Archieven: Verhalen

‘De portier zei tegen mij: ‘jij mag niet naar binnen’

Taha, Ouays en Junayd van de Elifschool in Amsterdam-Noord gaan op bezoek bij Waldy Neijhorst die op zijn vierentwintigste van Suriname naar Nederland verhuisde. In het kantoortje bij de OBA, de bibliotheek tegenover hun school, interviewen ze hem over zijn jeugd in Suriname, de reis naar Nederland en de ontvangst hier.

Hoe was het leven in Suriname? Was het heel anders dan in Nederland?
‘Ik ben in 1950 op Curaçao geboren en toen ik dertien was zijn we naar Suriname verhuisd. Soms mis ik de ‘sferen’ van Suriname die ik in mijn hoofd heb, dat het lekker zonnig is daar, dat er veel familie is en ons huis met een geweldige grote tuin. We woonden in een heel mooi, ouderwets, houten huis met mijn ouders en drie zussen. ’s Ochtends gingen we lopend of fietsend naar school en ’s middags basketbalde ik veel. We mochten alleen Nederlands praten van mijn ouders. Zij hadden toen het idee dat als ik Surinaams zou praten, ik slecht Nederlands zou spreken en schrijven. Tegen mijn ouders sprak ik ook geen Surinaams. Het koloniale verleden en het slavernijverleden heeft natuurlijk alles te maken met die keus voor de Nederlandse taal. De eigen taal werd door veel mensen als ‘minder’ beschouwd.

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Op mijn 24e kwam ik naar Nederland om sport te komen studeren. Toen ik in Suriname werkte was ik nog jong, dus het maakte me niet zoveel uit wat ik deed zolang ik geld kon verdienen om zaterdagavond te gaan stappen en leuke dingen te doen. Toen ik twintig werd zat ik tegenover mijn leidinggevende, en keek ik hem aan en ik bedacht me dat dit niet was wat ik wou doen voor de rest van m’n leven. Ik wilde kunnen doen wat ik wilde, doen waar ik goed en sterk in was. Toen heb ik besloten te gaan studeren. Ik heb een beurs gekregen en zo geregeld dat ik naar Nederland kon komen. Ik wilde uit de situatie waarin ik zat, ik wilde weg. En dat kon alleen door te studeren. Dan zorg je ervoor dat je je eigen mogelijkheden kan creëren.’

Hoe heeft u die eerste tijd beleefd?
‘Ik vond het ingewikkeld om naar Nederland te verhuizen. Met oudjaar en kerst heb ik het altijd moeilijk. Want mijn eerste jaar in Nederland had ik geen ouders, geen familie om me heen. Ik woonde toen op een kamer in mijn eentje. Het hospitaal had geen verwarming op de kamer dus ik sliep met twee trainingspakken aan. En wanneer je naar Nederland komt, kom je alleen. Dan moet je alles zelf doen. In Suriname ben je iemand. Men bemoeit zich met je, je voelt je daar lekker. Dus toen ik naar Nederland kwam voelde ik me op het begin erg alleen. Je denkt het niet alleen, je bent het ook. Men praat niet met je, je kent geen mensen en als je in de trein zit, denk je; ‘wat doe ik hier?’

Heeft u last gehad van discriminatie in Nederland?
‘Ik kan me één moment goed herinneren. Ik woonde in Haarlem en mijn vrienden kregen me zo gek om mee te gaan stappen op een zaterdagavond. Het waren witte vrienden, medestudenten, ik was de enige zwarte jongen. Zij mochten van de portier met z’n allen naar binnen maar de portier zei tegen mij: ‘jij mag niet naar binnen’. Hij probeerde een excuus te bedenken, maar het had gewoon te maken met mijn huidskleur. Mijn witte vrienden hebben toen tegen de portier gezegd dat ik bij hen hoorde. Toen de portier mij nog steeds niet naar binnen liet, zijn we met z’n allen weggegaan. Ook naast discriminatie merkte ik dat ik anders was. Ik was de enige zwarte man in de klas. En er waren heel veel witte Nederlanders die voor het eerst dichtbij een zwarte jongen kwamen. Nu zijn er heel veel buitenlanders in Nederland, maar toen ik er pas was, waren er weinig. Dus in de klas wilden veel mensen zich met mij bemoeien.’

