Archieven: Verhalen

‘Woest waren de Duitsers, maar het zingen gaf de vrouwen kracht’

Hosaena, Shivika, Ansu, Jair en Zeynep van Basischool de Botteloef bekijken de voorpagina van Het Parool, de eerste krant die uitkwam een dag na de Bevrijding. Gedrukt op een stuk stof. De krant was in de oorlog verboden. Dorothy Borghardt (1954) beantwoordt hun vragen over haar oma Johanna Christina Belkmeer (1893). ‘Ik ben mij pas later echt gaan verdiepen in het verhaal van mijn familie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wat ik ontdekte, heeft diepe indruk op mij gemaakt.’

Hoe was het voor uw oma in de oorlog?
‘Het was in 1942 dat Joodse mensen werden opgeroepen door de Duitsers om te komen werken in werkkampen. Mijn oma hielp tijdens de oorlog onderduikers. Dat was levensgevaarlijk, maar ze deed het toch. Ze zal best bang geweest zijn. Nu vertel ik het verhaal van de Joodse winkelier en zijn gezin dat bij mijn oma ondergedoken zat.

Er was een vader Emanuel Aalsvel. Zijn vrouw Clara en hijzelf hadden beiden kinderen uit eerdere huwelijken en kregen samen ook nog kinderen. Na drie dagen bij mijn oma ondergebracht te zijn, hebben ze zich toch aangemeld voor een werkkamp. Ze zijn met de trein naar Westerbork gebracht en al snel daarna naar Auschwitz. De moeder en de kinderen zijn direct naar de gaskamers gebracht. Maar er was een oudste dochter in de familie die niet mee was met haar ouders. Zij heeft bij de moeder van mijn oma ondergedoken gezeten. Wat een verhaal hè? Uiteindelijk is ze toch opgepakt. Wat er precies met haar gebeurd is, probeer ik nog steeds te achterhalen. Toen de Russen Auschwitz dreigden te bevrijden, moesten ze het kamp verlaten. Allemaal moesten ze weg. Mensen die niet meer konden lopen, werden gewoon langs de kant van de weg doodgeschoten. Dit noemden ze de ‘dodenmarsen’. Ook zij is tijdens zo’n mars overleden, ergens in Oost-Europa. We weten niet waar.

Sommige mensen die bij mijn oma ondergedoken zaten, hebben de oorlog overleefd. Anderen hadden minder geluk. In 1943 werd mijn oma meerdere keren opgepakt en verhoord door de politie. Soms mocht ze na een paar uur weer naar huis, maar één keer zat ze vijf dagen vast. Op dat moment waren er geen onderduikers. Toch ging ze door met helpen. Dat laat zien hoe moedig ze was.

Bleef uw oma mensen helpen?
‘Op 22 maart 1944 ging het mis. De politie viel binnen en vond onderduikers in haar huis. Mijn oma en drie onderduikers werden opgepakt. De onderduikers werden via kamp Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Mijn oma werd bij de Amstelveense weg vastgezet en daarna naar kamp Vught gebracht. Nu is het een herinneringscentrum en  deels ook een gevangenis die extra zwaar bewaakt wordt. Later werd mijn oma gedeporteerd naar Ravensbrück in Noord-Duitsland.’

Hoe waren de omstandigheden voor uw oma ?
‘De reis daarheen was verschrikkelijk. Ze zat met zo’n tachtig mensen in een treinwagon, zonder ruimte om te zitten of liggen. Er was nauwelijks eten of water en geen toilet. Sommige mensen overleefden die reis niet. . Wat was nou zo bijzonder? Ze gingen met elkaar zingen, om de moed erin te houden. Zelfs toen ze aankwamen en naar het kamp moesten lopen, bleven ze zingen. Woest waren de Duitsers maar het gaf de vrouwen kracht. In Ravensbrück was het kamp overvol. Mijn oma moest zelfs een tijd buiten slapen, op een hoop kolengruis, in de regen.  Uiteindelijk werd ze met een groep van ongeveer 200 vrouwen overgebracht naar een kleiner kamp in de buurt van München, waar ze moest werken in een wapenfabriek. Er werkten daar ook Duitse vrouwen. Het werk was zwaar en heel precies ‘priegelwerk’. Ze moesten kleine onderdelen maken. 20 minuten lopen naar de fabriek in de kou met kapotte schoenen en dunne kleding. Er was weinig eten en de omstandigheden waren slecht. Ze waren het helemaal zat en besloten te gaan staken. Dat hielp uiteindelijk en ze kregen meer te eten.’

Hoe ging aan het eind van de oorlog met uw oma?
‘Aan het einde van de oorlog werden mijn oma en de andere vrouwen bevrijd door de Amerikanen. Na een lange reis ze uiteindelijk terug in Nederland. Ze woog nog maar 45 kilo. Voor een volwassen vrouw is dat extreem weinig. Ze moest langzaam herstellen en mocht niet ineens veel eten, omdat haar lichaam dat niet aankon. Wat mij het meest raakt, is haar moed. Ze hielp anderen, ondanks het gevaar. Zij is op 5 juni teruggekomen, dus ruim een maand nadat ze bevrijd was, is ze via Zwitserland, Frankrijk, België, zo naar Nederland teruggekomen.
Ik vind het belangrijk om dit verhaal te blijven vertellen. Zodat we niet vergeten wat er gebeurd is. En zodat we blijven beseffen hoe belangrijk vrijheid is. Zijn jullie niet blij dat je in vrijheid kunt leven? Want waarom zou je andere mensen om hun geloof, om hun huidskleur of om weet ik wat anders behandelen dan dat jij zelf behandeld wil worden?  Ik kan dat niet bedenken. Want we zijn allemaal gelijk, hè?’

