Archieven: Verhalen

In het laatste jaar van de oorlog was ik dertien en was het mijn beurt om uit huis te gaan’

Ilan, Anouar en Bruce uit groep 7 van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord ontmoeten Lieda Ridder-Jongejans. Mevrouw Ridder wordt dit jaar 94. Tijdens de oorlog woonde ze met haar ouders, vier zussen en twee broers in de Kanaalstraat 114, dat is in Amsterdam-West. Haar vader was timmerman en had een timmerbedrijf naast het huis. Haar man Jan Ridder die inmiddels overleden is woonde wel in Noord.

Hoe merkte u dat de oorlog was begonnen?
‘Ik was acht jaar toen de oorlog uitbrak, ik weet dat nog heel goed. Ik was samen met mijn moeder in de woonkamer, mijn moeder luisterde naar de radio. Vroeger hadden we maar twee zenders radio 1 en 2. Mijn moeder begon te huilen en zei dat Nederland zich had overgeven. Als meisje van acht vond ik het allemaal wel best en wilde gewoon het liefst weer snel buitenspelen. Knikkeren en steppen met mijn vriendjes en vriendinnetjes. Als het luchtalarm ging moesten we snel naar binnen om te schuilen, als dan even later weer het alarm ging dan speelden we weer vrolijk verder. Dat was voor mij eigenlijk de oorlog, als achtjarige weet je nog niet zo veel. Zo begon de oorlog voor mij.’

Hoe kwam uw familie aan eten?
‘Mijn broers en zussen gingen op de fiets richting Alkmaar om daar aardappelen en groenten te halen. Ik hoefde niet mee want ik was te jong. Ook haalden we ons eten bij de gaarkeuken, ik weet nog goed dat ik met mijn broertje een grote pan met eten vast had en dat er een grote hond op ons afkwam. Van schrik liet hij die pan vallen. We haalden ook wel eens voor een oude oma eten bij de gaarkeuken. Zij gaf ons dan een pannetje mee voor het eten en daar zat dan altijd zo een lekkere bal gehakt bij. Nou je raadt het al.. dat balletje zat er niet meer in als we bij dat omaatje aankwamen; die hadden we zelf al opgegeten.

Ik weet ook nog een keer, dat was in 1942 dat mijn oom me vroeg of ik in Badhoevedorp, een dorpje vlak bij Schiphol, een geitje wilde ophalen. Ik ben toen lopend helemaal alleen naar Badhoevedorp gegaan om dat geitje op te halen.  Op de terugweg was het wel even spannend, want halverwege stonden er ineens Duitse bezetters.  Zij hielden iedereen tegen om eten en andere dingen in beslag te nemen. Gelukkig lieten ze mij doorlopen met de geit en kon ik verder richting huis. Maar toen ik bijna thuis was, besloot de geit dat hij er klaar mee was en is midden op straat gaan liggen. Met geen mogelijkheid kreeg ik ‘m nog in beweging. Mijn oom heeft hem toen opgehaald met de bakfiets’.

Wat voor herinneringen heeft u aan die tijd?
‘We gingen altijd vroeg naar bed, want we hadden geen licht. Mijn moeder had wat slims bedacht; ze verbond een aantal fiets-dynamo’s aan de trapnaaimachine en dan moest mijn broer van 17 gaan trappen, zodat wij nog wat licht hadden ’s avonds.

Mijn moeder had de zorg voor zeven kinderen. Mijn vader was timmerman, maar later werd hij ziek en werkeloos. Door de oorlog en vooral door de armoede werden wij kinderen één voor één uit huis geplaatst om een veilig en beter onderkomen te hebben. In het laatste jaar van de oorlog was het mijn beurt om uit huis te gaan, dit werd via de kerk geregeld.’

Hoe was dat voor u om uit huis te gaan?
‘Ik was dertien jaar toen ik naar ’t Veld, een dorpje boven in Noord-Holland, ging. Mijn moeder bracht me naar het Centraal station, daar lag een boot. Ik heb de hele dag op de boot gezeten, samen met een heleboel andere kinderen die ook bij gezinnen werden ondergebracht. Pas toen het donker was zijn, we gaan varen. We kwamen aan in Heiloo, waar we de nacht bij een bakker hebben doorgebracht. Daar kregen we hele grote boterhammen, maar ik kon daar helemaal niet tegen, omdat ik zo weinig had gegeten. Ik ben er de hele nacht ziek van geweest. De volgende dag werd ik met paard en wagen naar een familie in ’t Veld gebracht.’

Het was een heel fijn gezin met een hoop kinderen, er was er zelfs nog eentje op komst. Ik klopte daar altijd de kleedjes uit met een mattenklopper. Op een dag werd ik geroepen: ‘stop maar met kloppen, het is vrede’. Zo ineens was de oorlog weer voorbij. Ik ging ervan uit dat ik de volgende dag naar huis zou gaan, maar dit duurde nog een maand want er was geen vervoer. Na de oorlog heb ik nog jaren contact gehad met deze mensen.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Met mijn broer zocht ik in het bos naar hout voor de kachel’

Merle, Almina, Thanasis, Lennon en Nour interviewen de 92-jarige Liesbeth Mes op school. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft zij in Haarlem-Noord gewoond. Vanuit haar huis zag zij Schiphol gebombardeerd worden, alles stond in brand. Toen was de oorlog begonnen. Mevrouw Mes arriveert bij de Hannie Schaftschool in Haarlem, de leerlingen hebben er zin in!

Hoe was het op school tijdens de oorlog?
‘Ik was zes jaar toen de oorlog begon en elf toen die voorbij was. In die tijd ben ik veel minder naar school geweest dan jullie nu. De Duitsers namen namelijk de scholen over om er zelf in te wonen. We kregen soms nog wel les, maar nooit een hele dag en op veel verschillende scholen. Vaak alleen rekenen en taal. Voor andere vakken was geen tijd of plek meer. Omdat we minder naar school hoefden, speelden we veel buiten. Dat vond ik leuk, maar het was natuurlijk niet normaal dat school zo vaak niet doorging.’

