ze adressen kregen, de mensen eerst zouden waarschuwen: ‘Morgenavond komen ze je halen’, Zodat ze nog konden wegvluchten.

Wanneer de politie een dag later bij die deuren kwam om de mensen op te halen, was er niemand thuis. De bezetter kreeg argwaan en plaatste een ‘foute’ politieman in de groep, die de politiemensen die de mensen waarschuwden verried. Een aantal van deze agenten is opgepakt en later gefusilleerd in Wassenaar.

Ik was op een dag buiten toen Piet op sokken onze straat in rende. Hij bonkte op de deur naast ons huis. Hij werd binnengelaten. Ik liep ons huis binnen en zei tegen moeder: ‘Piet is op zijn sokken aankomen rennen en bij de buren’. Direct werd ik door moeder achter het huis gezet met haar hand voor mijn mond. Ze besefte hoe gevaarlijk de situatie was. Er kwamen meteen Duitse bezetters de straat in gerend. Ze zochten Piet. Ze liepen zelfs over de daken. Piet is niet gevonden en via via is hij in Delft terechtgekomen, waar hij tot na de oorlog bleef. Achteraf hoorden we dat hij door een foute politieofficier was gewaarschuwd. Dat is dan weer bijzonder.’

Welke gebeurtenissen hebben de meeste indruk op u gemaakt?
‘De meeste indruk op mij maakte de granatentijd. De Duitsers schoten de hele dag granaten over de stad en die vlogen soms ook over ons huis heen. Een granaat kwam over ons huis en sloeg bij de ingang van het zwembad door een ruit. Het vijftienjarige meisje dat bij de kassa zat, Truus Mast, werd in stukken verscheurd. Ik was buiten en ben nieuwsgierig naar de ingang gerend. Bij de hal stonden twee Amerikaanse soldaten bij hun auto. De granaat kwam op de motorkap en raakte deels de militairen, deels ging het stuk door de kassaruimte, waarbij Truus Mast om het leven kwam. Ook de twee Amerikanen kwamen om het leven.

Later in mijn leven toen het zwembad afgebroken werd en er een park op die plek kwam ben ik er als raadslid voor gegaan dat het park op die plek haar naam zou krijgen. Via de CDA-fractie is dat gelukt: het heet nu het Truus Mast Park.

Heel veel mensen zijn in Nijmegen-Oost omgekomen door granaten. In feite heb ik drie maanden met een engeltje op mijn schouder rondgelopen. Overal waren doden om me heen. Een granaat kwam door het dak van het huis naast ons in de huiskamer terecht.

Op een dag liep ik de Torenstraat op. De geallieerden hadden daar een hele diepe kuil gegraven om overtollige munitie in te gooien. Een groepje jongens had dat in de gaten en stak een lont, in benzine gehangen, aan. Alles vloog in brand en schoot de lucht in. De stukken munitie kwamen in woonhuizen terecht, onder andere bij onze buurman. Velen vonden hierbij de dood.’

Hoe probeerden jullie te overleven tijdens de gevaarlijkste periode?
‘In die tijd zochten mensen veiligheid in het zwembad. Wij ook. We doken onder in de catacomben. Er waren ook bedden neergezet. Ik sliep in de pijpelaar, samen met meer kinderen. We kregen blikken gecondenseerde melk. We zaten zeker een aantal weken in de catacomben en de machinekamer.

Voordat we in het zwembad gingen schuilen en het gevaarlijk werd, zette mijn vader bij luchtalarm altijd een tafel tegen de wand en legde alle kussens die we konden vinden op de tafel. Wij gingen eronder zitten. Ik zat tussen mijn drie zussen en broer. Ik maakte grapjes, maar de meiden waren bang en vonden dat niet leuk.’

Wat gebeurde er met Jan Dekkers?
‘Jan Dekkers drukte boekjes voor het verzet. De Duitsers hadden hem op de korrel en hebben hem verraden. Ze hebben hem opgepakt en naar de gestapo in Arnhem gebracht, waar ze hem hard martelden totdat hij bekende. Hij is naar een concentratiekamp in Duitsland gebracht. Hij is bevrijd door de geallieerden en lopend naar Nijmegen teruggekomen. Ik kende hem goed; ik heb na de oorlog met hem in de ondernemersvereniging gezeten.’

Archieven: Verhalen

‘Was het een gewone schooldag geweest, dan was ik er waarschijnlijk niet meer geweest’

Grajan, Tygo, Davian en Romano, studenten van het ROC in Nijmegen, spreken met de 89-jarige Herman Bertels tijdens een bijzondere avond in het ROC-restaurant, waar medestudenten koken en bedienen. Terwijl meneer Bertels vertelt over zijn jeugd in oorlogstijd en foto’s laat zien, delen ook de studenten hun eigen ervaringen en gedachten. Het is een warme en verbindende avond.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben in 1937 geboren in de Kortemolenstraat, in het centrum van Nijmegen, later de Broerstraat genoemd. Mijn vader had daar een herenmodezaak. Ik had een broer en zus die tweeling waren, geboren in 1942, en een jongere zus die na de oorlog kwam. In 1942 verhuisden we naar de Sint-Annastraat, omdat het huis boven de winkel te klein werd.’