Archieven: Verhalen

‘Die buurman moest zo huilen, dat weet ik nog goed’

Matz, Zev, Clinten en Rinze van ’t Hunnighouwersgat op Terschelling gaan met z’n allen én een zak snoep in de auto op weg naar de Stilen. Bij Nely Haringa (1933) is het heel gezellig, ze heeft allemaal foto’s van de oude snelboot en zelfs het lintje van haar man hangt aan de muur. Haar kastje met chocolaatjes weten de jongens nu ook prima te vinden. Mevrouw Haringa woonde in Harlingen in de oorlog en maakte daar een bombardement mee.

Hoe zag uw straat eruit tijdens de oorlog?
‘Eigenlijk heel gewoon, maar na een bombardement was het natuurlijk anders. We moesten toen ook ergens anders wonen omdat ons huis eerst hersteld moest worden. Ik weet nog goed dat een man en zijn zoon het bombardement overleefden maar de rest van het gezin niet. Die buurman moest zo huilen, dat weet ik nog goed en ik vond dat zo erg.’

Was u ook bang tijdens de oorlog?
‘Ik vond de oorlog heel spannend en eng. Vooral de vliegtuigen en dat schieten vergeet ik nooit meer. Als ik nu het luchtalarm hoor, voel ik die angst nog steeds een beetje.’

Kende u ook Joodse kinderen?
‘Ik had Joodse kinderen in mijn klas en op een dag kwamen ze niet op school. Ze waren weggevoerd. Ook was er een Joods gezin met een baby. Mijn ouders hebben de ouders aangeboden om voor hun baby te zorgen zodat hij veilig zou zijn. Bij ons thuis kon er nog wel een kindje bij om voor te zorgen. De ouders van de baby besloten toch hun kindje mee te nemen en we hebben ze nooit meer gezien.’

Welke les wilt u ons meegeven?
‘Door de oorlog heb ik geleerd dat dit alleen maar verdriet brengt. Oorlog is vreselijk. Daarom hoop ik dat kinderen nooit hoeven mee te maken wat wij hebben meegemaakt vroeger. Mensen moeten met elkaar praten in plaats van oorlog voeren.’

Archieven: Verhalen

‘In dat keldertje is mijn broer gaan zitten, met het vlees van het kalfje erbij’

Op hun school, ’t Hunnighouwersgat op Terschelling, bereiden de kinderen hun vragen nog kort voor en na een ritje van 10 minuten komen Tess, Phileine en Ronja aan op West. Daar spelen ze nog even in de speeltuin die tegenover het huis van Lea Ruig (1937) ligt. Een snoepje om het feest compleet te maken en precies om 9 uur stappen ze binnen in de zonnige woonkamer van mevrouw Ruig.

Kende u ook mensen die ondergedoken zaten?
‘Mijn broer moest onderduiken omdat hij anders naar Duitsland zou worden gestuurd om daar te werken voor de Duitsers. Op een dag was er een razzia. Mijn broer verstopte zich. Ze hadden kort voor de razzia nog een kalfje geslacht in de kelder, wat ook niet mocht natuurlijk. In dat keldertje is mijn broer gaan zitten, met het vlees van het kalfje erbij.

Op een dag kwam er ook een commandant langs en die vroeg om het trouwboekje. We waren thuis met zes. Mijn oudste zuster heette Trientje en mijn oudste broer heette Auke. Toen de commandant vroeg naar het tweede kind, antwoorde mijn vader: ‘Dat is ook een meisje en die is nu niet thuis want die zorgt voor haar oma omdat zij ziek is’. De commandant geloofde dit en zo werd mijn oudste broer dus niet bekend bij deze commandant.’

Ging u nog naar school tijdens de oorlog?
‘We gingen nog naar school, alleen tijdens de Hongerwinter was het te koud en bleven we thuis. Er was geen brandstof om de kachel te stoken. Ik vond het niet leuk dat ik niet naar school kon want we hadden thuis ook niks te doen. Ik heb mezelf leren lezen met hulp van mijn moeder, broers en zussen want ik mocht wel boekjes ophalen van school.’

Hoe vierde u de bevrijding?
‘Ik ging met mijn familie lopend naar Dokkum en vierde daar feest. Op de terugweg mocht ik gelukkig achterop de fiets want ik was nog klein en het was een eind lopen.’

Heeft u nog een boodschap voor ons?
‘Ik vind het vreselijk dat er nog steeds oorlogen zijn en dat houdt me erg bezig. Het is een rotzooi. Vreselijk en ook de kinderen die dit treft. We hebben er weinig van geleerd.’

