Oorlog in mijn Buurt
‘Soms was ik bang als er ’s nachts geschoten werd’
Rijk, Shanaya ontmoeten Aagje Hoeve-Verweij
Israe, Lina, Maisaa uit groep 7 van de Elifschool in Amsterdam Noord ontmoeten de 90-jarige Jane Veltman in het kantoortje van de OBA, de bibliotheek tegenover hun school. Daar interviewen ze haar over haar jeugd in voormalig Nederlands Indië en de reis naar Nederland in 1950. Mevrouw Veltman spreekt een paar woordjes Turks maar jammer genoeg hebben Israe, Lina, Maisaa een Marokkaanse achtergrond. Het wordt een gezellige ontmoeting!
Welke taal sprak je in Indonesië?
‘Wij waren Nederlanders, wij spraken altijd Nederlands. Ik ken geen andere taal van huis uit. Ik heb later op school natuurlijk wel Engels en Frans en zo geleerd. Maar ik spreek geen Indonesisch. Want de Indonesiërs waren, òf van adel, en dan vonden ze ons minderwaardig en wilden niet met ons omgaan omdat wij gemengd bloed hadden. Of het waren armere Indonesiërs en die waren altijd het personeel. Dus je ging niet echt met elkaar om.’
Was het erg gevaarlijk in Indonesië?
‘Tijdens de oorlog woonde ik op Surabaya. Het was destijds erg gevaarlijk op straat. Er was een avondklok dus je moest ’s avonds thuis zijn, en je had zelfs een pas nodig om op straat te komen. Je mocht dus ook geen boodschappen doen, maar wij hadden een Indonesische keukenvrouw die dat deed. Dus we zijn eigenlijk de hele oorlog binnen gebleven. Als het veilig was gingen we wel naar school en speelden we veel buiten met de kinderen uit de buurt, maar verder was er ook niet zoveel om te doen.’
Wat deden jullie als het erg gevaarlijk werd?
‘De Japanners gaven zich over toen de Amerikanen twee atoombommen op Japan hadden gegooid. Daarna zijn de Indonesiërs tegen de Nederlanders gaan vechten. Toen was het heel onrustig en gevaarlijk. Eerst mochten wij nog in de tuin spelen, maar toen de vliegtuigen begonnen over te vliegen werd het gevaarlijk want dan konden er bommen vallen en dan wist je niet waar de scherven zouden neerkomen. We hadden een schuilkelder in de tuin, die had mijn vader laten maken en daar gingen we dan in. Door de tuin erheen lopen werd ook te gevaarlijk. Toen zijn we gewoon in het huis gebleven. Daar hadden we een hoog bed, waar mijn moeder een matras onder had gelegd. In onze wijk werd gewoon gevochten in de straten. Als er dan geschoten werd, zaten de kinderen onder dat bed. Mijn moeder ging soms wel stiekem door de ramen kijken. Je wist nooit wanneer een bom of een kogel door je huis ging.’
Hoe kwamen jullie in een kamp terrecht?
‘De Indonesische vrijheidsstrijders gingen alle huizen langs om de mensen mee te nemen. Toen er bij ons aangeklopt werd, dacht mijn moeder dat het de Engelsen al waren om ons te bevrijden. Dus deed ze de deur open. De mannen zeiden;’je moet nou meekomen,anders schieten we je dood’. We zijn in het kamp terecht gekomen. Samen met twee tantes en hun kinderen. Dat was in een oude suikerfabiek waar ze al die machines uit gehaald hadden.’
Hoe was de reis naar Nederland?
‘De reis was wel erg lang want het duurde een maand om met de boot van Indië naar Nederland te gaan. Die maand duurde extra lang omdat er zo weinig te doen was. Aan boord draaide ze één film en verder was er eigenlijk niet zoveel. Dus je moest gewoon zitten en niks doen, en gewoon met elkaar wat praten af en toe.
Ik ben ook eigenlijk op het water altijd een beetje zeeziek, dus ik heb me een maand lang niet zo lekker gevoeld. Mijn vader is vreselijk zeeziek, nog veel meer dan ik, dus die lag de hele reis in zijn bed. De boot was eigenlijk een luxe boot, maar omdat er oorlog was hebben ze die omgebouwd zodat ze veel soldaten naar Indonesië konden brengen of om veel vluchtelingen naar Nederland over te varen. Dus het was geen luxe reis, het was gewoon, zitten en doorleven.’
Hoe was het toen jullie in Nederland kwamen?
‘Het was toen net na de oorlog en iedereen was arm. Mensen zaten niet op ons te wachten. Ze waren vooral bezig met zichzelf. En plotseling kwamen er een hele hoop nieuwe mensen. We waren net als de vluchtelingen die nu komen, en dan eerst naar AZC’s gaan.
We werden overal in Nederland in hotels en pensions gestopt. Dat moesten we later allemaal zelf terugbetalen hoor. Veel mensen hadden nog nooit een donker persoon gezien. Ze kwamen soms op je af om te voelen of je afgaf of je vingers bruin werden.
Maar het was niet altijd heel onaardig bedoeld. Soms waren er ook mensen die zeiden, waarom zijn jullie hier? Waarom gaan jullie niet terug? Dat is dan wel weer onaardig.’

Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.