Archieven: Verhalen

‘Ik was heel boos dat mijn vriend, mijn vis, weg was’

Orelia Blinker komt op de Elifschool om geïnterviewd te worden doorJayda, Jannat, Malak en Eslem. De kinderen vangen haar op. Tijdens het interview laat mevrouw Blinker mooie tekeningen zien, die ze zelf heeft gemaakt de afgelopen 27 jaar over haar leven in Suriname.  Zij kwam in 1965 naar Nederland  en woont hier dus al 60 jaar geleden.

Waarom kwam u naar Nederland?
Ik kwam naar Nederland omdat mijn man al hier was.  Mijn man was in Nederland dus toen ben ik hem achterna gekomen. Met de boot, het duurde twee weken, het was geen nare reis, het was net vakantie, een soort cruise.

Ik vond het moeilijk om bij m’n familie weg te gaan maar ik vond het ook leuk, want je gaat naar een andere omgeving, een ander  deel van de wereld en ik vind het leuk om andere mensen te zien.

Wat maakte u mee in Suriname?
‘Ik speelde met mijn vriendinnen.  Ik zat op school.  Ik moest ook leren, net als jullie. Ik kom oorspronkelijk niet uit Paramaribo.  Dus als ik vakantie had, dan ging ik terug waar ik geboren ben en dat was veel leuker dan in de stad. Dan was ik met familie.’

Hoe was het leven in Suriname?
‘Sommige mensen hebben het goed en sommige mensen zijn arm.  En dat heb je overal.  Maar in mijn tijd had iedereen te eten. Wij hadden geen elektriciteit, dus wij gebruikten altijd zo ’n olielampje om te lopen.  Die hing je dan op en had je helder schijnend licht de hele avond. Net alsof je elektriciteit had.

We plantten zelf rijst, we verbouwden rijst en we oogstten zelf de rijst. En als we dat niet voor elkaar kregen om alles te kunnen oogsten, was er een groep mensen die kwam ons helpen. We hadden suikerriet. Suikerriet ging je persen. En het sap vingen we dan op met een emmer; daar kon dan suiker van gemaakt worden. Dat ging je persen en dan kookte je dat tot het een hele dikke stroop was geworden.  Dan had je gewoon zoetigheid voor de koffie.’

Hoe voelde u zich toen uw vader en broer waren overleden?
‘Dat vond ik helemaal niet leuk toen mijn vader overleed want ik had een hele lieve vader. Als iemand overlijdt bij ons, dan rouwen ze acht dagen lang. Dus vanaf de eerste dag tot de achtste dag gaan ze zingen. Ze zingen liederen over het geloof. En dan eten en drinken ze. In de tussentijd wordt iemand ook begraven. In onze cultuur is de band heel hecht, de hele familie komt acht dagen bij elkaar.’

Wat maakte u allemaal mee als kind?
‘Ik ga een verhaal vertellen over een vis.  Ik was ongeveer 15 jaar toen ik dit meemaakte. Wij aten vis die we zelf vingen bij de maaltijd.  Als we vis hadden gevangen, dan gingen we die schoonmaken en wassen in de rivier. Het afval daarvan gooide je ook in het water.  Die vissen die in de rivier leefden, die kwamen dat weer opeten.  En op een dag was ik bezig vissen schoon te maken en ik had afval in de rivier gegooid en toen zag ik een hele grote boven komen. Ik wil niet overdrijven.  Maar hij is misschien zo groot als die kast.  Misschien zelfs groter. Plots zag ik hem  en gaf ik hem er wat van dat afval. Ik dacht, op welke manier sluit ik vriendschap met die vis? Dus wat deed ik?  Ik liep over een boomstam toen dacht ik…  ik ga op die boom kloppen. In het water gaat het geluid verder.  En toen kwam die vis.  Iedere keer als ik vis ging schoonmaken deed ik dat en hij wende eraan.  Iedere keer kwam hij terug en gaf ik hem eten…. Tot hij weg bleef. Ik was heel boos dat mijn vriend, mijn vis, weg was. Ik had wekenlang niet met hem gesproken. Hij is gevangengenomen  en ‘geslacht’ door een visser.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘In Suriname hadden alleen ziekenhuizen zoveel verdiepingen’

Dikra, Aya, Damin en Youssef van de Elifschool in Amsterdam-Noord interviewen Henk  Baros die vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. In een kantoortje op school interviewen ze hem over zijn jeugd in Suriname en de reis naar Nederland.

 Hoe zag uw leven eruit in Suriname?
‘Ik woonde in een gezin met 10 kinderen, dat was altijd gezellig druk. Mijn vader had een pindakaas bedrijf wat het goed deed dus we hadden daar een goed leven. Mijn vader was heel slim, ook al kon hij niet lezen of schrijven. Hij nam bijvoorbeeld het afvalhout van de zagerijen uit de omgeving mee, om te stoken in zijn fabriek en bij ons thuis. Als kleine jongens hebben wij dus ook heel veel hout rondgesjouwd. Elke ochtend stonden we om vijf uur ’s ochtends op om te helpen, zelfs op zondag. Dat vond ik destijds helemaal niet leuk, maar achteraf zie ik ook de voordelen van het vroege opstaan.

Na het helpen gingen we naar school. Omdat we een kolonie van Nederland waren en de macht daar lag, is Nederlands mijn moedertaal. We spraken dat op school en hadden Nederlandse boeken. Ook als je buiten was, mochten we geen Surinaams praten.’