Wat veranderde in het dagelijks leven?
‘Voedsel ging op de bon, dus je kreeg alleen eten als je bonnen had. Mijn ouders hadden zeven kinderen, dus dat was best moeilijk. ‘s Avonds mocht je na 8 uur niet meer naar buiten en moesten de ramen verduisterd worden. Ook waren er steeds minder spullen. Je kon geen nieuwe fietsband kopen, sommige mensen fietsten zelfs op houten banden. We moesten ook onze radio inleveren, zodat we geen nieuws meer konden luisteren. Mijn ouders deden dat niet en verstopten de radio in de schuur. Dat was best spannend, want dat mocht eigenlijk niet. Mijn ouders durfden ook niet naar Radio Oranje te luisteren.’

Wat maakte u mee tijdens de oorlog?
‘Aan het begin van de oorlog zag ik hoe de Duitsers Schiphol bombardeerden. Wij woonden in Haarlem-Noord en konden helemaal uitkijken over Schiphol. Alles stond in brand. Mijn moeder moest huilen. Later moesten wij evacueren uit Haarlem-Noord. We gingen met een paard en wagen naar een andere plek in de stad, aan de Zijlweg. Op dat moment was ik ziek, ik had 40 graden koorts, en moest naar het ziekenhuis. Daar heb ik vier weken gelegen. ‘s Avonds was er geen elektriciteit, dus we hadden geen licht. Soms gebruikten we een speciale lamp waarbij iemand moest fietsen om licht te maken. Ook moesten we zelf hout zoeken in het bos om de kachel aan te houden en te kunnen koken. Dan ging ik samen met mijn broer het bos in, op zoek naar hout.’

Hoe kwamen jullie aan eten?
‘Eten was schaars, vooral in de Hongerwinter. Gelukkig hielp mijn oom Piet. Hij haalde eten bij boeren, zoals graan. Dat werd stiekem bij ons gebracht en in de schuur verstopt. Mijn moeder maakte er meel van en zo konden we eten. Ik zie mijn moeder nog met de koffiemolen het tarwe draaien. Zij bakte het brood af bij een bakker, waar soms nog wel elektriciteit was. Soms werd er ook eten gestolen, bijvoorbeeld van bakkerskarren of van ons balkon. Na de oorlog kwamen er vliegtuigen die voedsel uit de lucht dropten. Dat konden we vanaf ons balkon zien. Toen was er eindelijk weer genoeg te eten en was de oorlog voorbij.’

Archieven: Verhalen

‘Als ik m’n ogen dichtdoe, dan zie ik mijn vader nog wegvaren’

Coco, Grietje, Jax en Kees van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen Gré van den Bos. Zij woont in zorgcentrum De Roos, vlakbij hun school. Ze spreken haar in een knus kantoorhokje in De Roos. Mevrouw Van den Bos was vijf jaar oud toen de oorlog begon. Ze woonde in Zaandam met haar vader, moeder, twee zussen en een broer. Haar vader werkte als arbeider in een houtzagerij, maar vlak voor de oorlog werd hij als dienstplichtig militair opgeroepen om zich te melden in een kazerne in Den Haag.

Wat weet u nog van het begin van de oorlog?
‘Ik weet nog goed dat mijn vader wegging. Dat was twee dagen voordat de oorlog uitbrak. Hij ging samen met de man van zijn zus, die was ook soldaat. Ze gingen met de boot van Zaandam naar Amsterdam en dan met de trein naar de kazerne in Den Haag. Mijn vader was in zijn uniform en wij stonden hem op de kant uit te zwaaien. Als ik m’n ogen dicht doe dan zie ik die boot nog wegvaren. Wij dachten dat hij snel weer terug zou zijn. Maar meteen op de eerste oorlogsdag, 10 mei, is er een bom gegooid op de kazerne waar mijn vader en mijn oom zaten. Zij zijn allebei omgekomen. Wij wisten dat niet meteen. We wisten wel dat er was gebombardeerd in Den Haag. Op een gegeven moment zijn mijn opa en mijn tante naar Den Haag gegaan om te zoeken, maar ze konden niets meer vinden. De hele kazerne was kapot en alle doden waren al begraven.’

Welke emoties had u tijdens de oorlog?
‘Er was natuurlijk veel verdriet, maar als kind besef je gelukkig niet alles meteen helemaal. Mijn moeder en mijn grootouders hadden het zwaar.

Mijn moeder was opeens alleen met vier kinderen. Mijn oudste zus had veel zorg nodig omdat zij beperkingen had. Dat lukte mijn moeder niet meer. Mijn zus is toen naar een instelling verhuisd. Even later kreeg mijn moeder tuberculose en moest naar een sanatorium. Mijn broer en zus en ik gingen bij mijn opa en oma wonen. We mochten mijn moeder een keer per week opzoeken. Ik herinner me dat we haar niet mochten knuffelen omdat tuberculose besmettelijk is. Als de verpleegsters niet keken, deden we dat stiekem toch.

Mijn grootouders hadden door het bombardement mijn vader en mijn oom verloren. En even later werd ook nog een andere zoon, een oom van mij dus, opgepakt om in Duitsland te gaan werken. Van hem hebben we nooit meer iets gehoord. Hij is waarschijnlijk omgekomen bij een bombardement.’

Hoe vond u het in de Hongerwinter?
‘Dat was heel erg. Je moest steeds met een pannetje naar de gaarkeuken en dan kreeg je alleen een dunne soep of zoiets. Het was ook heel koud, dus we gingen zoveel mogelijk bij elkaar in een huis zitten. Mijn tante en haar dochter kwamen er ook bij. Dan had je het wat warmer.

Ik mocht soms naar de Kindervoeding. Dat was een speciale gaarkeuken voor kinderen die er slecht aan toe waren, daar kreeg je wat extra’s. Ik was zo mager dat ik daar heen mocht. Mijn zus en mijn nichtje mochten niet.

Mijn broer was een jaar of 10 en die ging vaak met mijn tante op de fiets naar boeren om eten te halen. Best zwaar want die fiets had houten banden. Soms werden ze op de terugweg door de Duitsers aangehouden, dan moesten ze al het eten weer inleveren.

Wat ik me het best herinner is dat mijn opa een keer met tranen in zijn ogen in de kamer stond en zei: ‘Ik heb geen eten voor jullie vandaag’. Hij vond dat heel erg.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Ik herinner me dat ik weer naar school ging en meteen door mocht naar de vijfde klas. De vierde klas heb ik gewoon helemaal overgeslagen, want de school was toen bezet door de Duitsers. Mijn broer ging naar de zeevaartschool, dus die ging weg.

