Archieven: Verhalen

‘Mijn vader heeft uiteindelijk ook een verzetskruis gekregen van koningin Beatrix’

 

Janny Praamsma  is zelf geboren net na de oorlog maar ze vertelt  van de Twiskeschool over veel van haar familieleden die in de oorlog in het verzet zaten. Ze heeft nog voedselbonnen uit de oorlog tijd en een oude krant van de bevrijding. Het verhaal maakt veel indruk op leerlingen.

Hoe was het voor uw moeder om zoveel broers en zussen te hebben?
Mijn moeder Sophia groeide op in Amsterdam-Noord in een groot gezin. Ze was de middelste en had acht broers en zussen. Toen de oorlog net begon was mijn opa het er helemaal niet eens. Hij ging eigenlijk meteen al in het verzet. Hij zag de maatregelingen tegen de Joden en dacht; daar ga ik niet aan meewerken! Mijn opa werkte bij de tram, hij was tramconducteur in Amsterdam. Ze wisten toen nog niet precies wat er met Joodse mensen gebeurde. Hij was één van de eerste mensen bij de tram die gingen staken op dinsdagochtend 25 februari 1941. Dat heet nu de Februaristaking. Hij heeft zijn collega’s opgeroepen om hetzelfde te doen. Door het werk neer te leggen dachten alle mensen ineens: wat gebeurt er nou, de trams rijden allemaal niet?  De stakers zeiden: ‘we doen dit, omdat we willen dat iedereen weet dat wij ertegen zijn dat alle Joodse mensen worden opgepakt’. In het Verzetsmuseum hangt nog altijd een grote foto van mijn opa.
In diezelfde tijd werd mijn oma ziek, ze kreeg borstkanker waaraan ze overleed. Toen moest mijn moeder op haar 15e al voor het hele gezin zorgen. Best zwaar natuurlijk en heeft ze niet verder kunnen leren. De oudste kinderen werkten al allemaal namelijk. De twee oudsten; Antoon en Bertus werkten allebei in de Fokkerfabriek in Amsterdam-Noord.’

Wat voor werk deden Antoon en Bertus precies bij de Fokkerfabriek?
In die fabriek in Amsterdam-Noord maakten ze vliegtuigonderdelen. Tijdens de oorlog dachten de Duitsers dat is handig zo’n fabriek, dus ze namen de leiding over.  Bertus en Antoon wilden helemaal niet voor de Duitsers werken. Ze verzamelden een groep van zeven man om zich heen en met z’n negenen hebben ze vliegtuigonderdelen gesaboteerd, expres verkeerd in elkaar gezet. Een klein beetje maar, anders zou het opvallen, maar genoeg om schade aan te richten. Op een gegeven moment hadden de Duitsers in de gaten dat er iets niet goed was. Ze zijn toen naar het huis van mijn moeder gegaan en hebben het hele huis doorzocht, op zoek naar aanwijzingen. Ze vonden niks, maar ze hebben wel het hele gezin, alle kinderen en dus ook mijn moeder en mijn opa meegenomen en in de gevangenis gegooid. Er was op dat moment toevallig net een buurman die even een pan soep kwam brengen in de keuken. Hij werd ook meegenomen. De twee kleinste kinderen lagen op dat moment beneden in de kelder lagen te slapen. Die werden alleen achtergelaten. Mijn moeder die vond dat vreselijk. Het idee dat haar kleine broertje en zusje een paar dagen helemaal alleen thuis waren. Ze zijn allemaal ondervraagd. Gelukkig werden ze na een paar dagen vrijgelaten, omdat ze niks vonden. Maar Antoon en Bertus hebben een half jaar gevangen gezeten. Uiteindelijk is de hele groep die bij Fokker saboteerde, doodgeschoten.  Op 19 november 1942 zijn mijn ooms in Soesterberg gefusilleerd. Antoon was toen 23 jaar en Bertus 21. In de Twiskebuurt in Noord is een verzetsheldenbuurt en daar is een straat vernoemd naar mijn ooms, De A. en B. Wolfswinkelweg. Als ik vroeger bij mijn opa binnenkwam, stonden er altijd foto’s van mijn ooms meteen in het zicht op de kast. Hij was ook vaak verdrietig. Hij had een speciaal fotolijstje gemaakt en daarin had hij de tekst gekerfd; ‘zij vielen opdat wij konden leven’.’

Wat heeft uw vader meegemaakt in de oorlog?
‘Mijn vader was toen de oorlog uitbrak een militair en was getrouwd met Helena, een Joodse vrouw. Joodse mensen mochten in de Tweede Wereld Oorlog steeds minden en moesten een Jodenster dragen. Mijn vader wilde een keer met zijn vrouw naar een muziekvoorstelling gaan in de Bellevue, ondanks dat dit niet mocht. Alles ging goed en de volgende dag is Helena weer gaan werken, maar helaas heeft iemand haar verraden. Ze is die dag door de Duitsers meegenomen en mijn vader heeft haar nooit meer gezien. Mijn vader was erg verdrietig en erg boos, hij is toen ook het verzet in gegaan. Hij is naar meerdere adressen geweest en kwam zo een keer uit bij zijn tante. Die tante was hertrouwd met mijn opa. Bij haar kwam hij mijn moeder Sophia tegen. Hij heeft uiteindelijk ook een verzetskruis gekregen van koningin Beatrix, voor het helpen van vervalsen van paspoorten, het ophalen en brengen van spullen en mensen.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn opa en oma hebben voor de laatste keer naar elkaar kunnen zwaaien’

Melle, Anna en Sep helpen mee om de stoelen klaar te zetten in het kleine werkkamertje van hun school ’t Anker in Amersfoort. Ze hebben een mooie vragenlijst gemaakt. Bas Westerweel vertelt al jaren over zijn opa en oma op allerlei plekken, onder andere op de school in Amsterdam die naar hen vernoemd is. Hij is een man met een missie; vertellen wat voor moedige daden zijn grootouders hebben verricht. Hun verhaal klinkt als een spannende avonturenfilm en ze hangen dan ook aan zijn lippen!

