Oorlog in mijn Buurt
‘Ik mocht bij mijn moeder liggen. Dat was fijn’
Fedja en Mirte, Livia ontmoeten
Lilian, Anne en Pien van Basisschool ’t Anker in Amersfoort fietsen naar Ellen Elzas. De synagoge wordt net verbouwd, dus ze ontmoeten elkaar in het gemeenschapsgebouw ernaast. Mevrouw Elzas heeft lekkere koekjes gebakken en ze schuiven bij haar aan tafel aan. ‘Wat fijn dat jullie hier zijn.’
Kunt u iets over uw ouders vertellen?
‘Mijn moeder was 20 toen de oorlog uitbrak, mijn vader 27. Mijn oom, de broer van mijn moeder, was 12 jaar. Mijn grootvader was jurist en mocht zijn vak niet meer uitoefenen in 1930. Daardoor hadden ze geen geld meer. Mijn ouders zijn Joods en komen oorspronkelijk uit Duitsland. Ze waren dus Duitse vluchtelingen. Ze kwamen uit een rijke familie en woonden in een prachtig huis. Hun plan was om vóór hun ouders uit naar Nederland vluchten. Dit was omdat in Duitsland de sfeer steeds dreigender werd, waardoor het te gevaarlijk werd voor Joden. Hun ouders zouden dan later komen. Ze werden dus als kind met Nederland naar Nederland gestuurd; mijn moeder en haar broer, mijn oom. Mijn vader ook, maar die kende mijn moeder toen nog niet. Hij had een vals persoonsbewijs.
Ze spraken alleen Duits, kenden de Nederlandse gewoontes niet, dus voor hen begon toen al een moeilijke periode. De jongen waar mijn moeder verliefd op werd heeft een onderduikadres voor haar geregeld. Hij wilde niet een relatie met haar, want ze was Joods en dat mocht niet zijn ouders. Aangezien hij een adres voor haar regelde, is hij toch wel een soort van held natuurlijk. Dat was in Bosch en Duin, in het huis van een wijnhandelaar. Aan de overkant zaten Duitse soldaten, die heel graag naar de wijnhandelaar kwamen. Mijn ouders moesten zich dus verbergen en stil houden.
In Nederland gingen ze naar school terwijl hun ouders nog een tijd in Duitsland woonden. Ze misten hun ouders natuurlijk heel erg. Het plan was om vanuit Nederland met de boot naar Amerika te gaan, maar dat is toen niet gelukt.’
Hoe verliep de onderduik?
‘Mijn ouders hadden het best goed tijdens de onderduik, al was er wel een man in huis die niet van mijn moeder af wilde blijven. Maar goed, er waren ergere dingen zei ze tegen zichzelf.
Na de oorlog heeft ze nog veel contact met die mensen gehad. Ze wist niet waar haar broer ondergedoken zat. Later hoorde ze dat hij wilde vluchten. Hij heeft geprobeerd via België en Spanje naar Engeland te komen, maar is in Frankrijk gepakt. Hij heeft het kamp gelukkig overleefd, maar hij heeft altijd honger gehad. Dat is in zijn latere leven een soort angst geworden.
Haar ouders zijn in Friesland bij een boerderij van de familie Zuidema ondergedoken, samen met andere mensen. Dus het was een hele overgang van hun luxe huis naar een boerderij. Er waren daar zoveel mensen, dat er altijd honger was, maar die familie wilde hen wel onderdak geven. Mijn vader is ook op de Veluwe ondergedoken. Hij zat bij mensen ‘tante Jo en oom Thijs’. Hij heeft het daar heel goed gehad en waardeerde het enorm hoe zij zich voor hem hebben opgeofferd. Als kind heb ik daar veel gelogeerd.’
Hoe was het na de oorlog?
‘Mijn oom overleefde het kamp. Er werden feesten gegeven na de oorlog. Dan zochten Joden elkaar weer op. Mijn ouders hebben elkaar op een dansfeest in 1946 ontmoet. Tante Jo van de Veluwe had een huis in Amsterdam aan de Overtoom, waar ze mochten wonen. Daar ben ik geboren. Mijn vader had voor de oorlog bij de Hema gewerkt. Na de oorlog kon hij daar weer terug als bedrijfsleider, omdat het een Joods bedrijf was.
Er werd niet gesproken over de oorlog, alleen op 4 mei was mijn vader altijd heel verdrietig. Ik vond dat heel naar en vond het ook eng om er dingen over te horen. Ik heb er vooral veel over gelezen. Er waren twee vriendinnen van mijn moeder, die hebben mij wel dingen verteld. Eén van die vrouwen is uit de trein gesprongen en heeft het dus overleefd. En de andere was erg ziek en vermagerd, en zij heeft zichzelf verstopt bij mensen die al dood waren. Zo heeft ze zichzelf gered. Ik heb veel geluk gehad dat ik al mijn grootouders en ooms en tantes had. Iedereen heeft het overleefd. Ik waardeer het wel dat ze nooit iets lelijks hebben gezegd over mensen.’
Wat is er met uw opa en oma gebeurd?
‘Na de oorlog vertrokken mijn opa en oma alsnog naar Amerika. Dat was een moeilijk afscheid voor ons. Daar startten zij een kippenboerderij en we zijn hen toen gaan opzoeken. Dat was heel bijzonder. Alles was daar anders, een soort van paradijs. Er waren heel veel kleuren overal. We gingen met de boot over de Hudson New York in en dat was vrij uniek dat we dat zomaar konden doen. We kwamen zelfs in de krant!
Er kwamen vooral heel veel Joodse mensen bij ons thuis langs, die de kampen hadden overleefd en die daarover vertelden. Ik besefte daardoor dat mijn ouders veel nare dingen hadden meegemaakt, maar dat het natuurlijk nog veel erger kon.’


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.