‘Als ik m’n ogen dichtdoe, dan zie ik mijn vader nog wegvaren’


Coco, Grietje, Jax en Kees vertellen het verhaal van Gré van den Bos

Coco, Grietje, Jax en Kees van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen Gré van den Bos. Zij woont in zorgcentrum De Roos, vlakbij hun school. Ze spreken haar in een knus kantoorhokje in De Roos. Mevrouw Van den Bos was vijf jaar oud toen de oorlog begon. Ze woonde in Zaandam met haar vader, moeder, twee zussen en een broer. Haar vader werkte als arbeider in een houtzagerij, maar vlak voor de oorlog werd hij als dienstplichtig militair opgeroepen om zich te melden in een kazerne in Den Haag.

Wat weet u nog van het begin van de oorlog?
‘Ik weet nog goed dat mijn vader wegging. Dat was twee dagen voordat de oorlog uitbrak. Hij ging samen met de man van zijn zus, die was ook soldaat. Ze gingen met de boot van Zaandam naar Amsterdam en dan met de trein naar de kazerne in Den Haag. Mijn vader was in zijn uniform en wij stonden hem op de kant uit te zwaaien. Als ik m’n ogen dicht doe dan zie ik die boot nog wegvaren. Wij dachten dat hij snel weer terug zou zijn. Maar meteen op de eerste oorlogsdag, 10 mei, is er een bom gegooid op de kazerne waar mijn vader en mijn oom zaten. Zij zijn allebei omgekomen. Wij wisten dat niet meteen. We wisten wel dat er was gebombardeerd in Den Haag. Op een gegeven moment zijn mijn opa en mijn tante naar Den Haag gegaan om te zoeken, maar ze konden niets meer vinden. De hele kazerne was kapot en alle doden waren al begraven.’

Welke emoties had u tijdens de oorlog?
‘Er was natuurlijk veel verdriet, maar als kind besef je gelukkig niet alles meteen helemaal. Mijn moeder en mijn grootouders hadden het zwaar.

Mijn moeder was opeens alleen met vier kinderen. Mijn oudste zus had veel zorg nodig omdat zij beperkingen had. Dat lukte mijn moeder niet meer. Mijn zus is toen naar een instelling verhuisd. Even later kreeg mijn moeder tuberculose en moest naar een sanatorium. Mijn broer en zus en ik gingen bij mijn opa en oma wonen. We mochten mijn moeder een keer per week opzoeken. Ik herinner me dat we haar niet mochten knuffelen omdat tuberculose besmettelijk is. Als de verpleegsters niet keken, deden we dat stiekem toch.

Mijn grootouders hadden door het bombardement mijn vader en mijn oom verloren. En even later werd ook nog een andere zoon, een oom van mij dus, opgepakt om in Duitsland te gaan werken. Van hem hebben we nooit meer iets gehoord. Hij is waarschijnlijk omgekomen bij een bombardement.’

Hoe vond u het in de Hongerwinter?
‘Dat was heel erg. Je moest steeds met een pannetje naar de gaarkeuken en dan kreeg je alleen een dunne soep of zoiets. Het was ook heel koud, dus we gingen zoveel mogelijk bij elkaar in een huis zitten. Mijn tante en haar dochter kwamen er ook bij. Dan had je het wat warmer.

Ik mocht soms naar de Kindervoeding. Dat was een speciale gaarkeuken voor kinderen die er slecht aan toe waren, daar kreeg je wat extra’s. Ik was zo mager dat ik daar heen mocht. Mijn zus en mijn nichtje mochten niet.

Mijn broer was een jaar of 10 en die ging vaak met mijn tante op de fiets naar boeren om eten te halen. Best zwaar want die fiets had houten banden. Soms werden ze op de terugweg door de Duitsers aangehouden, dan moesten ze al het eten weer inleveren.

Wat ik me het best herinner is dat mijn opa een keer met tranen in zijn ogen in de kamer stond en zei: ‘Ik heb geen eten voor jullie vandaag’. Hij vond dat heel erg.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Ik herinner me dat ik weer naar school ging en meteen door mocht naar de vijfde klas. De vierde klas heb ik gewoon helemaal overgeslagen, want de school was toen bezet door de Duitsers. Mijn broer ging naar de zeevaartschool, dus die ging weg.

Mijn zusje en ik woonden eerst nog bij mijn grootouders omdat mijn moeder nog ziek was. Maar in 1946 moesten mijn zusje en ik bij tantes in Amsterdam-Noord gaan wonen. Ik denk dat de Kinderbescherming dat beter vond. Ik vond dat heel erg want bij mijn opa en oma was het fijn. Het ergste vond ik dat we ieder bij een andere tante gingen wonen. Ik weet niet precies waarom ze dat deden, maar ik denk dat die tantes twee kinderen erbij te veel vonden. Zij hadden zelf ook kinderen en waren niet rijk. Ze zeiden tegen ons dat het maar tijdelijk zou zijn. Maar toen ging mijn moeder dood en toen begreep ik dat ik bij mijn tante moest blijven. Ik weet dat moment nog goed.

Ik heb me lang heel erg verlaten gevoeld en verdrietig. Maar ja, je moet toch door he?

Wat ook erg was is dat mijn tante me later de deur uit heeft gezet. Ze kreeg geld om mij te verzorgen van Stichting 40-45. Maar dat hield op toen ik 21 werd en toen heeft ze me meteen de deur uitgezet. Gelukkig leefde mijn opa nog en mocht ik weer bij hem wonen. Het is niet makkelijk geweest allemaal. Ik hoop voor jullie dat jullie dit nooit mee hoeven maken.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892