Archieven: Verhalen

‘Ik heb mijn vader nooit gekend… En hij mij ook niet’

Sid en Koert van basisschool de Klimboom in Eindhoven hebben zin in het gesprek met Andy Wijzenbeek, die als baby aan het einde van de oorlog werd geboren. Ze hopen dat het een leuk gesprek wordt. Meneer Wijzenbeek en zijn vrouw ontvangen de kinderen erg hartelijk, waardoor de sfeer meteen goed is!

Kunt u iets vertellen over uw vader en wat hij heeft meegemaakt in de oorlog?
‘Mijn vader was Joods en mijn moeder niet, zij was katholiek. Zij hadden, zoals je dat noemde, een gemengd huwelijk. Daardoor werden ze door de bezetters met rust gelaten. Mijn vader ging echter in het verzet. Hij hielp door mensen te laten onderduiken en door voedsel- en textielbonnen te drukken. Iemand uit de buurt verraadde hem waardoor hij werd opgepakt. Hij kwam in Auschwitz terecht en is daar vermoord. Hij heeft nog enkele brieven en kaarten gestuurd voordat hij naar Auschwitz werd gebracht. Deze brieven heb ik nog steeds.’

Weet u nog iets over de oorlog?
‘Ik werd enkele maanden voor de bevrijding geboren. Mijn vader was enkele maanden voor mijn geboorte opgepakt, ik heb hem dus nooit gekend. Hij wist dat mijn moeder zwanger was, maar heeft mij dus ook nooit gezien. In een brief schreef hij nog dat hij dacht dat mijn moeder in verwachting was van een meisje. Toen ik geboren werd, was er weinig eten en drinken. Omdat ik als baby melk nodig had werd mijn zusje naar een boer gestuurd, die een stuk verder op woonde, om melk te halen. Omdat ze een eindje moest lopen en de melk schudde in de fles, was de melk zuur als ze thuis was. Maar ondanks dat ben ik toch gezond groot geworden. Gelukkig werden we snel bevrijd door de Amerikanen.’

Vindt u het niet gek om in de Graaf Adolfstraat te wonen?
‘Dat is een hele goede vraag! We vonden het wel gek ja, maar graaf Adolf leefde rond 1600 dus dat heeft helemaal niks met de leider van de nazi’s te maken. Maar het blijft wel een beetje vreemd. Ik heb nog wel voor gesteld om de straatnaam te veranderen naar de ‘Andy Wijzenbeekstraat, hahaha, maar dat is niet gelukt. Maar gelukkig heeft mijn vader wel een straat naar hem vernoemd gekregen in de verzetsheldenbuurt. De Maan Wijzenbeekstraat, daar ben ik wel heel trots op. Wat ook nog leuk is om te vertellen is dat we er pas geleden achter gekomen zijn dat mijn vader bij PSV gevoetbald heeft. Dat wist ik helemaal niet. Hij wordt genoemd in een nieuw verschenen boek over PSV-spelers en de oorlog.’

Archieven: Verhalen

‘Elke dag kwam een Duitse non langs om mijn broers wonden te verzorgen’

Stella, Luca en Amelie van basisschool de Klimboom in Eindhoven interviewen de 91-jarige Els Peeters. Zij was vijf jaar toen de oorlog begon en woonde met haar vier broers en zus in de Binnenwiertzstraat in Eindhoven. Haar oudste zus Jopie was dertien jaar ouder, ze had drie oudere broers: Piet, Henk en Jan en een jonger broertje Frans.

Wat maakte veel indruk op u tijdens de oorlog?
‘Voor mij waren de vliegtuigen een van de angstigste onderdelen van de oorlog. Elke avond lag ik in bed te luisteren, wachtend tot de honden van de buren begonnen te blaffen. Dat was voor mij het teken dat er vliegtuigen in aantocht waren: Engelse bommenwerpers die op de heen- en terugweg naar het Ruhrgebied laag over de stad vlogen. Als ik de dreunende motoren hoorde, werd ik altijd heel bang.

Omdat Eindhoven een vliegveld had, stonden er grote schijnwerpers die de lucht in schenen. Als een vliegtuig in zo’n lichtbundel terechtkwam, konden de Duitsers het bijna altijd neerhalen. Ik was een van de jongsten van het gezin en lag vaak alleen boven, terwijl de rest beneden zat. Uiteindelijk rende ik dan naar beneden, waar ik bij mijn moeder kon schuilen tot de vliegtuigen weer weg waren.

Het Sinterklaasbombardement in 1942 herinner ik me als iets enorm angstaanjagends. Ik was bij een vriendinnetje met mijn cadeautjes in een straat verderop toen het luchtalarm afging. Ik rende meteen naar huis, omdat ik bij mijn moeder wilde zijn. Buiten zag ik vliegtuigen heel laag over de stad vliegen en ik kon de bommen in de lucht zien hangen. Ze waren bedoeld voor de Philipsfabrieken, maar kwamen ook in woonwijken terecht.

Ook het bombardement vlak na de bevrijding maakte veel indruk op me. Terwijl Eindhoven feestvierde, vlogen er opeens weer toestellen over. Eerst dachten mensen dat de lichtkogels vuurwerk waren, maar al snel volgden zware explosies. Het bleek een Duitse aanval. Er werden meerdere huizen in mijn straat en in de buurt geraakt. Een tante van mijn moeder kwam daarbij om het leven.

Zelfs toen de oorlog voorbij was, bleef ik nog lang heel bang voor vliegtuigen. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat een vliegtuig iets onschuldigs kon zijn.’

Kunt u zich nog meer indrukwekkende momenten herinneren?
‘Mijn broer hield heel erg van Duitse landkaarten. Die waren heel waardevol, omdat alle kleine weggetjes erop stonden. Hij is later ook aardrijkskunde leraar geworden.