 

Archieven: Verhalen

‘We mogen zijn wie we zijn. We zijn geen tweederangsburgers’

Izzah, Sienna en Sem van MK Oostzanerwerf uit Amsterdam-Noord gaan Hilly Soe interviewen. In de bibliotheek helpen ze met het klaarzetten van de stoelen, de koekjes en thee. Het is een beetje spannend, maar mevrouw Soe komt met een warme, open sfeer de Maakplaats binnen. Het blijkt een ontroerend gesprek te worden over heimwee, discriminatie en het gevoel van thuis! Hilly Soe Agnie is geboren in 1954 in Paramaribo, Suriname.  Haar vader was daar minister van sociale zaken.

Hoe was uw kindertijd in Suriname?

‘Ik ben in Suriname geboren en ben tot mijn negende daar op school geweest. Ik vond het leuk op school. We waren met negen kinderen thuis, Ik had zes broers en twee zusjes, we werden beschermd opgevoed door onze ouders. Mijn vader was minister van sociale zaken. We werden met een chauffeur naar school gebracht. We mochten niet met andere kinderen spelen, alleen met elkaar thuis. Dat vond ik jammer. Op school speelde ik wel met andere kinderen.’

Werd u gepest omdat u een rijk kindje was?
‘Dat is een hele goede vraag. Ja, de buren vonden ons niet zo leuk. En dat was terecht. Ik ben namelijk later in mijn leven naar Aruba verhuisd en heb daar mijn oude buren leren kennen. En die wisten wie ik was, maar ik wist niet wie zij waren. En die zeiden tegen me: ‘Jij woont tegenover ons. Maar mocht niet met ons spelen.’ Ook vonden ze ons ‘hoogmoedig’. Mijn eerste indruk in Nederland? Ja. Ik kwam in Nederland met een boot aan. Dat was een boot. En als kind van negen vond ik het heel apart dat ik alleen maar witte mensen zag. En in die tijd waren er niet zoveel zwarte mensen in Nederland. Want ik kwam in 1965 aan. Dus ik dacht: ‘Ach goh, waar is iedereen gebleven?’ Het was best wel een schok voor mij als kind. Zo heb ik het ervaren. Het was allemaal anders.

Hoe voelde u zich in Nederland?
We dachten dat we maar een jaar en tien maanden in Nederland zouden blijven, omdat mijn vader ziek werd. Ik voelde me onveilig. Mensen waren het niet gewend, dat ik van kleur was. Er waren kinderen die mij vroegen of ik overal bruin was, terwijl zij overal wit waren. Ik miste de bossen en de natuur van Suriname. Alles was anders: sneeuw, kou, stenen trottoirs. Het kwam allemaal op mijn af. Ik droomde ervan om terug te gaan.

Toen ik ouder werd, ongeveer vijftien, werd me gevraagd of ik model wilde worden. Op straat werd ik benaderd. Mijn moeder werd gevraagd of ik model mocht worden, maar ik geloofde niet in mezelf. Ik dacht: Ik ben niet mooi, ik ben donker, waarom zou ik model zijn? Fotografen zeiden wel dat ik het kon, maar ik geloofde ze niet. Toch ben ik twee jaar model geweest. Ik wilde eigenlijk naar Amerika, geïnspireerd door de modellenboeken die ik las, maar mijn moeder liet me niet alleen gaan. In Nederland waren er toen niet veel bruine modellen, dus ik had niemand om naar op te kijken. Niemand zei tegen me: Je kunt het wel worden. Tijdens een fotoshoot moest ik een pruik dragen, terwijl ik mijn eigen haar mooi vind. De visagisten wisten niet hoe ze met mijn krullige haar moesten omgaan. Er was weinig kennis over make-up voor donkere mensen. Uiteindelijk stopte ik. Ik voelde me niet begrepen en niet mooi gemaakt. Het was jammer, want ik hield van kleding en de wereld van modellen, maar ik paste er niet in..nog niet.’

Hoe ging u om met heimwee?
‘Ik had last van heimwee; ik droomde veel over de jungle en de bossen. We woonden dichtbij een park en het Amsterdamse Bos. Ik rende altijd naar de bossen. En dan ging ik om die bomen heen en hield ik die  vast. Als ik begon te rennen, dan kon ik mijn energie kwijt. En had ik  heimwee naar Suriname, tussen de bomen had ik het gevoel dat ik in Suriname was. Toen ik in Suriname woonde, mochten we de Surinaamse taal niet spreken en moesten we ons aanpassen aan de Hollanders. Nu denk ik: ‘we mogen zijn wie we zijn. We zijn geen tweederangsburgers.’  Ik wil dat doorgeven: iedereen is gelijk, en we mogen trots zijn op wie we zijn.’