Mijn zusje en ik woonden eerst nog bij mijn grootouders omdat mijn moeder nog ziek was. Maar in 1946 moesten mijn zusje en ik bij tantes in Amsterdam-Noord gaan wonen. Ik denk dat de Kinderbescherming dat beter vond. Ik vond dat heel erg want bij mijn opa en oma was het fijn. Het ergste vond ik dat we ieder bij een andere tante gingen wonen. Ik weet niet precies waarom ze dat deden, maar ik denk dat die tantes twee kinderen erbij te veel vonden. Zij hadden zelf ook kinderen en waren niet rijk. Ze zeiden tegen ons dat het maar tijdelijk zou zijn. Maar toen ging mijn moeder dood en toen begreep ik dat ik bij mijn tante moest blijven. Ik weet dat moment nog goed.

Ik heb me lang heel erg verlaten gevoeld en verdrietig. Maar ja, je moet toch door he?

Wat ook erg was is dat mijn tante me later de deur uit heeft gezet. Ze kreeg geld om mij te verzorgen van Stichting 40-45. Maar dat hield op toen ik 21 werd en toen heeft ze me meteen de deur uitgezet. Gelukkig leefde mijn opa nog en mocht ik weer bij hem wonen. Het is niet makkelijk geweest allemaal. Ik hoop voor jullie dat jullie dit nooit mee hoeven maken.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn broer Ad is ook verhoord. Ik heb de littekens op zijn rug gezien’

Els van Zalen-Hoogendoorn is geboren in 1935. Ze woonde met haar ouders, zus en drie broers op de Burgwal vlak naast de drukkerij van haar vader. In 1943 werden haar vader Joop en haar broer Ad opgepakt omdat er in de drukkerij verboden kranten werden gedrukt. Joop is in 1944 gefusilleerd, Ad is naar een concentratiekamp gestuurd. Mevrouw Van Zalen was nog jong maar heeft scherpe herinneringen aan die tijd. Later heeft ze van Ad nog veel meer gehoord. Dominique, Elin, Tufan en Louisa van de Hannie Schaftschool in Haarlem spreken haar in haar gezellige woonkamer in Haarlem-Noord. Ze bekijken ook het boek dat over de drukkerij van haar vader is geschreven.

Wist u dat uw vader illegale kranten drukte?
‘Nee. Ik was dol op mijn vader en zat graag in de drukkerij. Maar over het illegale werk werd niet gesproken. Wij wisten van niks en mijn moeder ook niet, al had zij waarschijnlijk wel een vermoeden. Ik denk dat mijn vader dacht: hoe minder ze weten, hoe minder risico dat iemand iets verklapt. Alleen mijn broer Ad die elf jaar ouder was dan ik, wist het. Hij hielp mijn vader. Ze drukten onder andere het verboden communistische blad De Vonk. Mijn vader was geen communist, maar hij was wel tegen de Duitsers en daarom hielp hij de communisten, want die waren ook tegen de Duitsers.’

Zag u dat uw vader werd opgepakt?
‘Ja. Ad heeft later verteld hoe dat precies is gegaan. Er kwam een man de drukkerij binnen. Hij vroeg naar mijn vader. Ad dacht dat het een klant was, misschien omdat hij Nederlands was. Mijn vader deed net thuis een dutje en toen is Ad hem gaan halen. En toen stonden er opeens een stuk of drie Duitsers binnen. Ad heeft nog met ze gevochten. Hij wilde m’n vader beschermen.

Ik hing toevallig uit het raam en zag dat m’n vader en m’n broer geboeid werden afgevoerd. Ik weet niet meer wat ik toen dacht, maar ik voelde wel dat het erg was. Het moet voor mijn moeder vreselijk zijn geweest. Zij was opeens midden in de oorlog alleen met vier kinderen. Gelukkig kreeg ze wel hulp van mensen in de buurt.’

Weet u door wie uw vader werd verraden?
‘Ja dat weten we bijna zeker. Hij deed dat stiekeme drukwerk niet alleen. Er moest papier komen, zetwerk, dat moest gehaald en gebracht worden, en verspreid. Daar was een flinke groep mensen mee bezig. Iemand van die groep is gepakt en die heeft waarschijnlijk gepraat. Je moet je voorstellen dat je tijdens zo’n verhoor door de Duitsers heel hard werd geslagen of gemarteld. Dus dan is het wel heel moeilijk om je mond te houden.’

Wat is er toen gebeurd?
‘Mijn vader en Ad zijn naar een gevangenis in Amsterdam gebracht. Ze hebben elkaar daar niet gezien maar Ad heeft verteld dat mijn vader een briefje naar hem heeft gesmokkeld, in een boek. Daar stond op: ‘Hou je mond, je weet van niets!’ Hij wilde Ad beschermen. Mijn vader werd al snel overgebracht naar het hoofdbureau van de SD. Daar werd hij met geweld verhoord, maar hij heeft volgehouden dat Ad nergens van wist.

Ad is ook verhoord en mishandeld. Ik heb de littekens op zijn rug gezien. Maar hij heeft volgehouden dat hij niks wist. Uiteindelijk hebben de Duitsers dat geloofd. Hij werd vrijgesproken van illegale activiteiten, maar omdat hij had gevochten met de Duitsers in de drukkerij werd hij toch naar een concentratiekamp gestuurd, waar hij moest werken.’

Heeft u uw vader nog gezien nadat hij was opgepakt?
‘Ja. Mijn vader is uiteindelijk veroordeeld voor illegale activiteiten. Hij kreeg de doodstraf. Toen is hij overgebracht naar het Oranje Hotel, dat was een gevangenis in Scheveningen.Ik ben daar een keer geweest met m’n moeder. Ik mocht niet mee naar binnen, maar omdat mijn moeder geen oppas had, mocht dat uiteindelijk toch.

