Archieven: Verhalen

‘Blonde Jet verkocht mijn broer aan de Duitsers voor 7 gulden en 50 cent’

Het is een zonnige dag en Rolf Loewenstein woont eigenlijk niet zo ver van school. Toch gaan Sayff, Jayden en Alysa van ’t Karregat in Eindhoven met de auto naar hem toe, en dat vinden ze best leuk. Onderweg oefenen ze samen hun vragen alvast.

Meneer Loewenstein woonde met zijn ouders in de binnenstad van Eindhoven, boven hun schoenenwinkel aan de Demer. Hij was pas een jaar oud toen de oorlog uitbrak. Dat lijkt misschien nog heel jong, maar toch heeft hij een bijzonder en aangrijpend Joods oorlogsverhaal meegemaakt.

Waarom was u ondergedoken?
‘Mijn vader had vroeger een schoenenwinkel in Duitsland. Tijdens de Kristallnacht werden de ruiten van winkels ingegooid, ook bij ons. Overal hingen bordjes met ‘Niet kopen bij Joden’. Joodse mensen werden gepest en buitengesloten. Mijn vader ging naar de politie om het te vertellen, maar ook daar werd hij uitgescholden. Daarom besloot de familie te vluchten naar Eindhoven.

Daar begonnen mijn ouders opnieuw een schoenenwinkel, aan de Demer. Maar toen vielen de Duitsers ook Nederland binnen. Mijn vader, moeder, opa en oma moesten opnieuw vluchten. Ze kwamen terecht op een boerderij in Maarheeze. Ze betaalden om daar te mogen blijven en moesten slapen in een hooiberg. Mijn broer was 9 jaar oud en ik was nog maar 2 of 3 jaar. Mijn broer huilde vaak en soms was het erg koud.

De boer werd bang dat de kinderen hun zouden verraden. Daarom moesten wij weg. Er kwam een vrouw die zei dat ze mensen hielp onderduiken. Achteraf bleek zij een landverrader te zijn. Mijn broer en ik werden meegenomen. De vrouw, Blonde Jet genoemd, verkocht mijn broer aan de Duitsers voor 7 gulden en 50 cent. Mijn broer werd naar een concentratiekamp gebracht en vermoord. Ik kwam later in Apeldoorn terecht. Hoe ik daar precies gekomen ben, weet ik niet meer.’

Hoe is uw vader opgepakt?
‘De Duitsers hadden een Engels vliegtuig neergeschoten in de buurt van onze onderduikboerderij. Duitse soldaten waren op zoek naar de piloten. Mijn vader was waarschijnlijk aan het wandelen toen hij niet meer terugkwam. We denken dat hij is opgepakt.

Later werd verteld dat de Duitsers naar zijn papieren vroegen en dat mijn vader gezegd zou hebben: ‘Laat ze toch gaan, ik ben een Jood’. Maar of dat echt zo is gebeurd, weet ik niet zeker. Soms vertellen mensen verhalen die misschien niet helemaal kloppen. Daarom zeg ik altijd: ‘Je moet niet alles geloven wat mensen zeggen. Denk ook zelf goed na.’ En ondanks alles vind ik nog steeds dat Nederland het beste land van de wereld is.’

Hoe vond u het dat u een nieuwe naam kreeg in de oorlog?
‘Ik weet er niets meer van. Ik kreeg denk ik een nieuwe naam zodat de Duitsers niet zouden ontdekken dat ik Joods was. Bij het gezin waar ik ondergedoken zat, noemden ze mij Wimpie. Zo probeerden ze mij veilig te houden als er Duitsers langskwamen. Het gezin had nog twee zonen en een dochter. Soms mocht ik bij iemand op de rug zitten en via de trap naar bed worden gebracht. Dat vond ik fijn en gezellig.

Soms liepen er ook Duitse soldaten voorbij. Buiten was een diepe greppel gegraven, afgedekt met houten platen en zand. Daar konden we schuilen als er bombardementen waren of bommen zouden omvallen.’

Wat gebeurde er na de oorlog?
‘In mei was de oorlog afgelopen en pas in augustus haalde mijn moeder me op, ze wist niet waar ik was. Ik wilde eigenlijk niet mee. Ik wilde weglopen, omdat ik bang voor haar was. Ze had lang zwart haar en ze voelde voor mij als een vreemde vrouw. Ik kende haar niet meer. Ze kwam met een grote vrachtauto en zo reden we samen terug naar Eindhoven.

Opa en oma woonden ook bij ons in huis want er was toen woningnood. Maar ook zij praatten bijna nooit over de oorlog.

Ik wilde later graag weten hoe mijn moeder vanuit Duitsland naar Eindhoven was gevlucht. Maar als ik ernaar vroeg, zei ze dat ze het niet meer wist. Toch denk ik dat ze het wel wist, maar er niet over wilde praten.’

Archieven: Verhalen

‘Er vlogen honderden vliegtuigen over het huis die bommen lieten vallen’

Op een zomerse dag gaan Rodaina, Jinthe en Kris van’t Karregat in Eindhoven op bezoek bij Ton van Hugten (88 jaar). Ze kunnen lekker buiten zitten in een bijzondere tuin met kunstwerken van meneer Van Hugten over onderwerpen die hem na aan het hart liggen. Daar hoort ook de Tweede Wereldoorlog bij en hij kan boeiend vertellen over de dingen die hij toen meemaakte.