 

Archieven: Verhalen

‘Samen stampten we de rijst, terwijl we luidkeels zongen om het ritme te houden’

Orelia Blinker ontmoet Patryk, C’naya en Sumaya van MK Oostzanerwerf op hun school in Amsterdam-Noord. De kinderen worden hartelijk ontvangen en hebben veel vragen voorbereid. Mevrouw Blinker is geboren in 1940 in het Marowijne District in Suriname, op een plantage die Vacomjetepousse heette. Ze waren thuis met 6 kinderen. Toen ze wat ouder werd, trok ze bij haar nicht in de stad in, om te gaan studeren. Ze was 24 jaar toen ze met haar zoontje naar Nederland kwam.

Hoe was uw jeugd in Suriname?
Toen ik een jaar of 2 -3 was verhuisden we naar een andere plantage Jedesire. Ik heb een leuke jeugd gehad. Als kind speelden we veel buiten. Mijn broers, zussen en ik vormden een hechte clan, en er waren altijd andere kinderen om mee te spelen. Dat was echt de leukste tijd van mijn leven op de plantage. Soms kwamen mijn neven en nichten op bezoek, want we waren een grote familie.Ik had geen huisdieren, maar er was wel een enorme vis in de rivier die altijd opdook als ik etensresten in het water gooide. We gingen ook vaak in de rivier zwemmen. En er was ‘Anans’, een gierige spin die altijd rijstkorrels at. Na het eten ging ik altijd naar de spin in huis toe, en als ik dan zei: ‘dit is voor jou’ dan nam hij het.  Zei ik: ‘dit is voor je vrouw, dan nam hij dit niet.’

Wat verbouwden jullie op de plantage?
‘Mijn familie en ik leefden op een plantage, een rijstplantage om precies te zijn. Daar verbouwden we rijst, en als de oogsttijd aanbrak, was het zware arbeid. Dan kwamen er mensen helpen, vaak waren dit marrons. Zij werden niet met geld, maar met rijst betaald. Voor elke 3 zakken rijst die ze oogsten, mochten ze er een houden. Zo had iedereen genoeg eten voor het hele jaar.
Samen stampten we de rijst, terwijl we luidkeels zongen om het ritme te houden. De rijst werd in wannen gedaan, waarna we een speciale techniek gebruikten: we schudden de wannen op, zodat de wind het kaf wegblies. Zo bleef alleen de pure rijst over.’

Hoe was het om naar Nederland te verhuizen?
‘Ik ben naar Nederland verhuisd omdat mijn man hier al woonde. Hij had hier een studie tot bankwerker gevolgd, en daar was destijds veel vraag naar. Nederland was anders dan Suriname, maar we wisten al hoe het hier was, want in Suriname leerden we veel over Nederland. Daardoor schrok ik niet zo erg van de verandering. Ik houd heel erg van talen en wilde eigenlijk letterkundige worden. Bovendien spreek ik Pools.
Eerst woonde ik in Amsterdam-Oost, maar nu woon ik in Noord. Nederland was veel kouder dan Suriname en ook de schooltijden en andere dagelijkse dingen waren anders. Je hele leven was hier compleet anders, dus ik moest wel wat aanpassen.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Jullie oorlog was niet zo erg, want jullie zaten lekker in het zonnetje.’

Chike, Alisa, Melany gaan Inge Bruyn interviewen in de schoolbibliotheek. Vooraf hebben ze nog even de vragen met elkaar doorgenomen. Mevrouw Bruyn heeft een batik doek meegenomen die ze op tafel legt, samen met een hele boel foto’s en een houten beeld uit Bali. Ze is 1949 geboren in Soerabaja, een grote stad op Java  Ze woonde met haar ouders in een groot huis met een grote tuin en een hek om het huis. Dat hek was noodzakelijk.

Wat kunt u over Indonesië en uw familie vertellen?
‘Ik ben geboren in Surabaya, een stad op Java in Indonesië. Mijn vader heeft aan de Birma-spoorlijn gewerkt, en mijn moeder heeft in een Japans kamp gezeten. Dat was geen feest. Mijn moeder kon daar nog wel eens boos over zijn. Bij ons thuis hadden we vijf bedienden. We hadden ook een kokkie die altijd kookte. Totdat mijn moeder overleed, kon ze nog steeds niet koken. In Nederland heeft de buurvrouw ons later geleerd hoe we huishoudelijke dingen moesten doen. Zelf mijn bed opmaken, ik wist niet hoe dat moest…’

Wat droegen mensen in Indonesië?
‘De bedienden en Indonesiërs droegen sarong en kebaya. Een sarong is een doek die je om je middel slaat, en een kebaya is een soort blouse met punten en veel kant. Wij droegen westerse kleren, zoals jurkjes en korte broeken.  We hadden gewoon normale kleren aan, zoals wat ik hier ook draag. Jurkjes. Ja, broeken. Meestal korte broeken, want dan is het daar hartstikke heet.’

Hoe was uw eerste indruk van Nederland?
‘Ik kwam in 1965 aan, was acht jaar oud en vond het heel apart dat ik alleen maar witte mensen zag. Er waren toen nog niet zoveel zwarte mensen in Nederland. Ik dacht: ‘Waar is iedereen gebleven?’ Het was best wel een schok voor mij als kind.  We dachten dat we maar een jaar en tien maanden in Nederland zouden blijven, omdat mijn vader ziek werd. Ik voelde me onveilig. Kinderen vroegen of ik overal bruin was, terwijl zij overal wit waren. Ik miste de bossen en de natuur van Indonesië. Alles was anders: sneeuw, kou, stenen trottoirs. Ik droomde ervan om terug te gaan naar Indonesië.’

