Archieven: Verhalen

‘We zeiden dat hij mijn doofstomme neef uit de Achterhoek was’

Wil Sartorius is geboren in 1942 in Durgerdam en had vier jongere broertjes. Ze was nog maar heel jong, maar heeft veel verhalen gehoord van haar ouders. Juuls, Daniël en Robin uit groep 7 van de Twiskeschool ontmoeten mevrouw Sartorius thuis in een dijkwoning, vlakbij het huis waar ze opgroeide in de oorlog.

Met wie woonde u allemaal?
‘We woonden in een klein huis hier op de dijk. Ik was natuurlijk een jong kind, maar ik herinner me dat er altijd  heel veel mensen in huis waren en er was altijd iemand die aan het bakken was.

Er was in ons dorp veel saamhorigheid; dat betekent dat iedereen voor elkaar zorgde. Er was een Duits-Joodse jongen bij ons in huis. Hij was op z’n veertiende uit Duitsland gevlucht. Eerst zat hij in de Achterhoek, maar daar is hij verraden. Toen kwam hij terecht bij een buurman hier en dat was een NSB’er. Opnieuw werd hij door iemand ontdekt.  Daarna kwam hij bij ons. Die jongen was intussen 17 jaar. Als we buiten speelden, mocht hij niet praten want dat zou opvallen, dus we zeiden dat hij mijn doofstomme neef uit de Achterhoek was. Er verbleef bij ons in huis ook een bakker, die sliep bij de buren maar was overdag bij ons.  We hadden wat meel. Met Pasen kreeg ik een grote paashaas van brooddeeg, met een kalkei; een nep-ei erin; dat vond ik zo bijzonder. Ik weet nog hoe blij ik was met die paashaas. Ik heb hem wel een week bewaard, toen moest ie toch wel echt opgegeten worden.’

Wat vond u later van NSB’ers?
‘Ik was nog te klein en wist natuurlijk niet wat een NSB’er was. Later heb ik gehoord dat de NSB-buurman waar de Joodse jongen eerst ondergedoken zat, ook in de gevangenis heeft moeten zitten. Maar de christelijke buurman, die hem verraden had, heeft alleen maar in de kerk spijt betuigd en daarmee was het klaar. Terwijl door zijn toedoen die jongen weggehaald werd. Hij heeft er nooit iets over gezegd tegen mijn ouders.
Ik vind het moeilijk om mensen te veroordelen op hun lidmaatschap aan ‘clubjes’.

Hoe was de oorlogstijd voor uw ouders?
‘Mijn vader hoefde niet in Duitsland te werken, omdat hij tuinman was. Hij verbouwde veel groenten op twee weilanden achter ons huis en een deel daarvan moest hij ook afstaan aan de Duitse soldaten. Aan het begin van het dorp stonden allemaal barakken waar de Duitse soldaten in sliepen. Die soldaten liepen hier ook gewoon door het dorp. Mijn moeder zei dan wel eens, het zijn ook maar hele gewone jonge jongens.

Op een mooie dag stond ik in de box buiten op de stoep en toen kwam zo’n Duitse soldaat naast die box zitten en begon daar te huilen. Hij vertelde mijn moeder dat hij een vrouw en een kindje had maar daar al een jaar niks meer van had gehoord.

Had u ook huisdieren in de oorlog?
‘Ja, we hadden poezen. Maar ook andere dieren. Mijn opa, was een visventer voor de oorlog. Hij viste op het IJsselmeer en ging dan met een kar langs de deuren om de vis te verkopen. Die kar werd getrokken door twee honden. Mijn opa is in 1940 overleden, maar die honden waren er altijd nog.’

 Heeft u misschien  nog herinneringen aan de oorlog?
‘Ik hebben wel een keer kort na de oorlog, gezien dat er aan de dijk in een weiland een vliegtuigje neerstortte. Iedereen ging er heen om te kijken wat er aan de hand was.  Ik ook en ik weet nog dat het vliegtuigje een paar schapen gedood had, dat maakte vreselijk veel indruk op me.
Ik heb wel eens een scherf van een bom gevonden, maar nooit een bom zelf zien ontploffen.’

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘We gingen met paard en wagen naar een andere plek in Haarlem’

Jill, Bram, Lizanne en Quinn interviewen de 92-jarige Liesbeth Mes op hun school, de Hannie Schaftschool in Haarlem. Ze hebben een lekker pak koekjes voor haar klaarstaan. Mevrouw Mes woonde in de oorlog in Haarlem-Noord. Ze waren met zeven kinderen thuis dus in de oorlog was het lastig om al die monden te voeden, vertelt ze de kinderen.

Wat veranderde in het dagelijks leven?
‘Voedsel ging op de bon, dus je kreeg alleen eten als je bonnen had. Mijn ouders hadden zeven kinderen, dus dat was best moeilijk. ‘s Avonds mocht je na 8 uur niet meer naar buiten en moesten de ramen verduisterd worden. Ook waren er steeds minder spullen. Je kon geen nieuwe fietsband kopen, sommige mensen fietsten zelfs op houten banden. We moesten ook onze radio inleveren, zodat we geen nieuws meer konden luisteren. Mijn ouders deden dat niet en verstopten de radio in de schuur. Dat was best spannend, want dat mocht eigenlijk niet. Mijn ouders durfden ook niet naar Radio Oranje te luisteren.’