 Hoe was de reis naar Nederland?
‘Ik ben met het vliegtuig gekomen, geloof ik. Dat vond ik wel eng, want ik zag dat we over de zee moesten en ik was bang dat we neer zouden storten. En ik wist dat ik zou aankomen in een vreemd, heel ver land, dat vond ik ook spannend. Toen ik aankwam, was het september. Ik weet nog dat ik het raar vond dat alle bomen kaal waren. We reden in de auto langs allemaal flats. In Suriname hadden alleen ziekenhuizen zoveel verdiepingen, dus ik dacht: zijn er zulke zieke mensen in dit land?’

Ik was 21 toen ik naar Nederland kwam. Ik vond techniek heel leuk en Suriname was klein. Althans we hebben weinig mensen en we hadden alleen een lagere technische school. Mijn vader zei: ‘Daar heb je niets aan’. Toen heb ik besloten om in Nederland techniek te studeren en dat is waarom ik hierheen ben verhuisd. Ik was van plan na mijn studie terug te gaan, maar toen ik was afgestudeerd, kon ik niet terug. Het was onrustig en onveilig in Suriname, dus ben ik maar gebleven. Het werd wachten en wachten, tot ik oud begon te worden en besloot hier te blijven.’

Wat heeft u meegenomen?
‘Dat zijn kalebassen. Kijk, deze groeien overal in Suriname aan de bomen. Ze gebruiken de kalebassen voor van alles! Ze gebruiken het bijvoorbeeld als flessen om hun water in te doen, of voor de rituelen voor hun godsdienst.’

Heeft u een geloof?
‘Zelf ben ik opgevoed als moslim, maar ik heb les gekregen op een katholieke school. Mijn ooms waren namelijk katholiek geworden dus via hen kon ik regelen dat we daar op school mochten. Maar die pater vond het niet zo leuk dat we niet katholiek waren. Ik heb daar ook alle christelijke rituelen meegedaan maar ik voelde er nog niet zoveel voor om zelf katholiek te worden en dat hoefde ook niet van mijn moeder. Toen ik naar de katholieke middelbare school wilde, mocht dat niet dus toen kwam ik op een Hindoe school terecht.’

Als ik dan kijk naar het christendom en de islam, dan zie ik dat ze heel erg op elkaar lijken. Als kind heb je weinig aandacht voor je eigen geloof, maar als je ouder wordt dan begin je daar meer over na te denken. Over het algemeen praatten we niet over geloof met elkaar, maar het speelde wel een grote rol, net als hier in Nederland.’

Archieven: Verhalen

‘We zijn eigenlijk de hele oorlog binnen gebleven’

Israe, Lina, Maisaa uit groep 7 van de Elifschool in Amsterdam Noord ontmoeten de 90-jarige Jane Veltman in het kantoortje van de OBA, de bibliotheek tegenover hun school. Daar interviewen ze haar over haar jeugd in voormalig Nederlands Indië en de reis naar Nederland in 1950. Mevrouw Veltman spreekt een paar woordjes Turks maar jammer genoeg hebben Israe, Lina, Maisaa een Marokkaanse achtergrond. Het wordt een gezellige ontmoeting!

Welke taal sprak je in Indonesië?
‘Wij waren Nederlanders, wij spraken altijd Nederlands. Ik ken geen andere taal van huis uit. Ik heb later op school natuurlijk wel Engels en Frans en zo geleerd.  Maar ik spreek geen Indonesisch. Want de Indonesiërs waren, òf van adel, en dan vonden ze ons minderwaardig en wilden niet met ons omgaan omdat wij gemengd bloed hadden. Of het waren armere Indonesiërs en die waren altijd het personeel.  Dus je ging niet echt met elkaar om.’

Was het erg gevaarlijk in Indonesië?
‘Tijdens de oorlog woonde ik op Surabaya. Het was destijds erg gevaarlijk op straat. Er was een avondklok dus je moest ’s avonds thuis zijn, en je had zelfs een pas nodig om op straat te komen. Je mocht dus ook geen boodschappen doen, maar wij hadden een Indonesische keukenvrouw die dat deed. Dus we zijn eigenlijk de hele oorlog binnen gebleven. Als het veilig was gingen we wel naar school en speelden we veel buiten met de kinderen uit de buurt, maar verder was er ook niet zoveel om te doen.’

Wat deden jullie als het erg gevaarlijk werd?
‘De Japanners gaven zich over toen de Amerikanen twee atoombommen op Japan hadden gegooid. Daarna zijn de Indonesiërs tegen de Nederlanders gaan vechten. Toen was het heel onrustig en gevaarlijk. Eerst mochten wij nog in de tuin spelen, maar toen de vliegtuigen begonnen over te vliegen werd het gevaarlijk want dan konden er bommen vallen en dan wist je niet waar de scherven zouden neerkomen. We hadden een schuilkelder in de tuin, die had mijn vader laten maken en daar gingen we dan in. Door de tuin erheen lopen werd ook te gevaarlijk. Toen zijn we gewoon in het huis gebleven. Daar hadden we een hoog bed, waar mijn moeder een matras onder had gelegd. In onze wijk werd gewoon gevochten in de straten. Als er dan geschoten werd, zaten de kinderen onder dat bed. Mijn moeder ging soms wel stiekem door de ramen kijken. Je wist nooit wanneer een bom of een kogel door je huis ging.’