Werd u gepest en hoe ging u daarmee om?
‘Ja, als je als enige donkere bent in een witte school, word je gepest. Ze zeiden dingen als: ‘Je hebt je niet gewassen, hè?’ of ‘Ga terug naar je apeneiland.’ Ik ontdekte dat als ik als eerste terugsloeg, ik niet meer gepest werd. Ik werd behoorlijk vaak in elkaar geslagen vanwege mijn huiskleur. Ik leerde om mijn oren dicht te doen en te denken: ‘Jullie zijn niet goed wijs.’

Bent u getraumatiseerd?
‘Ik denk niet dat ik getraumatiseerd ben. Ik voelde wel dat de Indonesische mensen ons weg wilden hebben. Mijn overgrootvader trouwde met een Indonesische bediende en ze werden verstoten door hun families. Ik heb niet het gevoel dat ik een trauma heb, maar ik kan wel boos worden als mensen zeggen: ‘Jullie oorlog was niet zo erg, want jullie zaten lekker in het zonnetje.’ Dan denk ik: ‘Jullie snappen er helemaal niks van.’

Wat zou u willen veranderen als u terug kon kijken?
‘Ik had niet zoveel te vertellen over mijn leven. Mijn ouders moesten weg uit Indonesië en ik moest mee. Ik was acht, dus ik kon niet zeggen: ‘Blijf lekker in Indonesië, doei pa en ma.’ Uiteindelijk heb ik eigenlijk niks te klagen. Ik heb hele leuke kinderen, kleinkinderen, een leuke man en een mooi huis. Ik laat het verleden achter me. Ik heb een hartstikke goed leven.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik zei: ‘Dit is mijn land, ik mag overal fietsen’

Dwayne, Saba en Titi zetten de koekjes en de theekopjes klaar. We zitten in de Maakplaats van de Bibliotheek Molenwijk en wachten op Henk Bharos. Hij komt aangelopen in een vrolijke bui en maakt zijn tas open, legt wat bijzondere voorwerpen op het krukje naast hem. Meneer Bharos is geboren in 1950 in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Zijn achternaam Bharos komt uit India. Hij komt uit een gezin met 10 kinderen. In 1972 ging hij naar Nederland.

 Hoe was uw kindertijd in Suriname?
‘Mijn kindertijd was druk. Mijn vader had een groot stuk land, een tuin, waar ik vaak plantte. Ik was daar veel mee bezig, met het planten van dingen. Soms stalen we dingen, zoals bamboestokjes, bij de buren. Als de hond kwam, renden we weg. Mijn vader had ook een tuin in het dorp. Uit Holland kwam hij met kuikentjes in een doosje. Op zondag maakten we de tuin schoon en zetten we dopjes (snavelkapjes)  op de kuikentjes. Het was leuk om dat samen te doen.’

Wat voor werk deed uw vader?
‘Mijn vader was een bakker bij een Chinese bakkerij. Er was altijd genoeg brood voor ons tienen in huis en hij bleef dat doen voor jaren. Later stichtte hij een pindakaasbedrijf op, dat veel beter was, want het werd een groot succes in Suriname. Hij was altijd druk, want hij moest allemaal pindakaas bezorgen bij gewone supermarkten, maar ook bij  bijvoorbeeld ziekenhuizen.’

Waarom ging u naar Nederland?
‘Ik als jongen hield niet van leren en had het meeste belangstelling voor de apparatuur. Ik merkte dat mijn vader dat verwaarloosde en dat veel apparaten begonnen te slijten, dus hielp ik met de techniek. Ik wou graag techniek doen en mijn vader zei dat ik naar Nederland moest gaan omdat er daar meer kansen waren. Ik zei ´Holland is veel te koud´ maar er was blijkbaar een opleiding in Nederland voor techniek die 4 jaar duurde en heb ik die toen gevolgd. Zo ben ik dus in Nederland terechtgekomen.’

Wat betekent een kolonie voor u?
‘Kolonie betekent voor mij; dat wij niet de baas zijn. Toen ik jong was, fietste ik naar Broekeponde, waar Amerikanen woonden. Een man pakte mijn hand en zei: ‘Je mag hier niet fietsen.’ Ik zei: ‘Dit is mijn land, ik mag overal fietsen.’ Dat was het begin van mijn revolutie. Later hoorde ik dat Suriname aluminium exporteerde en Holland daar 50 cent per ton voor kreeg, zonder iets te doen. Dat is stelen. Een kolonie is niet goed, iedereen moet vrij zijn.’

Wat voor planten kweekt u?
‘Ik kweek kalebassen, rode bieten, en saffraan. Saffraan is een duur kruid, maar ik pluk het vers voor mijn eten. Ik geef ook workshops en verkoop zaadjes op de stekjesmarkt!’

Heeft u een geloof?
‘Mijn vader was moslim, maar ik ben opgevoed met verschillende geloven in de familie. Ik doe mee aan Ramadan en geef mijn dochters een islamitische opvoeding. Ik praat niet veel over geloof, maar ik vind het belangrijk om samen te zijn. Ik word blij als ik andere mensen blij zie. En waar ik ook blij van wordt: zon en warmte. Als de zon schijnt, ben ik vrolijk.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik mocht niet naast een Nederlands vriendje zitten, omdat de juf zei dat ik ‘stonk’

Tomas, Ela, Hamza en Madlen ontmoeten Guus Heffelaar op hun school Oostzanerwerf in Amsterdam-Noord. Vooraf hebben ze nog even de vragen met elkaar doorgenomen. Meneer Heffelaar is in 1949 op Java geboren. In 1950 ging het gezin naar Nederland. Tijdens zijn leven heeft hij als Indo (Indonesisch-Europeaan) veel last gehad van vooroordelen en discriminatie.

