Oorlog in mijn Buurt
‘De buren hoorden haar huilen en brachten haar naar de Joodse Schouwburg’
Felix, Mas, Moos, Nayeli, Raja ontmoeten Frank Meelker
Dirk Dekker heeft heel veel verstand van bijen en leert andere mensen daarover. Het interview vindt dan ook plaats in de keuken van z’n bedrijf Beelease op Noord Oogst. Er zijn ook twee katten Felix en Simba. Cobus, Sienna en Gilles uit groep zeven van de Twiskeschool kijken hun ogen uit en luisteren geïnteresseerd naar het verhaal van Dirk vader en moeder. Na afloop van het interview krijgen de kinderen een klein potje honing mee.
Hoe oud waren uw ouders tijdens de oorlog?
‘Mijn vader Henk Dekker was 21 jaar en mijn moeder Corrie was 19 jaar toen de oorlog begon in 1940. Dus allebei nog heel jong. Mijn vader zat vlak voor ervoor nog in militaire dienst. Dus toen het oorlog werd, was hij de pineut. Hij werd gelijk opgeroepen om te gaan vechten tegen de Duitsers op de Grebbenberg. Hij kreeg begin april al, denk ik, dit boekje; ‘het Oorlogsboekje’. Ik heb het altijd bewaard. Het bijzondere van het boekje is dat ze uitvoerig beschrijven om er rekening mee te houden dat je dood gaat. Achterin zitten allemaal voorbeschreven postkaarten die je naar je familie kon sturen als je doodging. Er staat: helaas moet ik u mededelen dat uw zoon of uw broer of uw neef is overleden. Er hangen ook twee metalen plaatjes aan met zijn naam en zijn nummer. Die moest hij om zijn nek hangen. Als hij doodging in het gevecht konden ze hem daarmee identificeren. Ik heb hier als kind veel mee gespeeld. Mijn vader heeft mazzel gehad. Hij heeft het overleefd, maar praatte niet vaak over die periode op de Grebbenberg.’
Wat deed uw vader voor werk?
‘Hij werkte bij de Fokkerkabriek. Hij was goed in het werken met stoffen/ grote lappen linnen, die werden toen nog gebruikt voor het bekleden van de vleugels. De fabriek kwam in Duits bezit en via een tante kwam Henk terecht bij de Hollandia Kattenburg fabriek. Daar maakten ze regenjassen. Hij werkte daar als één van de weinige niet Joden, want de meeste collega’s waren Joods.’
Wat weet uw vader nog van de razzia in de Hollandia Kattenburg fabriek?
‘Op woensdag 11 november 1942 aan het eind van de dag was de inval. Joden en niet Joden werden gescheiden. Alle Joodse mensen moesten aan de ene kant gaan staan en alle niet Joodse mensen aan de andere kant. De Joodse mensen werden geslagen, mannen en vrouwen. Het was heel erg. Mijn vader stond aan de niet-Joodse kant en op een gegeven moment kwam er een Joodse collega achter hem langs en voelde hij dat er iets in z’n broekzak werd gedaan. Alle Joodse mensen werden in vrachtwagens gestopt en weggevoerd. Mijn vader kwam helemaal overstuur thuis. Wat bleek? Die collega had een portemonnee in z’n broekzak gestopt. Ook familieleden werden opgepakt en ook de vrouw van de collega. Ze haar baby nog snel over de schutting aan de buren kunnen geven. En dat was Marco van de Berg.
Mijn vader heeft de bewaarde portemonnee aan hem terug kunnen geven. Er zat een foto in van zijn vader en moeder. De enige foto die hij ooit van ze zag.’
Weet u nog iets over de Hongerwinter?
‘Ik ben na de oorlog in 1948 geboren. Dus alles wat ik weet, heb ik van mijn ouders gehoord. Die tijd was een ramp. Er was helemaal niks meer te eten. Mijn broer Rob is in de Hongerwinter geboren. Mijn moeder moest melk en eten halen. Met een buurvrouw is ze met een kinderwagen en een fiets helemaal naar Zwolle gelopen. Daar hebben ze bijna een week over gedaan. Toen ze terug gingen weer over de grote brug over de IJssel ging het bijna fout.
Ze liepen allemaal achter elkaar in een rij en er waren Duitse soldaten die controleerden wat er in de tassen zat. Als er lekkere dingen inzaten, dan pikten ze dat eruit. Er was een vrouw voor hen en die ging zo tekeer tegen die soldaten, dat één van hen zijn pistool pakte.. en PANG! die vrouw doodschoot. Er werd enorm gegild en geschreeuwd. Mijn moeder zei: ‘nu rennen!’ Ze maakte gebruik van de verwarring om met die fiets en kinderwagen door die massa mensen heen te rennen, om voorbij die Duitsers te komen.’
Waar was je vader toen?
‘Hij zat ondergedoken omdat hij niet in Duitsland wilde werken. Ze woonden in de Argostraat. Als je binnenkwam, moest je een trap op naar boven naar de eerste etage daar zat een plafonnetje. En in dat plafonnetje had mij vader wat plankjes weggehaald. Hij heeft hij zich daarachter verstopt, samen met de buurman. Op een gegeven moment hadden de Duitse bezetters het wel door, want ze hadden al een paar keer eerder mannen uit zo’n dakje vandaan gehaald. Dus op dag kwamen ze bij mijn moeder langs om te zoeken en ze schoten zo door het plafond heen. Mijn vader heeft een kogel tussen zijn benen gekregen maar hij is doodstil blijven liggen natuurlijk.’


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.