Hoe kwamen jullie in een kamp terrecht?
‘De Indonesische vrijheidsstrijders gingen alle huizen langs om de mensen mee te nemen. Toen er bij ons aangeklopt werd, dacht mijn moeder dat het de Engelsen al waren om ons te bevrijden. Dus deed ze de deur open. De mannen zeiden;’je moet nou meekomen,anders schieten we je dood’. We zijn in het kamp terecht gekomen. Samen met twee tantes en hun kinderen. Dat was in een oude suikerfabiek waar ze al die machines uit gehaald hadden.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘De reis was wel erg lang want het duurde een maand om met de boot van Indië naar Nederland te gaan. Die maand duurde extra lang omdat er zo weinig te doen was. Aan boord draaide ze één film en verder was er eigenlijk niet zoveel. Dus je moest gewoon zitten en niks doen, en gewoon met elkaar wat praten af en toe.

Ik ben ook eigenlijk  op het water altijd een beetje zeeziek, dus ik heb me een maand lang niet zo lekker gevoeld. Mijn vader is vreselijk zeeziek, nog veel meer dan ik, dus die lag de hele reis in zijn bed. De boot was eigenlijk een luxe boot, maar omdat er oorlog was hebben ze die omgebouwd zodat ze veel soldaten naar Indonesië konden brengen of om veel vluchtelingen naar Nederland over te varen. Dus het was geen luxe reis, het was gewoon, zitten en doorleven.’

Hoe was het toen jullie in Nederland kwamen?
‘Het was toen net na de oorlog en iedereen was arm. Mensen zaten niet op ons te wachten. Ze waren vooral bezig met zichzelf. En plotseling kwamen er een hele hoop nieuwe mensen. We waren net als de vluchtelingen die nu komen, en dan eerst naar AZC’s gaan.
We werden overal in Nederland in hotels en pensions gestopt. Dat moesten we later allemaal zelf terugbetalen hoor. Veel mensen hadden nog nooit een donker persoon gezien. Ze kwamen soms op je af om te voelen of je afgaf of je vingers bruin werden.
Maar het was niet altijd heel onaardig bedoeld. Soms waren er ook mensen die zeiden, waarom zijn jullie hier? Waarom gaan jullie niet terug? Dat is dan wel weer onaardig.’

 

Archieven: Verhalen

‘Uitstapjes maakten we onder begeleiding van gewapende militairen, want het was vaak onveilig’

Jeanette van der Stelt is bijna 83 jaar en is in 1943 geboren in Zwolle. Amanah, Esma, Maryam, Emin uit groep 8 van Elif Noord ontmoeten haar op school. Jeanette groeit op met een oudere broer en zus en een jonger broertje. Haar vader had tropische landbouwkunde gestudeerd en wilde in warme landen planten verbouwen en mensen helpen om hun gewassen beter te beschermen tegen ziektes. Daarom verhuisden ze naar Indonesië.

Wanneer vertrok u uit Nederland?
‘In het voorjaar van 1949 vertrokken we. Ik was toen 5 1/2 jaar oud.Mijn vader was al eerder naar Indië gegaan en wij reisden hem later achterna. Voor ons kinderen was het één groot avontuur. We gingen met een schip. We zaten in de kinderkamer aan boord, terwijl mijn moeder zich vrij kon bewegen op het schip. Er werd van alles georganiseerd: zwemmen, tennissen, spelletjes. Mijn oudere broer en zus mochten al bij de grote mensen in de eetzaal eten. Onderweg mochten we soms van boord om rond te kijken. We zagen kamelen en mensen in lange gewaden met een rood hoofddeksel met een kwastje eraan. De reis duurde bijna vier weken. Eigenlijk was het gewoon vier weken vakantie op zee.’

Hoe was het leven in Malang na aankomst?
‘De eerste keer woonden we in Malang. Mijn vader had daar een groot huis gevonden. Tussen twee en vier hielden mijn ouders siësta. Wij reden dan met de fiets rondjes in huis. Op zondag kwamen er vaak veel mensen langs. We maakten vaak uitstapjes naar de bergen, of naar watervallen en meertjes. Maar dat kon alleen onder begeleiding van gewapende militairen, want het was vaak onveilig.

 Wat herinnert u zich van de oorlog?
‘Na de Tweede Wereldoorlog volgde de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië. Het was gevaarlijk. Er werd geschoten. We mochten het erf niet af, omdat we vlakbij een kampong woonden. Ik schrik nog steeds van harde knallen met oud en nieuw. Toch heb ik het land nooit als negatief ervaren. De mensen zelf waren vriendelijk. Politiek is iets van machthebbers, niet van gewone mensen.

Uw familie ging een tweede keer naar Indonesië?
Toen het contract van mijn vader na vier jaar afliep moesten we in 1952 terug naar Nederland. Mijn vader hield  zoveel van het land en wilde graag weer terug om een bijdrage te leveren aan een zelfstandige toekomst voor Indonesië. Twee jaar later kreeg hij opnieuw een contract en gingen we weer, dit keer naar West-Java, naar Bandung.

 Wat gebeurde er tijdens de tweede bootreis?
‘De tweede keer was ik bijna twaalf. Tot je twaalfde moest je bij de kleine kinderen zitten. Ik werd twaalf aan boord en had daar geen zin meer in. Samen met mijn broertje ontsnapte ik. We vonden een grote gemeenschappelijke badkamer, lieten een enorm bad vol zeewater lopen en gingen daar ruim een uur in zitten. Mijn moeder was intussen in paniek omdat ze dacht dat we overboord waren gevallen. Gelukkig liep het goed af en werden ze niet boos.’