In de zomer vóór de bevrijding van Eindhoven, was hij onderweg met vrienden. Bij het vliegveld vonden ze een openstaande garage met een Duitse jeep erin, en ze gingen stiekem kijken of daar kaarten lagen. In dezelfde garage stond een vat benzine dat toen brand vatte. Mijn broer stond binnen en kon geen kant op. De enige manier om te ontsnappen was door de vlammen heen rennen. Hij droeg een korte broek, en zijn armen en benen raakten zwaar verbrand. Hij lag wekenlang thuis in bed, omdat mijn moeder hem niet naar het ziekenhuis durfde te brengen. Ze was bang dat ze hem zou kwijtraken. Elke dag kwam een Duitse non uit de buurt langs om zijn wonden te verzorgen en nieuwe verbanden aan te leggen.

Toen de Engelse en Amerikaanse troepen Eindhoven binnenkwamen, was mijn broer nog steeds ziek. Hij kon niet naar buiten om het feest te zien. Daarom sprak mijn oudste broer in de stad een Amerikaanse soldaat aan en vroeg of hij even mee naar huis wilde komen om zijn zieke broer te begroeten. De Amerikaan stemde toe, liep met hem mee naar boven en kwam de kamer binnen. Voor mij was dat een onvergetelijk moment.’

Wat gebeurde er met uw vader in de oorlog?
‘Mijn vader sprak op straat, in de buurt van de synagoge die werd afgebroken, hardop uit dat ‘die Duitsers toch alles kapot maken’. Iemand had dat gehoord en hem verraden. Even later werd hij door twee Duitse soldaten meegenomen. Eerst zat hij zes weken in de gevangenis, en daarna werd hij zonder waarschuwing naar Kamp Vught overgebracht. Mijn moeder, die vaak ziek was, was in die tijd enorm bang dat hij nooit meer terug zou komen en dat zij alleen zou achterblijven met zes kinderen en geen inkomen.

Mijn oudste zus mocht eens in de veertien dagen met een pakket eten naar Kamp Vught. Ze ging dan met de trein en gaf een pakketje af, gevuld met van alles wat de buurt bij elkaar had gebracht: wat brood, een appel, een stukje vlees. Mijn vader vertelde later dat die pakketten in het kamp met meerdere mannen werden gedeeld. En doordat Philips warme maaltijden verzorgde voor de gevangenen die in de werkplaatsen moesten werken, kwam mijn vader lichamelijk in redelijk goede toestand terug.’

Archieven: Verhalen

‘Ik kan niet naar bed, zei ik, want ik heb geen beer meer!’

Verspreid in twee auto’s rijden Biek, Arturo en Enes naar het huis van Jan Spoorenberg. De leerlingen van De Klimboom in Eindhoven gaan zitten in een mooie kamer, met allerhande ouderwetse en historische objecten. Meneer Spoorenberg vertelt over zijn ervaring als jong kind tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was twee jaar toen de oorlog begon. Na het interview drinkt de groep nog gezellig een glaasje Fanta.

In wat voor soort huis woonde u in de oorlog?
‘Ik ben geboren op de Emmasingel, in een bovenwoning. Beneden zat een hoedenwinkel. In 1942 is dat gebombardeerd bij het Sinterklaasbombardement. Het hele huis was kapot. Met alleen de kleding die we toen aan hadden zijn we gaan wonen op de Boschdijk, bij mensen die ruimte over hadden.

Later zijn we naar de Aalsterweg verhuisd. De tuinman had er een groot gat gemaakt, met palen eroverheen, en daar werd weer gras en zand op gelegd. Het was een grote schuilkelder in de tuin.

Er waren ook twee boomgaarden, met appels en peren. Buren uit de omgeving, die niet zo’n grote tuin hadden, vroegen of ze ook zo’n gat in onze tuin mochten maken. Dus wij hadden vier of vijf grote gaten in de tuin. Als er gevaar dreigde, dan gingen de sirenes, en gingen wij de schuilkelder in.’

Hoe was het Sinterklaasbombardement in 1942 voor u?
‘Ik zat er middenin. Het begon ‘s morgens. Mijn vader had bezoek, toen de sirene afging. Mijn moeder kwam snel en toen zijn we door de hoedenfabriek naar beneden gegaan, naar de Demer toe. Het hele huis is uiteindelijk verwoest.

Mijn vader probeerde weg te komen met ons, maar hij mocht de deur niet uit. Op straat liepen mensen van de luchtbescherming. Zij zeiden dat het te gevaarlijk was op straat. Toen het later wat rustiger werd, mochten we wel naar buiten. Mijn vader nam een grote zak mee met allemaal spullen, en mijn moeder droeg mijn broertje. Ik liep tussen hen in. Mijn vader wilde naar Woensel toe want hij dacht dat het daar veilig zou zijn. Maar dat kon niet, want op de overweg stond de trein stil. Ze hadden die uit voorzorg stilgezet, want als de rails kapot zouden gaan door het bombardement zou de trein kunnen verongelukken. Daarom konden we niet oversteken.

Toen we op de Dommelstraat kwamen, begon het bombardement opnieuw. Bij het bankgebouw stonden mensen die er werkten of woonden. Zij wuifden ons naar binnen. We konden er schuilen in de brandkast, waar al een heleboel mensen zaten. Iemand ging toen een glaasje water halen, zodat we allemaal iets konden drinken tegen de schrik. Ik dronk ook een beetje. Ik had geen dorst en ik begreep ook niet waarom we allemaal iets dronken. Ik dacht: het hoort bij die rare dag vandaag, alles is anders, dan moet je blijkbaar ook water drinken.

‘s Avonds zijn we naar kennissen gegaan om te slapen. Ik denk met een koetsje, die kon je huren als een soort taxi. Toen werd het langzaamaan tijd om naar bed te gaan. Ik zei: dat kan niet, want ik heb geen beer meer! Ik had een beer thuis op de Emmasingel, maar die hadden we niet meegenomen. Toen heb ik een beer gekregen uit de box van het kind van de mevrouw waar we logeerden. Die beer heb ik nog steeds.’