Wat kunt u over uw gezin vertellen?
‘Rond dat ziekenhuis waar ik geboren ben, werd hevig gevochten tussen de Indonesische vrijheidsstrijders en het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Ik ben één van een tweeling en heb nog een oudere broer en zus. Mijn vader was militair in het KNIL. Alle Nederlanders werden uit de Republiek Indonesië uitgestuurd, dus wij moesten ook weg.’

Hoe bent u naar Nederland gekomen?
‘Met de boot ‘Oranje’, een cruiseschip. We moesten eind december 1949 weg uit Nederlands-Indië, omdat het land zelfstandig werd. Begin januari 1950 kwamen we aan in Amsterdam. De boot had meerdere verdiepingen: boven zaten de “witte” Nederlanders, op de tweede verdieping de Indische Nederlanders (Indo’s, gemengd bloed), en onderin zaten de mensen met volledig Indonesisch bloed, maar die wel Nederlanders waren.

Wat hadden jullie meegenomen naar Nederland?
‘Naar Nederland namen we niks mee. Dat kon je niet. Je moest alles achterlaten. Het enige wat ik van mijn ouders kan herinneren, was dat er twee hele mooie vogels waren, paradijsvogels, die opgezet werden. Maar je had één hutkoffer, een grote koffer, en daar moest je alles in doen. We kwamen met niets aan in Nederland. Mijn ouders moesten alles achterlaten. We woonden eerst in een kerk in Laren, met z’n zessen in één kamer. Mijn oma stond op de kade in een klein blouseje in de winter, ze had nog nooit sneeuw gezien.  Later kwamen we in Amsterdam terecht. Mijn ouders moesten zich aanpassen en opnieuw opbouwen, zonder erkenning of steun. 1950 in Amsterdam aan. Tijdelijk kregen ze een kamer in Laren en na een jaar een etage op de Leidse Kade in het centrum van Amsterdam.’

Werd u gediscrimineerd?
‘Ja, aanvankelijk wilde Nederland niet dat wij naar Nederland kwamen, ondanks dat we Nederlanders waren. Amerika dwong Nederland ons toe te laten, anders kreeg het geen Marshallhulp. Op school mocht ik niet naast een Nederlands vriendje zitten, omdat de juf zei dat ik ‘stonk’. Ze zei ook: ‘Ga terug naar je kampong.’ Er werd flink gediscrimineerd. We moesten Nederlander worden, we moesten niet integreren maar assimileren, en dat betekende dat je je eigen cultuur niet meer mocht houden. Mijn moeder leerde van een maatschappelijk werkster hoe ze de wasbak goed moest schoonmaken, zoals dat in Nederland dan ging, maar ook hoe ze haar appel moest schillen. In Indonesië schilden we een appel van ons af, maar hier moet het naar je toe.  Ze dacht echt dat we gek waren’.

Wat deden u ouders voordat u geboren werd?
‘Mijn vader was militair bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij ingesloten door de Japanners. Hij heeft met zijn groep ’s nachts door de Japanse linies weten te ontsnappen, zonder verliezen. Later is hij alsnog opgepakt en belandde hij in een krijgsgevangenkamp. Na de oorlog heeft hij de Bronzen Leeuw gekregen, een dapperheidsmedaille, voor zijn acties tijdens de oorlog.’

Wat gebeurde er met uw vader na de oorlog?
‘Toen Indonesië zelfstandig werd, werd het KNIL opgeheven. Mijn vader kwam naar Nederland, maar kreeg geen pensioen, omdat het KNIL niet meer bestond. Hij had 20 jaar gediend, maar kreeg niets. Hij moest opnieuw beginnen en is als magazijnjongen aan de slag gegaan.’

Wat deed uw moeder tijdens en na de oorlog?
‘Na de oorlog, toen we in Nederland aankwamen, ging ze bijverdienen door roosjes te plakken voor taarten bij de bakker. Dat waren eetbare papieren roosjes, die op taarten werden gebruikt. Ze moest werken om ons gezin te onderhouden, maar was wel altijd thuis om voor ons te zorgen.’

Archieven: Verhalen

‘Er zaten kogelgaten in de muren van het ziekenhuis’

Dgounia, Sara, Narjis, Yaser, Naciye van de Elif school in Amsterdam-Noord interviewen Guus Heffelaar in de bibliotheek in de Banne. Hij heeft een gezellig, Indonesisch kleedje mee voor op tafel, veel boeken en foto’s. Meneer Heffelaar is geboren in 1949 op Java.