Hadden jullie ook huisdieren?
‘We hadden een hond en ook een Java-aap. Het aapje was vier dagen oud toen hij uit een boom viel. Wij kregen hem en voedden hem met een pipetje groot. Hij zat met een ketting aan een paal, maar had veel ruimte. Als mijn ouders sliepen, lieten wij hem los. Hij klom in de fruitbomen en kwam terug met volle wangen. Hij liep met mij mee door de kampong, zat op mijn schouder en had een lange staart. Voor de mensen daar betekende een lange staart dat het een wilde aap was. Het was een prachtige jeugd.’

Archieven: Verhalen

‘Omdat mijn vader militair was, werd hij gevangengenomen door de Japanners’

De 73-jarige George Worthington heeft een zware tas mee met spullen uit zijn geboorteland. Stempels waarmee gebattikt wordt. Veel oude familiefoto’s en een lijst met daarin een oude kaart van Indonesie. Dat is handig, want zo kan hij Amanah, Erva en Rehana uit groep 7 van Basisschool Elif precies aanwijzen waar hij geboren is. In 1953 in Bandung.  Erva gaat deze zomer op vakantie naar Indonesië en vraagt hem om tips. Meneer Worthington is al in veel landen geweest, maar nooit in meer terug naar Indonesië. Wel mogen de meiden alledrie een prachtig gebatikte waaier uitzoeken na afloop van het interview.

Wat is uw familiegeschiedenis?
‘Die van mijn vader gaat heel ver terug. Tot in het jaar 1000. Onze familie kwam uit Engeland. In 1800 zijn er veel Engelsen naar Indonesië gegaan om te handelen. Een van mijn voorvaders is in Indonesië gebleven. Daarom heb ik een Engelse achternaam. Van mijn moeders kant zijn het in het verleden Nederlanders geweest die ook naar Indonesië zijn gegaan. Mijn oma had een Chinese moeder en een Franse vader, dus ik ben helemaal door elkaar geschud, zeg maar.’

Hoe was school voor uw ouders in Indonesie?
‘Zij gingen gewoon naar de Nederlandse school. Dus zij hadden Nederlands onderwijs. Ze spraken Nederlands en leerden over Nederland. Vroeger was het zo, hoewel we een kleurtje hebben, dat we we wel als Nederlanders werden beschouwd.
Zij kennen ook helemaal de Indonesische taal niet, dat hebben ze nooit geleerd. Bovendien mochten ze dat ook niet spreken. Wij hadden thuis drie bedienden. Eentje deed het huishouden en een jonge knul, die hield de tuin bij. En de baboe zorgde voor de kinderen.’

Hebben uw ouders ook erge dingen meegemaakt?
‘Ja, met name in de Tweede Wereldoorlog. Nederland was in oorlog met Duitsland. En Japan wilde Indonesië veroveren. Omdat mijn vader militair was werd hij gevangen genomen door de Japanners. Hij moest als gevangene werken aan de Birma-spoorlijn ook wel bekend als de Dodenspoorlijn. Het was een 415 km lange spoorverbinding tussen Thailand en Birma (Myanmar), aangelegd door Japan tussen 1942 en 1944. Onder erbarmelijke omstandigheden stierven tienduizenden geallieerde krijgsgevangenen door honger, ziektes en mishandeling. Gelukkig heeft hij het overleefd. Anders was ik er niet geweest.’

Hoe was de reis?
‘We zaten op een heel groot stoomschip dat heette de Waterman. Er zaten heel veel mensen op dat schip. Mijn ouders moesten betalen voor de overtocht, omdat ze een hut hadden. Het was een hele lange reis. We kwamen in de winter hier aan. Het was koud en we hadden alleen maar hele dunne kleding want in Indonesië is het warm. We hebben warme kleding gekregen van het Leger des Heils. Vanuit Rotterdam zijn we geplaatst in een pension. We zaten in een kamer met een ander gezin. Dus het was best wel druk en vol. Later kregen we een huis in Papendrecht.’

Bent u wel eens gediscrimineerd?
‘Ja, in het begin als kind, maar ik kende het woord ‘discriminatie’ niet, wist niet dat dat zo heette. Ik werd wel eens uitgescholden, dan zeiden ze tegen mij; pinda-poepchinees.
Wij waren in Papendrecht de eerste mensen met een bruine huidskleur.’

Houdt u ook van koken?
‘Nou, mijn moeder kon niet koken. Toen ze hier kwam kon mijn moeder niet koken, omdat ze in Indonesië een kokkie hadden. Dus echt koken heeft ze hier pas geleerd in Nederland. Mijn vader kon wel koken. En ik heb nu een kookstudio hier in Amsterdam Noord. Delicious heet het. Daar leer ik mensen Indonesisch koken, ook kinderen.’

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

 ‘Over de slavernij vertelde mijn opa wel eens verhalen’

 

Romaisa, Nour en Inaya uit groep 7 van Elif Noord ontmoeten Norwin en zijn vrouw Ria in de Oba Banne. Dat is de bieb naast de school. Romaisa, Nour en Inaya hebben veel vragen over de slavernij gesteld want ze hebben nog nooit eerder iemand ontmoet uit Curaçao. Ze hebben ook een paar woorden Papiaments geleerd; Toe koste bijbong. Dat betekent; het was gezellig!

Wilt u wat vertellen over uw familiegeschiedenis?
‘Mijn vader is een zoon van een timmerman en die is zelf timmerman geworden. En mijn moeder is altijd huisvrouw geweest, altijd moeder geweest voor ons allemaal. We waren met z’n zevenen thuis. Vier broertjes en drie zusters. Ik heb een fijne jeugd gehad.

