‘NSB’ers hebben mijn Joodse moeder verraden’


Alder, Ella, Maaike en Joep vertellen het verhaal van Reini Elkerbout
Haarlem

Reini Elkerbout is geboren in 1938 en was twee jaar oud toen de oorlog begon. Haar ouders woonden in Gorinchem. Haar vader was niet-Joods, haar moeder wel. In 1943 moest ze naar haar opa en oma in Dalem. Haar werd beloofd dat haar vader en moeder haar weer kwamen ophalen, maar haar moeder is nooit teruggekeerd uit Auschwitz. Alder, Ella, Maaike en Joep van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen mevrouw Elkerbout bij haar thuis. Bij de vruchtensap krijgen zij voor het eerst in hun leven baklava, dat smaakt wel!

Wanneer bent u geboren?
‘Ik ben in 1938 geboren en was dus twee jaar toen de oorlog begon. Ik had een jonger broertje, hij werd geboren toen de oorlog begon en hij was piepklein. Het was schrikken toen het ineens oorlog was. Ik woonde in Gorinchem, dat ligt vlak onder Rotterdam. Het is een soort stad als Haarlem. Aan het begin van de oorlog merk je dat het spannend is in huis. Maar als kind maak je dat gelukkig niet zo mee.’

Ging u naar school in de oorlog?
‘Ik ging niet naar school in de oorlog. Later, toen ik bij mijn opa en oma woonde, was er een kerk in de buurt. Die kerk had een zondagsschool, daar werd ik dan naartoe gebracht. Dan waren er ook wat kinderen in de buurt, die zag ik anders nooit. Mijn tantes leerden me lezen en schrijven. Toen ik eenmaal wel naar school ging, kon ik al lezen en een klein beetje schrijven.’

Kende u NSB’ers?
‘Als kind weet je dat soort dingen niet. Maar het is wel zo dat NSB’ers mijn moeder verraden hebben. Zij woonde in ons huis met haar moeder en haar zus. De buren hebben hun verraden. Zij ging toen naar een ziekenhuis in Rotterdam, want ze was zwanger, en daar hoopte ze papieren te krijgen om niet gedeporteerd te hoeven worden. Mijn jongere zusje is daar geboren.

Mijn vader kende wel NSB’ers. In Gorinchem zaten in de buurt best wel wat NSB’ers. Als kind kan je dat niet aanwijzen, dat weet je niet. Maar als Joodse moest je daar wel voor oppassen. Wij moesten altijd stil zijn als iemand uit de straat op bezoek kwam. Mensen kwamen niet zomaar langs; zij wilden kijken wat er gebeurde in ons huis. We wisten wel dat er gevaar was.’

Heeft u ondergedoken gezeten?
‘Ik had het geluk dat mijn opa en oma in Dalem woonden, een dorp vlakbij Gorinchem. Je kon daar op de fiets naartoe. De opa was de vader van mijn vader en was dus niet-Joods, hij liep daardoor geen gevaar en wij dus ook niet. Ik heb dat alleen nooit onderduiken genoemd. Tegen ons werd gezegd dat we gingen logeren. Maar we moesten daar wel heen omdat we niet in Gorinchem konden blijven.

We hadden destijds niet veel speelgoed. Na de oorlog verhuisden wij naar Amsterdam, waar ik een pop kreeg. In de oorlog heb ik wel boeken gekregen. Mijn moeder moest naar Auschwitz, maar leefde nog enige tijd. Zij zorgde er dan voor dat ik toch nog een boek voor mijn verjaardag kreeg.’

Wanneer was u het bangst?
‘Als er geschoten werd en er gevaar was, ging de hond op mij liggen om mij te beschermen. Het was een hond met hele lange oren. Mijn oma ging op mijn broertje liggen.

Een kogel is eens aan de overkant het huis in gegaan. Een meisje van mijn leeftijd die daar woonde, was geraakt en is toen overleden. Na de oorlog werd ik opgehaald door mijn vader, maar ik herkende hem helemaal niet meer.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892