Had u veel vrienden in de oorlog?
‘Ja, een heleboel. Er waren veel kinderen in de buurt, met wie wij speelden. We speelden met jongens, maar we speelden ook vadertje en moedertje met meisjes. We speelden verstoppertje, en tikkertje. Een buurjongetje van mij had allerlei autootjes. Dan speelden wij op zijn kamer met zijn autootjes, daar moest ik heel voorzichtig mee zijn.

Vroeger wilden we ook weleens wat snoepen. Mijn moeder had daar wat op gevonden. We hadden een appelboom in de tuin. De appels werden geschild en gedroogd, en met een naald werd er een draadje doorheen geregen. Zo konden ze aan de waslijn drogen. Als ze droog waren, kon je ze bewaren en in een trommeltje doen. Als er dan gesnoept moest worden, kon je een appelschijfje opknabbelen. Je moest ze wel eerst goed wassen, want buiten kwamen er nog wel eens vliegen op.

Tijdens het spelen is het ook een keer verkeerd gegaan. Na de bevrijding hebben de Duitsers nog een keer gebombardeerd op de Aalsterweg. Er werden splinterbommen gegooid. In de tuin stond een hele grote oude boom. Het was net beukennootjes tijd, dus veel kinderen uit de buurt waren beukennootjes aan het zoeken. Sommige kinderen werden geraakt door scherven van de bom en sommigen zijn ook overleden in het ziekenhuis. Het was heel triest. Ik zat er middenin, maar ik besefte niet wat er gebeurde.’

Wat had u allemaal te eten tijdens de oorlog?
‘Ik weet nog dat mijn vader ziek was tijdens de oorlog. De zusters kwamen toen aan hem vragen hoeveel hij wilde eten. Zes boterhammen, zei hij. Dat vonden de verpleegsters wel veel, maar ze regelde het toch. Dan at mijn vader drie boterhammen en stopte hij de andere drie in zijn nachtkastje voor mijn moeder, die nam ze mee naar huis.’

Archieven: Verhalen

‘De mensen kwamen levend uit de schuilkelder, maar het vijvertje was weg’

Jan Vlemmix (1935) arriveert ruim op tijd voor zijn interview op basisschool de Klimboom in Eindhoven. Hij wordt ontvangen door zijn interviewers: Jorja, Milan, Chaitely en Sara. Ze hebben zelf vragen voorbereid en meneer Vlemmix heeft zijn memoires meegebracht om zijn verhaal kracht bij te zetten.

Konden jullie naar school?
‘Aan het begin van de oorlog moesten wij gewoon naar school, maar op een gegeven ogenblik kwamen er Duitsers in de school te liggen. Toen moesten wij ergens anders naartoe, naar andere scholen of andere plekken. Ik heb wel eens met de hele school in een groentewinkel gezeten of in een leeszaaltje van de bibliotheek. Soms hadden we gewoon geen school.

Ik heb nog een foto van een rapportje van voor de oorlog en tijdens de oorlog. In het rapportje tijdens de oorlog zijn we maar een keer een paar maanden naar school geweest en sommige vakken hebben we niet eens gehad. Toen de oorlog afgelopen was, hebben er ook nog Engelsen in de school gelegen, konden we weer niet naar school…’

Heeft u wel eens een bombardement meegemaakt?
‘Ik heb drie keer een echt bombardement meegemaakt. Een groot bombardement in de binnenstad en een paar kleinere. Bij ons in de tuin stond een schuur. Ik was eens met mijn broer en een buurjongen aan het spelen, toen er twee deuren verder een bom viel. De man die daar woonde was dood. De scherven van de bom vlogen achter de schuur langs. Door de schuur zijn we dus goed weggekomen.

De grote bombardementen, zoals op de binnenstad en later na de bevrijding, dat was zware munitie waarmee je hele gebouwen kapot kon maken. Er waren ook kleine bommetjes. Daar zaten veel los ijzer, spijkers en schroeven in, dat waait alle kanten uit als zo’n bom valt. Wij noemden ze destijds splinterbommen, die waren heel gevaarlijk.

Een van onze buren had zelf een schuilkelder gemaakt, waar ze in konden kruipen als er een bombardement was. Hij had het heel mooi aangelegd en daarnaast had hij een vijvertje gemaakt met twee rode goudvissen er in. Op een dag is er op het huis en de schuur een bom gevallen. De mensen zijn gelukkig levend uit de schuilkelder gekomen, maar het vijvertje was weg. Ik ben gaan kijken, op zoek naar die goudvissen, en vond ze op een schuur een eindje verderop. Ze lagen allebei op het dak.’

Hoe waren de grote bombardementen?
‘Ik heb ook het Sinterklaasbombardement meegemaakt. Het was 6 december, 1942, Sinterklaas. Toen hadden de Engelsen verzonnen dat ze maar eens een bombardement moesten doen op de Philipsfabriek. Op de plek waar de lichttoren is, werden spullen gemaakt die de Duitsers konden gebruiken voor oorlogvoering. De Engelsen voerden hun bombardement midden op de dag uit. Heel de Demer hebben ze vernield. Ze gooiden deels raak, maar er kwam ook heel veel op de stad zelf.

Op die dag was ik met mijn twee broers naar mijn peettante gegaan in de stad om te kijken wat Sinterklaas daar had gebracht. Vlakbij het huis van mijn tante viel een bom. Ik liep de kamer uit, de gang in, en de hele pui van de keuken en de voordeur viel de gang in, net als de ramen en de deuren…

Ik ben eroverheen geklommen en naar buiten gelopen. We zijn door de tuin, over het puin heen, naar de Amsterdamse bank gelopen. Daar hebben we in de kelder gewacht tot het voorbij was. Op de markt stond van alles in brand en er lag puin, troep en scherven van bommen. Wij hebben het er gelukkig goed vanaf gebracht.’