Wat weet je van je opa en oma?
‘Ik heb mijn oma veel gesproken over haar leven. Ze was vroeger, toen de oorlog begon, net als mijn opa onderwijzer op de werkplaats in Bilthoven. Ze zag wat hij allemaal deed voor andere mensen en ze vond mijn opa zo’n geweldige man dat ze hem wilde helpen. Samen zijn ze toen in het verzet gegaan. In het geweldloze verzet; de Westerweelgroep. Mijn opa hielp een heleboel jonge mensen die toentertijd naar Palestina wilden gaan. Door hem zijn ze ternauwernood aan de dood ontsnapt doordat hij allemaal onderduikadressen voor hen regelde. Zo heeft hij vele jonge mensen gered. Het bijzondere was dat hij geen geweld gebruikte, dus hij moest op een andere manier slim zijn door zijn contacten aan te spreken. Er waren nog geen mobiele telefoons en internet. Dus hoe deed je dat. Mijn grootouders deden niet mee aan de regels die de Duitsers opstelden. Als Joden iets niet mochten, dan zei mijn opa: ‘Dan ga ik ook niet meer met de tram, of naar het park.’ Dat was stil verzet. Zo dapper waren ze dus ook.
Er is in Amsterdam de Joop en Willy Westerweelschool opgericht. Naar mijn grootouders vernoemd. Dat is een school die ook geweldloos is. Ik kom daar nog ieder jaar en dan ga ik met de kinderen naar kamp Vught. Om te praten over mijn grootouders en hoe we met elkaar om kunnen gaan. Ik vind dat heel fijn om te doen.’

Hoe wist je in de oorlog wie je wel en niet kon vertrouwen?
‘Nou ja, dat was ook echt heel lastig en soms ging het mis. Je dacht dat je iemand kende, en die had weer een vriend, en die weer een vriend of buurvrouw en zo ging dat. Gelukkig ging het ook vaak genoeg wel goed. Zo heeft hij op een heel slimme manier vele mensen laten meehelpen om aan de Atlantic Wall mee te bouwen. Ze konden via die plek over de bergen en zo met de boot naar Israël door. Maar stel jezelf maar eens de vraag: wat vind ik goed en wat ik niet goed? En wat zou ik doen in die tijd? Hoever zou ik gaan om iemand te helpen? Als je niets doet, gaan er vreselijke dingen mis. Maar zou je iets durven doen? Daarom praat ik er zo graag over, ook om jullie te inspireren goed na te denken over hoe je wilt leven.’

 Wat is er uiteindelijk met je opa en oma gebeurd?
‘Mijn opa is opgepakt toen hij met een valse snor in de trein zat. Het nieuws ging rond dat er  ‘een grote vis gevangen was’, dus dat geeft wel aan hoezeer hij gevaar liep en de Duitsers blij waren dat ze hem hadden. Hij is uiteindelijk in kamp Vught terecht gekomen. Daar heeft hij mijn oma nog één keer gezien. Zij hoorde dat ze hem via een klein raam in de ziekenboeg nog zou kunnen zien. Dat is gebeurd. Ze hebben naar elkaar kunnen zwaaien en dat was de laatste keer dat ze elkaar zagen. Mijn opa is doodgeschoten en mijn oma naar een vrouwenkamp gebracht, Ravensbrück. Ze werd na de oorlog naar Zweden gebracht en is daar langzaam weer sterk geworden. Na de oorlog zag mijn oma haar vier kinderen weer terug, wat natuurlijk heel gek was. Ze moesten weer enorm aan elkaar wennen. Tijdens de oorlog hadden mijn grootouders al hun kinderen namelijk laten onderduiken op vier verschillende adressen in Nederland. Ze hadden allemaal geen enkel idee van waarom, waar hun andere broers en zussen en ouders waren en hoelang dat zou duren. Het zou te gevaarlijk zijn als ze iets zouden weten.’




 

Archieven: Verhalen

‘Mijn ouders moesten zich dus verbergen en stilhouden’

Lilian, Anne en Pien van Basisschool ’t Anker in Amersfoort fietsen naar Ellen Elzas. De synagoge wordt net verbouwd, dus ze ontmoeten elkaar in het gemeenschapsgebouw ernaast. Mevrouw Elzas heeft lekkere koekjes gebakken en ze schuiven bij haar aan tafel aan. ‘Wat fijn dat jullie hier zijn.’

Kunt u iets over uw ouders vertellen?
‘Mijn moeder was 20 toen de oorlog uitbrak, mijn vader 27. Mijn oom, de broer van mijn moeder,  was 12 jaar. Mijn grootvader was jurist en mocht zijn vak niet meer uitoefenen in 1930. Daardoor hadden ze geen geld meer. Mijn ouders zijn Joods en komen oorspronkelijk uit Duitsland. Ze waren dus Duitse vluchtelingen. Ze kwamen uit een rijke familie en woonden in een prachtig huis. Hun plan was om vóór hun ouders uit naar Nederland vluchten. Dit was omdat in Duitsland de sfeer steeds dreigender werd, waardoor het te gevaarlijk werd voor Joden. Hun ouders zouden dan later komen. Ze werden dus als kind met Nederland naar Nederland gestuurd; mijn moeder en haar broer, mijn oom. Mijn vader ook, maar die kende mijn moeder toen nog niet. Hij had een vals persoonsbewijs.

Ze spraken alleen Duits, kenden de Nederlandse gewoontes niet, dus voor hen begon toen al een moeilijke periode. De jongen waar mijn moeder verliefd op werd heeft een onderduikadres voor haar geregeld. Hij wilde niet een relatie met haar, want ze was Joods en dat mocht niet zijn ouders. Aangezien hij een adres voor haar regelde, is hij toch wel een soort van held natuurlijk. Dat was in Bosch en Duin, in het huis van een wijnhandelaar. Aan de overkant zaten Duitse soldaten, die heel graag naar de wijnhandelaar kwamen. Mijn ouders moesten zich dus verbergen en stil houden.
In Nederland gingen ze naar school terwijl hun ouders nog een tijd in Duitsland woonden. Ze misten hun ouders natuurlijk heel erg. Het plan was om vanuit Nederland met de boot naar Amerika te gaan, maar dat is toen niet gelukt.’