Kunt u iets vertellen over de radio die werd verstopt?
‘Zoals je weet waren wij in oorlog met Duitsland. Daarom waren hier veel Duitse soldaten. Daar waren wij best wel bang voor. Ze gingen bijvoorbeeld bij het winkeltje van mijn tante Bets, hier in de straat, allerlei spullen halen. En die namen ze dan mee zonder te betalen. Ook was het verboden om een radio in huis te hebben. Maar mijn vader wilde de radio niet inleveren. Hij groef een heel groot gat in de tuin en deed daar de radio in. Na de oorlog gingen we kijken of er iets van over was. En wat denk je…hij was nog helemaal in tact. Mijn vader had de radio dan ook in een zinken kist gedaan voordat hij de grond in ging!’

Was u bang tijdens de oorlog?
Ik was een kind en was me niet altijd bewust van het gevaar. Soms liep ik naar buiten en dan haalde mijn moeder mij snel weer naar binnen. Vooral mijn ouders waren bang, die wisten precies wat er gebeurde. Als kind heb je dat niet in de gaten. Regelmatig vlogen er vliegtuigen en bommenwerpers over. Op een dag vlogen er honderden vliegtuigen over het huis die bommen lieten vallen. Alle ramen waren kapot. Toen kregen we oorlogsglas. Dat was veel dunner dan normaal glas en je kon er amper doorheen kijken.’

Hadden jullie een eigen schuilkelder?
‘Als het luchtalarm afging, moesten wij zo snel mogelijk naar de schuilkelder. Er waren dagen dat het luchtalarm wel drie keer op een dag afging. Onze schuilkelder is nog steeds hier in huis te zien, want ik ben hier altijd blijven wonen. Ieder huis had toen zo’n kelder, maar er zijn er niet veel bewaard gebleven. Kom maar eens kijken.’ Meneer Van Hugten loopt naar de schuilkelder, eigenlijk een soort kelderkast met een trapje naar beneden. Hij doet voor hoe zijn moeder ging staan om hem te beschermen als ze in de schuilkelder waren. Het is wel heel krap…

Archieven: Verhalen

‘Zodra het alarm afging, begon Mirza heel hard te janken’

Binaisha, Warda en Rugved van ’t Karregat in Eindhoven gaan vandaag op bezoek bij Sjef Smeets. Hij staat al klaar in de deuropening en verwelkomt ze heel hartelijk. Samen nemen ze plaats aan de grote tafel in het lichte appartement. De kinderen kijken nieuwsgierig rond en zijn onder de indruk van alle kunstwerken aan de muur. Meneer Smeets stelt ze meteen gerust: er kan niets fout gaan, zegt hij lachend. Hij heeft veel te vertellen. Samen gaan ze even terug in de tijd, naar het zuiden van Nederland, naar Kerkrade tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Wat herinnert u zich nog van de oorlog?
‘Mijn ouders woonden bij mijn grootouders in huis in Kerkrade. Ook mijn ooms en tantes woonden daar. Ik was het oudste kleinkind. Kerkrade is tijdens de oorlog wel 75 keer gebombardeerd.

Er waren twee soorten luchtalarmen. Het eerste alarm betekende dat er luchtgevechten tussen vliegtuigen waren of dat er vliegtuigen overvlogen. Het tweede alarm klonk heel hard en gemeen. Dan moesten we snel naar de kelder, daar heb ik veel gezeten.

In de kelder gebeurde altijd hetzelfde: opa moest eerst nog even naar het toilet. De rest van de familie was dan bang dat hij niet op tijd terug zou zijn. Opa had ook een zwarte hond, Mirza. Zodra het alarm afging, begon Mirza heel hard te janken.

Uw vader zat in het verzet. Kunt u daarover vertellen?
‘Mijn vader hoorde bij het verzet in Kerkrade. Ze schreven briefjes en pamfletten om mensen moed en hoop te geven en die stopten ze stiekem in brievenbussen. Mijn vader is gelukkig nooit opgepakt, maar de oorlog had niet veel langer moeten duren. Mijn moeder was altijd bang dat hij niet terug zou komen.

Ik herinner me ook het verhaal van Dirk Docter. Hij was 18 jaar en gevlucht omdat hij niet in Duitsland wilde werken. Dirk werd ziek en mijn vader regelde een dokter voor hem. Helaas overleed hij toch. Mijn vader beloofde hem zijn moeder te vertellen wat er gebeurd was. Dirk is later herbegraven in Beverwijk en mijn vader zorgde voor het transport hiervoor.

In 2005 heb ik zijn familie opgezocht en alle brieven tussen mijn vader, Dirks moeder en hun dominee aan hen gegeven. Ik ben trots op mijn vader. Daarom heb ik later ook boeken over de oorlog geschreven. Ik neem interviews af bij mensen die hun familie-oorlogsgeschiedenis willen laten optekenen. Inmiddels heb ik bijna 140 mensen bezocht in het zuidoosten van Brabant.’

Wat staat u het meest bij over de evacuatie van Kerkrade?
‘Ongeveer 30.000 mensen moesten Kerkrade verlaten. Iedereen nam mee wat hij kon dragen of meenemen. Niemand wist waar de stoet mensen naartoe ging. Er was afgesproken dat er niet geschoten zou worden tijdens de evacuatie, maar de Duitsers hielden zich daar niet aan.

Ik zag onderweg iemand die ik kende dood in een sloot liggen. Ik was nog jong en begreep toen niet helemaal wat dat betekende. Wij gingen uiteindelijk met familie naar Voerendaal. Na drie maanden gingen we terug.

Mijn familie heeft mij altijd beschermd. Daarom voelde de oorlog voor mij als kind niet altijd heel angstig. Maar sommige dingen heb ik onbewust toch meegenomen, bij hard onweer of harde geluiden moet ik soms erg schrikken.’

