In het laatste jaar van de oorlog was ik dertien en was het mijn beurt om uit huis te gaan’


Ilan, Anouar en Bruce vertellen het verhaal van Lieda Ridder
Amsterdam-West

Ilan, Anouar en Bruce uit groep 7 van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord ontmoeten Lieda Ridder-Jongejans. Mevrouw Ridder wordt dit jaar 94. Tijdens de oorlog woonde ze met haar ouders, vier zussen en twee broers in de Kanaalstraat 114, dat is in Amsterdam-West. Haar vader was timmerman en had een timmerbedrijf naast het huis. Haar man Jan Ridder die inmiddels overleden is woonde wel in Noord.

Hoe merkte u dat de oorlog was begonnen?
‘Ik was acht jaar toen de oorlog uitbrak, ik weet dat nog heel goed. Ik was samen met mijn moeder in de woonkamer, mijn moeder luisterde naar de radio. Vroeger hadden we maar twee zenders radio 1 en 2. Mijn moeder begon te huilen en zei dat Nederland zich had overgeven. Als meisje van acht vond ik het allemaal wel best en wilde gewoon het liefst weer snel buitenspelen. Knikkeren en steppen met mijn vriendjes en vriendinnetjes. Als het luchtalarm ging moesten we snel naar binnen om te schuilen, als dan even later weer het alarm ging dan speelden we weer vrolijk verder. Dat was voor mij eigenlijk de oorlog, als achtjarige weet je nog niet zo veel. Zo begon de oorlog voor mij.’

Hoe kwam uw familie aan eten?
‘Mijn broers en zussen gingen op de fiets richting Alkmaar om daar aardappelen en groenten te halen. Ik hoefde niet mee want ik was te jong. Ook haalden we ons eten bij de gaarkeuken, ik weet nog goed dat ik met mijn broertje een grote pan met eten vast had en dat er een grote hond op ons afkwam. Van schrik liet hij die pan vallen. We haalden ook wel eens voor een oude oma eten bij de gaarkeuken. Zij gaf ons dan een pannetje mee voor het eten en daar zat dan altijd zo een lekkere bal gehakt bij. Nou je raadt het al.. dat balletje zat er niet meer in als we bij dat omaatje aankwamen; die hadden we zelf al opgegeten.

Ik weet ook nog een keer, dat was in 1942 dat mijn oom me vroeg of ik in Badhoevedorp, een dorpje vlak bij Schiphol, een geitje wilde ophalen. Ik ben toen lopend helemaal alleen naar Badhoevedorp gegaan om dat geitje op te halen.  Op de terugweg was het wel even spannend, want halverwege stonden er ineens Duitse bezetters.  Zij hielden iedereen tegen om eten en andere dingen in beslag te nemen. Gelukkig lieten ze mij doorlopen met de geit en kon ik verder richting huis. Maar toen ik bijna thuis was, besloot de geit dat hij er klaar mee was en is midden op straat gaan liggen. Met geen mogelijkheid kreeg ik ‘m nog in beweging. Mijn oom heeft hem toen opgehaald met de bakfiets’.

Wat voor herinneringen heeft u aan die tijd?
‘We gingen altijd vroeg naar bed, want we hadden geen licht. Mijn moeder had wat slims bedacht; ze verbond een aantal fiets-dynamo’s aan de trapnaaimachine en dan moest mijn broer van 17 gaan trappen, zodat wij nog wat licht hadden ’s avonds.

Mijn moeder had de zorg voor zeven kinderen. Mijn vader was timmerman, maar later werd hij ziek en werkeloos. Door de oorlog en vooral door de armoede werden wij kinderen één voor één uit huis geplaatst om een veilig en beter onderkomen te hebben. In het laatste jaar van de oorlog was het mijn beurt om uit huis te gaan, dit werd via de kerk geregeld.’

Hoe was dat voor u om uit huis te gaan?
‘Ik was dertien jaar toen ik naar ’t Veld, een dorpje boven in Noord-Holland, ging. Mijn moeder bracht me naar het Centraal station, daar lag een boot. Ik heb de hele dag op de boot gezeten, samen met een heleboel andere kinderen die ook bij gezinnen werden ondergebracht. Pas toen het donker was zijn, we gaan varen. We kwamen aan in Heiloo, waar we de nacht bij een bakker hebben doorgebracht. Daar kregen we hele grote boterhammen, maar ik kon daar helemaal niet tegen, omdat ik zo weinig had gegeten. Ik ben er de hele nacht ziek van geweest. De volgende dag werd ik met paard en wagen naar een familie in ’t Veld gebracht.’

Het was een heel fijn gezin met een hoop kinderen, er was er zelfs nog eentje op komst. Ik klopte daar altijd de kleedjes uit met een mattenklopper. Op een dag werd ik geroepen: ‘stop maar met kloppen, het is vrede’. Zo ineens was de oorlog weer voorbij. Ik ging ervan uit dat ik de volgende dag naar huis zou gaan, maar dit duurde nog een maand want er was geen vervoer. Na de oorlog heb ik nog jaren contact gehad met deze mensen.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892