‘We zeiden dat hij mijn doofstomme neef uit de Achterhoek was’


Juuls, Daniël en Robin vertellen het verhaal van Wil Sartorius
Amsterdam-Noord

Wil Sartorius is geboren in 1942 in Durgerdam en had vier jongere broertjes. Ze was nog maar heel jong, maar heeft veel verhalen gehoord van haar ouders. Juuls, Daniël en Robin uit groep 7 van de Twiskeschool ontmoeten mevrouw Sartorius thuis in een dijkwoning, vlakbij het huis waar ze opgroeide in de oorlog.

Met wie woonde u allemaal?
‘We woonden in een klein huis hier op de dijk. Ik was natuurlijk een jong kind, maar ik herinner me dat er altijd  heel veel mensen in huis waren en er was altijd iemand die aan het bakken was.

Er was in ons dorp veel saamhorigheid; dat betekent dat iedereen voor elkaar zorgde. Er was een Duits-Joodse jongen bij ons in huis. Hij was op z’n veertiende uit Duitsland gevlucht. Eerst zat hij in de Achterhoek, maar daar is hij verraden. Toen kwam hij terecht bij een buurman hier en dat was een NSB’er. Opnieuw werd hij door iemand ontdekt.  Daarna kwam hij bij ons. Die jongen was intussen 17 jaar. Als we buiten speelden, mocht hij niet praten want dat zou opvallen, dus we zeiden dat hij mijn doofstomme neef uit de Achterhoek was. Er verbleef bij ons in huis ook een bakker, die sliep bij de buren maar was overdag bij ons.  We hadden wat meel. Met Pasen kreeg ik een grote paashaas van brooddeeg, met een kalkei; een nep-ei erin; dat vond ik zo bijzonder. Ik weet nog hoe blij ik was met die paashaas. Ik heb hem wel een week bewaard, toen moest ie toch wel echt opgegeten worden.’

Wat vond u later van NSB’ers?
‘Ik was nog te klein en wist natuurlijk niet wat een NSB’er was. Later heb ik gehoord dat de NSB-buurman waar de Joodse jongen eerst ondergedoken zat, ook in de gevangenis heeft moeten zitten. Maar de christelijke buurman, die hem verraden had, heeft alleen maar in de kerk spijt betuigd en daarmee was het klaar. Terwijl door zijn toedoen die jongen weggehaald werd. Hij heeft er nooit iets over gezegd tegen mijn ouders.
Ik vind het moeilijk om mensen te veroordelen op hun lidmaatschap aan ‘clubjes’.

Hoe was de oorlogstijd voor uw ouders?
‘Mijn vader hoefde niet in Duitsland te werken, omdat hij tuinman was. Hij verbouwde veel groenten op twee weilanden achter ons huis en een deel daarvan moest hij ook afstaan aan de Duitse soldaten. Aan het begin van het dorp stonden allemaal barakken waar de Duitse soldaten in sliepen. Die soldaten liepen hier ook gewoon door het dorp. Mijn moeder zei dan wel eens, het zijn ook maar hele gewone jonge jongens.

Op een mooie dag stond ik in de box buiten op de stoep en toen kwam zo’n Duitse soldaat naast die box zitten en begon daar te huilen. Hij vertelde mijn moeder dat hij een vrouw en een kindje had maar daar al een jaar niks meer van had gehoord.

Had u ook huisdieren in de oorlog?
‘Ja, we hadden poezen. Maar ook andere dieren. Mijn opa, was een visventer voor de oorlog. Hij viste op het IJsselmeer en ging dan met een kar langs de deuren om de vis te verkopen. Die kar werd getrokken door twee honden. Mijn opa is in 1940 overleden, maar die honden waren er altijd nog.’

 Heeft u misschien  nog herinneringen aan de oorlog?
‘Ik hebben wel een keer kort na de oorlog, gezien dat er aan de dijk in een weiland een vliegtuigje neerstortte. Iedereen ging er heen om te kijken wat er aan de hand was.  Ik ook en ik weet nog dat het vliegtuigje een paar schapen gedood had, dat maakte vreselijk veel indruk op me.
Ik heb wel eens een scherf van een bom gevonden, maar nooit een bom zelf zien ontploffen.’

 

 

 

 

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892