Koloniale sporen in mijn buurt
‘Op school leerden we bijna niets over de geschiedenis van Suriname’
Elvie, Fiene, Julia ontmoeten Gerard Brandon
Liv, Jonathan, Eva en Duuk van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen de 89-jarige Hennie Houtkamp bij haar thuis. Ze woont nu in de Slachthuiswijk, maar heeft tijdens de oorlog altijd op de Kampervest gewoond. Haar huis is gevuld met foto’s van haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Met een lekker blikje frisdrank en een gevulde koek beginnen de leerlingen aan het interview.
Kende u mensen die moesten onderduiken?
‘Ja, tijdens razzia’s pakten de Duitsers vaak jonge mannen op om ze mee te nemen. Soms kwamen ze ook bij ons aan de deur. Dat heeft mijn vader drie keer meegemaakt. Er was een slim plan: als de Duitsers aanklopten, riepen wij: ‘Wie is daar?’ De Duitsers antwoordden dan, waardoor de jongens snel de schutting over konden springen naar de buren en de tijd hadden om te vluchten voordat de deur open werd gedaan. Om de hoek stond een groot pakhuis. Daar zat een geheime plek: een wand die een stukje open kon. Als je daarin ging, kon je bijna bij de gracht uitkomen en zo ontsnappen. Veel mensen uit de buurt hebben zich daar verstopt en zijn zo weggevlucht.’
Was u bang in de oorlog?
‘Ja, ik was vaak bang, vooral voor de vliegtuigen. Ze vlogen laag over en maakten een hard, zoemend geluid. Dan kroop ik bij mijn ouders in bed. Mijn vader was bloemenman en hielp mensen in het verzet. Hij kende belangrijke mensen, zoals dokters en bankdirecteuren. Daardoor kon ik geholpen worden toen ik ziek was aan mijn spieren. Ik werd zes weken behandeld door een dokter in een bejaardenhuis. Maar daar vond ik het ook eng, vooral als er vliegtuigen overkwamen en mijn ouders niet in de buurt waren.’
Wat gebeurde er met uw familie in de oorlog?
‘Ik had nog geen broertje, hij werd pas na de oorlog geboren. Dus ik was vaak alleen als kind. Wel woonden we met veel familie samen, zoals mijn opa en ooms. We waren heel hecht en ik was bij alles betrokken. Een broer van mijn vader moest in Duitsland werken. Mijn vader probeerde hem vrij te krijgen, maar dat lukte niet op tijd. Uiteindelijk wist hij te ontsnappen met een vriend. Tijdens hun vlucht wilden ze een schuilkelder in, maar die werd gebombardeerd. Mijn oom stond er net buiten en overleefde, maar zijn vriend niet. Na de oorlog ging mijn vader elke dag naar het station om te kijken of hij terugkwam. Op een dag zag hij hem echt in de trein en riep hij naar hem. Daarna kwam hij eindelijk weer thuis. Dat was een heel bijzonder moment.’
Hoe was het einde van de oorlog?
‘Op Bevrijdingsdag liep iedereen naar buiten, omdat de bevrijders eraan kwamen. Dat waren de Canadezen. Ze deelden snoep uit aan de kinderen en iedereen was heel blij. Maar er waren ook nare dingen. Bij bombardementen raakten veel mensen gewond. Ze liepen langs ons huis naar het ziekenhuis. Mijn moeder gaf ze water, want ze waren vaak gewond of verbrand. Ik heb ook een keer iets engs meegemaakt. Tijdens een razzia was ik buiten aan het spelen en vluchtte ineens een jongen weg uit de groep. Ik ging met hem mee hollen, terwijl een Duitse soldaat op ons schoot. ‘Ritsen Hennie, ritsen!’ Ik kon snel een gang van een open deur inschieten. Hij kon gelukkig ook ontsnappen.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.