Hoe oud was uw vader toen hij bij het KNIL ging?
‘Hij was negentien. Zijn vader, mijn opa, was een Rotterdammer. Hij was getrouwd met een Indonesische vrouw, mijn oma. Dat deed je eigenlijk niet in die tijd. Een Nederlandse man trouwde destijds niet zomaar met een Indonesische vrouw. Het mocht wel, maar er werd raar van opgekeken. Uiteindelijk hebben ze zich daar niks van aangetrokken en zijn ze toch getrouwd. Mijn opa heb ik nooit gekend. Hij overleed toen mijn vader nog jong was. Mijn oma was toen zwanger van mijn tante en had nog meer kinderen. Mijn vader is toen naar een weeshuis gegaan. Ik weet dat mijn vader negentien was, omdat je op die leeftijd het weeshuis uit moest. Dan kwam je terecht bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het KNIL. Hij startte daar als paardenjongen.Nederlandse officieren hadden toen allemaal een paard. Later is hij onderofficier geworden.’

Hoe was het rond uw geboorte?
‘Er werd gevochten rond het ziekenhuis. Mijn moeder woonde tijdelijk bij een Indonesisch gezin. Er werd op de deur gebonkt: ‘Zijn hier blanken?’ Die man riep in het Japans dat er geen blanken waren. Japan had net Indonesië bezet gehad en zij spraken Japans. Daardoor zijn ze naar het volgende huis gegaan. Anders was ik er misschien niet geweest.
Tijdens mijn geboorte en die van mijn eeneiige tweelingbroer werd er geschoten. Er zaten kogelgaten in de muren van het ziekenhuis. In oorlog wordt geen rekening gehouden met ziekenhuizen. De burgerbevolking is vaak het grootste slachtoffer.’

Hoe bent u naar Nederland gekomen?
‘We zijn gekomen met de boot ‘De Oranje’. Dat was oorspronkelijk een cruiseschip. Toen Indonesië zelfstandig werd, moesten alle Nederlanders weg. Allerlei schepen werden ingezet om Nederlanders uit Nederlands-Indië weg te halen. Slechts een paar mochten blijven, op hele belangrijke technische posten. Mijn vader moest weg, want hij had als militair tegen de Indonesiërs gevochten.

Er waren verschillende klassen op het schip. Tot en met vierde klasse. De eerste klas was alleen voor mensen uit Europa. Daar kwamen wij niet. Wij zaten in de tweede klas. Als je helemaal beneden zat, zag je geen daglicht.’

Waar gingen jullie wonen?
‘We werden meteen naar Laren gestuurd. Dat is nu een groot museum. De rechtervleugel was toen Villa De Wilde Zwanen. Daar hadden we één kamer met z’n zessen. Er was woningnood. Er kwamen 320.000 mensen uit Nederlands-Indië naar Nederland.

Later kregen we in Amsterdam een kamer in een pension. Daarna een etage aan de Leidsekade. Uiteindelijk verhuisden mijn ouders naar Amsterdam-Noord, bij het Buikslotermeerplein.’

Kunt u Indonesisch praten?
‘Nee, een paar woorden. Mijn ouders wel. Als ze iets wilden bespreken wat wij niet mochten weten, gingen ze over op Maleis. Ik ben één keer terug geweest naar Indonesië. Toen heb ik een paar woordjes geleerd, maar ik spreek het niet.’

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Opoe probeerde van alles, zoals plakjes suikerbiet bakken, maar het was vreselijk’

Bep Kuiper-Kronen is 94 jaar geleden in Rotterdam geboren. Toen haar ouders in de oorlog uit elkaar gingen, bleef zij bij haar opoe wonen. Ze heeft heel veel meegemaakt en vertelt erover aan Kate, Marie en Matilda van de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost.

Waar bent u geboren?
‘De oorlog brak uit toen ik 9 jaar was, ik was een meisje in de oorlog, ik ben geboren in Rotterdam en woonde op de Hilledijk. Thuis was er veel ruzie, dat was niet leuk. Toen ik 6 jaar was vertelde mijn ouders dat ze uit elkaar zouden gaan. Ik kwam uit school toen zei mijn moeder: ‘Je moet kiezen, wil je met papa mee of wil je bij mama blijven?’ Ik zei, mag ik ook bij opoe? En dat mocht. Toen ik 7 was kwam ik dus bij m’n oma die ik opoe noemde. En toen kwam de oorlog.’

Had u ook vriendjes?
‘Ik had een Joods vriendje die twee huizen verderop woonde. Op een dag zei mijn oma dat ik niet meer met hem mocht spelen. Later begreep ik waarom, ze was bang dat als de Duitsers hem zouden oppakken, ze mij ook mee zouden nemen. Ik zag met eigen ogen hoe hij en zijn familie opgepakt werden en uit hun huis werden gehaald door de Duitsers. Het was verschrikkelijk om te zien. Soms hoor ik nog dat schreeuwen van die mensen, die moeder van dat jongetje. Zij werd aan haar haren uit het huis gesleurd. Dat is verschrikkelijk geweest.’

Heeft u ook bombardementen gehoord?
‘Soms hoorde je ‘s morgens al de vliegtuigen. Ik sliep aangekleed in een bedstee. En dan hoorde je ze aankomen. Joeng, joeng, joeng. Opoe trok mij dan uit bed en ging met mij onderaan de trap zitten. Als ze weer voorbij waren, zei opoe: ‘Oh gelukkig, niet op ons’. Wij woonden vlakbij de Maasbruggen en daar hadden ze het op gemunt.