Ik herinner me dat we aan een tafel zaten, mijn moeder en ik aan de ene kant en mijn vader aan de andere kant, met tralies ertussen. Mijn vader vroeg: ‘Mag mijn dochter bij mij zitten?’ Maar dat mocht niet. Toen we weggingen mochten we elkaar even omhelzen en toen gaf mijn vader mij stiekem een hele stapel briefjes, geschreven op kleine kladjes, sigarettenvloeitjes en stukjes stof. Ik wist niet wat het was, maar heb het in m’n zak gepropt. Ik heb die hele terugreis m’n hand stevig in die zak gehouden en niets gezegd. Pas thuis durfde ik te zeggen: ‘Mama, kijk eens wat papa mij heeft gegeven’. Het waren aardige briefjes aan allerlei mensen, en ook veel adviezen voor mijn moeder.

Vlak na dat bezoek is hij doodgeschoten op de Waalsdorpervlakte. Zes dagen later kregen wij daar officieel bericht over, op de verjaardag van mijn jongste broer. Die heeft daarna nooit meer z’n verjaardag willen vieren. Mijn vader is in een massagraf gegooid. Na de oorlog hebben ze hem opgegraven. Uiteindelijk is hij herbegraven op de Erebegraafplaats in Overveen.’

Hoe was het toen de oorlog was afgelopen?
‘Mijn broer Ad kwam heel mager terug uit Duitsland. Het eerste dat hij vroeg was: ‘Waar is m’n vader?’ Het was een enorme schok voor hem dat mijn vader dood was. Hij heeft zich zijn hele leven schuldig gevoeld omdat hij mijn vader die dag van het verraad thuis is gaan halen. Terwijl hij daar natuurlijk niets aan kon doen!

Voor mijn moeder was het heel moeilijk, maar zij was geweldig. Ze was heel lief en heeft ons zo toch nog een fijne jeugd gegeven. Maar ik heb mijn vader wel mijn hele leven enorm gemist. Toen ik een jaar of 16 was, heb ik zelfs een tijdje gedacht dat hij misschien niet echt dood was. Ik keek de hele tijd om me heen en dan dacht ik vaak dat ik hem zag lopen. Ik heb ook weleens gedacht: misschien hebben ze hem wel naar Rusland gebracht. Mijn broer Ad is na de oorlog een beetje mijn vaderfiguur geworden.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader trok Felix gewoon uit die rij bij de Hollandsche Schouwburg’

Ise, Joep, Malika en Pepijn van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen Marian Rozendaal in het kamertje van de schooldirecteur. Mevrouw Rozendaal is in 1945 geboren in Amsterdam-Noord, toen de oorlog bijna afgelopen was. Ze vertelt het verhaal van haar Joodse moeder, haar vader en haar broer Walter. De leerlingen hebben een lekkere cake meegebracht en mevrouw Rozendaal heeft een zwart tasje bij zich waarin allerlei bijzondere papieren zitten die de leerlingen mogen bekijken.

Hoe vonden uw ouders het in de oorlog?
‘Ze vonden het heel eng, ze waren bang dat ze opgepakt zouden worden. Mijn moeder was Joods en mijn vader niet. Voor mijn moeder werd het steeds gevaarlijker buiten. Ze had daarom twee persoonsbewijzen. Op het echte persoonsbewijs stond haar naam, Dora Naarden, maar ook een grote J van Joods. Daarmee durfde ze al snel niet meer naar buiten. En daarom had ze ook een vals persoonsbewijs, waarmee ze Fogelina Bollegraaf uit Groningen was. En daar stond geen J op. Het was gemaakt door mensen van het verzet. Heel knap gemaakt, met echte vingerafdrukken en nummers.

Maar het was voor mijn moeder was het toch heel spannend om naar buiten te gaan. Dat betekende dat mijn broer Walter als klein kleutertje al veel dingen zelf moest doen: alleen naar school lopen, alleen naar de dokter. Mijn moeder bracht hem dan weg tot vlak voor waar de soldaten stonden. Dan draaide zij snel om en dan moest Walter het laatste stuk alleen lopen, een heel eind voor zo’n klein jongetje.’

Komt u vaak bij struikelstenen?
‘Ja, wij hebben struikelstenen gelegd voor het huis van mijn opa en oma, de vader en moeder van mijn moeder dus, en haar zusje Jansje. Zij zijn, samen met mijn moeders broer Felix, opgepakt omdat ze Joods waren. Ze zijn eerst naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, daar werden Joden verzameld door de Duitsers. Daarna moesten ze naar Westerbork en van daaruit zijn ze naar Sobibor in Polen gebracht. Dat duurde drie dagen met de trein. Ze zaten in een soort veewagen helemaal volgepropt met mensen. Zonder stoelen, zonder eten, met alleen een emmer om op te plassen. Echt vreselijk. Je kwam natuurlijk helemaal smerig en naar aan, en dan werd je de trein uitgeslagen. Vervolgens moest je je uitkleden en dan ging je zo de gaskamer in. Dat kun je je amper voorstellen. Sommige dingen zijn te erg gewoon. Mijn opa was 63, mijn oma was 55 en Jansje was pas 16.’

Zijn uw opa en oma verraden?
‘Ja, ze zijn verraden door mensen uit de straat. Waarom weet ik niet, maar misschien voor geld. Je kreeg in die tijd van de Duitsers 7,50 gulden per Jood die je aangaf. Dat noemden ze ‘kopgeld’. Dus als je vier Joden aangaf, zoals die mensen uit onze straat, kreeg je 30 gulden.’

Wat is er met Felix gebeurd?
‘Hij zat ook in de Hollandsche Schouwburg. De jonge mannen daar moesten overdag werken voor de Duitsers. Ze werden dan onder bewaking in een lange rij van de schouwburg naar werk gebracht. Mijn vader reed alsmaar rondjes om de schouwburg en zag hoe dat ging. En toen heeft hij op een dag Felix gewoon uit die rij getrokken, achter op z’n fiets gezet en is snel naar huis gereden. Dat was heel spannend natuurlijk. En ook heel dapper van mijn vader. Maar hij wilde ook het zusje, Jansje redden. Helaas kwam die niet naar buiten, dus dat is niet gelukt. Daar heeft mijn vader veel verdriet van gehad. Felix heeft de rest van de oorlog ondergedoken gezeten bij mijn ouders.’