Archieven: Verhalen

‘De ouders van een vriendin verborgen in hun bakkerij een Russische soldaat’

Na een korte rit van Midsland naar West komen Maud, Eva, Emma, Doutzen, Maria en Melany aan bij zorgcentrum de Stilen op Terschelling, waar Griet van Holk (1933) woont. Op haar koelkast hangen groepsfoto’s van haar met kinderen die eerder aan dit project hebben meegedaan. Mevrouw van Holk krijgt op de dag van het interview een nieuwe stoel dus ze kunnen de hele kamer een beetje ombouwen naar een goede interviewsetting.

Wat is u meest aangrijpende herinnering aan de oorlog?
‘De ergste tijd was toen de Russen-oorlog uitbrak op Texel. Dat was een en al spanning’, vertelt mevrouw Van Holk. Ze leest momenteel een boek daarover en zegt tegen de kinderen dat ze dat maar niet moeten lezen want het is zo verschrikkelijk. Een stripboek over deze oorlog vindt ze dan een beter idee. De kinderen mogen deze van haar lenen.

Kende u ook iemand in het verzet?
‘De ouders van een vriendinnetje hebben een Russische soldaat verborgen gehouden in hun bakkerij. Tijdens een razzia verstopten ze de Rus in een broodkar.’ Zij zelf hielp ook mee tijdens de oorlog. Toen er een razzia was bij de kapper naast hun huis verstopten de mensen zich en hielp ze mee. ‘Ik moest naar de huizen van familie van de onderduikers om te zeggen dat ze veilig waren.’

Had u voldoende eten tijdens de oorlog?
‘Omdat mijn familie een textielwinkel had tijdens de oorlog, kon mijn vader spullen uit de winkel ruilen tegen voedsel. We hebben nooit honger gehad.’

Heeft u nog een boodschap voor ons?
Tijdens de oorlog gaat het leven ook gewoon door, zegt ze. Ze adviseert vooral aan de kinderen om te blijven spelen. ‘Blijf spelen, blijf leuke dingen doen, wat er ook gebeurt.’

 

Archieven: Verhalen

‘Op een middag in 1944 vlogen er propellervliegtuigen over ons huis’

Asmaa, Fayen en Jarno interviewen Sytse Buwalda (1943) in zijn bijzondere woning in Westhoek. Het huis ziet eruit als een persoonlijk museum waar de tijd lijkt stil te staan. De leerlingen van ’t Fonnemint in Sint Annaparochie zijn onder de indruk van alle museumwaardige rariteiten die meneer Buwalda hun laat zien. Ze mogen de voorwerpen van dichtbij te bekijken en hebben zo een stukje oorlog in hun handen. Omdat meneer Buwalda in de oorlog nog zo jong was, weet hij zelf weinig meer van deze tijd, maar hij vertelt de verhalen die zijn (groot)ouders en ooms hem ooit hebben verteld.

Wat weet u nog van de oorlog?
‘Ik weet één ding nog zelf. Ik woonde in Leeuwarden. Op een middag in 1944 vlogen er propellervliegtuigen over die naar fabrieken in Duitsland gingen, waarschijnlijk naar Hamburg. Vlak bij ons in de buurt is er toen een bom gevallen. De scherven lagen bij ons op het dak, en een lag in onze tuin. Wij hebben deze scherf altijd bewaard. Ik denk dat er niet één iemand is die ook zo’n scherf heeft. Die kans is heel klein.’

Kunt u ons vertellen over uw familie?
Mijn opa was timmerman en in de oorlog maakte hij bij een boerderij verderop een luikje voor een ruimte zodat de Duitsers de onderduikers die erachter verborgen zaten, niet konden zien. Dat had mijn opa goed gedaan. Mijn andere opa, een kruidenier, had een bijzondere verrekijker. Die was nog van zijn vader geweest die veldwachter was. Als de Duitsers kwamen om jongens op te pakken om ze te laten werken in Duitsland, tuurde mijn opa naar de Westerdijk en gaf hij een sein. Mijn oom moest dan tussen de aardappels op het land liggen, zo konden ze hem niet vinden. De verrekijker is misschien wel 150 jaar oud.