Hoe verliep de onderduik?
‘Mijn ouders hadden het best goed tijdens de onderduik, al was er wel een man in huis die niet van mijn moeder af wilde blijven. Maar goed, er waren ergere dingen zei ze tegen zichzelf.

Na de oorlog heeft ze nog veel contact met die mensen gehad. Ze wist niet waar haar broer ondergedoken zat. Later hoorde ze dat hij wilde vluchten. Hij heeft geprobeerd via België en Spanje naar Engeland te komen, maar is in Frankrijk gepakt. Hij heeft het kamp gelukkig overleefd, maar hij heeft altijd honger gehad. Dat is in zijn latere leven een soort angst geworden.

Haar ouders zijn in Friesland bij een boerderij van de familie Zuidema ondergedoken, samen met andere mensen. Dus het was een hele overgang van hun luxe huis naar een boerderij. Er waren daar zoveel mensen, dat er altijd honger was, maar die familie wilde hen wel onderdak geven. Mijn vader is ook op de Veluwe ondergedoken. Hij zat bij mensen  ‘tante Jo en oom Thijs’. Hij heeft het daar heel goed gehad en waardeerde het enorm hoe zij zich voor hem hebben opgeofferd.  Als kind heb ik daar veel gelogeerd.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Mijn oom overleefde het kamp. Er werden feesten gegeven na de oorlog. Dan zochten Joden elkaar weer op. Mijn ouders hebben elkaar op een dansfeest in 1946 ontmoet. Tante Jo van de Veluwe had een huis in Amsterdam aan de Overtoom, waar ze mochten wonen. Daar ben ik geboren. Mijn vader had voor de oorlog bij de Hema gewerkt. Na de oorlog kon hij daar weer terug als bedrijfsleider, omdat  het een Joods bedrijf was.

Er werd niet gesproken over de oorlog, alleen op 4 mei was mijn vader altijd heel verdrietig. Ik vond dat heel naar en vond het ook eng om er dingen over te horen. Ik heb er vooral veel over gelezen. Er waren twee vriendinnen van mijn moeder, die hebben mij wel dingen verteld. Eén van die vrouwen is uit de trein gesprongen en heeft het dus overleefd. En de andere was erg ziek en vermagerd, en zij heeft zichzelf verstopt bij mensen die al dood waren. Zo heeft ze zichzelf gered. Ik heb veel geluk gehad dat ik al mijn grootouders en ooms en tantes had. Iedereen heeft het overleefd. Ik waardeer het wel dat ze nooit iets lelijks hebben gezegd over mensen.’

Wat is er met uw opa en oma gebeurd?
‘Na de oorlog vertrokken mijn opa en oma alsnog naar Amerika. Dat was een moeilijk afscheid voor ons. Daar startten zij een kippenboerderij en we zijn hen toen gaan opzoeken. Dat was heel bijzonder. Alles was daar anders, een soort van paradijs. Er waren heel veel kleuren overal. We gingen met de boot over de Hudson New York in en dat was vrij uniek dat we dat zomaar konden doen. We kwamen zelfs in de krant!

Er kwamen vooral heel veel Joodse mensen bij ons thuis langs, die de kampen hadden overleefd en die daarover vertelden. Ik besefte daardoor dat mijn ouders veel nare dingen hadden meegemaakt, maar dat het natuurlijk nog veel erger kon.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik mocht bij mijn moeder liggen. Dat was fijn’

Livia, Fedja en Mirte van Basisschool ’t Anker in Amersfoort fietsen naar het huis van Fanny Heymann. Zij woont met haar man in Amersfoort, in een huis met veel kamertjes en hoeken. Overal aan de muur hangen schilderijen. Mevrouw Heymann schildert zelf ook. De kinderen hebben hun vragen goed voorbereid. Ze luisteren aandachtig als mevrouw Heymann haar aangrijpende verhaal over de oorlog vertelt.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren in Amsterdam. Mijn ouders zijn in 1939 gevlucht vanuit Duitsland naar Amsterdam, waar ook Anne Frank en haar gezin als Duitse Joden naar toe zijn gevlucht. In Duitsland werden toen al veel Joden opgepakt, dus ze dachten dat het in Amsterdam veilig was. Toen ik vorig jaar terugkwam bij ons huis in Amsterdam om bloemen te leggen bij de struikelstenen, kwam de mevrouw uit het huis naar beneden en vroeg; ‘ben jij Fanny?’ Ik vond het zo fijn dat zij onderzoek had gedaan naar de geschiedenis van onze familie. En dat zij mij herkende.

Mijn vader had een winkel in de Hoogstraat met goud en zilver, daar leefden we toen van. Maar in 1943, toen ik twee jaar oud was, werd in onze buurt een razzia gehouden en daarbij zijn we opgepakt. We hebben toen met z’n allen één jaar in Westerbork gezeten, het kamp waar alle Joden werden verzameld, bovenaan in Drenthe. Toen ik daar vorig jaar kwam om bloemen te leggen bij de struikelstenen kwam de mevrouw uit het huis naar beneden en vroeg ben jij Fanny? Ik vond het zo fijn dat zij onderzoek had gedaan naar de geschiedenis van onze familie. En dat zij mij herkende.’

Welke herinneringen heeft u van het kamp?
‘Ik was te klein om echte herinneringen te hebben. In het kamp moest mijn moeder mij steeds dragen, want ik was ondervoed. Soms denk ik wel dat ik zo bang ben in het donker, dat dat door het kamp komt. Er waren geen lichtjes. Je lag met heel veel vrouwen in dezelfde barak. Je was nooit alleen. Op een manier die niet fijn was, want er waren veel angstige mensen.Ik lag met heel veel vrouwen en kinderen in dezelfde barak. Ik lag op een stapelbed met vier verdiepingen. Ik mocht bij mijn moeder liggen. Dat was fijn denk ik.

Nadat we uit Bergen-Belsen bevrijd werden, zijn we in de trein naar Tröbitz terechtgekomen. Toen hebben ze alle Joden in treinen gestopt met munitie eronder. De bedoeling was om onderweg die treinen op te blazen, maar dat is niet gelukt… anders had ik hier natuurlijk niet gezeten. We zaten met tweeduizend mensen opgepropt in die treinen. In een dorpje in Oost-Duitsland is de trein bevrijd door de Amerikanen. Mijn moeder was zo zwak dat ze in elkaar zakte. Dat is het enige beeld dat ik van de oorlog heb. Ik weet nog dat ik heel hard schreeuwde in het Duits: ‘Mutti, wo bist du?’ In die trein is mijn moeder gestorven aan ondervoeding en oedeem. Zij kon de trein niet meer uitkomen.