Hoe waren de scholen in Curaçao?
‘Hetzelfde als hier in Nederland want Curaçao is eigenlijk een stukje Nederland in het Caribisch gebied. We spraken allemaal Nederlands en leerden veel over Nederland. Maar ook wel over ons eigen land . Er waren schoolmeesters die kwamen uit Holland en we hadden Curaçaose schoolmeesters.’

Hoe vond u het als kind toen u de verhalen hoorde van uw voorouders?
‘Over de slavernij vertelde mijn opa wel eens verhalen. Om een voorbeeld te geven; mijn opa moest altijd hard werken. Hij werkte op het land. Die slavendrijvers, waren bazen en gingen met hun handen over elkaar staan. Soms gingen ze boos naar bed. Als ze niet hard genoeg gewerkt hadden kregen ze ook geen eten en dan moesten ze zonder eten naar bed. Je werd uitbetaald met eten. Je kreeg geen geld.

Ik kon me niet voorstellen toen ik jong was, dat zoiets gebeurde. Ik kon niet begrijpen dat het zo is gegaan. We leerden op school het verhaal over Tula. Hij was een belangrijke tot slaaf gemaakte verzetsstrijder die in 1795 in opstand kwam tegen de plantagehouders. Nog altijd is 17 augustus in Curaçao de dag van de Vrijheidsstrijd als eerbetoon aan Tula.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘Twee maanden voordat ik 18 werd vertrok ik per schip naar Nederland. Ik had net mijn opleiding afgerond en wilde graag gaan werken. Bij de Ford fabrieken in Amsterdam zochten ze arbeiders en ik ben door de selectie heen gekomen! Ik had er heel veel zin in want ik wilde graag autospuiter worden. Met een groep van 25 à 30 andere jongen mannen vertrokken we naar Nederland. De reis duurde 14 dagen lang. Het was op een cruiseschip. Eenmaal in Nederland werd ik ondergebracht in hotel Kools op de Weesperzijde. Ik heb 43 jaar lang bij Ford gewerkt.’

Bent u wel eens gediscrimineerd?
‘Vroeger veel ja, maar dan ging ik er ook tegen in. Ik zei gewoon gelijk wat terug. En dan was het meteen over. Als iemand tegen jou tekeer gaat moet je niet stapje achteruit nemen maar je moet altijd een stapje vooruit doen en tegen die persoon zeggen; hee stop! Je moet meteen laten merken dat je daar niet van gediend bent. Dan gaat het vaak meteen over. Dat deed ik vroeger altijd. Toen was ik sterk. Ik vind discriminatie niet goed. Het betekent dat iemand voortdurend gekwetst wordt omdat diegene een andere kleur heeft of uit een ander land komt. Eigenlijk moet de hele samenleving met z’n allen goed met elkaar kunnen opschieten. Zoals ik hier met jullie praat; het interesseert me niet dat jullie misschien een ander geloof hebben. Voor mij is iedereen hetzelfde.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Hij is verbannen door zijn familie, toen hij met een inlandse vrouw trouwde’

Inge Bruyn wordt ontvangen op de Elif school door Ayse, Inaya en Junayda. Ze heeft een zware tas met spullen uit Indonesië meegenomen.  Voor haar werk maakt mevrouw Bruyn met kinderen wajang poppen en leert ze zelf batikken. Ze is geboren in 1949 in Soerabaja.

Wat weet u over uw achtergrond?
‘Mijn vader is Nederlands, zijn voorvaderen waren dat ook. Mijn overgrootvader is naar Indonesië gegaan om te werken. Hij is verbannen door zijn familie toen hij met een inlandse vrouw van Javaanse komaf trouwde. Mijn overgrootmoeder’s familie vond dat ze met een ‘verrader’ was getrouwd. Mijn moeder’s kant: ook Nederlands. Dus we zijn echt heel erg vermengd. Ik ben Nederlands, maar door de Javaanse vrouwen heb ik ook zo’n kleur.’

Hoe was uw jeugd als kind?
Ik denk dat wij buiten speelden, ja maar niet zo heel veel, want het was natuurlijk bloedheet. Om zeven uur zaten we s’morgens op school en om één uur zo’n beetje waren wij weer thuis. Na de lunch was het de bedoeling dat wij s ‘middags allemaal even gingen slapen, een soort siësta. Dan ging ik stiekem uit bed en dan ging ik naar de baboe toe, dat was onze bediende. Dan at ik een beetje rijst in een bananenblad dat vond ik eigenlijk veel leuker dan slapen.
Wij woonden eigenlijk achter een hek. Achter dat hek konden wij altijd alles doen wat we wilden. We hadden daar steppen, fietsjes, springtouw. Er was ook een soort tennisbaan. We gingen badmintonnen. Maar wij mochten nooit het hek uit. Want het was in Indonesië, na de oorlog best wel gevaarlijk. Dat kwam omdat de Indonesische mensen zeiden, heel terecht overigens, dat alle Nederlanders weg moesten, het land uit. De Indonesiërs wilden hun land terug.’

Hoe was de Indonesische cultuur?
‘Wat er buiten ons hek gebeurde, dat weet ik eigenlijk niet. Naar school gingen met een busje. Na schooltijd weer terug en reden we het hek binnen. We hadden ook bewaking want het was hartstikke gevaarlijk. Maar als je mij vraagt hoe was de cultuur nou in Indonesië, dat weet ik niet. Ik ben nooit op de markt geweest. Ik ben nooit op straat geweest daar. Want als wij wilden shoppen, dan werden wij ook opgehaald door een busje. En die chauffeur zette ons af bij de winkels waar we wilden gaan shoppen. En bracht ons dan ook weer terug.’