Ik heb in de keuken ook nog een graanmolen en een oventje uit 1941-1945 staan. De smid heeft ze ooit speciaal voor mijn familie gemaakt. Mijn opa bakte brood in het oventje. Kijk, daar kwam het deeg in, de deksel erop, en stond het petroleumstel. Je moest het er een paar uur op laten staan tot het brood klaar was. Heel anders dan de ovens van nu.’

Wat vond u van NSB’ers?
‘Dat waren foute bewegingen, absoluut. Maar voor sommige mensen was het begrijpelijk dat ze NSB’er werden. Veel meesters waren werkloos en hadden geen uitkeringen. Een inspecteur vertelde dat ze in Duitsland werk konden vinden. Dan gingen ze daarnaartoe, maar bij terugkeer werden ze gestraft. En de inspecteur kreeg een lintje. En daarom zeg ik dus: niet iedereen is te veroordelen die NSB’er was.

Ik heb NSB’ers in de familie. Een verre neef was hoofd van een school en ook NSB’er. Zijn zoon studeerde medicijnen in Groningen, maar hij mocht het daar niet afmaken. Die zoon mocht toen naar Berlijn en werd arts. Hij promoveerde zelfs. Als tegenprestatie moest hij als arts in het Duitse leger naar Stalingrad en toen ze daar verloren moest hij naar het Westfront in Frankrijk. Later werd hij opgepakt en in een kamp gezet omdat hij SS’er was. Hij mocht eerder weg omdat hij dokter was, maar niemand wilde met hem samenwerken. Daarom begon hij een privékliniek. Hij was een hele knappe dokter. Het trieste was dat hij geen vrienden meer had onder de artsen. Ze namen het hem kwalijk dat hij nog samenkwam met oud-SS’ers met wie hij over maar één ding kon praten. Dat was de oorlog.’

Archieven: Verhalen

De Duitsers stonden buiten te brullen: ‘Doe open, doe open, doe open!’

Attie Hiemstra, die als peuter de oorlog beleefde in Sudhoek in Sint Annaparochie, vertelt met veel details over hoe haar familie haar ooms in huis verborg. Dean, Souad, Alysia en Ilse van ‘t Fonnemint luisteren geboeid naar het verhaal over de bedstee, terwijl de lieve poes van mevrouw Hiemstra door de kamer loopt. Zij vertelt de kinderen ook hoe ze destijds de Duitsers voor de gek hielden.

Waarom waren uw ooms ondergedoken bij u thuis? 
‘Mijn ooms, de broers van mijn vader, waren bij ons ondergedoken omdat ze anders naar Duitsland moesten voor tewerkstelling. Ze sliepen in de bedstee. Weet je wat een bedstee is? Het was één grote wand met twee lange deuren, waarachter een bed was. Daar sliepen ze in. Ik was nog maar twee jaar en sliep in het ledikantje in de hoek van de kamer. Als de Duitsers kwamen, dan moesten de onderduikers onder het bed door. Daar zat een luikje. En dan kwamen ze in de kelder. Zo konden ze dan via de kelder in het hok komen.”

Hoe zorgde uw moeder dat ze niet ontdekt werden?
‘Als die onderduikers uit het bed moesten, legde mijn moeder mij in het warme bed. Want als de Duitsers kwamen en een warm leeg bed zouden zien, dan zouden ze denken: hé, het deugt niet. Nu hadden ze daar geen erg in, want ik lag erin. We hadden ook een hond. Mijn moeder was bang dat die hond ging blaffen als de onderduikers in het hok kwamen. Maar dat is niet gebeurd.’

Wat gebeurde er toen de Duitsers bij u thuis kwamen?
‘Ze stonden buiten te brullen van: ‘Doe open, doe open, doe open’. Mijn moeder deed het rustig aan want anders hadden mijn ooms geen tijd om door het luik te gaan. Ze gingen het hele huis door en ze zochten. In onze kamer stond een houtkachel, die was aangesloten aan de schoorsteen, met een pijp erdoor. Mijn moeder vertelde dat ze de pijp gewoon uit de schoorsteen trokken om te kijken of daar ook iets in zat. De Duitsers hadden een bayonet, heel scherp, waarmee ze overal doorheen staken. Dus gelukkig lagen mijn ooms niet meer in hun bedstee.’

Zijn uw ooms ontdekt?
Nee, ze zijn niet verraden. Op een gegeven moment zijn ze weggegaan, naar Drenthe. Ik denk dat ze daar ook onderdoken waren. Ik weet in ieder geval dat wij er kennissen aan hebben overgehouden, want wij gingen daar later altijd heen op fiets om te logeren tijdens de vakantie.’