Hoe was het voor u in de Hongerwinter?
‘Ik was een baby’tje in de laatste maanden van de Hongerwinter. Het was heel bijzonder dat mijn moeder genoeg borstvoeding voor mij had. Dat kwam omdat mijn vader door heel Noord-Holland ging om bij boeren eten te verzamelen. Hij maakte zelf kacheltjes en die ruilde hij dan voor eten. Hij heeft toen heel veel bonen meegekregen, en dat is heel eiwitrijk. Daardoor had mijn moeder dus heel veel goede melk voor mij.

Mijn vader werkte op een scheepswerf die was overgenomen door de Duitsers, dat vond hij vreselijk. Hij zei altijd dat ze expres heel langzaam werkten. Maar het was ook een groot geluk, want hij hoefde niet bang te zijn dat hij opgepakt zou worden om in Duitsland te gaan werken. Daardoor kon hij goed voor iedereen zorgen.

Ik denk dat Walter ook niet echt honger heeft gehad, maar er was wel heel weinig eten. Walter herinnerde zich heel goed dat er bij de bevrijding witte broden vanuit de lucht naar beneden werden gegooid. Zoiets lekkers had hij nog nooit geproefd! Hij vond het net cake.’

Heeft uw moeder de Jodenster echt gedragen?
‘Aan het begin van de oorlog wel, maar later, toen ze beter snapte hoe gevaarlijk het was, niet meer. Ze moest die Jodenster zelf kopen, terwijl zij natuurlijk zelf niet had bedacht om onderscheid te maken tussen of je Joods was of niet. Voor mijn moeder was het heel raar. Ze wist wel dat ze Joods was, maar ze was er niet mee bezig. Dus doordat de Duitsers vonden dat zij anders was dan anderen, werd ze opeens buitengesloten. Dat was heel eng.

Dat kun je nu ook zien in onze maatschappij. Er wordt geprobeerd om bepaalde groepen erbuiten te zetten, door te zeggen dat ze geen Nederlander zijn of zo. Je moet altijd heel alert zijn, oppassen met wat je doet en wat je zegt.’

 

Archieven: Verhalen

‘We liepen soms wel drie dagen voor een klein beetje eten’

Jovey, Hadewij, Luuk, Manou en Shir Yi wandelen in vijf minuutjes van hun school, de Hannie Schaftschool in Haarlem, naar woonzorgcentrum De Roos, waar de 98-jarige Greet Scholte-Schoen woont. Toen de oorlog begon was zij 13 jaar. Ze is de oudste van acht kinderen. Mevrouw Scholte-Schoen staat ze al op te wachten, want ze zijn een beetje laat. In haar gezellige appartement schuiven ze de stoelen om de tafel. Met koekjes en chocolaatjes bij de hand beginnen de leerlingen meteen met vragen stellen.

Heeft u vriendinnen verloren tijdens de oorlog?
‘Nee, maar wel een buurjongen, helemaal in het begin. Hij was soldaat en moest in de eerste vijf dagen van de oorlog, voordat Nederland zich overgaf, vechten tegen de Duitsers. Daarbij is hij gesneuveld. En later is er vlakbij ons huis ook nog een jongen die wij kenden doodgeschoten. Hij werd samen met negen andere mensen zomaar opgepakt en gedood. Dat was een strafmaatregel van de Duitsers omdat er aanslag was gepleegd door het verzet.’

Moest u uw huis uit tijdens de oorlog?
‘Ja, in 1944 wilden de Duitsers Haarlem-Noord opeens leeg hebben om IJmuiden beter te kunnen verdedigen. Wij konden gelukkig naar kennissen die een groot huis aan de Gedempte Oude Gracht hadden. Dat was een heel gedoe, want zij waren met z’n zessen en wij met ons tienen. Proppen dus. Op een gegeven moment merkte mijn moeder dat er niet zoveel gebeurde in Haarlem-Noord en dat sommige mensen stiekem weer teruggingen naar hun eigen huizen. Dat hebben wij toen ook gedaan. Maar we durfden alleen nog maar boven te wonen omdat we bang waren dat we beneden betrapt zouden worden.’

Hebben jullie iemand geholpen die moest onderduiken?
‘Mijn ouders hadden een jonge man in huis genomen die moest onderduiken om niet te hoeven werken in Duitsland. Hij heette Piet en woonde met zijn vrouw en hun baby bij ons. Hij verstopte zich altijd beneden in een grote kast. Daar had mijn moeder een dikke deken voor hem neergelegd.

Een keer zaten wij boven te eten. Omdat het rustig was in de stad, vroeg mijn moeder aan Piet of hij misschien ook boven met ons wilde eten. Juist toen stonden er opeens Duitsers voor de deur. Mijn ouders stuurden mijn kleine zusje naar beneden om open te doen, maar die Duitsers wilden mijn vader zien. Mijn vader zag er gelukkig oud uit voor zijn leeftijd dus die lieten ze met rust. Ook mijn broertje ging naar beneden. Die was pas 12, dus die lieten ze ook met rust. Daarna gingen ze weg. Maar ik weet nog goed hoe bang wij waren dat ze naar boven zouden komen en Piet zouden zien.’

Moest u ook op zoek naar eten in de Hongerwinter?
‘Ja, ik ging op zogenaamde hongertochten naar boeren in Noord-Holland, vaak met mijn vader. Soms hadden we een fiets, soms moesten we lopen met een handkar. Het was heel koud. We liepen wel eens drie dagen van boerderij naar boerderij. We moesten meestal bij de koeien in het hooi slapen. Soms kreeg ik ergens een bed omdat ik er zo slecht uitzag. Dan sliep je met z’n vieren of z’n vijven in één bed, overdwars.

Een keer kwamen mijn vader en ik met een handkar vol eten terug en toen was er controle. We zagen dat Duitsers alle mannen aanhielden en hun eten afpakten. Toen zijn we gesplitst: mijn vader liep naar de Duitsers toe en ik ging gauw met de kar de andere kant op. Die truc lukte gelukkig, anders hadden we dagen voor niks gelopen.

De laatste keer dat we gingen kreeg mijn vader hongeroedeem: hij had zulke dikke benen dat hij niet meer kon lopen. Toen moest ik mijn vader in de kar naar huis duwen.’

Ik heb tijdens de oorlog ontdekt dat je altijd goede mensen tegenkomt, ook al lijkt in een oorlog alles slecht. Wij hadden bijvoorbeeld heel weinig eten en ook heel weinig geld, dus soms moesten we bedelen om eten bij de boeren. En eigenlijk kregen we dan altijd toch wel iets: een boterham, wat aardappels, een kool, dat soort dingen. Bij alle narigheid was die goedheid van samen delen er ook, juíst.’