Wat is er gebeurd met uw vader?
‘Volwassen mannen werden opgepikt om in Duitsland te gaan werken. Daar kon je onderuit komen door onder te duiken als je dat durfde. Mijn vader had er schrik voor. Hij was er wel in geslaagd om een baantje te krijgen bij de PTT, want hij had begrepen dat als je een overheidsbaan had, je dan niet naar Duitsland hoefde. Hij had die baan amper, toen hij een brief kreeg dat hij zich moest melden als arbeider in Duitsland. Ik zie hem nog lopen, met zijn kartonnen koffertje.

Hij is postbode geworden in Nuremberg, terwijl hij niet eens Duits kon… Toen wij in september waren bevrijd, hoorden we niets meer van hem, daarvoor schreef hij nog weleens een brief. Wij wisten dus niet of hij er nog was. Toen was het mei 1945, heel Nederland was nu bevrijd. We kregen het bericht dat hij onderweg was naar huis. Ik weet niet hoe hij het gedaan heeft, lopen of liften of stukjes met de trein. Ik heb buiten staan te wachten en toen kwam hij aan…’

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader durfde met zo’n stuk vlees niet over straat te lopen’

Noah, Sanne, Yana en Asiyah zijn op pad om Peter Buddemeijer te interviewen. Hij is nu nog 89 jaar, maar wordt de dag erop 90! De leerlingen van De Klimop in Eindhoven worden hartelijk ontvangen en mogen even zijn huis bekijken. Even later schuiven ze aan tafel en krijgen ze een glaasje fris. Ze vullen een naamkaartjes in, een trucje van meneer Buddemeijer om hun namen te kunnen onthouden.

Hoe kwam uw vader aan eten tijdens de oorlog?
‘Mijn vader was van beroep slager in Eersel, maar in de oorlog viel er met de slagerij niks te verdienen. Maar toen kwamen we in Eindhoven te wonen, want mijn vader moest opkomen bij de mobilisatie. Sommige mensen hadden een kip, konijnen of een varken thuis, maar zelf slachten mocht van de Duitsers niet. En de mensen die zo’n beest hadden, durfden of konden het niet slachten. Mijn vader wel, dus als hij dat deed, heel stiekem… Hij vroeg er nooit geld voor. Want, zei hij, een briefje van 25 gulden kun je niet tussen je boterham leggen. Dus vroeg hij om een stukje vlees van het geslachte dier.

Mijn vader durfde met zo’n stuk vlees niet over straat te lopen. De dag na het slachten moest mijn moeder met de kinderwagen naar het adres waar hij had geslacht. Onder de bodem legde ze het stukje vlees en dan m’n zusje erbovenop, en zo liep ze naar huis.’

Hoe was het om Joodse onderduikers te hebben op zolder bij u thuis?
‘Daar wisten wij natuurlijk niks van. Je moet kinderen geen geheimen vertellen want die verklappen dat. Ik schat dat de onderduikers in 1943 kwamen, zoiets hebben ze later verteld. Mijn broer en ik speelden vaak samen op zolder, maar op een dag mocht dat niet meer. Mijn moeder vertelde ons dat drie Pieten boven hun intrek hadden genomen. Wij sliepen net onder de zolder en hoorden weleens lawaai. Dan dachten we dat dat die Pieten waren en doken we onder onze dekens. Naderhand hadden we gehoord dat er een Joods echtpaar zat, Godschalk heetten ze, een echte Joodse naam.’

Kunt u wat vertellen over het Sinterklaasbombardement op 6 december 1942?
‘We hadden die zondagochtend een toverlamp als kado gekregen. Om een uur of 12 zei mijn vader: die cyclanen daar, daar staat een briefje voor oma bij. Dus wij pakten de fiets, ik met de cyclaan achterop en mijn broertje voorop. We kwamen bij een overweg, maar mijn vader – met twee kinderen en die twee cyclanen – kon niet over die brug heen, dat was te zwaar. Dus wachtten wij voor de spoorbomen.

Archieven: Verhalen

‘Wat deed ik toen met vreemde mensen onder de trap? Bidden’

Het hagelt als ze richting de Wilgenhof fietsen, op weg naar Jan Sprengers. Aylena, Blaen, Navarro en Naoto van De Klimboom in Eindhoven trotseren het gure weer en hebben een rugzak mee, gevuld met hun vragen en chocolade voor meneer Sprengers. Hij zit al klaar als ze aankomen. Als iedereen een plekje heeft gevonden, branden de kinderen los met hun vragen.

Een radio mocht niet, toch hadden jullier er een thuis. Hoe kan dat?
‘Mijn vader werkte bij Philips en was heel technisch. Onze eigen radio was afgepakt en dus knutselde mijn vader er zelf een in elkaar. Zo konden we toch naar de radio luisteren. Wel met hoofdtelefoon op, want de buren waren NSB’ers en die mochten niet horen dat we een radio hadden. Ik mocht soms ook wel eens luisteren van mijn vader. Ik herinnert me nog de speech van koningin Wilhelmina.

Hoe ging het op school?
‘In de scholen woonden de Duitsers, waardoor we er geen les meer kregen. Les werd er vanaf toen gegeven in alle ruimtes waar plek was. Dit kon een café zijn, of een danszaal of meubelzaak. Op het moment dat het luchtalarm afging, werden alle kinderen naar huis gestuurd om te schuilen. Als het luchtalarm in de ochtend ging, hoefden we die dag helemaal niet naar school.

Hoe was het als het luchtalarm afging terwijl u buitenspeelde?
‘Ik hoefde niet naar huis op het moment dat het luchtalarm afging. We belden of klopten ergens aan en gingen daar dan schuilen onder de trap of onder een tafel. Nu zou dat misschien niet meer gebeuren. Als nu zo iets zou gebeuren, zouden kinderen meteen naar huis moeten komen van hun moeder. Vroeger ging het zo en was het heel normaal. Iedereen hielp elkaar. Wat deed ik toen met vreemde mensen onder de trap? Bidden. ‘Lieve heer laat me hier doorheen komen.’