Wat kunt u zich herinneren van de bevrijding?
‘Ik was een verlegen jongetje en bleef veel binnen. Maar na de oorlog was er groot feest. Voor het huis van mijn opa in Voerendaal was een veldkeuken, we kregen van de Amerikanen corned beef, chewing gum en chocola. Soms kregen we voor de ouders sigaretten.

Naast het huis van de buren van opa en oma stonden een waterput en waterpomp en daarom kwamen veel Amerikaanse soldaten bij ons in de buurt. Op een dag reed er een jeep voorbij en een soldaat verloor zijn muts. Ik wilde die muts heel graag hebben, maar ik durfde hem niet op te rapen. Zo verlegen was ik toen.

Ik ben heel blij dat mijn familie de oorlog heeft overleefd. Als ik zie wat er nu in de wereld gebeurt, denk ik soms: het blijft een rare en moeilijke tijd, voor jong en oud. Daarom ben ik ook blij dat scholen aandacht besteden aan de oorlog en vrijheid.’

Archieven: Verhalen

‘Ook de kleine kinderen kregen meteen een kampnummer op hun arm getatoeëerd’

Hoewel groep 8 van ‘t Karregat in Eindhoven vandaag een vrije dag heeft, komen Rebecca, Esther, Yasmine en Nour toch naar school om te luisteren naar het aangrijpende verhaal van Sheila Meinhardt. Ze vertelt over haar opa en oma, een Sinti-echtpaar dat de oorlog en de kampen overleefde. ‘Een wonder’, noemt ze het zelf, ‘anders was ik er vandaag niet geweest.’ De kinderen zijn zichtbaar onder de indruk. Mevrouw Meinhardt vertelt ook over transgenerationeel trauma: hoe verdriet en angst van vroeger soms nog generaties later voelbaar kunnen zijn.

Wat is uw opa en oma overkomen?
‘Mijn opa en oma kwamen uit Duitsland, maar mijn voorouders kwamen ooit uit India. Toen waren er nog geen paspoorten. Daarom kregen ze soms een brief van een pastoor, priester of andere belangrijke mensen waarin stond dat ze op bedevaart waren. Bij de grens lieten ze die brief zien en dan mochten ze verder reizen.

In 1942 trouwden mijn opa en oma met elkaar. Mijn opa noemde ik ‘Papo’. Op 9 mei 1944 werd hij opgepakt en naar een kamp gestuurd. Een week later, op 16 mei 1944, werd ook mijn oma opgepakt. Het was heel vroeg in de ochtend. Mijn oma was samen met haar dochtertje Helene en haar schoonmoeder toen er een razzia kwam. Dat betekent dat mensen plotseling werden opgepakt.

Ze moesten snel hun spullen pakken en werden hardhandig op de trein gezet. Eerst gingen ze naar kamp Westerbork en daarna naar Auschwitz. De nazi’s wilden Sinti- en Joodse mensen oppakken. Het was allemaal van tevoren bedacht en gepland.’

Hoe werkt het trauma door?
‘Toen mijn oma aankwam in het kamp, werden mannen en vrouwen meteen van elkaar gescheiden. Ze moesten heel zwaar werk doen, stenen dragen en soms wapens maken. Mijn oma moest ook zware stenen sjouwen terwijl ze hoogzwanger was. De mensen werden niet als echte mensen behandeld. Ze moesten reizen in een goederenwagon, een trein die normaal gebruikt werd voor koeien en varkens. Er waren geen stoelen, geen bedden en bijna geen eten of drinken. Je kunt je voorstellen hoe moeilijk en verdrietig die reis moet zijn geweest.

In het kamp moest iedereen proberen te overleven. Mijn oma wist niet waar mijn opa was, en mijn opa wist niet waar mijn oma was. Baby Josef werd geboren in Auschwitz. Hoe klein de kinderen van mijn oma ook waren, ze kregen meteen een kampnummer op hun arm getatoeëerd. Helene was pas 2 jaar oud en baby Josef was net geboren.

Na de oorlog vonden mijn opa en oma elkaar gelukkig weer terug. Samen kregen ze later nog elf kinderen, onder wie mijn vader.’

Hoe kwam u erachter dat uw oma een oorlogsverleden had?
‘Eerst wist ik dat helemaal niet. Op een dag was ik samen met mijn mami in een museum. Ik had net mijn communie gedaan, ik was toen 8 jaar oud en mijn oma was 66 jaar. In het museum zag ik ineens heel vaak mijn achternaam terug op foto’s en lijsten. Toen dacht ik: dit is mijn familie… Dat was een grote schok voor mij. Ik vond het heel heftig om te ontdekken dat zoveel familieleden in de oorlog waren omgekomen.

Daarna ben ik verder gaan zoeken naar mijn familiegeschiedenis en hoe mijn oma de oorlog had overleefd. In veel families wordt hier niet makkelijk over gepraat omdat het erg pijnlijk is. Een oorlogstrauma zit van binnen. Je ziet het niet, zoals een gebroken been, maar het kan er wel altijd zijn. Daarom is het belangrijk dat we erover durven praten en dat het geen taboe blijft.’

Hoe verwerkt u dit allemaal?
‘Ik ben gaan schilderen als een soort therapie. Door het schilderen ontdekte ik meer over wie ik ben en over mijn identiteit. Er kwamen mooie gevoelens en herinneringen naar boven. Daarna ben ik ook over mijn familieverhaal gaan vertellen. Het verhaal van mijn familie is ook een deel van mijn eigen verhaal geworden.