Hoe was de school in Indonesië?
‘Streng. Je moest heel goed luisteren. Wat ik achteraf heel gek vond, is dat we alles over Nederland hoorden en wisten. We kenden alle provincies en alle steden, maar we leerden niks over Indonesië. Helemaal niks. Dat hebben we dus pas gehoord toen wij eigenlijk bijna volwassen waren. Dus dat is heel raar. Het was echt een Hollandse school.’

Mocht u Indonesisch praten?
‘Nee, want wij zijn Nederlands dus je spreekt Nederlands. Ik had een eigen baboe, dat was een eigen dienstmeisje. Maar daar mocht ik niet tegen praten. Ik zei bijvoorbeeld tegen mijn moeder; ‘ik wil dat ze mijn jurk gaat halen’. En dan zei mijn moeder dat tegen de baboe en dan gaf ze mij mijn jurk. Ze zei dan niks. Ik zei dan dank u wel in het Maleis ‘trima kasih’  En dat was het. Maar ja, wij mochten dus absoluut geen Maleis spreken.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘Ik was acht jaar toen ik naar Nederland kwam met mijn vader en mijn moeder en twee zusjes. Ze waren drie jaar en drie maanden oud. De reis duurde drie weken. De dag voor Kerst, zijn wij aangekomen ‘s morgens in Amsterdam. Het was een hele mooie boot. Er was een zwembad. We deden spelletjes met een juffrouw en er waren feesten. Het was dus heel leuk!

Hoe was het toen u in Nederland aankwam?
‘Dat was best wel heel moeilijk. Wij kwamen op kerstavond aan. En in Nederland is het op kerstavond dat iedereen gezellig bij elkaar zit rondom een kerstboom met lichtjes erin en er zijn allemaal lekkere dingetjes. Maar toen wij aankwamen werden we naar een contractpension in Dordrecht gebracht. Daar was er helemaal niks voor ons. Er was geen eten, geen drinken. Ik had een zusje van drie maanden en voor haar was niet eens een bedje! Mijn vader is toen naar het politiebureau gegaan, want alle winkels waren al dicht. Met een politieman heeft hij bij de melkboer eten en drinken voor ons gekocht.

Werd u in Nederland wel eens gediscrimineerd?
‘Zo, nou en of. Heel erg. Ik werd altijd uitgescholden als ik uit school kwam. En ook wel eens in elkaar geslagen. Ik moest zelf maar zien dat ik thuis kwam, mijn ouders waren niet zo met me bezig. Ik loste het zelf wel op. Ik had gemerkt dat als je laat zien dat je sterker bent dan degene die jou pest, dat het dan stopte. De Nederlandse mensen dachten dat ik een buitenlander was en zeiden wel eens tegen me; ’rot op naar je eigen land’. Ik wist nooit wat ik dan moest zeggen…ik was een kind.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘In Suriname was iedereen één’

Mohammed, Hamza, Abdel en Badr uit Amsterdam-Noord  gaan Hilly Soe Agnie interviewen. Ze ontmoeten elkaar in een mooie, zonnige ruimte in de Elifschool. De koekjes staan klaar en zo ook de vragen op hun papiertje. Ze hebben zich goed voorbereid op het Interview en voelen zich snel op hun gemak. Mevrouw Soe vertelt de leerlingen dat ze nu 71 jaar is en 9 jaar oud was, toen ze vanuit Suriname naar Nederland kwam. Dan gaat het interview echt van start.

Hoe zag uw leven eruit in Suriname?
‘Wij behoorden in Suriname tot een familie die geld en luxe hadden. Mijn vader was minister en wij werden met een chauffeur naar school gebracht. In Nederland hadden we dat niet. Hier hadden we ook geen groot huis meer. Mijn vader kon niet meer werken door zijn gezondheid.
In Suriname werden wij heel beschermd opgevoed en mochten we niet met andere kinderen spelen. Dat was in Nederland anders en deden we wat we wilden, dus dat was ook wel een voordeel. Elk voordeel heeft zijn aandeel en andersom.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘De reis was veertien dagen op  een groot schip. Per boot reizen is natuurlijk wel leuk en spannend, maar ik en mijn broertjes en zusjes werden zeeziek, dus het was geen leuke reis.

Miste u Suriname?
‘Ja, ontzettend. Ik ben tot mijn negende in Suriname geweest en toen ben ik naar Nederland gekomen met mijn vader, mijn moeder en mijn broers en zussen. We waren met negen kinderen thuis.

Ik wilde niet weg. Ik had daar een leuke school. Ik wilde niet weg van mijn vriendjes en vriendinnetjes. Wat ik miste van Suriname was mijn klas. Ik had een hele leuke klas.  Er waren allemaal donkere mensen, dus er waren geen mensen die niet van mijn kleur waren. Het was gewoon heel leuk.  In Suriname was ik me niet bewust wie ik was, maar hier wel. In Suriname was ik bruin, ik voelde me blij, maar hier niet. Ik was het enige bruine kind in de klas. Toen waren er niet zoveel donkere mensen hier.  Op school werd ik gepest. Men dacht dat ik afgaf en dat ik stonk.  Dat vond ik heel raar, want dat had je natuurlijk niet in Suriname.  In Suriname was iedereen één.’