U zag eens hoe tijdens een bombardement treinrails op een trein terechtkwam. Hoe gebeurde dat?
‘Er lagen twee treinsporen naast elkaar en op een daarvan stond een trein geparkeerd. Een bom die gegooid wordt, gaat normaal meteen af als deze de grond raakt. Maar deze keer boorde de bom zich in de grond en kwam onder de rails tot ontploffing. Door de luchtdruk die ontstond, kwam de rails omhoog en belandde op de geparkeerde trein.

Ik vertelde dit verhaal thuis, maar mijn vader deed het af met ‘ ja, dat zal wel’. Toen ik jaren later op een tentoonstelling was over de oorlog en een foto zag van de trein met rails erop, heb ik direct mijn vader gebeld en hem uitgenodigd om Chinees te komen eten en de foto te komen bekijken. Mijn vader geloofde toen mijn verhaal wel en hoefde niet naar de tentoonstelling. Wel kwam hij om samen Chinees te eten.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder zei: lopen, lopen, lopen en niet om kijken. Toch keek ik om’

Richi, Gannah en Miral mogen in de directiekamer zitten van basisschool de Klimboom voor hun interview met Dré Rennenberg. Hij was vier jaar toen de oorlog begon en woonde met zijn ouders en broer in de Leostraat in Eindhoven. Meneer Rennenberg is een ervaren verteller. Met een kopje thee in de hand vertelt hij van alles over de oorlog en het leven daarna.

Kende u iemand die Joods was?
‘Er zat een jongen bij mij in de klas en die heette Dicki Gans. Hij was een sportief manneke. Hij was ook een Jood, maar dat wist ik niet. Eigenlijk een half Jood, zijn vader was Jood en zijn moeder was katholiek. Op een dag kwam het hoofd van de school bij ons binnen. ‘Dicki is er nu even niet’, zei hij. ‘Maar hij komt nog wel terug, hoop ik.’ We hebben Dicki nooit meer gezien.

Een vriend van mij vroeg zich af wat er met Dicki aan de hand was, daarom gingen we kijken bij zijn huis op de Aalsterweg. Ze hadden een bloemenzaak, maar daar stond geen bloem meer in. Wij hebben aangebeld, maar er werd natuurlijk niet opengedaan. De Duitsers hadden heel de familie meegenomen en ook de inhoud van de winkel.

Ik ben heel lang bestuurslid geweest in de stadskerk en daar lag een boekje over het oorlogsverleden van de stad. Er stond in dat tweehonderd Eindhovenaren afgevoerd waren naar concentratiekampen. In het boekje kwam ik de naam Gans weer tegen. Toen kwam ook de herinnering aan Dicki terug. Een vrolijke jongen met een gestreepte trui, die plotseling uit mijn leven verdwenen is. Dicki was toen vijf of zes jaar oud.’

Had u genoeg eten?
‘Wij hebben altijd genoeg eten gehad. Wij hadden een hele grote tuin, waar we groente en fruit kweekten. Dat was wel een uitkomst, al aten we wel eens tien keer achter elkaar sla omdat dat het enige was wat er was. Vroeger deelden we dat eten niet, maar later heb ik in Eindhoven de stadsakkers op gericht. Die verbouwen en geven voedsel aan de voedselbank.

Als we zelf geen eten hadden, konden we gebruikmaken van Philiprak. De Phillipsfabrieken zorgden voor eten. Ze reden met een grote wagen de straat in, met een pijp er op, het rookte allemaal flink. Je kon er stamppot halen. Die was zo dun, het leek wel soep, maar je had toch te eten.

Op de Aalsterweg kon je weleens vis halen, een of twee haringen per gezin. Dan stond ik ‘s morgens om 6 uur in de rij, om half 8 kwam mijn broer en om 9 uur als de zaak openging kwam mijn moeder om twee haringen te halen. Je kreeg maar een heel klein stukje, daar moest je het mee doen.

Ik heb nooit honger gehad. Mijn vader werkte op de bouw, dat was hard werken. Als hij ‘s avonds thuis kwam, kreeg hij een vol bord eten van onze moeder, met een heel klein stukje vlees. Telkens als zijn bord half leeg was, had hij geen honger meer. Mijn broer en ik mochten dan het bord leeg maken. Hij had wel honger, maar hij stond het af. Toen wist ik dat niet, maar nu begrijp ik dat heel goed.’

Kende u iemand die is opgepakt door de Duitsers?
‘In oktober 1944 is mijn opa gearresteerd. Hij luisterde altijd naar de Engelse zender, en dan ging hij met anderen over het nieuws praten zodat ze ook wisten hoe het ervoor stond. Op een dag deden de Duitsers een inval en namen mijn opa mee naar Kamp Vught. Hij had een zware longontsteking en die werd hoe langer hoe erger. In december 1944 is hij gestorven.

Mijn vader zat bij de ondergrondse, maar die is heel goed weggekomen. Op een dag moest hij met een groep andere mensen de wachthuisjes op het vliegveld schilderen. Toen hebben ze elk huisje met lichtgevende verf een kruisje gegeven. Zo konden de Engelsen in de lucht zien dat ze bij het vliegveld waren.’

Heeft u geschuild?
‘Ik zeg weleens: ik ben ook vluchteling, maar dan wel een van een half uur… Wij stonden op 18 september op de Aalsterweg de bevrijders toe te juichen. De dag erna kwam het bombardement op Eindhoven… dat betekende: vluchten! Mijn vader pakte de noodkoffer en we verlieten snel ons huis. Toen we goed en wel buiten waren, viel er een voltreffer op het huis naast ons. Ons huis was zwaar beschadigd. Mijn moeder zei tegen mij: lopen, lopen, lopen en niet om kijken. Toch keek ik om en zag ik grote stofwolken. We zijn naar de Kamillestraat gevlucht, en daar hebben we zo’n vier weken gewoond. Als ik nu op televisie mensen zie vluchten, kan ik me dat goed inbeelden hoe dat is.

Joris van Beek, een van mijn klasgenoten, zat met vijftig anderen in een schuilkelder. Er kwam een voltreffer die de schuilkelder schampte, waardoor er allemaal grond in het gat van de schuilkelder werd gestuwd. Bijna alle mensen in die schuilkelder zijn gestikt, behalve Joris en zijn broer.