Foto’s liggen in mijn familie gevoelig, daarom leggen wij liever niet alles vast met camera. Met tekenen kan ik toch laten zien wie mensen waren en welke gevoelens zij hadden. Ik vind het mooie mensen en probeer hun gezichten en uitdrukkingen goed weer te geven.

Hitler keek in de oorlog naar ras en uiterlijk. Sinti- en Roma-mensen vond hij niet passen in zijn ideaal beeld. Dat is heel verdrietig en oneerlijk.

Ik wil mijn verhaal graag delen, zodat andere mensen er meer over leren. Ik zie het als een wonder dat mijn opa en oma de oorlog hebben overleefd. Soms voel ik mij bang of verdrietig zonder precies te weten waarom. Nu begrijp ik dat dit te maken heeft met wat mijn familie in de oorlog heeft meegemaakt. Dat heet transgenerationeel trauma. Via mijn vader en oma zijn die gevoelens ook bij mij terechtgekomen. Door te schilderen, tekenen en erover te praten kan ik het beter verwerken en maak ik het bespreekbaar.’

Archieven: Verhalen

‘Toen wij over de Boschdijk liepen, begon er een bombardement bij de Philipsfabrieken’

Paul Weijts krijgt Melis, Oubayda en Kay van ’t Karregat op bezoek. De kinderen hebben onderweg al een beetje geoefend hebben met vragen stellen en doorvragen. Ze zijn heel geïnteresseerd in wat meneer Weijts te vertellen heeft, maar ook in wat hij aan de muur heeft hangen: schilderijen en ook herinneringen aan de oorlog.

Hoe was het begin van de oorlog?
‘Ik was nog maar 2 jaar oud toen de oorlog begon, we woonden op de Barrierweg in Woensel. Mensen waren bang, dat voelde je als kind, maar verder had ik een normaal leven. Je zag Duitse soldaten, en die deden niets. De grootste angst was de Grüne Polizei, die hield in de gaten of iedereen wel binnen was ’s avonds. We gingen naar de kleuterschool van de nonnekes, dat heette toen een bewaarschool. Maar in ’43-‘44 moesten we uit het gebouw want er werden jonge Duitse soldaten ingekwartierd. Dus moesten we naar een andere school, in de Woenselsestraat. Tijdens een van die wandelingen vlogen er vliegtuigen over, en toen riep juffrouw Panhuizen: ‘In de sloot!’ Daar werd ik geraakt door iets in mijn been. Ik had een wond en het bloedde, maar het deed niet pijn. Er werd later verband omheen gedraaid, maar ik huilde niet. Ik was daarom meteen een held. Ik kreeg een extra snoepje en koekje, voor een kind was dat best leuk.’

Was de stad gebombardeerd?
‘Ja, op de dag van het Sint Nikolaasbombardement, op 6 december 1942, zouden we naar een voorstelling gaan in het theater. Mijn vader, broer en ik gingen vooruit, want mijn moeder wilde de jas van mijn zus nog snel repareren omdat alle knopen er vanaf waren gevlogen. Toen wij over de Boschdijk naar de stad liepen, begon er een zwaar bombardement bij de Philipsfabrieken. We werden ergens binnen geroepen om te schuilen. Mijn moeder en zusje waren intussen thuis onder de trap gaan zitten. We zagen dat de fabrieken in brand stonden, dat was heel erg spannend.’

Kwamen de soldaten ook bij u thuis?
‘Ja, er was een Duitse soldaat bij ons ingekwartierd: die kwam bij ons thuis ‘logeren’. Hij had ook een geweer, dat stond zo in de gang maar daar mochten we niet aankomen.

Tegen het einde van ‘44 was ik 6 jaar oud, en ik zou naar de lagere school moeten. Maar die zaten allemaal vol militairen. En toen kwamen de Tommies (Engelse soldaten, red.) ons bevrijden. Wij gingen luisteren naar hun verhalen, hoe ze vanuit Frankrijk door België naar Nederland waren gekomen. In die winter bleven ze in Eindhoven. Twee van die Tommies kwamen bij ons in huis, ze woonden op zolder. Ze brachten gezelligheid en zongen soldatenliedjes, dan zongen wij mee.

Op een gegeven moment zaten de Tommies aan tafel, en toen begon ons hondje te piepen. Die Tommies gingen meteen onder de tafel zitten. Ze wisten dat een hond kon voelen als er bommen aankwamen of misschien geluiden al eerder kon horen.’

Hoe zag de bevrijding eruit?
‘Chaotisch, er waren heel veel tanks, soldaten, en zingende mensen, het was feest in de stad. Die Tommies hadden een keuken gemaakt op de speelplaats, daar speelden wij. Ik was op de muur geklommen en had 10 pence en vroeg aan die Tommy: ‘Can I have a sandwich please?’ Hij pakte het 10 pence-muntje aan en gaf mij toen een boterham met boter en aardbeienjam. Dat was de lekkerste boterham ooit.’

Uw vader was pro-Duits, hè?
‘Ja, hij was pro-Duits en werd na de oorlog in Vught opgesloten. Zijn broer was onderhoudsmonteur in Kamp Vught. Hij had mensen nodig dus nam hij mijn vader mee voor allerlei karweien. Ik heb hem daar een paar keer bezocht.

Mijn vader was voor de oorlog lid geworden van de Vincentiusvereniging, die deelden kleding uit aan arme mensen, maar die werd opgeheven door de Duitsers. Zijn oudere broer zei toen: je moet de Winterhilfe (Winterhulp, red.) gaan steunen. Die regelden kleding voor Duitsers die uit Polen waren gejaagd en alles kwijt waren. Dat is hem na de oorlog heel erg kwalijk genomen. Maar hij was eigenlijk een hele aardige man.’