Hoe oud was u toen de oorlog stopte?
‘Ik was 18. Er waren toen overal grote feesten, en op een van die feesten heb ik mijn man ontmoet. Die feesten waren heel fijn. We hadden al vijf jaar een avondklok, dat betekende dat je voor 8 uur binnen moest zijn. We gingen nauwelijks naar school, want in de school zaten de Duitsers. Mijn hele pubertijd had ik eigenlijk geen jongens leren kennen, geen uitjes, geen verkering. Dus ja, geen wonder dat het meteen raak was toen we eenmaal vrij waren.

Een van de dingen die ik aan de oorlog heb overgehouden is dat ik nog steeds een enorme hekel heb aan de sirenes die je elke eerste maandag van de maand hoort. En ik heb me ook erg ingezet voor de vredesbeweging. Dat had wel met de oorlog te maken.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik herinner me het geluid van dat schieten nog wel heel goed’

Maud, James, Luq, Luna en Julius van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen de 89-jarige Hennie Houtkamp bij haar thuis. Ze woonde in de oorlog op de Kampervest en was drie jaar toen de oorlog begon. Met een lekker pakje sap en koekjes beginnen de vijf leerlingen te vragen naar haar oorlogsherinneringen.

Hoe was het toen de oorlog uitbrak?
‘Ik was nog klein dus dat weet ik niet precies, maar van de latere oorlogsjaren kan ik me wel veel herinneren. We waren een hechte familie en woonden dicht bij elkaar: grootouders, ooms en tantes enzovoort. Ik was op dat moment het enige kind, dus ik was er veel bij en hoorde van alles.

Mijn vader was ontzettend anti-Duits. Hij verkocht bloemen en hij kende veel belangrijke mensen, zoals dokters en bankdirecteuren. Sommigen deden dingen in het verzet en mijn vader hielp hen. In de oorlog verkocht hij geen bloemen meer maar turf. En onder die turf smokkelde hij allerlei illegale papieren en informatie mee. Die informatie kreeg hij bijvoorbeeld van twee verpleegsters die naast ons woonden. Die hadden stiekem een radio en gaven dan informatie door aan mijn vader. Dat was wel heel gevaarlijk natuurlijk.’

Kende u mensen die moesten onderduiken?
‘Er waren veel razzia’s waarbij de Duitsers jonge mannen oppakten. Ze zijn ook drie keer bij ons aan de deur geweest om mijn vader te zoeken. Dan was mijn moeder heel bang, want als hij gepakt zou worden met illegale spullen zou het niet best zijn.

Maar hij en de andere mannen in de buurt hadden een hele slimme vluchtroute: iemand in de buurt had een groot pakhuis en die had tegen alle mannen gezegd dat ze zich daar konden verschuilen. In het pakhuis was een geheime plek, een wand die je een stukje open kon schuiven. Als je daarin ging, kon je een heel eind doorlopen tot aan de gracht en zo ontsnappen.

In onze buurt woonden ook wel NSB’ers, maar daar waren we niet zo bang voor. De buurt was heel hecht. Ik denk dat mijn vader en zijn vrienden er wel voor zorgden dat die NSB’ers hun mond niet open durfden te doen.’

Bent u veel bang geweest?
‘Zeker. Ik weet nog een keer dat de Duitsers weer jonge mannen hadden opgepakt. Die brachten ze naar de gevangenis en dan kwamen ze door onze straat. Ik was buiten aan het ballen, toen een van de opgepakte jongens op de vlucht sloeg. De Duitsers zetten meteen de hele straat af, waardoor ik niet meer terug naar huis kon. Ik besloot dan maar met de jongen die was ontsnapt mee te lopen, ik kende hem wel een beetje. Maar de Duitsers stonden volop op hem te schieten. Die jongen riep tegen mij: ‘Ritsen, ritsen, ritsen!’ Zo van, een beetje zigzaggen zodat ze je niet kunnen raken. Dus ik ritsend met hem die hele straat door. Ik hoorde m’n moeder gillen. We gingen het hoekje om naar de Kleine Houtstraat en daar stond ergens een deur open. Die jongen riep: ‘Hen, naar binnen!’ En dat heb ik gedaan.

Later besefte ik eigenlijk pas hoe eng dat was. Maar ik herinner me het geluid van dat schieten nog wel heel goed. Net als het geluid van al die bommenwerpers. Dat zware gezoem, dat vond ik heel eng en dan dook ik snel bij m’n vader en moeder in bed.’

Wat herinnert u zich het best van na de oorlog?
‘Mijn moeder had een Joodse vriendin, Branca Cohen, die is weggehaald. Ik weet nog dat ze na de oorlog opeens weer bij ons voor de deur stond. Ze zag er heel slecht uit, ze was ziek want ze had in een kamp gezeten. Ze vertelde dat ze in het kamp een baby’tje had gekregen. Dat hebben de Duitsers afgepakt, in de lucht gegooid en zomaar doodgeschoten. Dat maakte heel veel indruk op mij. Branca was helemaal gebroken en is kort daarna overleden.

Ik herinner me ook goed dat de broer van mijn vader terugkwam. Hij was opgepakt om in Duitsland te werken. Tegen het einde van de oorlog is het kamp waar hij werkte, bevrijd door de Russen. Toen ging hij samen met een vriend op weg naar Nederland, waar het nog oorlog was. Tijdens die tocht was er een bombardement en wilden ze een schuilkelder in, maar daar viel een bom op. Mijn oom stond nog net buiten en overleefde het, maar zijn vriend niet. Daar heeft mijn oom jaren last van gehad. Hij vond het ook heel moeilijk om dat aan de ouders van die vriend te vertellen.

Na de oorlog ging mijn vader elke dag naar het station om te kijken of zijn broer terugkwam. Op een dag zag hij hem echt in de trein en riep hij naar hem. Dat was een heel bijzonder moment.’