Hoe was het in de Hongerwinter?
‘Een van de ergste periodes was de Hongerwinter. Er was toen nauwelijks nog eten te krijgen. In het begin was er nog wel een bakker of een melkboer, dan kregen we een bonkaart om naar de winkel te gaan en mocht je een half brood. Dan had je je aandeel gehad. En opoe probeerde van alles, zoals plakjes suikerbiet bakken in een lege koekenpan, maar het was vreselijk. Ik herinner me dat ik constant honger had en huilde om eten.’

Heeft u uw ouders nog terug gezien?
‘Mijn opoe zei: je moeder heeft wel eten, misschien moet je daarheen gaan. Mijn moeder was inmiddels getrouwd met een andere man en die woonde in Amsterdam. Ik was nog nooit in Amsterdam geweest. Toen zei ik, ja, dat wil ik wel. Dus ik was tien, elf. Maar hoe? Nou, zei opoe, dan moet je gaan lopen. En toen heeft ze van een grijze paardendeken een jas voor me gemaakt en schoenen van twee plankjes met bandjes en spijkers.

Ze had precies opgeschreven via welke steden ik moest lopen. Maar, zei ze, als het luchtalarm gaat, dan ergens naar binnen. In Leidschendam werd het schemerig en ja hoor, daar ging het luchtalarm. Ik vloog een open deur in. Een aardige mevrouw zei: ‘Je mag vannacht hier in het hok achter in het stro slapen’.

De volgende morgen ging ik weer vroeg verder. En weer liep ik een hele dag. En toen kwam ik op de Wittenkade hier in Amsterdam, waar mijn moeder woonde. Maar van die man waar ze mee getrouwd was, mocht zij mij geen eten geven. Ik moest wachten tot hij naar zijn werk was en toen maakte ze eten voor me. Mijn moeder had een pakketje voor me gemaakt met tarwe en ander eten en zij had bij buren een fiets met houten banden voor me geregeld. Dus ik ben toen teruggegaan op de fiets. Onderweg hielden Duitse soldaten me aan. Ze namen én mijn fiets én mijn pakje van me af. Dus het was allemaal voor niks geweest.’

Archieven: Verhalen

‘We aten boterhammen ‘met tevredenheid’, dus alleen met boter’

Maris, Eden, Luka en Nikki van de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost moeten even zoeken naar het juiste flatgebouw van Bernadette Nyst. Maar als ze er zijn, is de sfeer meteen ontspannen. Mevrouw Nyst kletst er gezellig op los en de kinderen hebben zelfgebakken koekjes meegenomen.

Bernadette Nyst is in 1935 geboren en woonde in de oorlog aan het Linnaeushof in Amsterdam-Oost. Ze was 5 jaar toen de oorlog begon, ze kan zich niet precies herinneren dat het begon, ze weet wel nog goed de gevolgen ervan, bijvoorbeeld dat ze heel weinig te eten hadden.

Wat droegen jullie in de oorlog?
‘Tijdens de oorlog had je bonnen, zoals je nu postzegels hebt, met vellen en kleine karteltjes die je kon afscheuren. Als je boodschappen deed, nam je die zegeltjes mee. Roze bonnen waren voor het eten en groen dacht ik voor kleding. Thuis had mijn moeder een oude kist in de kast beneden, zo’n ouderwetse kist. Daar zaten de bonnen in. Nu gebruik ik die kist voor knutselspullen, maar toen was het een belangrijke plek voor onze spullen.

Kleding was schaars in die tijd. Je kreeg bijna nooit iets nieuws, en alles wat er was, werd afgedragen. Mijn drie zusjes en ik droegen kleding van het ene kind naar het andere. Ik was de kleinste, dus vaak kreeg ik kleren die eerst door mijn oudere zus waren gedragen. Ondanks dat ze een beetje stevig was en ik een sprietje dat vaak ziek was, vond ik het nooit erg. Soms dacht ik: mag ik dat jurkje? Maar dan was het nog te groot, en dat vond ik jammer.

Van mijn tante, had ik een zwart jurkje of misschien was het een rok, ik weet het niet precies meer. Mijn moeder draaide er een koord op. Ik was er dolblij mee. Dat jurkje heb ik helaas niet meer, maar ik herinner me nog goed hoe gelukkig ik er toen mee was. Als er een feest was, kreeg je een mooi jurkje aan, en dat voelde bijzonder. Maar over het algemeen hadden we niet veel kleding. Zo ging dat tijdens de oorlog.’

Wat aten jullie?
‘Wij aten brood, ook wel warm eten, maar van dat brood weet ik het nog heel goed. Mijn moeder sneed zelf boterhammen van het brood, die maakte ze extra dik want dat kostte minder boter. We noemden ze ‘dikke pillen’. We moesten de boterham ‘met tevredenheid’ eten, dat was dus een boterham met alleen boter, geen chocoladehagel ofzo.

Alles ging met bonnen. Voor een feest had mijn moeder bonnen gespaard om naar de bakker te gaan. Die zat waar nu het IJcuypje zit op de Middenweg. Ze wilde er een cake te halen, maar het personeel bij de bakker had al het deeg opgegeten. Mijn moeder was zo verdrietig… Kun je het je voorstellen? Had ze al die bonnen gespaard.

Mijn vader ging met mijn oudste zus in de Hongerwinter op twee fietsen met houten banden naar de boeren om aardappelen halen. Dat was hard trappen. En er was altijd een gok of je weer thuis kwam, en dat je niet aangehouden was door de Duitsers. Want dat gebeurde ook wel. Dan pikten ze je eten in en kwam je zonder iets thuis. Maar dat is bij ons niet gebeurd hoor.’

