‘We liepen soms wel drie dagen voor een klein beetje eten’


Jovey, Hadewij, Luuk, Manou en Shir Yi vertellen het verhaal van Greet Scholte-Schoen
Haarlem

Jovey, Hadewij, Luuk, Manou en Shir Yi wandelen in vijf minuutjes van hun school, de Hannie Schaftschool in Haarlem, naar woonzorgcentrum De Roos, waar de 98-jarige Greet Scholte-Schoen woont. Toen de oorlog begon was zij 13 jaar. Ze is de oudste van acht kinderen. Mevrouw Scholte-Schoen staat ze al op te wachten, want ze zijn een beetje laat. In haar gezellige appartement schuiven ze de stoelen om de tafel. Met koekjes en chocolaatjes bij de hand beginnen de leerlingen meteen met vragen stellen.

Heeft u vriendinnen verloren tijdens de oorlog?
‘Nee, maar wel een buurjongen, helemaal in het begin. Hij was soldaat en moest in de eerste vijf dagen van de oorlog, voordat Nederland zich overgaf, vechten tegen de Duitsers. Daarbij is hij gesneuveld. En later is er vlakbij ons huis ook nog een jongen die wij kenden doodgeschoten. Hij werd samen met negen andere mensen zomaar opgepakt en gedood. Dat was een strafmaatregel van de Duitsers omdat er aanslag was gepleegd door het verzet.’

Moest u uw huis uit tijdens de oorlog?
‘Ja, in 1944 wilden de Duitsers Haarlem-Noord opeens leeg hebben om IJmuiden beter te kunnen verdedigen. Wij konden gelukkig naar kennissen die een groot huis aan de Gedempte Oude Gracht hadden. Dat was een heel gedoe, want zij waren met z’n zessen en wij met ons tienen. Proppen dus. Op een gegeven moment merkte mijn moeder dat er niet zoveel gebeurde in Haarlem-Noord en dat sommige mensen stiekem weer teruggingen naar hun eigen huizen. Dat hebben wij toen ook gedaan. Maar we durfden alleen nog maar boven te wonen omdat we bang waren dat we beneden betrapt zouden worden.’

Hebben jullie iemand geholpen die moest onderduiken?
‘Mijn ouders hadden een jonge man in huis genomen die moest onderduiken om niet te hoeven werken in Duitsland. Hij heette Piet en woonde met zijn vrouw en hun baby bij ons. Hij verstopte zich altijd beneden in een grote kast. Daar had mijn moeder een dikke deken voor hem neergelegd.

Een keer zaten wij boven te eten. Omdat het rustig was in de stad, vroeg mijn moeder aan Piet of hij misschien ook boven met ons wilde eten. Juist toen stonden er opeens Duitsers voor de deur. Mijn ouders stuurden mijn kleine zusje naar beneden om open te doen, maar die Duitsers wilden mijn vader zien. Mijn vader zag er gelukkig oud uit voor zijn leeftijd dus die lieten ze met rust. Ook mijn broertje ging naar beneden. Die was pas 12, dus die lieten ze ook met rust. Daarna gingen ze weg. Maar ik weet nog goed hoe bang wij waren dat ze naar boven zouden komen en Piet zouden zien.’

Moest u ook op zoek naar eten in de Hongerwinter?
‘Ja, ik ging op zogenaamde hongertochten naar boeren in Noord-Holland, vaak met mijn vader. Soms hadden we een fiets, soms moesten we lopen met een handkar. Het was heel koud. We liepen wel eens drie dagen van boerderij naar boerderij. We moesten meestal bij de koeien in het hooi slapen. Soms kreeg ik ergens een bed omdat ik er zo slecht uitzag. Dan sliep je met z’n vieren of z’n vijven in één bed, overdwars.

Een keer kwamen mijn vader en ik met een handkar vol eten terug en toen was er controle. We zagen dat Duitsers alle mannen aanhielden en hun eten afpakten. Toen zijn we gesplitst: mijn vader liep naar de Duitsers toe en ik ging gauw met de kar de andere kant op. Die truc lukte gelukkig, anders hadden we dagen voor niks gelopen.

De laatste keer dat we gingen kreeg mijn vader hongeroedeem: hij had zulke dikke benen dat hij niet meer kon lopen. Toen moest ik mijn vader in de kar naar huis duwen.’

Ik heb tijdens de oorlog ontdekt dat je altijd goede mensen tegenkomt, ook al lijkt in een oorlog alles slecht. Wij hadden bijvoorbeeld heel weinig eten en ook heel weinig geld, dus soms moesten we bedelen om eten bij de boeren. En eigenlijk kregen we dan altijd toch wel iets: een boterham, wat aardappels, een kool, dat soort dingen. Bij alle narigheid was die goedheid van samen delen er ook, juíst.’

Hoe oud was u toen de oorlog stopte?
‘Ik was 18. Er waren toen overal grote feesten, en op een van die feesten heb ik mijn man ontmoet. Die feesten waren heel fijn. We hadden al vijf jaar een avondklok, dat betekende dat je voor 8 uur binnen moest zijn. We gingen nauwelijks naar school, want in de school zaten de Duitsers. Mijn hele pubertijd had ik eigenlijk geen jongens leren kennen, geen uitjes, geen verkering. Dus ja, geen wonder dat het meteen raak was toen we eenmaal vrij waren.

Een van de dingen die ik aan de oorlog heb overgehouden is dat ik nog steeds een enorme hekel heb aan de sirenes die je elke eerste maandag van de maand hoort. En ik heb me ook erg ingezet voor de vredesbeweging. Dat had wel met de oorlog te maken.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892