Wat maakte u mee tijdens de oorlog?
‘Aan het begin van de oorlog zag ik hoe de Duitsers Schiphol bombardeerden. Wij woonden in Haarlem-Noord en konden helemaal uitkijken over Schiphol. Alles stond in brand. Mijn moeder moest huilen. Later moesten wij evacueren uit Haarlem-Noord. We gingen met een paard en wagen naar een andere plek in de stad, aan de Zijlweg. Op dat moment was ik ziek, ik had 40 graden koorts, en moest naar het ziekenhuis. Daar heb ik vier weken gelegen. ‘s Avonds was er geen elektriciteit, dus we hadden geen licht. Soms gebruikten we een speciale lamp waarbij iemand moest fietsen om licht te maken. Ook moesten we zelf hout zoeken in het bos om de kachel aan te houden en te kunnen koken. Dan ging ik samen met mijn broer het bos in, op zoek naar hout.’

Hoe was het op school tijdens de oorlog?
‘Ik was zes jaar toen de oorlog begon en elf toen die voorbij was. In die tijd ben ik veel minder naar school geweest dan jullie nu. De Duitsers namen namelijk de scholen over om er zelf in te wonen. We kregen soms nog wel les, maar nooit een hele dag en op veel verschillende scholen. Vaak alleen rekenen en taal. Voor andere vakken was geen tijd of plek meer. Omdat we minder naar school hoefden, speelden we veel buiten. Dat vond ik leuk, maar het was natuurlijk niet normaal dat school zo vaak niet doorging.’

Hoe kwamen jullie aan eten?
‘Eten was schaars, vooral in de Hongerwinter. Gelukkig hielp mijn oom Piet. Hij haalde eten bij boeren, zoals graan. Dat werd stiekem bij ons gebracht en in de schuur verstopt. Mijn moeder maakte er meel van en zo konden we eten. Ik zie mijn moeder nog met de koffiemolen het tarwe draaien. Zij bakte het brood af bij een bakker, waar soms nog wel elektriciteit was. Soms werd er ook eten gestolen, bijvoorbeeld van bakkerskarren of van ons balkon. Na de oorlog kwamen er vliegtuigen die voedsel uit de lucht dropten. Dat konden we vanaf ons balkon zien. Toen was er eindelijk weer genoeg te eten en was de oorlog voorbij.’

 

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers liepen dwars door de winkel naar ons huis om m’n vader te zoeken’

Coby Groot woont nu in Heemstede, maar in de oorlog woonde ze achter de drogisterij van haar ouders midden in de Amsterdamse buurt, aan de Teding van Berkhoutstraat. Ze was drie jaar toen de oorlog begon. Bodille, Anna, Tijs en James van de Hannie Schaftschool fietsen naar Heemstede om de oorlogsherinneringen van Coby Groot te horen. Ze hebben lekkere chocolaatjes meegebracht en vragen haar de oren van het hoofd.

Waren er Joodse mensen en NSB’ers in uw buurt?
‘Ik wist toen niet wat Joods zijn was. Maar ik kan me goed herinneren dat er mensen door de buurt liepen met zo’n gele ster op hun jas. En ik speelde met Joodse kinderen. Totdat ze opeens weg waren. En dan hoorde ik van m’n moeder dat ze opgehaald waren door de Duitsers. Ik snapte daar niets van.

Er woonden veel NSB’ers om ons heen. Met hun kinderen mochten wij niet spelen. Ik denk dat mijn vader en moeder bang waren dat wij dingen van thuis zouden verklappen. Mijn vader verstopte zich bijvoorbeeld tijdens razzia’s, omdat hij niet in Duitsland wilde werken. Ik zie die Duitse soldaten nog de straat in marcheren, met van die rechte benen. Ze liepen dwars door de winkel naar ons huis om m’n vader te zoeken. Mijn moeder riep dat hij niet thuis was, terwijl wij wisten dat-ie gewoon in het kolenhok zat. Maar wij hielden onze mond stijf dicht, we snapten wel dat dat moest. Het was erg eng, vooral omdat mijn moeder dan heel nerveus was.’

Wat herinnert u zich van bombardementen?
‘Het bombardement op de Amsterdamse buurt weet ik nog goed. Mijn zussen en ik werden altijd tegelijk gewassen in een teil water voor de kachel in de achterkamer. Die avond was het mooi weer en daarom zette mijn vader de teil in de zonnige voorkamer. Dat is ons geluk geweest. We hoorden de vliegtuigen brommen en toen sloeg er vlak naast ons huis een bom in. De hele achterkant was kapot. Als wij in de achterkamer waren gebleven, dan had ik hier nu niet gezeten!

Op straat was het een grote puinhoop: alle ramen stuk, de hele Van Zeggelenschool was weg, en ook de bakkerij. De bakker en zijn hele gezin waren dood. Mijn vader hielp de gewonden op straat met verbandmiddelen uit de winkel. We zijn die avond op de fiets naar Heemstede gegaan, naar mijn oom en tante. Zij waren geëvacueerd uit Zandvoort en woonden in een mooi groot huis met tuin, dat vond ik als kind prachtig. Later heb ik pas bedacht dat dat huis waarschijnlijk van Joodse mensen was die waren weggehaald. Terug thuis, waren er lege plekken in de straat. Van sommige huizen stond alleen nog een halve trap in het zand. Het klinkt misschien gek, maar als kind heb ik heerlijk gespeeld in het puin.’

