Koloniale sporen in mijn buurt
‘We maakten stiekem een gat in het hek zodat we toch met de buren konden spelen’
Cenicio, Jordy, Puck, Zeyaan ontmoeten Lucia Bouva
Tijn, Kamiel, Inti en Sofia van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord gaan op bezoek bij Jannie Kremer. Mevrouw Kremer was zes jaar toen de oorlog uitbrak. Haar vader was vóór de oorlog al overleden, in 1939. Haar moeder bleef toen achter met zeven kinderen. Mevrouw Kremer was de jongste van de familie. Ze had twee broers die ondergedoken zaten en ze vertelt over een bombardement vlakbij haar huis, over spelen in de oorlog en over de hongertocht die ze met haar moeder en zusjes deden. Als de kinderen vragen wat ze zouden moeten doen als er oorlog is, is haar antwoord: ‘Altijd eerlijk blijven’.
Werd er in uw straat gebombardeerd?
‘In onze straat niet, maar achter ons huis wel. Ik woonde in Oud Noord in de Sijsjestraat en achter ons in de Putterstraat, is er wel een bom gevallen. Dat was niet de bedoeling. We waren thuis toen het gebeurde. En toen moesten wij ook weg uit ons huis, want het was een tijdsbom. Hij was niet afgegaan en moest eerst onschadelijk gemaakt worden, voordat wij weer in ons huis mochten. We hadden gelukkig familie in Zwollen waar we naartoe konden.
Mijn moeder had wel allemaal gaatjes in de gordijnen zitten van de scherven. We hebben geen letsel gehad, maar hoorden natuurlijk wel het lawaai. Ik schrik nog steeds van het luchtalarm.’
Had u een hobby in de oorlog?
‘Ik had een zusje die twee jaar ouder was dan ik, en we speelden heel veel met poppen. We hadden een oudere familie naast ons wonen met grote meisjes die niet meer met poppen speelden, dus die gingen naar ons toe. Ik heb nog een poppenwagentje staan, dat heb ik ook gekregen.We speelden ook heel veel buiten. We hadden het arm, maar we hadden het wel zo dat je kon leven. En als je uit school kwam, kreeg je een andere jurk aan. Een ‘vieruursjurk’, noemden wij dat. Dan spaarde je je nette kleren en als je ging spelen moest je een donkere jurk aanhebben. We hadden een speeltuin in de straat, waar we heel veel hebben gespeeld.’
Hoe kwamen jullie aan eten tijdens de oorlog?
‘Aan het einde van de oorlog zijn mijn moeder, mijn zussen en ik naar Friesland vertrokken. We hadden een karretje. We zijn met het karretje met onze koffers erop gaan lopen vanuit Amsterdam naar Huizen. In één dag hebben we het gelopen. Ik kan me nog steeds niet voorstellen hoe we het als kinderen voor elkaar kregen. We waren erg trots. Op het laatst lag alles wat we in ons rugzakje hadden op dat karretje, want het was heel vermoeiend. Toen zijn we overgestoken met een vrachtschip. We zaten onder in het schip, waar je normaal de vracht hebt. Daar lag nu stro. We waren met een hele groep kinderen uit Amsterdam, die ook uitgezonden werden naar Friesland om aan te sterken. Er gingen geen ouders mee, maar mijn moeder wel, omdat we daar familie hadden. Toen zijn we eerst in Bolsward geweest bij een familie en daar kregen we te eten en konden we uitrusten. Van Bolsward zijn we met elkaar naar Frieschpalen gegaan, naar mijn broer.
Daar zijn we allemaal ziek geworden, omdat we veel te veel vet eten kregen. Toen zijn we gaan lopen naar de stad Groningen. Daar had je bussen waar een paard voor liep. Ons karretje kon er bovenop en uiteindelijk hebben we weer een heel eind gelopen richting Uithuizen, naar familie. Toen we daar aankwamen, zakte het karretje in elkaar. We konden natuurlijk niet met z’n vijven bij één familie ondergebracht worden, dus werden over verschillende families verdeeld.’

Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.