Wij kwamen na deze trein aan in Nederland in Maastricht, daar werd gevraagd of er mensen waren die ook Joodse pleegkinderen wilden hebben. Het was beter mij en mijn zus Berthie niet uit elkaar te halen, dus bleven wij bij elkaar.Ik zeg altijd dat ik vier moeders heb gehad: mijn moeder, mijn oudste zus, mijn pleegmoeder en de zus van mijn pleegvader.

Wat is het naarste dat u is overkomen?
‘Toen wij terugkwamen in Nederland zonder onze beide ouders, (mijn vader overleed in het kamp en mijn moeder dus vlak na de oorlog), is er besloten dat mijn zus Esther niet bij ons mocht blijven in het pleeggezin. Zij moest naar een andere plek. Zij was als een moeder voor mij en ik heb haar vreselijk gemist. Ik krijste toen zij wegging. Iedere week kwam ze bij ons langs en als ze dan wegging dan hing ik aan haar en mocht ze niet weg van mij. Zij is altijd mijn dierbaarste zus gebleven. Ik kon nog niet goed eten in het begin, mijn pleegouders hebben mij steeds hele kleine hapjes te eten gegeven.
Mijn broer Alfred was ook niet bij ons in het gezin. Later verhuisde hij naar Israël. Nu bel ik iedere week met hem en vraag hem hoe het met hem is. Pas de laatste jaren ben ik bezig met de oorlog. Vroeger had ik er nooit over. De laatste jaren wordt het steeds meer.Je stopt het weg, zodat je er geen last van hebt. Mijn zusje was al heel jong getraumatiseerd. Zij was er altijd mee bezig dat onze pleegouders niet onze echte ouders waren.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Op een morgen rukte een Duitse soldaat dat jongetje Nikki uit bed en ik heb hem nooit meer gezien’

Jarred, Abel, Lois en Zoë  van Basisschool ’t Anker in Amersfoort, fietsen naar het tehuis waar Joke Pot woont. De kinderen zijn goed op het interview voorbereid en vinden het ook een beetje spannend. In de gezellige woonkamer zien ze een hoekje met allemaal foto’s en er staat drinken en een schaal koekjes.  Mevrouw Pot geeft aan hoe belangrijk het is dat kinderen en ouderen elkaar ontmoeten en dat deze verhalen doorverteld worden.

Welke dingen uit de oorlog herinnert u zich?
‘Ik ben nu 91 dus reken maar uit. Ik was 7-8 jaar denk ik. We moesten aan het begin van de oorlog evacueren naar Noord Scharwoude, bij Alkmaar, omdat Amersfoort onder water zou komen te staan. Dat was de eerste herinnering. Iedereen en ook wij moesten de stad uit. We kwamen enkele dagen in een gezin terecht, waar we nu nog steeds contact mee hebben.
Het allerergste vond ik dit: Ik lag met drie meisjes in het ziekenhuis. Er lag ook nog een jongetje Nikki. Hij had een waterhoofd en hij was Joods. De nonnen in het ziekenhuis zeiden elke dag: ‘Waar gaat Nikki niet naartoe?’ Hij antwoordde dan: ‘Nikki gaat niet naar Polen.’ Maar op een morgen kwam er een Duitse soldaat binnen en die rukte hem uit bed, trok de slangen uit zijn hoofd en nam hem mee. Ik heb hem nooit meer gezien. Dat was heel erg en ben ik nooit vergeten. ‘

Hoe was het om in de oorlog te leven? En heeft u Joodse mensen gekend?
‘Ik woonde aan de Weverssingel in de binnenstad. Mijn oma was de baas in huis.  Ze was van niemand bang. Er zaten drie onderduikers op zolder, onder andere de broer van mijn moeder. Er woonden heel veel buren om ons heen die bij de NSB zaten. We mochten ’s avonds de straat niet meer uit, hadden geen elektriciteit, hadden weinig water. Mijn man had hongeroedeem. Wijzelf hadden nooit honger, omdat we veel mensen kenden die ons eten brachten en we hadden genoeg geld. Oma liet een keer een varken brengen en daar hebben we toen met een groot deel van de straat van geleefd.  De NSB’ers die om ons heen woonden in de straat pakten alles af op straat als mensen eten hadden. Ik heb nooit begrepen waarom iedereen tegen de Joodse mensen was. Ik zag dat ze sterren op moesten, maar ik begreep nooit waarom. Ik kende een paar Joodse kinderen in de stad. Die zijn dus allemaal verdwenen. De onderduikers zijn gelukkig door niemand ooit ontdekt. Ik ben een jaar niet naar school geweest. De Duitsers moesten daarin. Tijdens een avondmaaltijd was er een razzia in het centrum. Toen is mijn schoonvader met zijn bord en al van de eettafel opgestaan, rende naar zijn verstopkamertje en toen kwamen de soldaten net te laat. De soldaten telden de borden en hebben niet ontdekt dat hij daar ook woonde.
Net voor de Bevrijding kwam er een soldaat in hun huis ingekwartierd. Hij sliep dan een nacht bij hen op de bank in huis, terwijl ze boven onderduikers hadden. Hij liet foto’s zien van zijn vrouw en kinderen. Hij gaf hun brood en boter. Hij was mijn oma heel dankbaar.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Ik heb gezien hoe vrouwen werden kaalgeschoren als ze met Duitsers waren omgegaan. Ze werden op karren gezet en door de stad gereden. Ik weet nog hoe ze binnenreden op 7 mei en dat er weer geschoten was. Er waren nog Duitsers die dat deden.  Ik verstopte me achter de toonbank van een kaaswinkel. Wat goed dat jullie in kamp Amersfoort zijn geweest. Ik ben altijd op 4 mei naar dat kamp toegegaan om te herdenken. Alleen overleed mijn man op 4 mei en vanaf dat moment kon ik dat niet meer. Als kind wist ik helemaal niet dat daar een kamp zat en wat daar gebeurde. Op een dag wilde mijn moeder de pastoor uit Hooglanderveen daar gaan bezoeken. Die heeft ze dus opgezocht. Gewoon het kamp in en er weer uit. Ze had geen idee wat er allemaal gebeurde toen ze hem bezocht. Van het wegvoeren en zo wisten ze niets. Ze hebben toevallig geluk gehad dat die bewakers niet al te streng waren.  Ik zou zo graag willen dat iedereen aardig en lief is voor elkaar. Ik vind dat de wereld best een nare plek is. Voor jullie toekomst vind ik dat niet fijn. Daarom is het zo belangrijk dat kinderen en ouderen elkaar ontmoeten en dat deze verhalen doorverteld worden.’