Heeft u familieleden verloren in de oorlog?
‘Ja, een neef van mij is doodgeschoten door de Duitsers. Hij was pas 21 jaar. Hij zat in een dorp op de Veluwe bij een groep verzetsmensen. Zij verstopten Joodse mensen, regelden eten voor hen en deden nog allerlei dingen die de Duitsers niet leuk vonden. Een van hen is toen door de Duitsers betrapt op een verzetsdaad, ik geloof een aanslag. Hij wilde niet vertellen wie er allemaal nog meer meededen met het verzet. En toen hebben de Duitsers zomaar bijna twintig mannen opgepakt in het dorp, ook mijn neef, en die hebben ze voor straf allemaal doodgeschoten. Die mannen werden dus allemaal gestraft omdat een iemand iets gedaan had. Zo maakten de Duitsers mensen bang.

We konden mijn neef niet begraven want al die mannen zijn gewoon in een groot gat gegooid. Maar na de oorlog is hij opnieuw begraven. Dat kan ik me nog goed herinneren. Het is te hopen dat jullie oorlog nooit mee hoeven maken!’

 

 

Archieven: Verhalen

‘De kinderen vroegen aan mijn moeder: heb jij een jodenster?’

Marian Rozendaal is naar de Hannie Schaftschool in Haarlem gekomen met Marijke, de vrouw van haar overleden broer Walter. Mevrouw Rozendaal is in 1945 geboren toen de oorlog bijna afgelopen was. Ze vertelt het verhaal van haar ouders en haar broer. Walter is geboren in 1940 en hij herinnerde zich nog veel. Voor het interview zitten ze in het kantoortje van de directeur en Elisa, Julian, Jessie en Ömer hebben een lekkere doos chocolaatjes meegebracht.

Waar woonden jullie tijdens de oorlog?
‘Mijn vader, moeder en mijn broer Walter woonden in Amsterdam-Noord. Later kwam ik daarbij. Mijn moeder was Joods en mijn vader niet. Vanaf 1942 werd steeds duidelijker dat de Joden buitengesloten werden. Zij moesten zich melden en moesten een jodenster op. Voor mijn moeder werd het steeds gevaarlijker buiten. Toen Walter naar de kleuterschool moest, bracht mijn moeder hem weg tot vlak voor een controlepost van de Duitsers. Dan fietste zij snel weer naar huis en moest Walter het laatste stuk alleen lopen, een heel eind voor zo’n klein jongetje.

Mijn moeder kwam soms wel op straat, want ze had twee persoonsbewijzen. Eentje met haar echte naam, Dora Naarden, waar een grote J op stond, en eentje met een andere naam, Fogelina Bollegraaf uit Groningen waar geen J op stond. Dat was gemaakt door mensen van het verzet. Heel knap gedaan, want het ziet er heel echt uit. Maar het was voor haar heel spannend om naar buiten te gaan, dus mijn vader deed de meeste dingen, zoals eten halen.’

Zat iemand van uw familie bij het verzet?
‘Ze zaten niet bij het verzet, maar ze hebben zich wel verzet. Toen Joden zich moesten melden, hebben de ouders van mijn moeder, mijn Joodse opa en oma dus, dat niet gedaan. Maar ze zijn verraden door NSB’ers in de buurt. Mijn moeders broer Felix van 20 en haar zusje Jansje van 16 woonden nog bij mijn grootouders. Ze zijn toen met z’n vieren naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, waar Joden moesten bijeenkomen.

Alle jonge mannen moesten overdag werken voor de Duitsers. Ze werden onder bewaking van Duitsers van de schouwburg naar werk gebracht. En toen heeft mijn vader op een dag Felix gewoon uit die rij getrokken, achter op z’n fiets gezet en is snel naar huis gereden. Dat was heel spannend. Mijn vader vond het zijn leven lang heel erg dat hij niet ook het zusje van mijn moeder kon redden, maar de meisjes kwamen niet naar buiten, dus dat lukte niet.’

Wat is er met Felix gebeurd?
‘Felix zat ondergedoken bij mijn ouders. Mijn broer zag hem alleen overdag. ‘s Avonds verstopte hij zich. Mijn vader zei altijd dat Felix achter het behang was geplakt. Dat snapte ik als kind niet want ik dacht: ‘Dan zie je toch allemaal bobbels?’ Later begreep ik dat er ergens een luik was waar hij achter zat en daaroverheen zat behang. Bij razzia’s werd mijn broer Walter snel naar de buurvrouw gebracht, omdat ze bang waren dat hij iets zou zeggen over zijn oom Felix. Ik denk dat mijn ouders vaak heel bang zijn geweest.’

Wat is er met opa en oma en Jansje gebeurd?
‘Ze zijn van de Hollandsche Schouwburg naar kamp Westerbork gebracht. Een paar dagen later zijn ze met de trein naar Sobibor afgevoerd, zo noemden ze dat. Dat is een vernietigingskamp in Polen. Ze kwamen daar na drie dagen reizen aan en zijn toen meteen vergast, vermoord dus. Maar dat wisten we pas achteraf, na de oorlog. Ik heb nog brieven die mijn moeder en Felix naar Westerbork hebben gestuurd, maar die hebben zij nooit meer gelezen want toen waren ze al weg.

Van mijn familie zijn ongeveer tachtig mensen vermoord, bijna iedereen eigenlijk.’ 