Wat is het ergste dat u heeft gezien?
‘Ik heb gezien dat er Duitse en Engelse soldaten werden begraven. Duitse soldaten die niet meer bewapend waren moesten die graven maken, terwijl ze onder schot gehouden werden. Dat weet ik nog heel goed. Ik heb daar lang niet over gesproken. Je ziet dan een arm met een streep van een sergeant, en dan gaat ie in de grond. Ze vuurden ook saluutschoten af, als kinderen vonden we dat heel spannend.’

Archieven: Verhalen

‘Wij haalden de granaten open en gebruikten het kruit als vuurwerk’

Neyo, Zafirah, Omar en Benjamin van ’t Karregat in Eindhoven gaan met de auto op bezoek bij Guus de Kok. Meneer De Kok was 5 jaar oud toen de oorlog begon. Hij woonde aan de Geldropseweg en heeft de Duitse soldaten Eindhoven zien binnenkomen en later ook weer zien vertrekken. Samen met zijn oudere broer haalde hij veel kattenkwaad uit. Vlak bij hun huis lag een militaire begraafplaats, en dat maakte de jongens natuurlijk extra nieuwsgierig…

Waar woonde u in de oorlog?
‘We woonden aan de Geldropseweg 229, vlakbij het oude Daf-kantoor, in een van de rijtjeshuizen die daar vroeger stonden. Ik ben daar ook geboren. De grote rondweg was er toen nog niet.

Vanuit ons huis konden we zien hoe de Duitse soldaten vanuit Duitsland via Geldrop Eindhoven binnenkwamen. Ik zat op de schutting toen er een grote Mercedes stopte. Duitse officieren stapten uit en belden aan. Ze zeiden: ‘Wasser, bitte’ tegen mijn moeder maar zij verstond geen Duits. Dus wees zij naar de wc. Een van de mannen liep door naar de keuken en vulde een keteltje met water. Dat hadden ze nodig voor de radiator van hun auto. Het was mijn eerste ontmoeting met Duitsers.’

Heeft u iets naars meegemaakt?
‘Ons gezin niet, maar we hadden contact met aardige aardappelboeren uit Geldrop. Zij kwamen altijd aardappels bij ons thuis brengen, totdat dat opeens niet meer gebeurde.

Hun zus had verkering gekregen met een Duitse sergeant. Haar broers vonden dat verschrikkelijk. Op een avond kwam hun zus niet thuis. Een van de broers pakte toen een broodmes en vermoordde de Duitse sergeant.

Daarna werden allebei de broers opgepakt. Een broer werd geëxecuteerd, de andere broer werd naar een kamp in Duitsland gebracht. Daar heeft hij het heel zwaar gehad, maar hij heeft het wel overleefd. Na de oorlog is het nooit meer echt goed gekomen tussen de zus en haar broer.’

Heeft u ook bombardementen meegemaakt?
‘Onze keuken had een plat dak, waar mijn broer en ik vaak op gingen zitten. In de avond konden we dan de vuurgevechten zien: overal werd geschoten. Rondom ons huis zijn ook veel bommen gevallen. Ik ruik de kruitdamp soms bijna nog.

Op een keer waren we aan het eten toen de Demer werd gebombardeerd, dat gebeurde tijdens het Sinterklaasbombardement in 1942. Het hele huis schudde heen en weer. Ik kroop onder de tafel en werd helemaal heen en weer geschud. Dat vergeet ik nooit meer. Het was vreselijk.

Mijn vader werd toen opgeroepen om mensen onder het puin vandaan te halen. We merkten dat wat hij daar gezien had heel heftig was, maar hij heeft er bijna nooit over gepraat.

Aan het einde van de oorlog vlogen de Spitfires (Britse jachtvliegtuigen, red.) laag over ons heen. De Duitse soldaten waren op de terugtocht en doken snel de sloten in de buurt van ons huis in om zich te verstoppen. Mijn broer en ik deden precies het tegenovergestelde: wij kropen juist in hun auto’s en stalen sigaren en chocola uit de wagens. Dat vonden we toen spannend en stoer.’

Haalde u wel eens kattenkwaad uit?
‘Mijn oudste broer en ik trokken veel met elkaar op. In onze tuin stonden dahlia’s. Als je die uit de grond trok, zat er een grote kluit aarde aan. Mijn broer en ik probeerden die kluiten naar de overkant van de weg te gooien.

Op een dag kwam er net een Duitse bus aanrijden. De kluit vloog zo de bus in! Meteen stapte er een Duitse officier uit. Mijn broer rende snel het korenveld in en ik holde naar huis.

Even later stonden de Duitsers bij ons aan de deur. Ze hadden gevraagd waar wij woonden en we kregen een flinke preek. Gelukkig begrepen ze uiteindelijk dat het een ongeluk was geweest.

Toen de Duitsers zich terugtrokken, gooiden ze veel spullen in het water. ’s Avonds gingen wij die eruit vissen. We vonden kogels en kogelbanden van mitrailleurs. Daarna gingen we de bossen in met een hamer en sloegen op de kogels, zodat ze afgingen. Tussen de gewone kogels zaten ook lichtkogels. Dan zag je ineens een felle lichtstraal door het bos vliegen.

Vlak bij ons huis, aan het Zwarte Pad, stond een villa. Aan de andere kant lag een militaire vuilnisbelt. De Amerikanen letten daar niet zo goed op. Ik zat eens in een tank op de vuilnisbelt. Overal lagen granaten. Wij haalden de granaten open en gebruikten het kruit als vuurwerk in de avond.

