Aankomst in mijn buurt
‘Wat was er van ons geworden als we waren gebleven?’
Merlijn ontmoet Youssef Yaghdi
Marian Rozendaal is naar de Hannie Schaftschool in Haarlem gekomen met Marijke, de vrouw van haar overleden broer Walter. Mevrouw Rozendaal is in 1945 geboren toen de oorlog bijna afgelopen was. Ze vertelt het verhaal van haar ouders en haar broer. Walter is geboren in 1940 en hij herinnerde zich nog veel. Voor het interview zitten ze in het kantoortje van de directeur en Elisa, Julian, Jessie en Ömer hebben een lekkere doos chocolaatjes meegebracht.
Waar woonden jullie tijdens de oorlog?
‘Mijn vader, moeder en mijn broer Walter woonden in Amsterdam-Noord. Later kwam ik daarbij. Mijn moeder was Joods en mijn vader niet. Vanaf 1942 werd steeds duidelijker dat de Joden buitengesloten werden. Zij moesten zich melden en moesten een jodenster op. Voor mijn moeder werd het steeds gevaarlijker buiten. Toen Walter naar de kleuterschool moest, bracht mijn moeder hem weg tot vlak voor een controlepost van de Duitsers. Dan fietste zij snel weer naar huis en moest Walter het laatste stuk alleen lopen, een heel eind voor zo’n klein jongetje.
Mijn moeder kwam soms wel op straat, want ze had twee persoonsbewijzen. Eentje met haar echte naam, Dora Naarden, waar een grote J op stond, en eentje met een andere naam, Fogelina Bollegraaf uit Groningen waar geen J op stond. Dat was gemaakt door mensen van het verzet. Heel knap gedaan, want het ziet er heel echt uit. Maar het was voor haar heel spannend om naar buiten te gaan, dus mijn vader deed de meeste dingen, zoals eten halen.’
Zat iemand van uw familie bij het verzet?
‘Ze zaten niet bij het verzet, maar ze hebben zich wel verzet. Toen Joden zich moesten melden, hebben de ouders van mijn moeder, mijn Joodse opa en oma dus, dat niet gedaan. Maar ze zijn verraden door NSB’ers in de buurt. Mijn moeders broer Felix van 20 en haar zusje Jansje van 16 woonden nog bij mijn grootouders. Ze zijn toen met z’n vieren naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, waar Joden moesten bijeenkomen.
Alle jonge mannen moesten overdag werken voor de Duitsers. Ze werden onder bewaking van Duitsers van de schouwburg naar werk gebracht. En toen heeft mijn vader op een dag Felix gewoon uit die rij getrokken, achter op z’n fiets gezet en is snel naar huis gereden. Dat was heel spannend. Mijn vader vond het zijn leven lang heel erg dat hij niet ook het zusje van mijn moeder kon redden, maar de meisjes kwamen niet naar buiten, dus dat lukte niet.’
Wat is er met Felix gebeurd?
‘Felix zat ondergedoken bij mijn ouders. Mijn broer zag hem alleen overdag. ‘s Avonds verstopte hij zich. Mijn vader zei altijd dat Felix achter het behang was geplakt. Dat snapte ik als kind niet want ik dacht: ‘Dan zie je toch allemaal bobbels?’ Later begreep ik dat er ergens een luik was waar hij achter zat en daaroverheen zat behang. Bij razzia’s werd mijn broer Walter snel naar de buurvrouw gebracht, omdat ze bang waren dat hij iets zou zeggen over zijn oom Felix. Ik denk dat mijn ouders vaak heel bang zijn geweest.’
Wat is er met opa en oma en Jansje gebeurd?
‘Ze zijn van de Hollandsche Schouwburg naar kamp Westerbork gebracht. Een paar dagen later zijn ze met de trein naar Sobibor afgevoerd, zo noemden ze dat. Dat is een vernietigingskamp in Polen. Ze kwamen daar na drie dagen reizen aan en zijn toen meteen vergast, vermoord dus. Maar dat wisten we pas achteraf, na de oorlog. Ik heb nog brieven die mijn moeder en Felix naar Westerbork hebben gestuurd, maar die hebben zij nooit meer gelezen want toen waren ze al weg.
Van mijn familie zijn ongeveer tachtig mensen vermoord, bijna iedereen eigenlijk.’
Hoe bent u de geschiedenis van je familie te weten gekomen?
‘Vroeger werd er thuis nauwelijks over de oorlog gepraat. Sommige dingen zijn denk ik zó erg dat je er niet goed over kùnt praten. Maar toen mijn dochter en Walters dochter in groep 7 een project over de oorlog deden, vroegen ze: oma, jij bent toch Joods? Dat was iets waarover wij nooit met mijn moeder durfden te praten. Ze vroegen ook: heb jij een jodenster? En toen pakte mijn moeder een zwart tasje, en daar zat van alles in: haar jodenster, haar persoonsbewijzen, brieven die ze naar Westerbork had gestuurd, het poëziealbum van haar zusje Jansje.
Toen ik klein was wist ik wel dat dat zwarte tasje er was, maar wij mochten daar absoluut niet aankomen. Doordat de kleinkinderen wel vragen durfden te stellen, kwamen Walter en ik dus ook veel te weten.
Mijn moeder vertelde over de jodenster: dat ze die zelf moest kopen en eerst ook braaf droeg. Totdat haar ouders waren opgepakt. Mijn moeder is toen naar het kantoor van de Duitsers gegaan, om te proberen haar ouders vrij te krijgen. En toen siste een meneer achter haar in de rij in haar oor: ‘Ben je gek geworden dat je hier staat met een ster op! Levensgevaarlijk!’ Toen is mijn moeder snel weggegaan. Ik denk dat ze daarna de ster niet meer heeft gedragen.
Ik denk dat je aan dit verhaal goed kunt zien hoe gevaarlijk het is als we mensen apart zetten en buitensluiten. Daar moeten we echt heel erg voor oppassen.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.