Archieven: Verhalen

‘De Canadezen beschoten de uier van een koe en de Duitsers vluchtten in paniek’

Wout, Fenna, Hadewych en Annel komen naar de boerderij in Jacobiparochie waar de familie Rienks tijdens de oorlog woonde. Winda Rienks vertelt de leerlingen van ’t Fonnemint over de gebeurtenissen die zich hier afspeelden. Hoewel ze zelf ver na de oorlog is geboren, kent ze het verhaal van de familie goed. Over de gevaren van de Duitse huiszoekingen en de momenten van paniek toen de Canadezen arriveerden.

Wat heeft uw familie gedaan in de oorlog?
‘Mijn familie woonde hier op de boerderij. Ze hebben mensen opgevangen. Er waren onderduikers die niet gevonden mochten worden door de Duitsers. Er was bijvoorbeeld één man die de ene keer bij deze boerderij zat en de andere keer bij een andere, om niet gevonden te worden. Ook zaten hier een paar maanden ‘evacuees’, mensen uit Limburg die naar het noorden kwamen omdat in het zuiden veel honger heerste. Verder draaide de boerderij gewoon door. De onderduikers zaten dan op zolder en hadden hun eigen plekje. Ze hielpen niet mee op de boerderij, maar ze waren er maar een paar maanden. Er stond hier ook een auto verstopt, bedekt met hooi, voor de Duitsers. Die is nooit gevonden. Na de oorlog heeft mijn familie die auto aan de staat gegeven voor de wederopbouw.

De Duitsers sliepen in de Vlaswijk, maar ze liepen hier vaak rond om te controleren. Er was ook een keer een Duitser hier. Mijn opa had in een zak een geweer verstopt. Hoe hij eraan kwam en waarom, is voor ons een mysterie, want dat mocht natuurlijk niet. Toen de Duitser de schuur binnenging om te kijken of er mannen waren, kwam hij bijna bij die zak. Hij begon erin te rommelen, maar toen hoorde hij gelukkig gerommel op zolder. Hij liet de zak vallen en liep naar het geluid, maar bleek het zijn collega te zijn. Het geweer is niet gevonden. Mijn vader is in 1942 geboren, dus hij was drie jaar toen de oorlog eindigde. Mijn opa was toen ongeveer 35. Er was ook een oma. Sommige Duitsers die hier waren, wilden hier liever ook niet zijn. En soms gaf mijn familie ze zelfs wat eten. Het was een bizarre sfeer aan alle kanten.’

Wat is er gebeurd met uw opa?
‘Mijn opa is een keer in de problemen gekomen. Er waren Duitsers die graag jaagden, maar op de boerderij mochten ze niet jagen. Toen ze hier toch kwamen jagen en er eenden waren, klapte mijn opa in zijn handen om de vogels weg te jagen. De Duitsers vonden dat niet leuk en namen hem mee naar het gebouw de Vlaswiek in Sint-Anne, waar jullie met de wandeling geweest zijn. Toen hij daar moest zitten, lag er een boekje op tafel. Mijn opa pakte dat en bladerde erin, wat niet mocht. Hij moest in de hoek gaan staan en daar een hele nacht blijven. Het was natuurlijk heel spannend voor mijn oma, ze wist niet of hij nog terug zou komen.’

Wat gebeurde er toen de Canadezen hier kwamen?
‘Voor de boerderij langs loopt een vaart. Via de vaart werd het eten en de bevoorrading voor de Duitsers met een boot gebracht. Op een dag kwamen de Canadezen. Ze wilden dat de bevoorrading niet doorkwam en begonnen op de boot te schieten, en schoten daarbij per ongeluk een uier van een koe kapot. Dat was niet de bedoeling, maar mijn vader, die toen nog maar drie jaar was en thuis zat met zijn zusje, zag het wel. Iedereen raakte in paniek: mijn vader, zijn zusje en de evacuees vluchtten direct naar de kelder. De Duitsers vluchtten ook, maar dan de schuur in. Ze waren alleen thuis want zijn vader en moeder waren op dat moment op de fiets naar Leeuwarden.’

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers haalden mij uit mijn bedje en gooide me op de grond’

Sarah, Lana en Rutmer komen naar het huis van Marijke Ottema om haar te interviewen. Mevrouw Ottema was pas twee toen de oorlog begon maar vertelt met enthousiasme over de verhalen die haar familie haar heeft verteld. De kinderen luisteren geboeid naar het verhaal over die ene dag dat de Duitsers op de stoep stonden en er twee ooms werden meegenomen.