Hoe bent u de geschiedenis van je familie te weten gekomen?
‘Vroeger werd er thuis nauwelijks over de oorlog gepraat. Sommige dingen zijn denk ik zó erg dat je er niet goed over kùnt praten. Maar toen mijn dochter en Walters dochter in groep 7 een project over de oorlog deden, vroegen ze: oma, jij bent toch Joods? Dat was iets waarover wij nooit met mijn moeder durfden te praten. Ze vroegen ook: heb jij een jodenster? En toen pakte mijn moeder een zwart tasje, en daar zat van alles in: haar jodenster, haar persoonsbewijzen, brieven die ze naar Westerbork had gestuurd, het poëziealbum van haar zusje Jansje.

Toen ik klein was wist ik wel dat dat zwarte tasje er was, maar wij mochten daar absoluut niet aankomen. Doordat de kleinkinderen wel vragen durfden te stellen, kwamen Walter en ik dus ook veel te weten.

Mijn moeder vertelde over de jodenster: dat ze die zelf moest kopen en eerst ook braaf droeg. Totdat haar ouders waren opgepakt. Mijn moeder is toen naar het kantoor van de Duitsers gegaan, om te proberen haar ouders vrij te krijgen. En toen siste een meneer achter haar in de rij in haar oor: ‘Ben je gek geworden dat je hier staat met een ster op! Levensgevaarlijk!’ Toen is mijn moeder snel weggegaan. Ik denk dat ze daarna de ster niet meer heeft gedragen.

Ik denk dat je aan dit verhaal goed kunt zien hoe gevaarlijk het is als we mensen apart zetten en buitensluiten. Daar moeten we echt heel erg voor oppassen.’

Archieven: Verhalen

‘NSB’ers hebben mijn Joodse moeder verraden’

Reini Elkerbout is geboren in 1938 en was twee jaar oud toen de oorlog begon. Haar ouders woonden in Gorinchem. Haar vader was niet-Joods, haar moeder wel. In 1943 moest ze naar haar opa en oma in Dalem. Haar werd beloofd dat haar vader en moeder haar weer kwamen ophalen, maar haar moeder is nooit teruggekeerd uit Auschwitz. Alder, Ella, Maaike en Joep van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen mevrouw Elkerbout bij haar thuis. Bij de vruchtensap krijgen zij voor het eerst in hun leven baklava, dat smaakt wel!

Wanneer bent u geboren?
‘Ik ben in 1938 geboren en was dus twee jaar toen de oorlog begon. Ik had een jonger broertje, hij werd geboren toen de oorlog begon en hij was piepklein. Het was schrikken toen het ineens oorlog was. Ik woonde in Gorinchem, dat ligt vlak onder Rotterdam. Het is een soort stad als Haarlem. Aan het begin van de oorlog merk je dat het spannend is in huis. Maar als kind maak je dat gelukkig niet zo mee.’

Ging u naar school in de oorlog?
‘Ik ging niet naar school in de oorlog. Later, toen ik bij mijn opa en oma woonde, was er een kerk in de buurt. Die kerk had een zondagsschool, daar werd ik dan naartoe gebracht. Dan waren er ook wat kinderen in de buurt, die zag ik anders nooit. Mijn tantes leerden me lezen en schrijven. Toen ik eenmaal wel naar school ging, kon ik al lezen en een klein beetje schrijven.’

Kende u NSB’ers?
‘Als kind weet je dat soort dingen niet. Maar het is wel zo dat NSB’ers mijn moeder verraden hebben. Zij woonde in ons huis met haar moeder en haar zus. De buren hebben hun verraden. Zij ging toen naar een ziekenhuis in Rotterdam, want ze was zwanger, en daar hoopte ze papieren te krijgen om niet gedeporteerd te hoeven worden. Mijn jongere zusje is daar geboren.

Mijn vader kende wel NSB’ers. In Gorinchem zaten in de buurt best wel wat NSB’ers. Als kind kan je dat niet aanwijzen, dat weet je niet. Maar als Joodse moest je daar wel voor oppassen. Wij moesten altijd stil zijn als iemand uit de straat op bezoek kwam. Mensen kwamen niet zomaar langs; zij wilden kijken wat er gebeurde in ons huis. We wisten wel dat er gevaar was.’

Heeft u ondergedoken gezeten?
‘Ik had het geluk dat mijn opa en oma in Dalem woonden, een dorp vlakbij Gorinchem. Je kon daar op de fiets naartoe. De opa was de vader van mijn vader en was dus niet-Joods, hij liep daardoor geen gevaar en wij dus ook niet. Ik heb dat alleen nooit onderduiken genoemd. Tegen ons werd gezegd dat we gingen logeren. Maar we moesten daar wel heen omdat we niet in Gorinchem konden blijven.

We hadden destijds niet veel speelgoed. Na de oorlog verhuisden wij naar Amsterdam, waar ik een pop kreeg. In de oorlog heb ik wel boeken gekregen. Mijn moeder moest naar Auschwitz, maar leefde nog enige tijd. Zij zorgde er dan voor dat ik toch nog een boek voor mijn verjaardag kreeg.’

Wanneer was u het bangst?
‘Als er geschoten werd en er gevaar was, ging de hond op mij liggen om mij te beschermen. Het was een hond met hele lange oren. Mijn oma ging op mijn broertje liggen.

Een kogel is eens aan de overkant het huis in gegaan. Een meisje van mijn leeftijd die daar woonde, was geraakt en is toen overleden. Na de oorlog werd ik opgehaald door mijn vader, maar ik herkende hem helemaal niet meer.’