Wat deed u op school?
‘Ik ging naar de Linneausschool en die lag bij het klooster. Het was een meisjesschool. Omdat het in een klooster was, hadden we daar een andere manier van leren en regels dan op een gewone school. Het was streng. De zusters hielden alles in de gaten. Fouten werden niet zomaar door de vingers gezien. Je moest je altijd goed gedragen. Soms waren er strafregels, bijvoorbeeld als je niet goed luisterde of rommel maakte.

Maar ik voelde me ook veilig. We hadden vakken zoals lezen en schrijven, en soms moesten we bidden. Ik zat met andere meisjes in de klas en voelde samenhorigheid met hen. Er waren ook momenten van plezier, bijvoorbeeld tijdens zang of kleine spelletjes. In de Hongerwinter konden we daar soep halen. Dan ging je met een pannetje naar school en kreeg je soep.’

Archieven: Verhalen

‘De Amerikanen zeiden nog ‘Good luck!’ en daar ging mijn vader met het serum’

Joop Hulskamp is geboren in 1940 in Utrecht aan de Leidsekade. Zijn moeder was Duits. Dat was op school niet altijd even makkelijk voor hem. Hij had geluk dat het gezin soms wat eten kreeg van kennissen met boerderijen buiten de stad. Zijn vader zat in het verzet, daar kreeg hij als klein jongetje weleens wat van mee als hij onder de tafel zat mee te luisteren. Tijdens de oorlog is hij heel ziek geworden. Gelukkig was zijn vader erg slim en zorgde voor een serum, zo redde hij zijn eigen zoon en de hele buurt… Aan Foss, Carsten, Mette, Roos en Aira van de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost vertelt hij zijn verhaal.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik ben geboren in Utrecht in 1940 en toen begon de oorlog. Dat was niet zo leuk voor mijn moeder want zij kwam uit Duitsland. Zij is gevlucht toen de oorlog begon. Ze was al eens eerder in Nederland geweest en had mijn vader leren kennen. Maar in 1939 ging ze echt uit Duitsland weg. Ze dacht: hier in Nederland komt die oorlog niet. Maar die kwam ook hier natuurlijk.’

Waarom werd u in de oorlog erg ziek?
‘Het was aan het eind van de oorlog, ik was toen 4, 5 jaar. De mensen hadden heel lang tekorten gehad. Ze hadden te weinig gegeten. In nood werden bloembollen gegeten en brandnetels. In Amsterdam was het nog veel erger dan in Utrecht, waar wij woonden. Er waren nog boeren in onze omgeving en die hadden altijd nog wel een kool of wat aardappels of wat dan ook. Maar het was toch weinig en heel eenzijdig wat ik at. Veel kinderen werden ziek.

Ik kreeg difterie. Daar ga je aan dood als je geen serum, geen tegengif krijgt. Ik weet nog wel dat ik in bed lag en dat ik in een kast allerlei bewegingen zag. Ik had zo veel koorts dat ik dus spoken ging zien. Mijn vader keek in mijn keel zag dat ik difterie had. De dokter kwam en zei: ‘Ik kan niks doen want ik heb geen serum’. En toen werd mijn vader ontzettend giftig.’

Hoe heeft hij dat opgelost?
‘Uiteindelijk zei de dokter tegen mijn vader: ‘Bij Tiel liggen de geallieerden, de Amerikanen, misschien hebben zij wel serum. Durf je dat?’ Mijn vader wilde dat wel. De dokter gaf hem een fiets en hij is daar naartoe gefietst, met een brief van de dokter waarin stond wat hij moest hebben. En hij kreeg het ook van die Amerikanen. En niet alleen voor mij, maar een hele kist vol.

Hij nam het achterop de fiets mee, en toen moest hij weer door de vijandelijke linies fietsen om ermee thuis te komen. Want je kon onderweg ook nog neergeschoten worden. De Amerikanen zeiden nog ‘Good luck!’ en daar ging hij. Hij heeft het gehaald en daar ben ik wel erg trots op. Terug in Utrecht deed de arts de klep van de kist open en zei: ‘Hiervan kan ik de hele stad vaccineren!’

Was u weleens bang?
‘Eigenlijk niet echt. Dat kwam ook door mijn ouders want die zorgden goed voor me. Aan het eind van de oorlog, zaten we op het balkon, samen met de buren. Mijn vader liep in de tuin rond. Je hoorde af en toe een knal en het gieren en fluiten van granaatscherven. Er was ergens een luchtgevecht en mijn moeder zei tegen mijn vader: ‘Kom nou toch binnen’. Om mijn moeder tegemoet te komen ging hij op een trapje staan. Ze hoorde weer dat fluitende geluid en vroeg opnieuw of mijn vader alsjeblieft naar binnen wilde komen. Hij deed één stap naar voren, naar binnen toe, en een granaatscherf ging zo langs zijn hoofd, zijn nekharen waren verbrand…

De scherf zat in de schutting van de buren, ik zag er een beetje rook uitkomen. Ik vroeg meteen: ‘Mag ik hem hebben?’ ‘Nee’, zei mijn vader, ‘die is van de buren, hij is in hun tuin gevallen.’ Later kwam de buurman binnen met de scherf in zijn hand en hij legt hem zo naast mijn bord neer. Hij was nog warm.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892