Wat deed uw familie tijdens de oorlog?
‘Mijn opa Jaap Boersma en oma Trijntje Boersma Bosscher woonden in Oudebildtzijl, op de Aerdenplaats. Het gezin bestond uit hen, twee meisjes en drie jongens: Boukje, Rins, Gerem, Dirk en Hendrik. Halverwege de oorlog, in 1943, was de familie heel vaak bij hen. Oma Bep had sigaretten, tabak, koffie en thee in huis en pake verkocht brood. Ze konden heel veel ruilen met de boer, bakker en slager voor eten. Dus er was altijd genoeg.

Mijn vader werkte tijdens de oorlog bij het distributiekantoor in Sint Annaparochie. Hij zat daar achter de balie. Hij gaf de bonnen uit en controleerde of mensen de juiste bonnen hadden. Er waren hele ploegen mensen aan het werk, maar hij vond het een geweldige tij want er werkten leuke vrouwen. Hij ging zelfs vaak met zijn vader schaatsen naar Franeker, waar ook een vrouw van het kantoor werkte. Ondanks de akelige omstandigheden, hadden ze een hele mooie ploeg.’

Wat gebeurde er toen de Duitsers voor de deur stonden?
‘De hele familie was bij elkaar, toen Duitse soldaten langskwamen voor een huiszoeking. Ze zochten mijn ooms Germ en Dirk om ze mee te nemen naar Assen. De soldaten gooiden het huis helemaal overhoop. Ze haalden zelfs mij, toen ik een jaar oud was, uit mijn bedje en gooide me op de grond omdat ze dachten dat er misschien nog iemand het bedje onder lag. Germ vonden ze, maar Dirk zat angstig verstopt op een zolder tussen de balken. Ze hebben uiteindelijk Germ en de jongste zoon Hendrik meegenomen naar Assen, waar de mannen in een pianofabriek moesten werken.

Mijn tante Mina, de vrouw van Germ, was niet van plan om ze daar te laten. Ze ging met een oude fiets en rubberen banden alleen naar Assen. Het verhaal gaat dat ze de mannen heeft geholpen te vluchten, met gevaar voor eigen leven. Ze zijn gelukkig weer thuisgekomen. Niemand durfde daar later over te praten, maar ik wil dat wel doen.’

Heeft er nog meer familie een oorlogsverhaal?
‘Mijn schoonvader had ook een verhaal, hij is in Duitsland te werk gesteld en moest er vreselijk hard werken. Na de bevrijding is hij van Duitsland naar Jellum gelopen, bij Leeuwarden in de buurt. Met een handkar en schamele bezittingen. Dat is wel 100 kilometer! Hij kwam vermagerd en vermoeid thuis en heeft daarna heel lang in het sanatorium in Appelscha gelegen met tuberculose, een ziekte aan je longen. Dat kwam vast door de kou en de honger. Het was een vreselijke tijd voor het gezin.

Bij Jellum is nog een treinbeschieting geweest, tussen Jellum en Dronrijp. De machinist is daarbij overleden. Er waren mannen uit het verzet die een stuk rails hadden weggehaald, waardoor de trein verongelukte. Dat was griezelig want wij woonden dichtbij. Het waren rare tijden.’

Archieven: Verhalen

‘Op 4 en 5 mei ging ik niet naar school want dan was er iets geheims’

Fleur, Isa-Sofie en Milan van ’t Fonnemint in Sint Annaparochie interviewen Geertje Kingma die vertelt hoe de oorlog een schaduw wierp op haar familie. De kinderen luisteren geboeid naar het verhaal over haar vader die bij de NSB zat en na de oorlog drie jaar in de Blokhuispoort en Westerbork vastzat. Mevrouw Kingma vertelt eerlijk over de eenzaamheid, het gepest op school en de pijn van het niet mogen praten thuis

Wat heeft uw familie gedaan in de oorlog?
Toen ik drie maanden in de buik van mijn moeder zat, was de oorlog voorbij. Maar mijn vader was al gevangengenomen op 16 april en naar de Blokhuispoort gebracht. Hij zat in de oorlog bij de NSB. Dat werd hem heel zwaar aangerekend.