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Er is een straat vernoemd naar mijn opa Gerrit en oom Rinus. De van ’t Eindstraat. Dat vind ik heel fijn’

Dyjami, Elin, Anna en Milan  van basisschool ’t Anker in Amersfoort fietsen naar het huis van Alet van ‘t Eind. Aan de muren hangen door haar oma gemaakte schilderijen en in een klein kamertje ook mooie foto’s waar zij op staat. Onderweg naar haar huis zijn we even gestopt bij een bord wat op de hoek van de Stationsweg staat. Daarop staat een foto van haar vader en haar oom die omgekomen zijn vanwege hun verzetswerk. Dat vertellen we haar en mevrouw van ‘t Eind is er zichtbaar trots op. Ook heeft ze de mooie stoel van haar oma nog in haar woonkamer staan.

Wat deden uw grootouders in het verzet?
‘Er zaten zes mensen zaten in die geheime verzetsgroep van mijn grootouders. Niets was bekend van wat ze deden. Bijna niemand wist ervan.  Mijn moeder wist wel heel veel.  Ze probeerden erachter te komen waar de Duitsers waren en wilden die informatie doorspelen.  In het plafond van mijn moeders woonkamer zat een telefooncel verstopt.  Die werd in de nacht naar beneden gehaald. Met haar zusje (mijn tante) hoorden ze dat door die telefoon en gaven nieuws door. Mijn opa had een kruidenierswinkel met voorraden. Hij had altijd eten dus, wat in de oorlog heel handig is. Het was een keuze die hij maakte. Oom Rinus ging als kind ook in de verzetsgroep. Hij schreef bijvoorbeeld in krantjes. Mijn opa leerde in 1943 mevrouw Loes Overeem kennen die bij het Rode kruis in kamp Amersfoort werkte. Zij heeft geprobeerd om betere omstandigheden te regelen. Zij was goed bevriend met opa en zij vroeg hem om voedselpakketten te maken, en zo kwam hij in het verzet terecht.
In het grote huis van de foto waar ik ook gewoond heb, zaten allemaal geheime plekken. Ik heb ooit de bouwtekening opgevraagd en ik zag toen dat mijn opa in 1938 al een verbouwing in zijn huis had gemaakt met extra geheime kelders. Waar later de onderduikers dus sliepen en zich verstopten. Dat waren jonge onderduikers die niet wilden werken in Duitsland. Mijn oma kende iedereen in Den Treek en zij hielp ook mensen om daar in het bos onder te duiken toen het niet meer veilig was bij hen.’

Op welke leeftijd en hoe zijn ze overleden?
‘Eigenlijk wist ik pas heel laat hoe het gebeurd is. Niemand kon er goed over praten. Een student heeft mijn opa geïnterviewd en zo weten we meer. Opa was 52, Rinus was 21 jaar toen ze zijn doodgeschoten. Op een dag kwamen er soldaten naar hun huis. Ze schoten in het plafond. Mijn vader en moeder en oom en nog meer mensen die aan het werk waren, moesten in een cirkel gaan staan. Mijn opa en oom werden afgevoerd. Ze moesten uit hun huis en toen ze terugkwamen was he hele huis leeggeroofd. Niemand kon vertellen waar ze waren.  Later hoorden ze dat ze waren doodgeschoten op 23 april bij een grote villa waar het hoofdkantoor van de SS was. In de kelder van de villa zijn ze gemarteld. Doodgeschoten en in een kuil gegooid. Loes Overeem heeft die kuil open laten maken en heeft hen laten herbegraven in een kist. Met bloemen en een ceremonie. Ik denk dat mijn vader dit niet heeft geweten.’

Hoe was het voor uw oma en hoe is het voor u om hiermee te leven?
‘Mijn oma was een verwend meisje, ze kon schilderen en dansen en was heel mooi. In het hotel waar zij woonde kwamen heel veel rijke mensen. Er was altijd feest. Zij wilde daardoor ook een man die haar mooie jurken gaf.  Ze trouwde met mijn opa en ze kregen 4 kinderen. Mijn opa bewonderde haar helemaal. Maar dat is allemaal veranderd nadat hij dood was. Toen kon ze alleen nog maar huilen en was ze in een oude vrouw veranderd, volkomen gesloopt. Ik ben zeven jaar nadat mijn opa en oom zijn doodgeschoten, geboren. Ik was als een soort van cadeautje voor mijn oma, maar ook ik kon dat verlies niet goedmaken.  Ze heeft me veel geleerd, maar ook haar verdriet wel in mij geplant. Ik kreeg dat van haar mee. Daar heb ik dus dingen over uitgezocht, toen het een tijd niet zo goed met me ging. Ik heb een leuke man en lieve kinderen, alleen in de maand april werd ik een tijd depressief en dat ben ik gaan uitzoeken. Dat kwam dus omdat het bij mij thuis in april altijd erg was vanwege het rouwen. Ik ben informatie gaan zoeken en heb ook de mooie dingen ontdekt. Bijvoorbeeld dat mijn oma heel veel is gaan schilderen en daarvan genoot. Nu kan ik beter omgaan met alles. Er is een straat vernoemd naar mijn opa Gerrit en oom Rinus. ‘De van ’t Eindstraat.’ Dat vind ik heel fijn. ‘

 

 

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Niet alle Duitsers waren fout’

Dylan, Jaycelinn en Dex uit groep 7 van de Twiskeschool fietsen een aardig stukje door Noord op een koude, zonnige dag naar het huis van Marian Rozendaal.(1945)  Met een glaasje sap en wat lekkers verwent ze de kinderen en zo komt het gesprek al snel op gang. Marian vertelt dat ze tot voor kort samen met haar vijf jaar oudere broer Walter hun verhaal vertelde, maar helaas is hij kort geleden overleden. Haar broer Walter was vlak voor het begin van de oorlog geboren en Marian Rozendaal aan het eind van de oorlog. Zij is Joods en ze laat de twee persoonsbewijzen zien van haar moeder; de echte met een grote ‘J’ erop. En het vervalst persoonsbewijs met een andere naam. Daarmee kon ze zonder Jodenster over straat.

