Oorlog in mijn Buurt
‘Ik ben naar de toespraak van veldmaarschalk Montgomery geweest’
Dex, Mats, Vince ontmoeten Elly van Wijk
Beatrix Terreehorst woont nu aan het Spaarne in Haarlem, maar groeide tijdens de oorlog op in Oost-Duitsland. Alex, Valentijn, Jonathan en Louis van de Hannie Schaftschool zijn benieuwd naar haar verhaal. Na een korte fietstocht komen ze bij haar huis aan, waar de sleutel uit het raam naar beneden wordt gegooid. De limonade en cake staan al klaar en de fotoboeken liggen open. In de zithoek gaan de jongens van start.
Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik was twee jaar toen de oorlog begon, dus dat weet ik niet meer zo goed. Ik woonde toen in Oost-Duitsland. Mijn ouders waren wel Nederlands, dus ik had ook de Nederlandse nationaliteit. Als de sirenes afgingen, wist je dat er gevaar was. Speelden we buiten speelden, dan moesten we meteen naar huis of naar een schuilplek. Dat was soms gewoon bij mensen in huis, want iedereen opende dan zijn deuren zodat anderen veilig konden schuilen. Bij een bombardement vlogen de stenen in het rond, waardoor het erg gevaarlijk was.’
Waar verstopten jullie je tijdens bombardementen?
‘Ik was vaak heel bang als de sirenes gingen. Dan kropen we onder het dekbed en hielden we onze oren dicht zodat we het geluid minder hoorden. Mijn moeder moest vaak werken, ook ‘s nachts. Dan waren wij met z’n drieën alleen thuis: mijn zus, mijn broertje en ik. We zochten dan zelf een schuilplek. In huis hadden we een kleine schuilkelder in de gang. Als het echt gevaarlijk werd, gingen we naar buiten, naar een soort grot in een heuvel. Daar konden we schuilen zonder dat iemand ons zag. Dat gaf een beetje een veilig gevoel, maar het bleef spannend.’
Hoe was het leven als kind in de oorlog?
‘Buiten speelden we verstoppertje of met een springtouw. Een bal hadden we niet. Binnen spelen deden we met heel weinig speelgoed. Mijn zus had een pop en mijn broertje een houten auto, maar ik had zelf niets. Eten was schaars. Soms lag er geen brood meer in de kast als ik naar school moest. Dat gaf een naar gevoel.
Gelukkig deelden mensen veel met elkaar. Soms kreeg ik een boterham van een klasgenootje. We verzamelden ook eten van het land, zoals restjes van de oogst. Daar maakten we bijvoorbeeld stroop van. Mijn moeder kookte grote pannen met hutspot, die we deelden met de buren. De ene buur had de uien, de andere buur de aardappelen. Iedereen hielp elkaar.’
Hoe eindigde de oorlog?
‘Toen de oorlog voorbij was, kwamen de Canadezen met tanks door de straat. Ze gooiden snoep en eten naar de kinderen. Dat was een heel blij moment. Maar daarna kwamen de Russen in het gebied waar ik woonde. Toch zaten daar ook aardige mensen bij. Ik weet nog dat er een Russische soldaat bij ons in de tuin was, op zoek naar eten. Je kunt niet zeggen dat iedereen slecht is.
Later ging ik naar Nederland met het Rode Kruis, samen met mijn broer en zus. Een half jaar zijn we in Heemstede geweest, daarna sprak ik vloeiend Nederlands. Toen ik 15 was, verhuisden we definitief naar Nederland. We zijn toen met de trein en het vliegtuig vanuit Oost-Duitsland gevlucht naar het Westen. Dat had het Nederlandse consulaat voor ons geregeld.’

Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.