Toen hij drie jaar later vrijkwam, was de sfeer in huis veranderd. Mijn broer en zus waren toen 14 en 13 jaar. Er was veel ruzie en iedereen moest zijn plek weer vinden. Er hing een groot geheim over ons gezin. Ik wist niet wat het was, maar ik wist dat er iets met mijn vader was. We mochten thuis niet over de oorlog praten.

Toen ik een jaar of negen was, speelde ik op een dag met een vriendin. Ze vroeg of mijn vader in de gevangenis had gezeten. Ik had een scherp geheugen en ineens kwamen alle herinneringen naar boven. Ik vroeg mijn ouders wat er precies was gebeurd, maar ze zeiden: ‘Als je wat ouder bent, vertellen we het wel’.

Maar ze vertelden het nooit. Ik werd een eenzaam kind, kon niet met anderen praten en had een hekel aan school. Ik wou niet eten en ik ging niet naar school op 4 en 5 mei, want ik voelde dat dat geheim daarmee te maken had. Het geheim is pas opgelost toen ik in 1985, ik was toen 30 jaar, het dossier van mijn vader in Den Haag las.”

Wat heeft uw vader gedaan bij de NSB?
Mijn vader was timmerman en had een aannemersbedrijf. In de crisisjaren, eind jaren dertig, was er weinig werk en hij koos voor de NSB om geld te verdienen. In de laatste oorlogsjaren, in maart of april, werd hij op de Spanjaardslaan in Leeuwarden door een auto aangehouden. Hij wist niet waar ze heen gingen. Ze reden naar Dokkum om een zekere ‘Maarten’ te bevrijden, die door het verzet was vastgehouden.

Het was een domme actie van de NSB’ers want de Canadezen stonden op twee kilometer afstand. Toen de auto met vijf NSB’ers aankwam, werden twee mannen uit het publiek gegrepen en op de spatborden gedwongen. Ze werden doodgeschoten. Mijn vader zag dit niet, hij kwam eerst niet uit de auto. Hij zag ergens een fiets, jatte die en fietste naar Vrouwenparochie. Dagen later werd hij gearresteerd en vastgezet in de Blokhuispoort en in Westerbork. In Westerbork had hij een ontsteking die niemand wilde behandelen, totdat een andere gevangene hem hielp. Hij hield er littekens van over. Hij zat drie jaar gevangen. Dat was het geheim. Als je het weet, moet je erover praten. Het gaat over mijn vader, niet over mij. Ik ben niet schuldig.’

Hoe was het voor u als kind?
‘Ik was een heel verlegen, bang kind. Ik durfde niet met andere kinderen te spelen. Ik werd heel erg gepest op school, ook op de christelijke ulo. De leraren wisten wel wat er gaande was. Een vriend van mijn vader, die oppasser was in de Blokhuispoort, vertelde later aan mijn vriendinnetje dat ik ‘een meisje uit een verkeerd nest’ was. Dat deed pijn. Toen mijn vriendje overleed aan een ongeluk, kwam die oom niet op zijn begrafenis.

Later, toen ik met mijn huidige man trouwde, zeiden zijn ouders: ‘Waarom nou een meisje van die mensen?’ Dat was triest. Maar ik ben later zelfverzekerder geworden door mijn talenten: pianospelen, teksten schrijven, muziek maken. Ik heb tien jaar in een cabaret gezeten en nu vertaal ik popliedjes in het Fries. Maar het geheim bleef er hangen. Pas toen ik het dossier las, wist ik de waarheid. Ik moest leren dat ik geen schuld had.’

Is er ook iets met uw moeder gebeurd?
Mijn moeder was een pittige vrouw, een sterke moeder. Omdat mijn vader gevangen zat en er geen kostwinner was, kreeg ze geld van buren en haar ouders. De regering gaf een regeling: alleenstaande vrouwen van NSB’ers met kinderen moesten openbare gebouwen schoonmaken als straf in ruil voor geld. Mijn moeder kreeg de opdracht om de openbare school in Vrouwenparochie schoon te maken. Voor het eerst zat ik toen op een wc met doorspoeling, wat ik heel eng vond. Mijn 15-jarige zus hielp ook mee.

Mijn moeder is de dans ontsprongen om opgepakt te worden, waarschijnlijk omdat ze zwanger was van mij. Er zijn veel kinderen van ‘foute Nederlanders’ naar andere gezinnen gestuurd voor heropvoeding, waar ze mishandeld werden. Het is een gigantisch probleem wat hier achter deze geschiedenis zit.’