In november viel er nog een splinterbom. Dat is een bom die op de grond in duizend stukken uiteen spat. Zo kwamen een maand na onze bevrijding nog 29 mensen om het leven.’

Heeft u ook nog leuke herinneringen aan de oorlog?
‘Ja hoor! We hadden in de parochie een zangkoor. Die organiseerde weleens een gezellige avond voor ons, dan kregen we chocomel en een koekje. Dat was feest.

Iedereen was na de bevrijding verplicht een geallieerde militair op te nemen in huis. Wij hadden William Whitman en nog twee ander militairen in ons huis. Van hen heb ik plumpudding gehad.

De nachtmis heeft ook veel indruk op me gemaakt in de oorlog. Het was pikkedonker want alles was verduisterd. Wat hadden ze toen gedaan? Ze hadden een witte streep gemaakt op de grond, die iedereen kon volgen naar de kerk.

Ik heb tijdens de oorlog gewoon nog met vrienden gespeeld. Het gekke is, we speelden dikwijls ‘oorlogje’. Dan was de ene Duitser en de andere Amerikaan. We hadden een pannetje op ons hoofd, dat was dan je helm. We maakten ook wel eens schuttersputjes in de straat.

De bevrijding was natuurlijk ook heel mooi. Toen gebeurde er plotseling allerlei dingen die ik nog nooit had meegemaakt. Voor de oorlog hadden we geen bal, wij maakten ballen van elastiek. Na de oorlog werden er voetbalclubs opgericht.

Na de oorlog waren er bijna geen huizen waar niet twee naamplaatjes op stonden. De mensen die al in het huis woonden, kregen de benedenwoning, en de mensen die er later bijkwamen woonden boven. Mensen leefden destijds veel dichter bij elkaar.’

Archieven: Verhalen

‘Als ik naar school wandelde, stond men voor de ramen naar ons te kijken’

Stephen, Pleun, Kira en Agnes van basisschool de Talisman in Eindhoven bezoeken Ingrid van der Smitte en haar man in hun Aziatisch-ingerichte huis, vol planten, houten meubels en olifantsbeelden. Mevrouw Van der Smitte, derde van twaalf kinderen, werd geboren op Java en verhuisde als baby naar Nieuw-Guinea. Haar Nederlandse vader diende eerst bij het beroepsleger, maar begon later een houtzagerij. Haar moeder was van Indonesische komaf. Toen ze 9 was, vluchtte het gezin naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Azië?
‘Ik ben in Indonesië geboren, maar daar was het heel onrustig en toen moesten alle Nederlanders weg. We zijn naar Nieuw-Guinea verhuisd, want dat hoorde destijds bij Nederland en daar woonde ik tot mijn negende jaar. Toen kwam daar oorlog en vluchtten we naar Nederland.

Nieuw-Guinea was een heel mooi land. We woonden met ons hele gezin in een Quonset-barak, een halfronde barak van gegolfd staal. In de ramen zat geen glas, maar gaas. Soms zag je een glimmend spoortje over het gaas en dan wist je dat er een slang was geweest. We hadden een hele grote tuin met veel fruit; je kon de sinaasappels gewoon plukken. We hadden een papegaai en die kon een beetje praten en altijd ‘Elly!’ riep, want zo heette mijn moeder.

Ik herinner mij dit tijd als een heel gelukkige periode. Ik had twaalf broers en zussen, dat was heel gezellig, want er was altijd iemand om mee te spelen. We gingen naar een Nederlandse school. Mijn ouders waren lief en streng. Mijn vader was militair en hield van regels en mijn moeder was ook streng; dat moest ook wel met zo’n groot gezin. Mijn vader fotografeerde graag; ik zal jullie het fotoboek van mijn familie laten zien.

De Papoea’s waren de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Guinea en ze leefden in stammen, met eigen taal en gewoontes, vaak dichtbij de natuur. Ik vond ze altijd een beetje spannend omdat ze er zo anders uitzagen: ze droegen vaak bijna geen kleding, hadden een soort schortje aan en ze beschilderden hun gezichten voor feesten en maakten veel geluid door op boomstammen te slaan. We vonden het een beetje een wild volk. We hadden Papoea’s in dienst die hielpen in het huishouden, zorgden voor de kinderen (baboes) en de tuin verzorgden. Dat was toen heel normaal, maar nu besef ik me dat dit ook met onderdrukking te maken had: je maakte gebruik van mensen. Ze kregen wel loon en onderhielden daarmee hun familie. Maar nu ik wat ouder ben vind ik het heel triest voor de Papoea’s: je mag niemand zijn eigen land afnemen of onderdrukken.’

Hoe vond u het om in Nederland te gaan wonen?
‘Het weer in Nederland verraste me. In Azië was ik alleen warme dagen gewend, maar hier wisselen de seizoenen. Dat vond ik het leukste aan Nederland. De eerste keer dat ik sneeuw zag was voor mij magisch: alles zo mooi wit en schoon, al het lelijke is dan even weg.

We kwamen aan met het vliegtuig en hadden bijna geen bezittingen mee kunnen nemen. Ook hadden we veel te dunne kleding aan. Het was ijskoud! Ik ben nog een keer teruggegaan naar Nieuw-Guinea, maar ik kan de warmte nu niet goed meer aan.

We moesten erg wennen aan eten met vork en mes. Ik was gewend om met vork en lepel te eten (dat doe je als je rijst eet). We hebben heel lang geen eigen huis gehad en verhuisden van pension naar pension. We hadden daarom geen eigen keuken en aten met de pot mee: meestal stamppot. Eerst vonden we dat helemaal niet lekker, maar moesten dat toch gewoon opeten. We aten veel liever rijst!