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader ging elke dag naar het station om te kijken of zijn broer terugkwam’

Liv, Jonathan, Eva en Duuk van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen de 89-jarige Hennie Houtkamp bij haar thuis. Ze woont nu in de Slachthuiswijk, maar heeft tijdens de oorlog altijd op de Kampervest gewoond. Haar huis is gevuld met foto’s van haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Met een lekker blikje frisdrank en een gevulde koek beginnen de leerlingen aan het interview.

Kende u mensen die moesten onderduiken?
‘Ja, tijdens razzia’s pakten de Duitsers vaak jonge mannen op om ze mee te nemen. Soms kwamen ze ook bij ons aan de deur. Dat heeft mijn vader drie keer meegemaakt. Er was een slim plan: als de Duitsers aanklopten, riepen wij: ‘Wie is daar?’ De Duitsers antwoordden dan, waardoor de jongens snel de schutting over konden springen naar de buren en de tijd hadden om te vluchten voordat de deur open werd gedaan. Om de hoek stond een groot pakhuis. Daar zat een geheime plek: een wand die een stukje open kon. Als je daarin ging, kon je bijna bij de gracht uitkomen en zo ontsnappen. Veel mensen uit de buurt hebben zich daar verstopt en zijn zo weggevlucht.’

Was u bang in de oorlog?
‘Ja, ik was vaak bang, vooral voor de vliegtuigen. Ze vlogen laag over en maakten een hard, zoemend geluid. Dan kroop ik bij mijn ouders in bed. Mijn vader was bloemenman en hielp mensen in het verzet. Hij kende belangrijke mensen, zoals dokters en bankdirecteuren. Daardoor kon ik geholpen worden toen ik ziek was aan mijn spieren. Ik werd zes weken behandeld door een dokter in een bejaardenhuis. Maar daar vond ik het ook eng, vooral als er vliegtuigen overkwamen en mijn ouders niet in de buurt waren.’

Wat gebeurde er met uw familie in de oorlog?
‘Ik had nog geen broertje, hij werd pas na de oorlog geboren. Dus ik was vaak alleen als kind. Wel woonden we met veel familie samen, zoals mijn opa en ooms. We waren heel hecht en ik was bij alles betrokken. Een broer van mijn vader moest in Duitsland werken. Mijn vader probeerde hem vrij te krijgen, maar dat lukte niet op tijd. Uiteindelijk wist hij te ontsnappen met een vriend. Tijdens hun vlucht wilden ze een schuilkelder in, maar die werd gebombardeerd. Mijn oom stond er net buiten en overleefde, maar zijn vriend niet. Na de oorlog ging mijn vader elke dag naar het station om te kijken of hij terugkwam. Op een dag zag hij hem echt in de trein en riep hij naar hem. Daarna kwam hij eindelijk weer thuis. Dat was een heel bijzonder moment.’

Hoe was het einde van de oorlog?
‘Op Bevrijdingsdag liep iedereen naar buiten, omdat de bevrijders eraan kwamen. Dat waren de Canadezen. Ze deelden snoep uit aan de kinderen en iedereen was heel blij. Maar er waren ook nare dingen. Bij bombardementen raakten veel mensen gewond. Ze liepen langs ons huis naar het ziekenhuis. Mijn moeder gaf ze water, want ze waren vaak gewond of verbrand. Ik heb ook een keer iets engs meegemaakt. Tijdens een razzia was ik buiten aan het spelen en vluchtte ineens een jongen weg uit de groep. Ik ging met hem mee hollen, terwijl een Duitse soldaat op ons schoot. ‘Ritsen Hennie, ritsen!’ Ik kon snel een gang van een open deur inschieten. Hij kon gelukkig ook ontsnappen.’

Archieven: Verhalen

‘Mannen van zo’n knokploeg sliepen bij ons op zolder’

Eenmaal voor de flat waar de 92-jarige Wim de Smalen woont, zijn Nele, Selah en Charlotte uit groep zeven van de Twiskeschool uit Amsterdam-Noord ineens een beetje zenuwachtig. Als ze op de bank zitten  en zijn vrouw Jannie ze een glaasje citroenlimonade brengt,  ontdooien de drie meiden al snel. Ze vinden het erg bijzonder dat meneer de Smalen en zijn vrouw Jannie er nog zo jong en vlot uitzien.

Had u veel vrienden in de oorlog en sprak u daar ook vaak mee af?
‘Ik was zeven jaar toen de oorlog begon. Ik had wel vrienden, maar het was niet zo dat je regelmatig bij elkaar in huis kwam. Dat wilden ouders vaak ook niet. Je moest altijd dicht bij huis blijven. Je moest namelijk altijd oppassen want er kon van alles gebeuren. Je had natuurlijk geen telefoontje om thuis te zeggen waar je was.  Er zijn wel drie bombardementen in Amsterdam-Noord geweest. Omdat mijn vader een kruidenierswinkel had op het Spreeuwenpark, hadden we meer voedsel in huis dan ergens anders.  Dus af en toe kwamen er wel een aantal vriendjes bij ons eten, die zelf thuis niet zoveel te eten hadden.’