Wilt u wat over uw familie vertellen?
‘Ik ben een mengelmoes, mijn grootvader was Chinees, mijn grootmoeder was een volbloed Hindoestaanse.  Mijn grootmoeder is toen met mijn grootvader getrouwd en werd toen verstoten. Mijn grootmoeder moest dus van haar familie weg. Aan de andere kant  van de familie heb ik een grootvader die van Joodse afkomst is. Nederland ging naar Afrika om mensen te pakken en tot slaaf te maken.  Door de driehoek slavenhandel is er een mix van Europees, Afrikaans en Aziatisch in mijn afkomst terug te vinden.’

Bent u weleens teruggegaan naar Suriname?
‘Ik besefte me dat ik best wel vaak naar Suriname wilde gaan. Dus in 2023 ben teruggegaan naar Suriname. Maar ja, ik heb hier mijn kinderen. Ik  heb hier mijn kleinkinderen. Ik heb hier mijn achterkleinkinderen. Ik besefte dat ik wel een Surinaamse ben in hart en nieren. Ik besef dat ik een Surinaamse ben met een Hollandse achtergrond. Het is wat het is.’

Bent u weleens gediscrimineerd?
‘Ik wilde als kind, toen ik 15 jaar oud was, model worden.  Dat heb ik ook gedaan maar het was wel een gevecht, omdat men geen donkere make -up en mijn haar, dat ik prachtig vond,  niet leuk vond. Dus ik was continu aan het strijden tegen hetgeen wat ik eigenlijk ben.  Dus in die zin heb ik mijn droom moeten laten varen.’

Archieven: Verhalen

‘Toen mijn vader weer terugkwam in Nederland was er nog maar één tante in leven. De rest van de familie leefde niet meer’

Olivia, Anna en Suze van de  Twiskeschool in Amsterdam-Noord beklimmen een hele lange, rode trap. Helemaal bovenaan begroet Carolien van den Berg (geboren in 1953) hun enthousiast. Er staat veel lekkers op tafel: croissantjes, appels en chocolaatjes. Mevrouw van den Berg steekt van wal en ze hangen aan haar lippen. Ze vertelt een heel indrukwekkend verhaal over haar vader.

Wat kunt u over uw vader vertellen?
‘Kijk, op deze foto; dit is mijn vader. Hij werkte in de Hollandia Kattenburgfabriek in Amsterdam-Noord. Daar maakten ze eerst regenjassen. Maar in de oorlog moesten ze de uniformen voor de Duitse soldaten maken. Hierdoor kreeg mijn vader, net als de andere Joodse werknemers een speciaal stempel in zijn paspoort. Met zo’n sper-stempel zouden de Joden niet worden opgepakt.
Mijn vader wist echter, dat het niet goed kon gaan. Dat kwam omdat zijn moeder, die een weduwe was en geld moest verdienen, extra kamers in huis verhuurde aan gevluchte Joden uit Duitsland. Mijn vader had hun verhalen gehoord en de littekens op hun rug gezien.

Op 11 november 1942, mijn vader was toen 19 jaar, kwamen allemaal soldaten naar de fabriek: een razzia. Alle Joden tegelijk werden opgepakt. Ze werden naar het Centraal Station gebracht. Iedereen moest met de trein naar Kamp Westerbork.
Mijn vader dacht alleen maar: ‘hoe kan ik ontsnappen?’. Toen de trein wat langzamer reed is hij uit het raam gesprongen. Met zijn hoofd viel hij op de rails. Er stroomde allemaal bloed langs zijn gezicht. De trein kwam tot stilstand en soldaten begonnen te schieten. Mijn vader is gaan rennen, rennen, rennen. Met de hulp van een dokter is hij teruggekomen in Amsterdam. Daar heeft hij op verschillende adressen ondergedoken.’

Werden zijn moeder en zijn broer ook opgepakt?
‘Nee, maar zij hebben de oorlog uiteindelijk niet overleefd. Tijdens die razzia in de fabriek, heeft iemand mijn oma gewaarschuwd. Toen is zij ondergedoken. Zijn broer was al eerder ondergedoken. Mijn vader leek onderduiken te gevaarlijk en bedacht een idioot plan! Samen met de zoon van de fabrieksbaas, Hans Kattenburg, heeft hij zich vrijwillig aangemeld om in Duitsland te gaan werken. Hij deed of hij niet Joods was en veranderde zijn naam. Daar ging hij in een fabriek werken. Op een dag raakte hij gewond aan zijn hand en kreeg hij een bloedvergiftiging. Hij moest naar het ziekenhuis en kon daarna thuis blijven. Totdat er op een dag een politieman hem gebood mee te komen. Hij dacht: ze hebben ontdekt dat ik Joods ben. Hij zei: ‘ik moet mij nog melden in het ziekenhuis voor controle’. Hij kreeg toestemming om te gaan, maar is toen stiekem gevlucht.
Ik heb ontdekt waarom ze er achter zijn gekomen dat hij Joods was. Dat kwam waarschijnlijk omdat hij brieven schreef aan zijn moeder, die ondergedoken zat in Groningen. Maar zijn moeder is op een dag verraden…’