Archieven: Verhalen

‘Een Russische soldaat stond bij ons in de tuin, op zoek naar eten’

Beatrix Terreehorst woont nu aan het Spaarne in Haarlem, maar groeide tijdens de oorlog op in Oost-Duitsland. Alex, Valentijn, Jonathan en Louis van de Hannie Schaftschool zijn benieuwd naar haar verhaal. Na een korte fietstocht komen ze bij haar huis aan, waar de sleutel uit het raam naar beneden wordt gegooid. De limonade en cake staan al klaar en de fotoboeken liggen open. In de zithoek gaan de jongens van start.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik was twee jaar toen de oorlog begon, dus dat weet ik niet meer zo goed. Ik woonde toen in Oost-Duitsland. Mijn ouders waren wel Nederlands, dus ik had ook de Nederlandse nationaliteit. Als de sirenes afgingen, wist je dat er gevaar was. Speelden we buiten speelden, dan moesten we meteen naar huis of naar een schuilplek. Dat was soms gewoon bij mensen in huis, want iedereen opende dan zijn deuren zodat anderen veilig konden schuilen. Bij een bombardement vlogen de stenen in het rond, waardoor het erg gevaarlijk was.’

Waar verstopten jullie je tijdens bombardementen?
‘Ik was vaak heel bang als de sirenes gingen. Dan kropen we onder het dekbed en hielden we onze oren dicht zodat we het geluid minder hoorden. Mijn moeder moest vaak werken, ook ‘s nachts. Dan waren wij met z’n drieën alleen thuis: mijn zus, mijn broertje en ik. We zochten dan zelf een schuilplek. In huis hadden we een kleine schuilkelder in de gang. Als het echt gevaarlijk werd, gingen we naar buiten, naar een soort grot in een heuvel. Daar konden we schuilen zonder dat iemand ons zag. Dat gaf een beetje een veilig gevoel, maar het bleef spannend.’

Hoe was het leven als kind in de oorlog?
‘Buiten speelden we verstoppertje of met een springtouw. Een bal hadden we niet. Binnen spelen deden we met heel weinig speelgoed. Mijn zus had een pop en mijn broertje een houten auto, maar ik had zelf niets. Eten was schaars. Soms lag er geen brood meer in de kast als ik naar school moest. Dat gaf een naar gevoel.

Gelukkig deelden mensen veel met elkaar. Soms kreeg ik een boterham van een klasgenootje. We verzamelden ook eten van het land, zoals restjes van de oogst. Daar maakten we bijvoorbeeld stroop van. Mijn moeder kookte grote pannen met hutspot, die we deelden met de buren. De ene buur had de uien, de andere buur de aardappelen. Iedereen hielp elkaar.’

Hoe eindigde de oorlog?
‘Toen de oorlog voorbij was, kwamen de Canadezen met tanks door de straat. Ze gooiden snoep en eten naar de kinderen. Dat was een heel blij moment. Maar daarna kwamen de Russen in het gebied waar ik woonde. Toch zaten daar ook aardige mensen bij. Ik weet nog dat er een Russische soldaat bij ons in de tuin was, op zoek naar eten. Je kunt niet zeggen dat iedereen slecht is.

Later ging ik naar Nederland met het Rode Kruis, samen met mijn broer en zus. Een half jaar zijn we in Heemstede geweest, daarna sprak ik vloeiend Nederlands. Toen ik 15 was, verhuisden we definitief naar Nederland. We zijn toen met de trein en het vliegtuig vanuit Oost-Duitsland gevlucht naar het Westen. Dat had het Nederlandse consulaat voor ons geregeld.’

Archieven: Verhalen

‘Omdat ik nog maar drie jaar oud was, werd ik in een klein schoenenkastje gestopt’

Thijs, Moos, Sabri en Tristan uit groep 7 van de Twiskeschool hebben een bijzonder interview afgenomen op school met Marten Wijbenga. Hij is geboren in 1940 en inmiddels 85 jaar oud. Meneer  Wijbenga heeft zijn hele leven op de NDSM-werf in de scheepsbouw gewerkt. Tijdens de oorlog woonde hij met zijn ouders, twee oudere zussen en hun honden in de Kanariestraat. Ondanks de moeilijke tijd probeerden zij als familie plezier te houden met eenvoudige spelletjes. Zijn verhalen en persoonlijke herinneringen maakten veel indruk.

Was u bang in de oorlog?
‘Ik was eigenlijk te jong was om de oorlog echt te begrijpen, maar dat er bommen vielen is me altijd bijgebleven. Bij de eerste bommen die in onze buurt ging er geen luchtalarm af. Mijn twee zussen stonden toevallig in de tuin en riepen mijn vader toen zij vliegtuigen zagen overvliegen. Mijn vader begreep meteen dat het helemaal mis was. We zochten direct dekking. Omdat ik nog maar drie jaar oud was, werd ik in een klein schoenenkastje gestopt zodat ik niet zou rondrennen terwijl de bommen vielen. Het deurtje werd op slot gedraaid. De rest van ons gezin schuilde in de wc. Dat was een slimme plek, omdat de muren daar dicht bij elkaar staan; als het huis zou instorten, had je daar de grootste kans om te overleven.’

Was er wel genoeg te eten in de oorlog?
‘Eten was in de oorlog een groot probleem, de winkels hadden niets. Mensen gingen op de fiets – vaak zonder banden – naar de boeren in Noord-Holland. Daar ruilden ze sieraden of andere waardevolle spullen voor eten. Niet iedereen had spullen om bij de boer te ruilen, maar ik had een slimme vader. Mijn vader werkte als schipper op de pont van het GVB en droeg daarbij een uniform én hij had een Ausweis – een speciale pas waarmee je ’s avonds laat op straat mocht zijn. Dankzij die Ausweis kon hij zich ’s nachts vrij bewegen. Hij ging dan niet alleen naar zijn werk, maar soms ook de straat op om kolen of olie te stelen, of om diesel af te tappen van grotere schepen. Die brandstoffen kon hij later bij de boer ruilen voor eten voor zijn gezin. Het was in die tijd echt overleven, en mijn vader deed alles wat nodig was om zijn familie door de oorlog heen te helpen.’