Werd er thuis over de oorlog gepraat?
‘In de oorlog zullen mijn ouders er vast over gepraat hebben. Na de oorlog, toen ik wat ouder werd, werd er niet echt over gepraat. Tot op een dag mijn kinderen een werkstuk moesten maken over de Tweede Wereldoorlog en aan mijn moeder vroegen: ‘Jij bent toch Joods?’ Mijn moeder vertelde toen dat haar ouders in de Sijsjestraat in de Vogelbuurt woonden en dat ze tijdens een razzia waren opgepakt. Ze zijn met hun kinderen Felix en Jansje naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Hun middelste kind is mijn moeder Doortje. Zij was vlak voor de oorlog getrouwd met een niet-Joodse man. In de Schouwburg werden Joodse mensen verzameld en daarna met de tram naar Westerbork gestuurd, een kamp in Drenthe. Ze dachten dat ze in Duitsland moesten gaan werken en namen daarvoor spullen mee, niet wetende wat hen te wachten stond.

Wat is er met de familie van uw moeder gebeurd?
‘De broer van mijn moeder, Felix, toen achttien jaar, zat dus met zijn zusje van 16 en zijn ouders gevangen in de Schouwburg. Mijn vader heeft hem daar uit de rij gehaald. Hij heeft hem laten onderduiken bij ons thuis. Zo heeft Felix de oorlog overleefd, net als mijn moeder. Haar ouders, zusje, tantes en ooms zijn allemaal via kamp Westerbork naar Polen getransporteerd. Daar zijn ze vergast in het vernietigingskamp Sobibor. Mijn broer Walter begreep nooit waar oom Felix was. Hij was overdag altijd bij hen, maar ’s avonds ineens weg en dan ’s ochtends weer terug. Mijn ouders zeiden wel dat ze oom Felix weleens ‘achter het behang plakten’…wat ik nooit snapte als kind. In het huis in de Sneeuwbalstraat was een loze ruimte, een soort kast. Er zat behang over het luik, waar Felix zich in verstopte.
Wij hadden haar verhaal nog nooit gehoord en luisterden ademloos.  Mijn moeder vertelde dit heel rustig aan haar kleinkinderen, in kleine stukjes. Toen haalde ze een zwart tasje tevoorschijn. Dit tasje kenden we wel, maar wij mochten het nooit openen. Daarin zat haar Jodenster. En foto’s van haar overleden ouders en zusje Jansje.’

Hoe kwamen ze aan eten?
Mijn vader werkte bij de NDSM, in de scheepsbouw. Mannen die daar werkten, hoefden niet naar Duitsland voor dwangarbeid, omdat de scheepswerven belangrijk waren voor de Duitsers. Het werk werd expres zo langzaam mogelijk gedaan. Samen met collega’s maakte hij kleine ijzeren kacheltjes waarop je hout kon stoken, omdat er geen kolen meer waren. In de Hongerwinter fietste hij met zo’n kacheltje achterop naar het platteland, zelfs tot aan Den Helder, om het te ruilen voor eten. Zo kwamen ze aan voedsel, zoals een grote zak gedroogde bruine bonen. Daardoor had mijn moeder toch genoeg voeding voor het gezin.’

Hoe ging de Bevrijding?
‘Over de Bevrijding weet ik vooral wat ik uit boekjes heb gelezen. De Canadese soldaten kwamen Amsterdam binnen via de Berlagebrug bij het Amstelstation. Dat was het moment waarop de stad officieel werd bevrijd. Maar in Amsterdam ging het niet alleen feestelijk. Op 7 mei gingen veel mensen naar de Dam om de Bevrijding te vieren. Mijn moeder was daar heengegaan met mij in de wandelwagen samen met een vriendin. Maar er zat nog een groep Duitse soldaten in een gebouw met hun wapens en zij schoten op de menigte. Er zijn toen nog veel mensen omgekomen, terwijl ze juist een feest van Bevrijding kwamen vieren. Mijn moeder kon gelukkig net op tijd wegkomen. Daarom werd de Bevrijding in Amsterdam een feest met een zwart randje: veel blijdschap, maar ook veel verdriet.’

 

Archieven: Verhalen

‘Toen kwamen er flitsen van de oorlog bij me terug’

Els Burger heeft een hoop spulletjes mee die nog komen uit de tijd van de Tweede Werelddoorlog. Een blikje smeerkaas, en een blik krentenbrood. Een hele map met foto’s en voedselbonnetjes. En een groot koekjesblik. Scarlett, Dilara en Jaël uit groep 7 van de Twiskeschool vinden het heel interessant. Jaël is het meest onder de indruk van de bomhuls die de ouders van Els gebruikten als kruik in bed.

Wat voor werk deden uw vader en oom in de oorlog?
‘Mijn vader heeft een technische opleiding gehad bij Stork. Hij werkte met machines die gerepareerd moesten worden. Hij was monteur. Mijn oom werkte in de scheepsbouw in Noord. Die was ook heel technisch. Dus vandaar dat mijn vader in 1943 al naar Duitsland moest om te werken. Mijn oom is er achteraan gegaan. Mijn moeder bleef alleen achter met twee kleine kinderen. Mijn vader en oom moesten werken in een munitiefabriek. Maar ze saboteerden de boel. Dus ze maakten bewust dingen stuk. Bovendien had mijn oom die net twintig was een grote mond en hij was brutaal. Hij kwam terecht in de gevangenis maar hij ontsnapte.
Duitse militairen met grote honden hebben hem opgespoord in het bos. Hij is weer gevangengezet. Toen de oorlog bijna afgelopen was kon mijn vader vluchten uit het kamp waar hij zat. Samen met zijn vriend uit Blijham zijn ze naar de gevangenis gegaan in Lübeck en hebben mijn oom bevrijd. Hij is nog best oud geworden.’

