Oorlog in mijn Buurt
‘De Duitse soldaten waarschuwden ons voor de razzia’s’
Aniek, Bouwie, Isabella, Joris, Laurens ontmoeten Eldert Groenewoud
Maud, James, Luq, Luna en Julius van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen de 89-jarige Hennie Houtkamp bij haar thuis. Ze woonde in de oorlog op de Kampervest en was drie jaar toen de oorlog begon. Met een lekker pakje sap en koekjes beginnen de vijf leerlingen te vragen naar haar oorlogsherinneringen.
Hoe was het toen de oorlog uitbrak?
‘Ik was nog klein dus dat weet ik niet precies, maar van de latere oorlogsjaren kan ik me wel veel herinneren. We waren een hechte familie en woonden dicht bij elkaar: grootouders, ooms en tantes enzovoort. Ik was op dat moment het enige kind, dus ik was er veel bij en hoorde van alles.
Mijn vader was ontzettend anti-Duits. Hij verkocht bloemen en hij kende veel belangrijke mensen, zoals dokters en bankdirecteuren. Sommigen deden dingen in het verzet en mijn vader hielp hen. In de oorlog verkocht hij geen bloemen meer maar turf. En onder die turf smokkelde hij allerlei illegale papieren en informatie mee. Die informatie kreeg hij bijvoorbeeld van twee verpleegsters die naast ons woonden. Die hadden stiekem een radio en gaven dan informatie door aan mijn vader. Dat was wel heel gevaarlijk natuurlijk.’
Kende u mensen die moesten onderduiken?
‘Er waren veel razzia’s waarbij de Duitsers jonge mannen oppakten. Ze zijn ook drie keer bij ons aan de deur geweest om mijn vader te zoeken. Dan was mijn moeder heel bang, want als hij gepakt zou worden met illegale spullen zou het niet best zijn.
Maar hij en de andere mannen in de buurt hadden een hele slimme vluchtroute: iemand in de buurt had een groot pakhuis en die had tegen alle mannen gezegd dat ze zich daar konden verschuilen. In het pakhuis was een geheime plek, een wand die je een stukje open kon schuiven. Als je daarin ging, kon je een heel eind doorlopen tot aan de gracht en zo ontsnappen.
In onze buurt woonden ook wel NSB’ers, maar daar waren we niet zo bang voor. De buurt was heel hecht. Ik denk dat mijn vader en zijn vrienden er wel voor zorgden dat die NSB’ers hun mond niet open durfden te doen.’
Bent u veel bang geweest?
‘Zeker. Ik weet nog een keer dat de Duitsers weer jonge mannen hadden opgepakt. Die brachten ze naar de gevangenis en dan kwamen ze door onze straat. Ik was buiten aan het ballen, toen een van de opgepakte jongens op de vlucht sloeg. De Duitsers zetten meteen de hele straat af, waardoor ik niet meer terug naar huis kon. Ik besloot dan maar met de jongen die was ontsnapt mee te lopen, ik kende hem wel een beetje. Maar de Duitsers stonden volop op hem te schieten. Die jongen riep tegen mij: ‘Ritsen, ritsen, ritsen!’ Zo van, een beetje zigzaggen zodat ze je niet kunnen raken. Dus ik ritsend met hem die hele straat door. Ik hoorde m’n moeder gillen. We gingen het hoekje om naar de Kleine Houtstraat en daar stond ergens een deur open. Die jongen riep: ‘Hen, naar binnen!’ En dat heb ik gedaan.
Later besefte ik eigenlijk pas hoe eng dat was. Maar ik herinner me het geluid van dat schieten nog wel heel goed. Net als het geluid van al die bommenwerpers. Dat zware gezoem, dat vond ik heel eng en dan dook ik snel bij m’n vader en moeder in bed.’
Wat herinnert u zich het best van na de oorlog?
‘Mijn moeder had een Joodse vriendin, Branca Cohen, die is weggehaald. Ik weet nog dat ze na de oorlog opeens weer bij ons voor de deur stond. Ze zag er heel slecht uit, ze was ziek want ze had in een kamp gezeten. Ze vertelde dat ze in het kamp een baby’tje had gekregen. Dat hebben de Duitsers afgepakt, in de lucht gegooid en zomaar doodgeschoten. Dat maakte heel veel indruk op mij. Branca was helemaal gebroken en is kort daarna overleden.
Ik herinner me ook goed dat de broer van mijn vader terugkwam. Hij was opgepakt om in Duitsland te werken. Tegen het einde van de oorlog is het kamp waar hij werkte, bevrijd door de Russen. Toen ging hij samen met een vriend op weg naar Nederland, waar het nog oorlog was. Tijdens die tocht was er een bombardement en wilden ze een schuilkelder in, maar daar viel een bom op. Mijn oom stond nog net buiten en overleefde het, maar zijn vriend niet. Daar heeft mijn oom jaren last van gehad. Hij vond het ook heel moeilijk om dat aan de ouders van die vriend te vertellen.
Na de oorlog ging mijn vader elke dag naar het station om te kijken of zijn broer terugkwam. Op een dag zag hij hem echt in de trein en riep hij naar hem. Dat was een heel bijzonder moment.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.