Tijdens de gevechten lagen ook granaten die eruitzagen als dennenappels. De geallieerden gooiden die in schuttersputjes waar Duitse soldaten zich verstopt hadden. De volgende dag zagen wij die granaten nog liggen. Wij schopten er gewoon tegenaan, omdat we niet wisten hoe gevaarlijk ze waren. Ze leken voor ons net op dennenappels. Maar toen werden we gepakt door een Britse militair. Hij nam ons mee en liet in een weiland zien hoe zo’n granaat ontplofte. Toen pas begrepen we waar we eigenlijk mee gespeeld hadden.’

Archieven: Verhalen

‘Na de oorlog mocht ik naar Zwitserland om bij te komen’

Els Peeters woont vlak bij de school ’t Karregat in Eindhoven. Eigenlijk zou ze de eerste les op school komen geven, maar die dag voelde ze zich niet zo lekker. Daarom is ze extra enthousiast om Isabella, Sarah en Finn alsnog thuis te ontvangen en haar verhaal te vertellen.

De kinderen hebben er zin in en voelen zich meteen welkom bij mevrouw Peeters, die vroeger onderwijzeres was. Ze kan heel goed vertellen en heeft zelfs snoepjes in huis gehaald. Maar daar moeten de kinderen nog even op wachten, want eerst luisteren ze aandachtig naar haar bijzondere verhaal. Mevrouw Peeters was 5 jaar toen de oorlog uitbrak.

Wat heeft diepe indruk op u gemaakt?
‘Ik was 8 jaar oud en kwam uit school toen ik hoorde dat mijn vader ineens was meegenomen. Die middag liep hij langs de synagoge, waar de Duitsers bezig waren het gebouw kapot te maken en de ster eraf te halen. Mijn vader zei iets in de trant van: ‘En zelfs dát maken ze kapot…’ Daarop werd hij meteen opgepakt.

Hij heeft eerst zes weken in de gevangenis gezeten en werd daarna naar concentratiekamp Vught gebracht. Mijn zusje mocht via het Rode Kruis een pakketje naar hem brengen. Mensen uit de buurt hielpen mee: de één gaf een brood, de ander wat vleeswaren. Mijn vader vertelde later dat hij alles deelde met de zes tot acht mannen met wie hij op een kamer zat. Dat voelde voor hen als een klein feestmoment.

En net zo plotseling als hij was verdwenen, kwam hij in 1943 weer thuis. Ik herkende hem bijna niet meer…’

Heeft u ook wel eens kattenkwaad uitgehaald?
‘Nou, dat deed ik vooral samen met mijn oudere broer. In de oorlog moesten alle Nederlanders hun radio inleveren. Ik zat achterop de fiets bij mijn broer, met de radio op schoot. Mijn broer gaf de radio aan de Duitsers, maar liet hem expres meteen vallen. Zo was de radio kapot en had niemand er nog iets aan. Met zulke kleine dingen lieten mensen merken dat ze het niet fijn vonden dat Nederland door de Duitsers bezet was.

Mijn broer Henk was zeven jaar ouder dan ik. Hij ging vaak met zijn vrienden op avontuur. Op een dag ontdekten ze een garage vol terreinwagens van de Duitsers. Henk vond landkaarten prachtig en die lagen in de wagens. Hij wilde een paar kaarten meenemen. Maar vlakbij een vat benzine ontstond plotseling brand. Henk moest dwars door de vlammen lopen.

Even later stond er al iemand aan de deur om hulp te halen. Mijn moeder probeerde eerst zijn brandwonden met melk te verzorgen, maar het was zo erg dat de dokter moest komen. Henk moest eigenlijk naar het ziekenhuis, maar mijn moeder durfde dat niet. Ze was bang dat het ziekenhuis aan het einde van de oorlog gebombardeerd zou worden. Daarom werd hij heel liefdevol verzorgd door een Duitse non bij ons thuis. Zij kwam elke dag lopend naar ons toe. Mijn zei moeder altijd: ‘Je kunt niet zeggen dat alle Duitsers slecht waren’.’

Hoe heeft u uw trauma verwerkt?
‘De geluiden van vliegtuigen vond ik iets vreselijks. Ze vlogen soms heel laag boven de stad, zo laag dat je de bommen onder de vliegtuigen kon zien hangen. Ik zorgde altijd dat ik zo snel mogelijk veilig thuis bij mijn moeder kwam.

Ik sliep samen met mijn zusjes in een groot tweepersoonsbed. Mijn oudste zus kwam later naar bed. Als ik het geluid van de bommenwerpers hoorde terwijl ik alleen lag, rende ik meteen naar beneden naar de huiskamer. Daar mocht ik blijven totdat de vliegtuigen weer weg waren. De hond van de buren voelde het al aankomen als er bommen aankwamen. Dan gedroeg hij zich anders.

Na de oorlog mocht ik naar Zwitserland om bij te komen van alles wat ik had meegemaakt. Een Nederlandse mevrouw die daar was gaan wonen, haalde mij op. In het begin had ik veel heimwee en wilde ik alleen maar naar mijn moeder terug. Maar later kreeg ik het daar toch fijn. Op een dag speelde ik buiten in Zwitserland, toen er ineens een vliegtuig laag overvloog. Ik schrok zo erg dat ik meteen naar mijn Zwitserse moeder toe rende. Zo bang was ik nog steeds voor vliegtuigen.