Hoe kwamen jullie aan eten?
‘Ik had een zus die was 2,5 jaar ouder dan ik. Mijn moeder moest zorgen dat we eten kregen. Dus die ging wel eens naar de boer om wat op te halen. Als mijn moeder suikerbieten had gekregen, dan ging ze die koken en dat werd stroop. Als ze dan even de keuken uitliep snoepte mijn zus snel alle stroop op en dan had ze weer niks. Zo ging dat. Van de honger.  We vonden eens een klein bakje met een dekseltje in het theekastje. Er zat een anijsblokje in. Iedere keer als mijn moeder dan even weg was, dan likten wij om de beurt aan dat anijsblokje. Dat was vies, maar toen vonden wij het heel erg lekker natuurlijk. Daarna heb ik nooit meer anijs gelust. Later gingen naar de gaarkeuken. Dat is een punt waar maaltijden uitgegeven werden. Eigenlijk een soort voedselbank. Alleen stonden wij dan in de rij met een pannetje en dan kregen we of soep of waterige hutspot, dat staat me nog bij. Hier in Amsterdam-Noord had je een gaarkeuken bij de Meeuwenlaan en eentje op de Laanweg. Tijdens de Hongerwinter was er helemaal geen voedsel meer. Via een kennis van mijn vader kwamen we in een dorpje in Groningen; Blijham terecht, daar was eten genoeg.’

Wat weet u nog van die reis erheen?
‘We gingen erheen met de trein. Ik zat in een coupé op van die houten bankjes en ik was me toch een partij misselijk. We hebben wel zes uur lang in die trein gezeten. En iedere keer als er vliegtuigen overkwamen, moesten we de trein uit. En dan moesten we gaan liggen op de helling van de spoorbaan totdat de vliegtuigen overgevlogen waren. Dan konden we weer de trein in en dan reden we weer verder. In Groningen moesten we overstappen en in Winschoten stapten we uit. Daar werden we opgehaald door een paard en wagen. En die bracht ons naar Blijham. Daar was gelukkig eten genoeg, en daar zijn we uiteindelijk gebleven tot na de oorlog, om aan te sterken.’

Hoe komt het dat u nog zoveel van de oorlog weet?
‘Mijn herinneringen zijn pas veel later gekomen. In 1985, verhuisde ik van Drenthe weer terug naar Amsterdam. De stad Amsterdam vierde dat jaar dat ze 40 jaar bevrijd waren. Er vlogen bommenwerpers over de stad. Ik hoorde dat gezoem en ik raakte helemaal in paniek. Ik was helemaal de klus kwijt, plaste in mijn broek van angst en ik kroop Naarden hoekje in de gang. Het was verschrikkelijk. Toen kwamen er flitsen van de oorlog bij me terug en ben ik het gaan vragen aan mijn moeder die toen nog leefde.’

Kende u ook Joodse mensen?
‘Na de oorlog had ik een Joods vriendinnetje Marleen. Ze had ondergedoken gezeten in de oorlog. Ik ging vaak bij haar thuis spelen. Als we dan bij haar binnen waren dan riep ze steeds als we de trap op gingen: ‘mama, mama, ik ben het, Marleen.’ En dan ging de kastdeur open en dan stapte de moeder er uit de kast. Haar huis zag er heel leeg uit. In de woonkamer stonden nauwelijks meubels en er lag geen tapijt of kleed op de grond, helemaal niks. In de voorkamer was een grote linnenkast met een spiegel. Later vertelde Marleen me dat ze altijd bang was dat er een razzia kwam en dat ze dan opgepakt zou worden en dat ze zich daarom verstopt in de kast.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Na de oorlog werden NSB’ers opgepakt en in kamp Schoorl gezet’

Mirthe, Sophie, Ahmed en Fabian van de Willem-Alexanderschool in Bergen interviewen de 89-jarige Han Meijer. Hij was vroeger de burgemeester van Schoorl. Dat vinden de kinderen wel bijzonder. Ze mogen het interview houden in de lerarenkamer, waar ze lekker op de loungebank gaan zitten, tegenover meneer Meijer.

Wat voelde u toen de oorlog begon?
‘Ik was vijf jaar en was die dag buiten aan het spelen, toen er ineens een heleboel vliegtuigen overvlogen. De buurman zei tegen mij: de oorlog begint! Deze vliegtuigen bombardeerden het vliegveld van Bergen. Daar stonden allemaal jachtvliegtuigen met Nederlandse piloten en die werden beschoten door de Duitse vliegtuigen en bommenwerpers. Op dat moment was ik niet bang; ik had geen idee wat oorlog betekende.’

Wat heeft op u de meeste indruk gemaakt?
‘Duitsers vorderden ons huis in Schoorl, zes soldaten kwamen in onze woning. Wij moesten weg en moesten maar zien waar we heen gingen. Gelukkig hadden wij familie in Warmenhuizen bij wie we konden wonen. Ik ging al in Warmenhuizen naar school omdat de school in Schoorl in beslag was genomen door de Duitse soldaten. Er reed een trammetje tussen Schoorl en Warmenhuizen, waarmee ik dan naar school ging.

De school ging meestal gewoon door in de oorlog. Alleen als er een alarm afging moesten we binnen blijven. Vaak speelden we ook buiten; het leven ging gewoon door. Toen we na een paar jaar terug mochten naar ons huis in Schoorl, konden we aan de trap zien dat er Duitse soldaten hadden gewoond. De trap was door de ijzers onder hun laarzen helemaal uitgesleten.’

Kende u iemand die moest onderduiken?
‘Mijn vader moest onderduiken. Alle mannen tussen de 25 en 45 jaar werden opgeroepen om voor de Duitse bezetter te werken, dus ook mijn vader. Als je dat niet wilde, moest je onderduiken.