Wat kan u vertellen over de Bevrijding?
‘In eerste instantie wilden de Duitsers zich niet volledig overgeven, en aangezien de scheepsbouw op de NDSM nog in Duitse handen was, bliezen de Duitsers alle machines, kranen en schepen die in aanbouw waren, op. Dit om te voorkomen dat de geallieerden er iets aan zouden hebben,
Daarnaast brachten ze in het Noord-Hollands kanaal en in het IJ verschillende schepen tot zinken. Die schepen werden gevuld met zand, zodat ze bijna niet meer te bergen waren. Hierdoor werd de vaarroute volledig geblokkeerd en kon niemand meer de stad in of uit.

Tijdens de Bevrijding trok iedereen in een grote optocht door Amsterdam-Noord en werd er uitbundig feestgevierd. Ik herinner m nog goed dat er een podium was opgesteld. Daar stond de plaatselijke kapper, die vrouwen kaal schoor en teer op hun hoofd smeerde. Dit gebeurde omdat deze vrouwen tijdens de oorlog een té gezellige band hadden gehad met Duitse soldaten. Dat werd toen ‘heulen met de vijand’ genoemd, en na de bevrijding werden zij daarvoor publiekelijk gestraft.’

Wat heeft u geleerd van de oorlog?
‘Ik heb vooral geleerd dat mensen liever en zorgvuldiger met elkaar moeten omgaan. Tijdens en na de oorlog zag ik hoe hard en onrechtvaardig mensen voor elkaar konden zijn. Ik vind het verdrietig dat mensen vandaag de dag nog steeds dezelfde fouten maken. Daarom is belangrijk dat we blijven leren van het verleden.’

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Later kreeg mijn zus een hele grote pop namens de koningin’

Juul, Nina, Fief en Jalena uit groep 7 van de Twiskeschool ontmoeten de 92-jarige Riet de Groot op school. Het is een gezellige ontmoeting. Er wordt veel gepraat over de tweede Wereldoorlog maar ook over huisdieren en poes Snoepie. Er zijn koekjes en paaseitjes; de sfeer zit er goed in.

Heeft u het luchtalarm gehoord?
‘In het begin van de oorlog als het luchtalarm afging renden we allemaal naar het Florapark, dat heet nu het Noorderpark. Dan ging iedereen aan de dijk liggen want als er een bom zou vallen, dan zat je niet in je huis. Na een poos besloot mijn moeder daar niet meer heen te gaan. We bleven vanaf toen gewoon binnen als het luchtalarm afging en gingen onder de trap zitten. Als er een huis gebombardeerd was, dan bleef de trap meestal staan dacht men. Dat is natuurlijk onzin. Ik weet ook nog wel een keer dat we aan het zwemmen waren en dat ineens het luchtalarm af  ging. We gingen er mooi niet uit, hoor.  Maar ze sloegen ons zo met een touw het water uit. We moesten dan de schuilkelder in. Die zat diep onder de grond dus je moest in je badpakje een trappetje af en dan zat je helemaal nat koud op het beton. Moet je nagaan hoe koud, dat was geen pretje.’

Had u een lievelingsknuffel?
‘Ik had geen knuffel. Ik had helemaal niks. Wij hadden het arm. Mijn vader had voor de oorlog een stukadoorsbedrijf. Maar door crisistijd voor de oorlog is dat failliet gegaan. Hij heeft een brief geschreven naar de koningin. Hij schreef dat mijn zus zeven jaar werd. Maar dat ze haar geen pop een cadeautje konden geven. Later kreeg mijn zus een hele grote pop namens de koningin. Ik was toen twee jaar en ik kreeg toen ook een klein poppetje.’

Moest u vader ook onderduiken?
‘Nee hoewel hij half Joods was hoefde hij niet onder te duiken, maar we hadden wel een Joodse onderduiker in huis. We woonden op het Duindoornplein nummer 10 en op nummer acht woonde een buurman, dat was een NSB’er. Blijkbaar heeft die ‘m een keer gezien of gehoord, want hij is verraden. Midden in de nacht bonsden toen de Duitsers hard op de deur om hem op te halen. Hij kon hij nog maar net op tijd vluchten. Hij is via zijn slaapkamer op een platje gesprongen. Mijn vadre werd wel drie dagen meegenomen. Ze hadden geen bewijs. Ik weet niet wat ze daar precies met hem gedaan hebben maar hij was erg aangeslagen en heeft er nooit over willen praten.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘In 1944 hadden we nog maar zo weinig te eten, dat mijn broertje en ik een tijdje naar Enkhuizen moesten. Ik was heel erg mager en mijn haar zat bovendien ook nog eens onder de luizen. In Enkhuizen was wel genoeg eten. We vertrokken met veel kinderen ‘s nachts met een boot, een dekschuit. We moesten slapen op stro. Mijn broertje die 3 jaar jonger was plaste nog in zijn bed. Ik was doodsbang dat mijn broertje zou gaan plassen in zijn kleren. Dus ik was iedere keer mijn ogen aan het nathouden, zodat ik niet in slaap viel. Het was vreselijk. Toen we aankwamen moesten we ieder naar een ander gezin. Mijn broertje ging zo hard huilen, zodat we bij elkaar konden blijven. We kregen bij aankomst gelijk bruine bonen met vet spek te eten. Maar dat kon onze maag helemaal niet verdragen dus we belandden in het ziekenhuis. Daar werd ook gelijk mijn luizenprobleem aangepakt. Gelukkig was er een aardige zuster die mijn haar behandeld heeft en toen hoefde het er niet af. Na een maand Enkhuizen, kwam mijn moeder ons halen op de fiets. We zijn de hele weg terug gelopen naar Noord.’

Wat gebeurde er na de Bevrijding?
‘De Canadezen zouden de stad binnenkomen en we zouden de bevrijding vieren. Ik was toen twaalf jaar en wilde met een vriendin naar de stad om een vlaggetje te kopen om naar die Canadezen te zwaaien. We liepen door de Kalverstraat richting de Dam. Ineens hoorden we schieten, we wisten natuurlijk helemaal niet wat er aan de hand was. Alle mensen renden vanaf de Dam de Kalverstraat in. We werden helemaal onder de voet gelopen. Ik lag op de grond en mensen liepen over me heen. Ik kon mijn vriendin niet meer vinden. Er was heel veel paniek. Huilend liep ik een steeg in, wist niet waar ik heen moest en hoe ik naar huis moest.  Gelukkig was er een meneer die me naar de pont gebracht en daar wist ik de weg weer.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892