Wat herinnert u zich van het bombardement op Nijmegen?
‘Op 22 februari 1944 veranderde alles. Normaal was ik die dag op de bewaarschool geweest, maar mijn vader was met de trein weg en daarom bleef ik thuis. Die dag werd het centrum van Nijmegen gebombardeerd. De bewaarschool werd geraakt: 22 kinderen en 8 nonnen kwamen om. Als het een gewone dag was geweest, had ik daar ook gezeten.’

Wat gebeurde er met de winkel van uw vader?
‘Mijn vader kon niet meteen terug omdat het station was verwoest. Toen hij later naar de stad ging kijken, was alles weg. Van zijn winkel was niets meer over. Het enige wat hij terugvond, was een porseleinen eierdopje dat hij gebruikte om prijskaartjes te maken. Dat kleine voorwerp is het enige tastbare dat overbleef van zijn zaak.’

Hoe verliep de oorlog voor jullie na het bombardement?
‘In het najaar van 1944 werd het opnieuw gevaarlijk door beschietingen en bombardementen. Daarom werden we geëvacueerd naar Alverna bij Wijchen. We woonden daar een half jaar bij mensen in huis. Mijn vader probeerde eten te regelen bij boeren. Ik kreeg af en toe les en speelde met een jongen uit de buurt. Ik zag daar ook een neergestort vliegtuig in een weiland.’

Hoe kijkt u nu terug op die tijd?
‘Na de bevrijding keerden we terug naar een zwaar verwoest Nijmegen. Als kind besefte ik niet altijd hoe groot het gevaar was. Pas later realiseerde ik me hoe dicht ik bij de dood ben geweest. Het had heel anders kunnen aflopen. We hebben uiteindelijk vooral heel veel geluk gehad.’

Archieven: Verhalen

‘Veel van Ria’s vriendinnetjes kwamen om het leven bij het bombardement op Nijmegen’

Tijdens een bijzondere avond in het restaurant van het ROC Nijmegen luisteren Albaraa en Ali, studenten van het ROC, naar het verhaal van Paul van Bremen (1934), die de oorlogservaringen van zijn moeder Ria Wijers met hen deelt. Tijdens zijn verhaal komt het gesprek ook op andere onderwerpen, zoals toeval, verlies en de impact van oorlog, niet alleen toen maar ook nu. En ook in de levens van de studenten.

Kunt u ons vertellen wat uw moeder tijdens het bombardement van 22 februari 1944 meegemaakte?
‘Mijn moeder, Ria Wijers, groeide op in Nijmegen, waar haar ouders een bakkerswinkel hadden in de Lindestraat, midden in de stad. Ze woonden in een zeventiende-eeuws pand met gewelfde kelders, waar ook de bakkerij was gevestigd. In een van de kelders stond de oven. Daarboven lagen houten vloeren, met daartussen een laag zand als isolatie.

Ria zat op de montessorischool en was tien jaar oud toen in februari 1944 het bombardement op Nijmegen plaatsvond. Ze was ‘s morgens nog naar school geweest en om 12 uur naar huis gelopen om thuis te eten. Ze woonde dicht bij school en hoefde niet over te blijven zoals veel andere kinderen. Daardoor heeft ze het bombardement overleefd.

Het bombardement kwam totaal onverwacht. Ze zat in de keuken te eten met haar ouders en haar zus toen een granaatscherf door het raam naar binnen vloog. Het stuk metaal kwam op slechts enkele centimeters achter de rug van Ria’s zus terecht en sloeg in de muur. Als zij iets anders had gezeten, had ze het niet overleefd.’

Wat gebeurde er met hun huis en de buurt tijdens het bombardement?
‘Aan de overkant van de straat stonden alle huizen al snel in brand. Op zolder bij Ria thuis brak ook brand uit door het bombardement. In huis stond een grote teil met was. Daar lagen de bakkersschorten in te weken. Ria’s vader pakte zonder erbij na te denken snel de teil op en gebruikte het water om het vuur te doven. Tot lichte ergernis van zijn vrouw, die haar wasgoed verloren zag gaan, maar het huis was gered. Veel van Ria’s vriendinnetjes en buurtgenootjes kwamen om het leven.’

Wat gebeurde er met het gezin na het bombardement?
‘Na het bombardement bleef het gezin nog even in de puinhopen van de stad wonen.
Maar al snel werd Nijmegen frontstad. Aan de overkant van de Waal zaten de Duitsers, terwijl de geallieerden zich in en rond de stad bevonden. Het werd te gevaarlijk om te blijven en het gezin werd geëvacueerd naar de Ooijpolder, naar boerderij Stappershoef in Ooij. Ze konden alleen wat kleding meenemen, hun huis moesten ze achterlaten.

Ria’s vader hield van wijn en had zijn wijnvoorraad verstopt in de zandlaag tussen de oven en de houten vloer. Hij hoopte die zo veilig te stellen. Maar toen het gezin na de oorlog terugkeerde, bleek het huis volledig geplunderd. De Duitse bezetters hadden zich voor hun aftocht nog toegang verschaft tot het pand. De wijn was verdwenen, net als het meubilair, kunst en vrijwel alle bezittingen. Alles was weg.

Ook eerder in de oorlog had haar vader al verliezen geleden. Voor de oorlog bezorgde hij het brood met paard en wagen. Vlak vóór het uitbreken van de oorlog had hij eindelijk genoeg gespaard om een grote Citroën te kopen, een enorme stap vooruit voor zijn bedrijf. Maar de Duitsers vorderden de auto. Hij was hem kwijt en moest weer verder op de fiets.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892