Heeft u last gehad van discriminatie toen u in Nederland aankwam?
‘Ja, dat hebben we zeker, maar in het begin had ik dat niet zo erg door. Ik ben naar een lagere school gegaan in Dommelen. We waren in dat dorp de enige mensen met een kleurtje. Als ik met mijn broers en zussen naar school wandelde stond men voor de ramen naar ons te kijken, zo bijzonder vonden ze ons.

Maar we werden ook heel vaak uitgescholden door mensen buiten de school, voor ‘Pinda’ of ‘Zwartje’ of ze wilden niet naast ons zitten omdat ze bang waren dat we zouden ‘afgeven’. We werden als ‘vreemd’ beschouwd en waren al snel het pispaaltje. Dat vond ik heel erg. Mijn ouders konden er ons niet mee helpen, we moesten voor ons zelf opkomen. Maar we waren daar te verlegen voor.

Ik herinner me dat ik bij de kaasboer vaak met opzet werd overgeslagen als ik voor mijn moeder boodschappen deed. Ik durfde dan niet voor mezelf op te komen en niemand hielp mij. Nu zou dat me niet meer overkomen; ik heb geleerd voor mezelf op te komen. Mijn kinderen en kleinkinderen maken nog steeds discriminatie mee, maar die gaan er gelukkig tegenin.’

Welke sporen heeft het koloniale verleden achtergelaten?
‘Dat ik heel erg opkom voor anderen die gepest of buitengesloten worden. Iedereen is gelijk, hoort erbij en niemand mag apart gehouden worden. Ik hoop dat mensen leren dat welke kleur je ook hebt, uit welk land je ook komt, dat je allemaal hetzelfde bent.

We werden vroeger zo erg uitgescholden, onbegrijpelijk… Ik heb eraan overgehouden dat ik hier heel gevoelig op reageer: noem mensen bij hun naam, niet zwart of wit. Vroeger werden we ‘zwartje’ genoemd, dat deed pijn. Nu mag ‘neger’ zeggen niet meer, maar ‘zwarte man’ wel. Ik kan dat niet zeggen, want voor mij is dat schelden. Dat kunnen Nederlanders niet aanvoelen. Discriminatie speelt nog steeds, eigenlijk over de hele wereld. Ik hoop dat een project als dit zorgt voor meer wederzijds begrip.’

Archieven: Verhalen

‘Terwijl ik achterop de fiets zat, probeerde een Japanse soldaat mij mee te nemen’

Lovis, Mads en Sophia van basisschool De Talisman in Eindhoven mogen met de auto naar Rob Berk. Het hagelt als ze naar de voordeur rennen. Zijn vrouw doet de deur open en heeft allerlei lekkere dingen klaargezet in hun mooi ingerichte huis. Meneer Berk is geboren in Indonesië in 1942. Hij was vijftien jaar toen hij in Nederland aankwam, slechts gekleed in een dun bloesje en korte broek. Hij steekt meteen van wal en vertelt openhartig dat hij nu hulp krijgt voor alles wat hij in zijn jeugd heeft meegemaakt.

Hoe was het leven in Indonesië en hoe reisde u naar Nederland?
‘Mijn ene grootmoeder kwam van Java, en de andere uit Sumatra. In die tijd trouwden Europese mannen vaak met lokale vrouwen. Zo ontstond een gemengde familie. Ook ik ben een kind van Nederlandse en Indonesische ouders. Mijn vader was Nederlands, vandaar mijn achternaam Berk.

Na 1945 kwamen mijn ouders uit de oorlog. De tijd in de Japanse kampen had diepe sporen nagelaten en de omstandigheden waren zwaar. Mijn ouders droegen veel trauma met zich mee. In 1949 brak opnieuw onrust uit, toen ik acht jaar was. De Indonesische bevolking wilde gemixte mensen zoals wij niet meer. We moesten het land uit.

We reisden per vrachtboot naar Nederland, samen met andere Indische families. De reis duurde een maand. Er was geen privacy en het was er heet, in het vooronder stonden veldbedden voor ons. Het waren geen fijne omstandigheden.

Een keer zaten we in de bioscoop. Achter ons zat een jongen die aan het haar van mijn zus trokken. Ik vroeg ze een paar keer om te stoppen, maar hij ging door. Uiteindelijk heb ik hem geschopt. Hij begon te huilen en ik werd naar de kapitein gestuurd en in een hok opgesloten. Ik vond dat oneerlijk. Ik ben opgevoed met het idee dat je meisjes met zachtheid moet behandelen. Mijn zus had een zacht karakter en ik voelde dat ik voor haar moest opkomen.’

Vertel eens over het spelen buiten?
‘Toen mijn vader, een KNIL-militair, krijgsgevangen werd gemaakt, kwam mijn moeder met vijf kinderen terecht bij een rijke oom. Hij was een dominante en strenge man. Als ik bijvoorbeeld te laat thuiskwam, mocht ik soms niet eten of buiten spelen.

Toch was ik een kind dat graag speelde en op een dag viel ik uit een boom en liep ik een flinke wond op. Ik moest naar het ziekenhuis. Het was in de tijd van de Japanse bezetting, waarin kleine jongetjes soms werden meegenomen. Terwijl ik achterop de fiets bij mijn moeder zat, probeerde een Japanse soldaat mij te pakken. Op dat moment greep een andere oom in en hij heeft mijn leven gered.’

Hoe was het in Nederland aan te komen?
‘Mijn vader ging ons voor naar Nederland om een huis en werk te zoeken. In Den Haag vroeg hij als repatriant hulp aan. Hij was beroepsmilitair geweest, maar na de oorlog werd hij ontslagen en we kregen geen geld.

Na de lange bootreis kwamen ook wij aan in Rotterdam. We werden in bussen gezet en naar Breda gebracht. Het was koud, ik droeg een korte broek en een dun bloesje.

We werden ondergebracht in pensions, vaak grote, statige huizen met veel kamers. In Breda kregen wij één kamer voor het hele gezin. We mochten niet zelf koken en kregen eten dat we niet gewend waren, zoals aardappelen, boontjes en soms spek. Ook in kleine dingen merkten we het verschil. Wij waren gewend om elke dag te douchen, maar in Nederland gebeurde dat vaak maar één keer per week. Dat vonden wij vreemd en onhygiënisch.