Wat merkte u van de bombardementen?
‘Op een dag vloog er een hele zwerm vliegtuigen over ons heen om de Fokkerfabriek stuk te maken. Dat heb ik dus gezien. Op een gegeven moment kwam een het hele bommenpakket zo naar beneden. Maar ze vielen niet bij op de Fokkerfabriek, maar op de woonhuizen. En op de Ritakerk waar net feest gevierd werd. Die kerk zat propvol met kinderen. Daar is toen een bom op gevallen. Vanuit mijn raam heb ik de arbeiders van de ADM fabriek met ladders naar de kerk zien rennen, om zoveel mogelijk mensen te redden en onder dat puin vandaan te halen.’

Heeft u geheime dingen gedaan in de oorlog?
‘Mijn vader en mijn moeder deden zijdelings mee aan het verzet. In de oorlog had je verschillende knokploegen. Dat waren vaak jonge mannen die verzet pleegden tegen de Duitse bezetter door bijvoorbeeld inbraken of aanslagen te plegen. Zenuwslopende, spannende dingen. Die mannen moesten dus ook wel eens een dagje rust hebben. Wij woonden dus op het Spreeuwenpark en we sliepen op de derde verdieping boven. Soms kwam er zo’n hele ploeg langs om op zolder te slapen. Ze maakten soms ook een beetje lawaai of luisterden ook stiekem naar de radio. Ze kregen zo geheime berichten uit Engeland te horen wat er allemaal gebeurde in Europa, waar de Duitsers aan het vechten waren.
Dat drukten ze met stencilmachines op papier. Ik ging dan met mijn broers de buurt in met die stencils onder mijn trui, om ze bij verschillende mensen langs te brengen. Dat waren natuurlijk gevaarlijke dingetjes.’

Wat was het moeilijkste dilemma voor uw ouders in de oorlog?
‘Eén van die knokploegen was door de Duitsers gevangen genomen. Die zaten in de gevangenis bij het Leidseplein. Ik heb al verteld dat er wel eens mannen van zo’n knokploeg bij ons boven sliepen. Nou, die mannen wilden die andere knokploeg gaan bevrijden.

Ze hebben met de portier van de gevangenis afgesproken om op een bepaald moment te komen. Hij zou dan helpen de deur open te maken en dan zouden ze vluchten door de stad naar het IJ en met bootjes naar de overkant gezet worden. Vanuit daar zouden de mannen verspreid ondergebracht worden. Mijn vader en moeder zouden ook een paar van die mensen ontvangen. Mijn vader liep de hele nacht door het huis heen en weer te ijsberen; ik dacht: wat is er toch aan de hand? En toen werd er gebeld, want mijn vader had een telefoon, omdat hij kruidenier was. De inval in de gevangenis was mislukt. De portier had de boel verraden. Alle verzetsmensen zijn gepakt en vermoord in Bloemendaal. Na de oorlog is de portier berecht en ter dood veroordeeld.’

Wat merkte u van de Bevrijding?
‘Op 7 mei  zouden de Engelse troepen op de Dam komen. Via de Vijzelstraat naar de Dam. Ik was met mijn broer naar de Dam gegaan. Die stond propvol mensen. Maar de Duitsers die zaten nog in De Grote Club op de hoek van de Kalverstraat en de Dam.
Uit wraak begonnen ze gewoon op de mensen te schieten. Ik stond met mijn broer tegen de hekken van de Nieuwekerk aan. Dus eigenlijk buiten het schotsveld. Nou ja, we zagen het gebeuren. We zagen die mensen die werden doodgeschoten. Mensen vielen over elkaar heen. Wij zijn ook weggerend over Nieuwezijds Voorburgwal zo weer naar het Centraal Station om naar die ponten te komen terug naar huis. Dat vond ik wel heel angstig hoor.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder had wel allemaal gaatjes in de gordijnen zitten van de scherven’

Tijn, Kamiel, Inti en Sofia van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord gaan op bezoek bij Jannie Kremer. Mevrouw Kremer was zes jaar toen de oorlog uitbrak. Haar vader was vóór de oorlog al overleden, in 1939. Haar moeder bleef toen achter met zeven kinderen. Mevrouw Kremer was de jongste van de familie. Ze had twee broers die ondergedoken zaten en ze vertelt over een bombardement vlakbij haar huis, over spelen in de oorlog en over de hongertocht die ze met haar moeder en zusjes deden. Als de kinderen vragen wat ze zouden moeten doen als er oorlog is, is haar antwoord:  ‘Altijd eerlijk blijven’.

Werd er in uw straat gebombardeerd?
‘In onze straat niet, maar achter ons huis wel. Ik woonde in Oud Noord in de Sijsjestraat en achter ons in de Putterstraat, is er wel een bom gevallen. Dat was niet de bedoeling. We waren thuis toen het gebeurde. En toen moesten wij ook weg uit ons huis, want het was een tijdsbom. Hij was niet afgegaan en moest eerst onschadelijk gemaakt worden, voordat wij weer in ons huis mochten. We hadden gelukkig familie in Zwollen waar we naartoe konden.

Mijn moeder had wel allemaal gaatjes in de gordijnen zitten van de scherven. We hebben geen letsel gehad, maar hoorden natuurlijk wel het lawaai. Ik schrik nog steeds van het luchtalarm.’