Hebben de Duitsers de brieven gevonden?
‘De Duitsers hebben de brieven gevonden en een maand later probeerden ze mijn vader op te pakken. In plaats van naar het ziekenhuis, is hij naar vrienden gegaan. Die hielpen hem aan een treinkaartje naar de stad Baden-Baden. Terwijl hij op het perron stond, zonder koffer, zonder paspoort, maar wel met een mitella om zijn arm, werd hij doodsbang. Ze konden hem controleren. En toen zag hij ook nog een SS’er, op het perron staan.
In plaats van weg te duiken, is mijn vader heel aardig met de Duitse soldaat gaan praten. Omdat hij ook naar Baden-Baden moest, gingen ze naast elkaar in de trein zitten. Toen er iemand in de coupé kwam om te controleren, strekte de soldaat zijn arm recht vooruit voor de Hitlergroet en mijn vader deed dat precies na. Hierdoor is hij niet gecontroleerd en kwam hij veilig aan in Baden-Baden. Hij is gaan werken, kreeg vriendinnetjes en heeft zelfs meegedaan met een voetbalwedstrijd Hollanders tegen de Duitsers. Niemand had door dat hij Joods was. Later heeft hij een boek geschreven over zijn oorlogsherinneringen en dat boek heet ‘Buitenspel’. Weten jullie wat dat betekent? Het heeft eigenlijk twee betekenissen.
Toen mijn vader na de oorlog weer terugkwam in Nederland was er nog maar één tante in leven. De rest van de familie leefde niet meer.

Ik vind het niet spannend, maar vooral mooi om dit verhaal te vertellen. Want elke keer dat ik het vertel, heb ik het gevoel dat mijn familie om mij heen staat, met een waxinelichtje op hun hand. En dat ze mij bedanken voor het vertellen van hun verhaal. Zodat zij niet vergeten worden.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik hakte de planken van de wandkast in stukjes, om toch vuur te kunnen stoken’

Vida, Vanessa en Mila van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord, wachten meneer Henk Smit op in de OBA Molenwijk. Hij woonde tijdens de oorlog samen met zijn ouders in de Van Oldenbarneveldtstraat 10 in Amsterdam- West. Daar waren gelukkig geen bombardementen, maar door het gebrek aan eten hadden ze het wel zwaar.

Wat was uw gedachte toen u hoorde dat de oorlog was begonnen?
‘Er vlogen vliegtuigen over de stad heen. Ik was toen zes jaar. Ik heb de oorlog meegemaakt tot mijn elfde jaar. Je had het thuis al een beetje gehoord. Dat was toen in mei 1940.  Maar dan ben je zes jaar. Dan droom je nog een beetje. Ik wist er te weinig van af. Ik wist helemaal niet wat oorlog was. En zo is het eigenlijk voor mij begonnen.’

Hadden jullie het zwaar in de oorlog?
‘Mijn moeder was veel ziek, maar daardoor hoefde mijn vader niet in Duitsland te gaan werken. Omdat mijn moeder zo ziek was kregen we ook extra bonnen voor boter. Nu konden we die extra boter weer ruilen voor wat anders bijvoorbeeld aardappelen. Zo deden we dat met de buren, met vrienden, met familie. Heb jij nog een beetje van dit? Dan heb ik nog een beetje van dat?

Later in de oorlog was er geen gas meer. Toen moest ik een potje met eten op de houtkachel warm maken.  Dat was gewoon fikkie stoken in de huiskamer. Maar er was geen hout, dus hakte ik de planken van de wandkast in stukjes, om toch vuur te kunnen stoken.’

Wat droeg u voor kleding?
‘Er was niks te krijgen en we hadden ook geen geld voor nieuwe kleding. Ik weet nog wel dat ik een overhemd droeg en de boord die sleet het snelst. Maar dan knipte mijn moeder gewoon een stukje van de onderkant van de blouse en naaide dat op de boord, dan kon ie weer een tijdje mee. Uiteindelijk werd de blouse natuurlijk wel steeds korter.’

Hoe heeft u de Hongerwinter overleefd?
‘Toen er steeds minder te eten was, ben ik in januari 1945 buiten Amsterdam bij een boer gaan wonen, in de Wieringermeer. Daar ontdekte ik dat boerenmensen helemaal niet dom zijn, zoals men in de stad wel eens beweerde. De boer had drie hoogopgeleide kinderen en het werk was interessant. Ik heb na de oorlog nog jarenlang in de zomer bij hem gewerkt op het land. Ik hielp tijdens de oorlog ook mee op de boerderij en moest vaak mest scheppen, dat vond ik niet erg want het was erg koud. Soms ging ik midden op de mesthoop staan, daar kwam warmte vanaf. De boerin was een beetje streng, hard. Ik moest me bijvoorbeeld elke vrijdag wassen in een teil met ijskoud water. De boer was heel aardig, ook voor andere mensen. Er kwamen soms mensen uit Amsterdam die geen eten hadden, helemaal naar onze boerderij toe gefietst. Soms zaten er ’s avonds wel 15 mensen aan tafel. Ze sliepen in de stal. De volgende dag gingen ze weer verder of terug naar Amsterdam. Ik bleef daar tot 17 april 1945. Toen werd de Wieringermeerpolder door de Duitse bezetters onder water gezet en moest iedereen zijn huis verlaten. Ik kreeg daarom een nieuw plekje bij de boerenknecht en zijn vrouw in Nieuwe Niedorp.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Ik heb daar eigenlijk niets van meegemaakt, want ik ging pas eind juni terug naar huis. Al mijn vrienden waren broodmager na de oorlog. Mijn moeder lag in het ziekenhuis en heeft helaas niet lang meer geleefd. Ze stierf vijf dagen na mijn verjaardag, die datum vergeet ik nooit meer.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892