Toen ik 54 jaar was, werd ik ziek. In Limburg ging ik in therapie, in een oud kasteeltje. Iedereen had daar een eigen plankje in de kast en kookte zijn eigen eten. Soms kookten we ook voor elkaar. Daar heb ik veel Duitse vrienden gemaakt, en die heb ik nog steeds. Na mijn pensioen ben ik er vrijwilligerswerk gaan doen.’

Archieven: Verhalen

‘Wij denken dat een van de buren mijn opa heeft verraden’

Berfin, Natan en Melis van ’t Karregat in Eindhoven mogen op bezoek komen bij Dré Rennenberg, in zijn kantoor boven de Albert Heijn. De kinderen willen liever niet met de lift en lopen via de vele trappen helemaal naar boven. Daar worden ze vriendelijk ontvangen door meneer Rennenberg. Hij zit al klaar en een collega haalt een glaasje ranja voor de kinderen.

Meneer Rennenberg was 2 jaar oud toen de oorlog begon en woonde in de Leostraat, waar nu de rondweg van Eindhoven ligt. Hij heeft in de oorlog veel meegemaakt en veel verhalen te vertellen. Daar heeft hij later zelfs een boek over geschreven.

Kent u mensen in het verzet?
‘Mijn vader en opa zaten in het verzet, opa woonde in de Heistraat. Zij luisterden elke avond stiekem naar Radio Oranje, terwijl dat in de oorlog verboden was. Op een dag is opa verraden. De Duitsers hadden een auto die radiosignalen kon opsporen.

De Duitsers namen mijn opa mee en brachten hem naar kamp Vught. Daar kreeg hij een zware longontsteking. Later werd hij naar het ziekenhuis gebracht, het was te laat, hij is overleden. Wij denken dat een van de buren hem heeft verraden, maar dat kunnen we niet bewijzen.

Nadat opa was gestorven, gingen we bij oma wonen. Ik moest nieuwe vriendjes zoeken en soms sliep ik bij de buren in een heel klein bedje omdat oma’s huis te klein was. Dat vond ik niet leuk.’

Merkte u iets van het verzet?
‘Mijn vader zat lange tijd bij de ondergrondse, het verzet tegen de Duitsers. Mensen kwamen stiekem bij elkaar om plannen te maken. Als bijvoorbeeld iemand was meegenomen door de Duitsers, bedachten ze manieren om die persoon weer vrij te krijgen of te helpen ontsnappen. In onze keuken zaten dan vier of vijf mensen samen om zich voor te bereiden. Ze bespraken waar de Duitsers waren en wat ze moesten doen als de bevrijding zou komen. De Duitsers hadden dat gelukkig niet in de gaten.

Ik had ook een oom die heel goed was in talen. De Duitsers hadden hem gevangengenomen om te vertalen voor hen. Maar hij wist te ontsnappen. Via via heeft het verzet hem terug naar Nederland geholpen. Daarna dook hij bij ons thuis onder. Op zolder zat hij verstopt achter een schot in de muur. Je kon helemaal niet zien dat daar iemand zat. Hij heeft het gered en is later voor de processen van Neurenberg gaan vertalen. Daar werden mensen berecht die zware misdaden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden begaan.’

Wat gebeurde er vlak na de oorlog?
‘Na de oorlog kregen we Engelse soldaten in huis. Een van hen heette Julian Whitman, ik kan hem nog altijd goed herinneren. Julian was verpleegkundige, ongeveer 25 of 30 jaar oud, net getrouwd en kwam uit Londen.

In de winter van 1944 had ik het erg koud. Ik stopte mijn voeten in de stoof om warm te worden, maar toen stootte ik hard mijn knie tegen de kachel. Dat deed veel pijn. Julian smeerde er een zalfje op dat heel lekker rook. Mijn knie genas daarna snel.

Mijn moeder breidde later een truitje voor het kindje van Julian. We hadden zijn adres nog. Maar waarschijnlijk is hij tijdens de Slag om Arnhem omgekomen.

Ik denk er vaak over om een brief naar zijn familie te sturen, om te vragen of er nog nabestaanden zijn en ze te vertellen wat hij voor me betekend heeft.’

Archieven: Verhalen

‘Ik geloofde niet dat zij mijn moeder was’

Effrata, Awighna, Loujaine en Gregory van de Botteloef in Amsterdam-Noord interviewen Samuel de Leeuw (1941). Hij is Joods en was nog maar een baby tijdens de oorlog. Zijn vader en veel familieleden overleefden de oorlog niet. Omdat het te gevaarlijk werd, heeft zijn moeder hem aan het verzet meegegeven om hem te laten onderduiken in Limburg. Daar werd hij liefdevol ontvangen door een echtpaar en kreeg hij de naam ‘Baukje’.

 Wat kunt u over uw ouders vertellen?
‘Mijn ouders werkten in een regenjassenfabriek Hollandia-Kattenburg in Amsterdam-Noord. Tijdens een razzia op 11 november 1942 was mijn moeder niet aan het werk, ze was thuis met mij samen. Maar mijn vader is meegenomen door de Duitsers en met veel anderen naar Auschwitz gestuurd. Hij is daar vermoord. Er waren totaal met familieleden 700 mensen. Die zijn allemaal opgepakt.

Mijn moeder is, nadat ze mij had meegegeven aan het verzet, zelf ondergedoken in Heiloo. Ze werkte daar in een grote villa in Heiloo bij een vrouw met drie kleine kinderen waar ze voor zorgde. De vader van het gezin was ondergedoken in de kelder van zijn eigen huis! Zijn kinderen wisten van niets.’