Had u een hobby in de oorlog?
‘Ik had een zusje die twee jaar ouder was dan ik, en we speelden heel veel met poppen. We hadden een oudere familie naast ons wonen met grote meisjes die niet meer met poppen speelden, dus die gingen naar ons toe. Ik heb nog een poppenwagentje staan, dat heb ik ook gekregen.We speelden ook heel veel buiten. We hadden het arm, maar we hadden het wel zo dat je kon leven. En als je uit school kwam, kreeg je een andere jurk aan. Een ‘vieruursjurk’, noemden wij dat. Dan spaarde je je nette kleren en als je ging spelen moest je een donkere jurk aanhebben. We hadden een speeltuin in de straat, waar we heel veel hebben gespeeld.’

Hoe kwamen jullie aan eten tijdens de oorlog?
‘Aan het einde van de oorlog zijn mijn moeder, mijn zussen en ik naar Friesland vertrokken. We hadden een karretje. We zijn met het karretje met onze koffers erop gaan lopen vanuit Amsterdam naar Huizen. In één dag hebben we het gelopen. Ik kan me nog steeds niet voorstellen hoe we het als kinderen voor elkaar kregen. We waren erg trots. Op het laatst lag alles wat we in ons rugzakje hadden op dat karretje, want het was heel vermoeiend. Toen zijn we overgestoken met een vrachtschip. We zaten onder in het schip, waar je normaal de vracht hebt. Daar lag nu stro. We waren met een hele groep kinderen uit Amsterdam, die ook uitgezonden werden naar Friesland om aan te sterken. Er gingen geen ouders mee, maar mijn moeder wel, omdat we daar familie hadden. Toen zijn we eerst in Bolsward geweest bij een familie en daar kregen we te eten en konden we uitrusten. Van Bolsward zijn we met elkaar naar Frieschpalen gegaan, naar mijn broer.

Daar zijn we allemaal ziek geworden, omdat we veel te veel vet eten kregen. Toen zijn we gaan lopen naar de stad Groningen. Daar had je bussen waar een paard voor liep. Ons karretje kon er bovenop en uiteindelijk hebben we weer een heel eind gelopen richting Uithuizen, naar familie. Toen we daar aankwamen, zakte het karretje in elkaar. We konden natuurlijk niet met z’n vijven bij één familie ondergebracht worden, dus werden over verschillende families verdeeld.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn zus is via de buren en het verzet bij mijn vader en moeder terechtgekomen’

Met een hoofd vol vragen fietsen Helin, Eva en Crystal van de Twiske school naar het huis van Marian Schaap. Ze zijn best zenuwachtig, maar aangekomen gaat het interviewen als vanzelf. Er hangen veel foto’s aan de wand en Marian laat ook rots haar map zien, waarin ze foto’s van eerdere interviews verzamelt. ‘Ik ben de tel kwijtgeraakt, maar heb het verhaal van mijn zus al tientallen keren vertelt’. De drie meiden zijn erg onder de indruk.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik ben in maart 1944 geboren, dus tijdens de oorlog was ik nog een baby. Ik was net één jaar toen de oorlog eindigde. De oorlog in Nederland duurde vier jaar, maar voordat de Duitsers in Nederland kwamen was er natuurlijk al een hoop gaande. In Oostenrijk waren er bijvoorbeeld al Joden die moesten vluchten. Nederland heeft helaas geen mooie rol gespeeld, in de opvang van deze vluchtelingen. Om je kapot voor te schamen. De Nederlandse regering dacht ook dat het allemaal meeviel. Maar toen de Duitsers eenmaal Nederland binnenvielen, begon de ellende. Het ging heel geleidelijk. Joden mochten steeds minder. Zo moesten ze een Jodenster dragen.’

Wat kunt u ons vertellen over uw zus?
Op een dag kregen haar ouders het bericht dat ze met hun koffers klaar moesten staan, omdat ze door de Duitsers zouden worden opgehaald. Plotseling stond de overvalwagen voor de deur. Haar moeder bracht mijn zus van 10 maanden oud snel naar de buurvrouw. De Duitsers wisten niet dat er nog een baby in huis was, anders hadden ze zeker gezocht. Mijn zus is via de buren en het verzet bij mijn vader en moeder terechtgekomen.’

Hoe ging dat precies?
Haar moeder wikkelde mijn zus in een doek, het hun trouwboekje ertussen. De bovenbuurvouw kende wel iemand bij het verzet. Kan je je voorstellen hoe dat geweest is, voor haar als moeder? Die buren hebben ervoor gezorgd dat mijn pleegzus bij mijn ouders terecht kwam. Mijn zus was toen tien maanden oud. ’s Nachts lag mijn ze in een ledikant naast mijn moeder te slapen en hield mijn moeder haar kleine handje vast. Als ze haar handje losliet ging ze huilen…’

Hoe kwam u erachter dat uw zus niet uw echte zus was?
‘Per ongeluk las ik het van een papiertje dat op tafel lag. Ik was toen twaalf jaar oud. Ze had een andere achternaam, dit vond ik gek want op school hadden we dezelfde achternaam. Ik moest er zelf naar vragen, want onze moeder vertelde er niets over. Zo ontdekte ik steeds meer over mijn zus. Ik bleef vragen, want ik wilde alles weten! Tijdens een kinderruzie had een ander kind gezegd tegen mijn zus dat ze mijn echte zus niet is. In ons dorp wisten mensen dat blijkbaar. Onze moeder heeft toen geprobeerd het mijn zus goed uit te leggen. Dat was natuurlijk heel heftig voor haar.’

