Oorlog in mijn Buurt
‘Twee vreemden zeiden dat ze mijn ouders waren’
Frida, Ischa, Josephine, Samuel ontmoeten Berdi Vieyra-Pront, geboren in 1942
Els Burger heeft een hoop spulletjes mee die nog komen uit de tijd van de Tweede Werelddoorlog. Een blikje smeerkaas, en een blik krentenbrood. Een hele map met foto’s en voedselbonnetjes. En een groot koekjesblik. Scarlett, Dilara en Jaël uit groep 7 van de Twiskeschool vinden het heel interessant. Jaël is het meest onder de indruk van de bomhuls die de ouders van Els gebruikten als kruik in bed.
Wat voor werk deden uw vader en oom in de oorlog?
‘Mijn vader heeft een technische opleiding gehad bij Stork. Hij werkte met machines die gerepareerd moesten worden. Hij was monteur. Mijn oom werkte in de scheepsbouw in Noord. Die was ook heel technisch. Dus vandaar dat mijn vader in 1943 al naar Duitsland moest om te werken. Mijn oom is er achteraan gegaan. Mijn moeder bleef alleen achter met twee kleine kinderen. Mijn vader en oom moesten werken in een munitiefabriek. Maar ze saboteerden de boel. Dus ze maakten bewust dingen stuk. Bovendien had mijn oom die net twintig was een grote mond en hij was brutaal. Hij kwam terecht in de gevangenis maar hij ontsnapte.
Duitse militairen met grote honden hebben hem opgespoord in het bos. Hij is weer gevangengezet. Toen de oorlog bijna afgelopen was kon mijn vader vluchten uit het kamp waar hij zat. Samen met zijn vriend uit Blijham zijn ze naar de gevangenis gegaan in Lübeck en hebben mijn oom bevrijd. Hij is nog best oud geworden.’
Hoe kwamen jullie aan eten?
‘Ik had een zus die was 2,5 jaar ouder dan ik. Mijn moeder moest zorgen dat we eten kregen. Dus die ging wel eens naar de boer om wat op te halen. Als mijn moeder suikerbieten had gekregen, dan ging ze die koken en dat werd stroop. Als ze dan even de keuken uitliep snoepte mijn zus snel alle stroop op en dan had ze weer niks. Zo ging dat. Van de honger. We vonden eens een klein bakje met een dekseltje in het theekastje. Er zat een anijsblokje in. Iedere keer als mijn moeder dan even weg was, dan likten wij om de beurt aan dat anijsblokje. Dat was vies, maar toen vonden wij het heel erg lekker natuurlijk. Daarna heb ik nooit meer anijs gelust. Later gingen naar de gaarkeuken. Dat is een punt waar maaltijden uitgegeven werden. Eigenlijk een soort voedselbank. Alleen stonden wij dan in de rij met een pannetje en dan kregen we of soep of waterige hutspot, dat staat me nog bij. Hier in Amsterdam-Noord had je een gaarkeuken bij de Meeuwenlaan en eentje op de Laanweg. Tijdens de Hongerwinter was er helemaal geen voedsel meer. Via een kennis van mijn vader kwamen we in een dorpje in Groningen; Blijham terecht, daar was eten genoeg.’
Wat weet u nog van die reis erheen?
‘We gingen erheen met de trein. Ik zat in een coupé op van die houten bankjes en ik was me toch een partij misselijk. We hebben wel zes uur lang in die trein gezeten. En iedere keer als er vliegtuigen overkwamen, moesten we de trein uit. En dan moesten we gaan liggen op de helling van de spoorbaan totdat de vliegtuigen overgevlogen waren. Dan konden we weer de trein in en dan reden we weer verder. In Groningen moesten we overstappen en in Winschoten stapten we uit. Daar werden we opgehaald door een paard en wagen. En die bracht ons naar Blijham. Daar was gelukkig eten genoeg, en daar zijn we uiteindelijk gebleven tot na de oorlog, om aan te sterken.’
Hoe komt het dat u nog zoveel van de oorlog weet?
‘Mijn herinneringen zijn pas veel later gekomen. In 1985, verhuisde ik van Drenthe weer terug naar Amsterdam. De stad Amsterdam vierde dat jaar dat ze 40 jaar bevrijd waren. Er vlogen bommenwerpers over de stad. Ik hoorde dat gezoem en ik raakte helemaal in paniek. Ik was helemaal de klus kwijt, plaste in mijn broek van angst en ik kroop Naarden hoekje in de gang. Het was verschrikkelijk. Toen kwamen er flitsen van de oorlog bij me terug en ben ik het gaan vragen aan mijn moeder die toen nog leefde.’
Kende u ook Joodse mensen?
‘Na de oorlog had ik een Joods vriendinnetje Marleen. Ze had ondergedoken gezeten in de oorlog. Ik ging vaak bij haar thuis spelen. Als we dan bij haar binnen waren dan riep ze steeds als we de trap op gingen: ‘mama, mama, ik ben het, Marleen.’ En dan ging de kastdeur open en dan stapte de moeder er uit de kast. Haar huis zag er heel leeg uit. In de woonkamer stonden nauwelijks meubels en er lag geen tapijt of kleed op de grond, helemaal niks. In de voorkamer was een grote linnenkast met een spiegel. Later vertelde Marleen me dat ze altijd bang was dat er een razzia kwam en dat ze dan opgepakt zou worden en dat ze zich daarom verstopt in de kast.’


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.