Mijn vader kon gewoon bij ons thuis onderduiken, en als we gewaarschuwd werden dat er een razzia kwam klom hij in de turfkoker. Die zat boven de open haard, waar een ketel hing. De turfkoker liep vanaf beneden naar de zolder. Bij een razzia ging mijn vader in de smalle turfkoker op twee latjes staan en was hij heel stil totdat hij wist dat het weer veilig was. Dat duurde soms wel twee uur. Hij kon in de turkoker omdat hij heel mager was.

Soms kwamen ze ineens langs terwijl we niet gewaarschuwd waren, dan schrok ik heel erg. Mijn vader klom dan razendsnel de turfkoker in… Gelukkig hebben ze hem nooit gevonden.’

In Schoorl was er kamp Schoorl. Wat weet u daarover?
‘Kamp Schoorl bestond uit allemaal barakken die daar in 1936 waren neergezet voor Nederlandse soldaten. De dreiging van een oorlog werd toen al gevoeld. Toen Duitsland Nederland bezette kwamen er allemaal Duitse soldaten in de barakken. Van mijn ouders mocht ik geen contact hebben met ze. Ze mochten ook niet aardig zijn omdat ze de bezetter waren, maar sommige Duitse soldaten waren best aardig. Na de oorlog werden NSB’ers opgepakt en in kamp Schoorl gezet. De Duitse soldaten zag ik vertrekken, ze marcheerden in grote groepen van Schoorl naar Den helder waar ze op transport werden gezet naar Duitsland.’

Archieven: Verhalen

‘Toen mijn vader na de oorlog terug was uit Indië, was dat best moeilijk’

Alex Waslander (90) is er al als de kinderen de lerarenkamer van de Willem-Alexanderschool in Bergen binnenlopen. Hij is op de fiets en heeft allerlei bonnenboekjes bij zich. Magnus, Seth, Willemijn, Jill en Lola installeren zich rond de grote tafel en beginnen meteen! Meneer Waslander was 5 jaar toen de oorlog begon en

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren in Indië, dat heet nu Indonesië. Vlak voor de oorlog uitbrak, zijn wij naar Nederland verhuisd. Maar mijn vader, die marinier was, bleef tijdens de oorlog in Indonesië. Hij vocht op de Javazee.

In Nederland woonden we eerst in Den Helder. Maar we zijn wel zes keer verhuisd tijdens de oorlog. Van Den Helder naar Bergen, Egmond, Loenen, Winschoten, Koedijk en weer naar Bergen. Daardoor zat ik ook op allerlei verschillende scholen.’

Wat aten jullie in de oorlog?
‘We kregen bonnenboekjes waarmee je bij de gaarkeuken eten kon halen. Ook gingen we arenracen. Zodra het koren was gemaaid, mochten wij de aren rapen die achter waren gebleven. Dan raceten we door de velden om zoveel mogelijk aren te rapen. Zo konden we weer brood maken. Met een beetje meel met water maakten we deeg en dat bakten we op een klein kacheltje. Dat brood noemden we platters: het bleef plat omdat we geen gist hadden.

Soms ging ik op de fiets naar Langedijk en Pancras, naar de boeren om te vragen of ze eten hadden voor ons. Dat waren hongertochten, dan ging je bedelen om eten. Het was niet altijd makkelijk.Ook ging ik regelmatig worteltjes jatten bij de boeren.

We logeerden ook een keer in een huis van een boer die kool verbouwde. De kolen werden met een bootje door allerlei slootjes naar de veiling gebracht, wij pikten dan kolen van de bootjes. In Koedijk woonden we bij een boer, waardoor er altijd wel iets te eten was. En omdat mijn moeder de vrouw was van mijn vader die vocht voor het vaderland gaven de mensen ons vaak iets.’

Heeft u iets heftigs meegemaakt?
‘In Loenen verbleven we mijn oom. Op een dag vlogen er Engelse vliegtuigen, spitfires, over. Mijn oom was in de tuin aan het werk toen er een Duitse kolonne langskwam. De spitfires begonnen te schieten en mijn oom werd geraakt. Ik zag hem daar dood op de grond liggen in de tuin. Heel heftig.

Als er door het kanaal van Koedijk Duitse schepen naar Den Helder voeren, waren er vaak honderden Engelse vliegtuigen die de schepen beschoten. De Duitse soldaten op de schepen schoten terug. Op zo’n moment gingen we razendsnel naar de kelder totdat het voorbij was. Maar wij hadden als kind geen idee wat oorlog echt was, dus we gingen dan toch de kelder uit om te kijken naar de beschietingen. Mijn moeder werd dan zo boos…

Op een dag was ik bij mij oma en opa in Alkmaar toen iedereen die op straat liep werd aangehouden. Mijn opa zag er wat Joods uit, en werd opgepakt en in de vrachtwagen gegooid. Gelukkig werd hij na een uur weer vrijgelaten.’

Wat ging er door u heen toen de bevrijding kwam?
‘We woonden toen in Koedijk, en bij de Vlotbrug langs het kanaal arriveerden de Canadese bevrijders. Wij gingen kijken en kregen chocola. Ik wist bij god niet wat dat was… zoiets zoets en aparts in je mond, dat had ik nog nooit gehad. De optocht van zoveel Canadese bevrijders en de chocola was overweldigend. De oorlog was nu echt voorbij.’

Kwam uw vader terug uit de oorlog?
Ik zat op een dijkje toen er een man kwam aanlopen. Ik zei tegen hem: ben jij mijn vader? En hij zei: als jij Alex heet ben ik jouw vader. Ik had hem zes jaar niet gezien. Ik was drie jaar toen we vertrokken uit Indonesië, dus ik kon me ook niet echt iets over hem herinneren.

Toen mijn vader terug was, was dat best moeilijk. Daarvoor hadden we veel vrijheid, geen vader die je een draai om de oren gaf. Ik had geen idee hoe hij was, maar hij bleek heel streng. Dat was best ingewikkeld, ook voor mijn moeder. Mijn vader en moeder moesten helemaal opnieuw beginnen met hun huwelijk en elkaar opnieuw leren kennen.

Toen mijn vader terug was, kregen we een huis aan de Doorntjes 44, daar woonde tijdens de oorlog een NSB’er. Wij mochten dat huis hebben omdat mijn vader een oorlogsheld was. Van de 380 mannen die vochten op de Javazee is de helft niet teruggekomen, mijn vader heeft geluk gehad.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892