Heeft u de bevrijding gevierd?
‘Ik heb nooit een 5 mei-feestje gevierd. 4 mei wel, maar dan ging ik ook niet naar school. Het was allemaal taboe. Ik heb mijn vader ontzettend lief, maar ik moet in mijn hoofd de keuze die hij maakte verzoenen met de liefde die ik voor hem heb. Het is moeilijk. Ik hoop dat de wereld leert van deze geschiedenis. Het herhaalt zich, zie je in Rusland en Oekraïne, en bij Israël en Palestina. Kinderen lopen gigantische trauma’s op. Maar ik ben blij dat we nu kunnen praten over de waarheid, ook al was het moeilijk.’

Archieven: Verhalen

‘In de stukken stond dat mijn ouders bij de SS hadden gezeten’

Feline, Selena en Stef van Basisschool ’t Anker in  Amersfoort gaan Sylvia Ooms interviewen, zij is geboren in kamp Amersfoort na 1945 en woont nu in Utrecht. Haar moeder was lid van de NSB en werd opgesloten in het kamp omdat ze mee had geholpen aan de Duitse bezetting. Mevrouw Ooms heeft haar leven lang hier last van gehad.

Hoe voelde u zich als kind?
Dat was behoorlijk moeilijk, op de lagere school ging het nog wel. Ik werd buitengesloten toen ik wat ouder werd. Daar werd ik verdrietig van. Ik hield van lezen en muziek maken. Af en toe had ik een vriendinnetje. Ik heb er af en toe nog last van en ben er nog bang voor. Er zit nog een plekje in mijn hoofd die daar nog steeds aan moet denken.’

Hoe kwam u erachter dat uw ouders bij de SS werkten?
‘Ik mocht er thuis niet over praten. Als ik met vragen kwam over de oorlog of de Bevrijding, dan werd dat van tafel geveegd. Ik kwam erachter toen een vriendin van mijn stiefbroer een stamboomonderzoek ging doen. En op een gegeven moment zijn ze naar het Nationaal Archief gegaan in Den Haag. En daar lagen stukken waarin stond dat mijn ouders bij de SS hadden gezeten. En dat raakt. Mijn moeder was lid van de NSB en mijn stiefvader was SS’ er. Mijn moeder heeft kwalijke dingen gedaan, waar ik me kapot van geschrokken ben.

Er was wel iets geks wat me al eerder was opgevallen. Ik ging naar Duitsland en moest een  bewijs van Nederlanderschap meenemen. Op dat bewijs stond niet de naam die ik tot dan toe droeg. Ik heette toen nog Sylvia Postman, maar op die kaart stond Sylvia Ooms.  Toen dacht ik dit kan toch niet…ik heet toch naar papa? Toen vertelde ze een verhaal waar ik geen touw aan vast kon knopen.’

 Door wie werd u opgevoed?
‘Mijn moeder zat gevangen in kamp Amersfoort, daarom kon ik niet opgroeien bij haar. Ik werd geboren en toen werd ik ziek en werd ik opgenomen in ziekenhuis de Lichtenberg. Daar lag ik drie maanden vanwege een dubbele longontsteking. De omstandigheden in het kamp waren bizar. Ik ben naar een tante gebracht en daarna ben ik tot mijn zesde jaar bij mijn opa en oma geweest. Dat was mijn fijnste tijd.’

 Weet u wie uw vader was?
‘Mijn moeder kookte in de keuken van Westerbork en ze ging met hoge militairen om. Mijn moeder had een grote hekel aan Joden. Daar heb ik me altijd erg tegen verzet. Ik weet niet wie mijn vader is. Het zou kunnen dat hij een Duitser was of een hoge pief bij de SS. Mijn moeder  vertelde me wel op hoge leeftijd over wie ze dacht dat mijn vader was, maar helemaal zeker zal ik dit nooit komen te weten. Maar ik heb het naderhand goed gehad met mijn ouders. Ik ben wel heel blij dat wat ik nu weet, dat ik daar niet meer met hen over hoef te praten. Misschien hebben ze het mij niet verteld om mij te beschermen. Maar ergens kan ik het me ook voorstellen wat ze deden. Stel dat er nu weer een oorlog zou uitbreken en ik zou tot boven mijn hoofd in de shit zitten…hoe zou ik dan reageren?’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892