Oorlog in mijn Buurt
Ik moest bij elke hoek kijken of het veilig was
Bonno, Jesse, Michiel, Yannick ontmoeten Bep Kruijf
Merle, Almina, Thanasis, Lennon en Nour interviewen de 92-jarige Liesbeth Mes op school. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft zij in Haarlem-Noord gewoond. Vanuit haar huis zag zij Schiphol gebombardeerd worden, alles stond in brand. Toen was de oorlog begonnen. Mevrouw Mes arriveert bij de Hannie Schaftschool in Haarlem, de leerlingen hebben er zin in!
Hoe was het op school tijdens de oorlog?
‘Ik was zes jaar toen de oorlog begon en elf toen die voorbij was. In die tijd ben ik veel minder naar school geweest dan jullie nu. De Duitsers namen namelijk de scholen over om er zelf in te wonen. We kregen soms nog wel les, maar nooit een hele dag en op veel verschillende scholen. Vaak alleen rekenen en taal. Voor andere vakken was geen tijd of plek meer. Omdat we minder naar school hoefden, speelden we veel buiten. Dat vond ik leuk, maar het was natuurlijk niet normaal dat school zo vaak niet doorging.’
Wat veranderde in het dagelijks leven?
‘Voedsel ging op de bon, dus je kreeg alleen eten als je bonnen had. Mijn ouders hadden zeven kinderen, dus dat was best moeilijk. ‘s Avonds mocht je na 8 uur niet meer naar buiten en moesten de ramen verduisterd worden. Ook waren er steeds minder spullen. Je kon geen nieuwe fietsband kopen, sommige mensen fietsten zelfs op houten banden. We moesten ook onze radio inleveren, zodat we geen nieuws meer konden luisteren. Mijn ouders deden dat niet en verstopten de radio in de schuur. Dat was best spannend, want dat mocht eigenlijk niet. Mijn ouders durfden ook niet naar Radio Oranje te luisteren.’
Wat maakte u mee tijdens de oorlog?
‘Aan het begin van de oorlog zag ik hoe de Duitsers Schiphol bombardeerden. Wij woonden in Haarlem-Noord en konden helemaal uitkijken over Schiphol. Alles stond in brand. Mijn moeder moest huilen. Later moesten wij evacueren uit Haarlem-Noord. We gingen met een paard en wagen naar een andere plek in de stad, aan de Zijlweg. Op dat moment was ik ziek, ik had 40 graden koorts, en moest naar het ziekenhuis. Daar heb ik vier weken gelegen. ‘s Avonds was er geen elektriciteit, dus we hadden geen licht. Soms gebruikten we een speciale lamp waarbij iemand moest fietsen om licht te maken. Ook moesten we zelf hout zoeken in het bos om de kachel aan te houden en te kunnen koken. Dan ging ik samen met mijn broer het bos in, op zoek naar hout.’
Hoe kwamen jullie aan eten?
‘Eten was schaars, vooral in de Hongerwinter. Gelukkig hielp mijn oom Piet. Hij haalde eten bij boeren, zoals graan. Dat werd stiekem bij ons gebracht en in de schuur verstopt. Mijn moeder maakte er meel van en zo konden we eten. Ik zie mijn moeder nog met de koffiemolen het tarwe draaien. Zij bakte het brood af bij een bakker, waar soms nog wel elektriciteit was. Soms werd er ook eten gestolen, bijvoorbeeld van bakkerskarren of van ons balkon. Na de oorlog kwamen er vliegtuigen die voedsel uit de lucht dropten. Dat konden we vanaf ons balkon zien. Toen was er eindelijk weer genoeg te eten en was de oorlog voorbij.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.