Archieven: Verhalen

‘Achterin zitten allemaal voorbeschreven postkaarten die je naar je familie kon sturen als je doodging’

Dirk Dekker heeft heel veel verstand van bijen en leert andere mensen daarover. Het interview vindt dan ook plaats in de keuken van z’n bedrijf Beelease op Noord Oogst.  Er zijn ook twee katten Felix en Simba. Cobus, Sienna en Gilles uit groep zeven van de Twiskeschool kijken hun ogen uit en luisteren geïnteresseerd naar het verhaal van Dirk vader en moeder.  Na afloop van het interview krijgen de kinderen een klein potje honing mee.

 Hoe oud waren uw ouders tijdens de oorlog?
‘Mijn vader Henk Dekker was 21 jaar en mijn moeder Corrie was 19 jaar toen de oorlog begon in 1940. Dus allebei nog heel jong. Mijn vader zat vlak voor ervoor nog in militaire dienst. Dus toen het oorlog werd, was hij de pineut. Hij werd gelijk opgeroepen om te gaan vechten tegen de Duitsers op de Grebbenberg.  Hij kreeg begin april al, denk ik, dit boekje; ‘het Oorlogsboekje’. Ik heb het altijd bewaard. Het bijzondere van het boekje is dat ze uitvoerig beschrijven om er rekening mee te houden dat je dood gaat. Achterin zitten allemaal voorbeschreven postkaarten die je naar je familie kon sturen als je doodging. Er staat: helaas moet ik u mededelen dat uw zoon of uw broer of uw neef is overleden. Er hangen ook twee metalen plaatjes aan met zijn naam en zijn nummer. Die moest hij om zijn nek hangen. Als hij doodging in het gevecht konden ze hem daarmee identificeren. Ik heb hier als kind veel mee gespeeld. Mijn vader heeft mazzel gehad. Hij heeft het overleefd, maar praatte niet vaak over die periode op de Grebbenberg.’

Wat deed uw vader voor werk?
‘Hij werkte bij de Fokkerkabriek. Hij was goed in het werken met stoffen/ grote lappen linnen, die werden toen nog gebruikt voor het bekleden van de vleugels. De fabriek kwam in Duits bezit en via een tante kwam Henk terecht bij de Hollandia Kattenburg fabriek. Daar maakten ze regenjassen. Hij werkte daar als één van de weinige niet Joden, want de meeste collega’s waren Joods.’

Wat weet uw vader nog van de razzia in de Hollandia Kattenburg fabriek?
‘Op woensdag 11 november 1942 aan het eind van de dag was de inval. Joden en niet Joden werden gescheiden. Alle Joodse mensen moesten aan de ene kant gaan staan en alle niet Joodse mensen aan de andere kant. De Joodse mensen werden geslagen, mannen en vrouwen. Het was heel erg. Mijn vader stond aan de niet-Joodse kant en op een gegeven moment kwam er een Joodse collega achter hem langs en voelde hij dat er iets in z’n broekzak werd gedaan. Alle Joodse mensen werden in vrachtwagens gestopt en weggevoerd. Mijn vader kwam helemaal overstuur thuis. Wat bleek? Die collega had een portemonnee in z’n broekzak gestopt.  Ook familieleden werden opgepakt en ook de vrouw van de collega. Ze haar baby nog snel over de schutting aan de buren  kunnen geven. En dat was Marco van de Berg.
Mijn vader heeft de bewaarde portemonnee aan hem terug kunnen geven. Er zat een foto in van zijn vader en moeder. De enige foto die hij ooit van ze zag.’

Weet u nog iets over de Hongerwinter?
‘Ik ben na de oorlog in 1948 geboren. Dus alles wat ik weet, heb ik van mijn ouders gehoord. Die tijd was een ramp. Er was helemaal niks meer te eten.  Mijn broer Rob is in de Hongerwinter geboren. Mijn moeder moest melk  en eten halen. Met een buurvrouw is ze met een kinderwagen en een fiets helemaal naar Zwolle gelopen. Daar hebben ze bijna een week over gedaan. Toen ze terug gingen weer over de grote brug over de IJssel ging het bijna fout.
Ze liepen allemaal achter elkaar in een rij en er waren Duitse soldaten die controleerden wat er in de tassen zat. Als er lekkere dingen inzaten, dan pikten ze dat eruit. Er was een vrouw voor hen en die ging zo tekeer tegen die soldaten, dat één van hen zijn pistool pakte.. en PANG! die vrouw doodschoot. Er werd enorm gegild en geschreeuwd. Mijn moeder zei: ‘nu rennen!’ Ze maakte gebruik van de verwarring om met die fiets en kinderwagen door die massa mensen heen te rennen, om voorbij die Duitsers te komen.’

 Waar was je vader toen?
‘Hij zat ondergedoken omdat hij niet in Duitsland wilde werken. Ze woonden in de Argostraat.  Als je binnenkwam, moest je een trap op naar boven naar de eerste etage daar zat een plafonnetje. En in dat plafonnetje had mij vader wat plankjes weggehaald. Hij heeft hij zich daarachter verstopt, samen met de buurman. Op een gegeven moment hadden de Duitse bezetters het wel door, want ze hadden al een paar keer eerder mannen uit zo’n dakje vandaan gehaald. Dus op dag kwamen ze bij mijn moeder langs om te zoeken en ze schoten zo door het plafond heen. Mijn vader heeft een kogel tussen zijn benen gekregen maar hij is doodstil blijven liggen natuurlijk.’

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892