Waar zat u ondergedoken?
‘Ik zat ondergedoken  in Limburg. Mijn moeder maakte een moeilijke keuze: ze gaf mij, een baby van één jaar, weg aan mensen die ze niet kende, zodat ik veilig zou zijn. Ik werd ondergebracht bij een echtpaar in Heerlen, Limburg. Zij hadden zelf geen kinderen. Eerst woonden we in het centrum. Ze verhuisden omdat ik op het balkon altijd liedjes aan het zingen was en ze bang waren dat buren argwaan kregen. In het begin was ik zogenaamd hun neefje. Mijn pleegouders noemden mij Baukje. Ze woonden in een katholieke omgeving en ging later naar school bij de nonnen. Ik speelde veel met buurtkinderen. We hadden een grote tuin waar mijn pleegvader ook groenten verbouwde.’

Hoe heeft uw moeder u weer gevonden?
‘Tijdens de oorlog kregen mensen een bonkaart op naam voor voedsel. Bij mijn pleeggezin stond per ongeluk mijn echte naam op een bonkaart. Zo ontdekte mijn pleegvader wie ik was en schreef hij na de oorlog via het Rode Kruis een brief aan mijn moeder. Zij wist toen dat ik nog leefde en ze hebben elkaar geschreven. Toen mijn moeder mij kwam ophalen na de oorlog  vroeg ik mijn pleegmoeder: ‘Wie is die mevrouw?’ Ik geloofde niet dat zij mijn moeder was en ik zei; ‘nee, u bent mijn moeder.’ Langzaamaan moesten we aan elkaar wennen en mijn moeder bracht me regelmatig terug naar Limburg.

We reisden liftend naar Amsterdam, omdat de treinen nog niet reden. De stad was grotendeels verwoest  en de wegen waren kapot. Uiteindelijk ging ik naar school in Amsterdam, maar ik bleef contact houden met mijn pleegouders. Mijn eigen kinderen noemden hen later ook opa en oma’.’

 

Archieven: Verhalen

‘Als kind sprak ik niet; dat kwam door angst en stress’

Patrick, Pelin, Julie en Sarah van De Botteloef in Amsterdam-Noord interviewen Els Burger op school. Mevrouw Burger was vijf jaar toen de oorlog begon, had een zus en broertje. Ze woonden in de Spechtstraat, die werd gebombardeerd. Ze heeft allemaal spullen uitgestald. De kinderen zijn onder de indruk van de vele foto’s, voedselbonnen en zelfs een blikje smeerkaas van een voedseldropping. Een handgranaat omgebouwd tot kruik, ..ze mogen alles vasthouden en bekijken.

Wat kunt u over uw ouders vertellen?
‘Ik weet dat mijn vader en mijn oom naar een werkkamp in Duitsland gingen, naar een munitiefabriek. . Ze sabotteerden de onderdelen. Gingen allemaal deeltjes verkeerd erin zetten zodat ze het niet goed konden gebruiken. En mijn vader en mijn oom mochten ombeurten  terug naar huis.|

Russische kinderen zaten ook gevangen in het kamp.  Mijn moeder ging toen jasjes maken van paardendekens voor hun, omdat ze geen kleding hadden en het heel erg koud was.

 Heeft u nog bombardementen meegemaakt?
‘Ja. Wij hebben meegemaakt dat er bommen vielen. Mijn moeder ging op een dag eten halen en mijn oma paste op ons. Ze ging naar Purmerend en toen werd onze Spechtstraat gebombardeerd. De halve straat was weg. Ons huis is ook flink beschadigd geraakt, de deur kon niet meer open en de ramen waren kapot. Ik moest me in de wc verstoppen, want mijn oma zei dat de kleinste plek, de beste plek was om je te verstoppen. We hoorden hard kloppen op de deur. Mijn oma dacht dat het de Duitse politie was. Maar het waren mensen om ons te helpen uit het huis te gaan. Mannen met overalls aan en touwen.

Kende u Joodse mensen?
Op school had ik een Joods vriendinnetje, Marleen. Ze woonde in de Kalkoenstraat in Amsterdam-Noord. Ik weet nog goed dat ik na school met haar naar huis ging. Bij hun moesten we dan een kale houten trap op. Beneden aan de trap riep zij al naar boven: ‘Mama, ik ben het, Marleen, ik kom er aan!’ Het huis was bijna helemaal leeg en heel kaal, alleen in de keuken stond een tafel met wat stoelen. En in de woonkamer een linnenkast. In de kamer riep Marleen weer: ‘Mama, ik ben thuis’. Dan kwam haar moeder uit die kast. Uit angst voor razzia’s had ze zich daar verstopt. Dat vergeet ik nooit meer.’

Heeft u nog herinneringen aan de oorlog?
‘Ja, in 1985 was er was een bevrijdingsdag. Ik was daar ook bij. Er kwamen vliegtuigen overvliegen en ik hoorde dat zoemende geluid. En toen kwamen die nare herinneringen weer terug. Ik hoorde later van mijn moeder dat ik niet ging praten. Ik kon wel praten, maar dat is vermoedelijk toch door de angst en stress gekomen.’

Hoe was het eind van de oorlog?
‘Ik ging naar Drenthe ging om sterker te worden. Een dorpje Blijham. Ik heb zeker honger gekend. Ik woog maar 18 pond na de oorlog, dus ik ging naar het platteland om aan te sterken. We gingen nog vele jaren daarheen tijdens vakanties mijn zus en ik. Daar zag ik mijn vader ook terug. Die was helemaal komen lopen uit Duitsland af en toe liftend. Mijn oom en hij zaten onder de luizen en mijn oom had blijvend gezondheidsklachten overgehouden uit die tijd.’

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892