Ik ging naar de mulo, maar voelde me daar niet thuis. Ik was geen goede leerling en had moeite om me aan te passen. In de klas werd ik vooraan gezet omdat ik niet stil kon zitten. Ik kreeg ook vaak straf, ik werd uitgekafferd, ‘kaffer dat je bent’, dat betekent straatjochie. Ook werd ik uitgescholden vanwege mijn huidskleur, ‘zwartje, ga terug naar waar je vandaan komt’.

Pas jaren later realiseerde ik me: we hadden geen keuze. We moesten hier blijven en ons leven hier opbouwen. En dat heb ik gedaan, ik ging werken voor Philips en reisde als projectmanager de hele wereld over.’

Archieven: Verhalen

‘Ik groeide op in een achterstandswijk, toch was het daar vooral gezellig’

Felix, Ties en Tuur van basisschool De Talisman staan al in de deuropening van de lerarenkamer, die uitkijkt op het grote schoolplein, waar de jongste kinderen rondkrioelen. Het is net pauze. Ze wachten op Carmen Schaken. Binnen hebben ze een gezellig plekje gemaakt, met een schaaltje koekjes op tafel. Mevrouw Schaken (1950) is geboren in Paramaribo en kwam op haar achttiende naar Nederland. Om meer te laten zien over haar jeugd, heeft ze voor Felix, Ties en Tuur van alles meegenomen, zoals een kalebas met sterren erop en de vlag van Suriname.

Hoe was het om op te groeien in Suriname?
‘Ik ben geboren in Paramaribo en groeide op in een achterstandswijk. Toch was het daar vooral gezellig. We leefden dicht op elkaar, speelden samen en zorgden voor elkaar. Ik kon eindeloos buiten spelen, van het ene erf naar het andere. We speelden tikkertje, deelden wat we hadden en kookten soms zelf. Mijn grootmoeder was een medicijnvrouw. Als een kind ziek was, gingen mensen naar ‘moesje’. Ze maakte iets in een kalebas, zoals deze, en smeerde het kind daarmee in en vaak zakte dan de koorts. Ik rende achter haar aan, ook al mocht dat eigenlijk niet.

Op school was het heel anders. Ik zat op een katholieke school waar het streng was. Thuis was er vrijheid, maar op school moest alles volgens de Nederlandse normen. Ze hadden het idee dat je opgevoed moest worden. Terwijl wij thuis juist onze eigen geschiedenis leerden, wij maakten die geschiedenis. We spraken op school Nederlands. Mijn beeld van Nederland kende ik vooral uit boeken.

Wat ik het moeilijkst vond, was dit: ik zat op school naast een meisje voor wie ik op zaterdag het huis van haar ouders moest schoonmaken. En op maandag zat zij naast mij in de klas. Dat voelde vreemd, maar ik liet het niet zien. Het maakte me sterk. Ik dacht: dit wil ik niet voor mijn kinderen. Ik besloot alles op alles te zetten om in Nederland te studeren en mijn kinderen een betere toekomst te geven. Kennis is de sleutel, het opent deuren. Daar ben ik zelf het bewijs van.’

Wat heeft en van uw oma en tantes geleerd?
‘Mijn oma en tantes hebben mij geleerd om een sterke vrouw te zijn, mijn eigen boontjes te doppen en tevreden te zijn met wat er is. En nog steeds ben ik aan het leren. Mijn oma zei altijd: je bent nooit te oud om te leren. Van hen leerde ik ook koken, authentiek Surinaams, met aandacht en liefde. Maar vooral leerde ik iets groters, mensen ontvangen zoals ze zijn. Openstaan voor iedereen, groot en klein, zonder meteen te denken in ‘anders’. Ik heb van jongs af geleerd om mensen met ander gedrag te accepteren.

Zo ben ik al vroeg gaan werken als telefoniste. In Nederland heb ik gewerkt én gestudeerd, onder andere op een psychiatrische afdeling, waar ik voor zieken zorgde. Ik herinner me een patiënt die zei: ‘Die grote zwarte indiaan heeft mijn tas gepakt’. Ik was haar tas juist aan het opruimen. Maar zij was ziek, haar wereld was klein. Dit speelde vijftig, zestig jaar geleden in Friesland. Ik kon het haar niet kwalijk nemen. Ze kende de wereld alleen uit verhalen, en daarin kwamen mensen zoals ik nauwelijks voor. Voor mij bleef één ding belangrijk: we zijn allemaal mensen, en zij had zorg nodig.

Maar toen een collega in opleiding, iemand die beter zou moeten weten, ooit zei: ‘Ga maar terug naar de rimboe om bomen te kappen’, kon ik dat niet zomaar laten gaan. Toen heb ik gezegd: ‘Om bomen te kappen moet je slim zijn, anders valt die op je’. Ik heb mijn diploma gehaald. Zij niet. Over slim gesproken.’

Hoe heeft uw tijd in Suriname u nu gevormd?
‘Ik was veertien, vijftien jaar toen ik begon met werken. Ik deed van alles: telefoniste, schoonmaken en repareren wat kapot was. Dat leerde ik van de ouderen met wie ik werkte. Ik had een beste vriendin, net zo oud als ik. Samen haalden we de gekste dingen uit, ook dingen die onze moeders niet mochten weten: uitgaan, dansen en spijbelen. Toen ik achttien was, stuurde mijn vader me naar Nederland. Vanaf dat moment zijn we elkaar uit het oog verloren.

Ik creëer nu mijn eigen dagen om me gelukkig te voelen. Elke dinsdag heb ik mijn wandelclub, daarnaast de Surinaamse club en de kerk. Volgende week ga ik naar De Peel met een oud-collega.

En nog steeds, als ik door de bossen in Nederland loop, kijk ik om me heen of er geen slangen zijn… Het gevoel dat ik een giftige slang kan tegenkomen, zit er gewoon nog in.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892