Oorlog in mijn Buurt
Mijn vader werd gefusilleerd, het stond in de krant
Kaylee ontmoet Ruud Jansen
Orelia Blinker komt op de Elifschool om geïnterviewd te worden doorJayda, Jannat, Malak en Eslem. De kinderen vangen haar op. Tijdens het interview laat mevrouw Blinker mooie tekeningen zien, die ze zelf heeft gemaakt de afgelopen 27 jaar over haar leven in Suriname. Zij kwam in 1965 naar Nederland en woont hier dus al 60 jaar geleden.
Waarom kwam u naar Nederland?
Ik kwam naar Nederland omdat mijn man al hier was. Mijn man was in Nederland dus toen ben ik hem achterna gekomen. Met de boot, het duurde twee weken, het was geen nare reis, het was net vakantie, een soort cruise.
Ik vond het moeilijk om bij m’n familie weg te gaan maar ik vond het ook leuk, want je gaat naar een andere omgeving, een ander deel van de wereld en ik vind het leuk om andere mensen te zien.
Wat maakte u mee in Suriname?
‘Ik speelde met mijn vriendinnen. Ik zat op school. Ik moest ook leren, net als jullie. Ik kom oorspronkelijk niet uit Paramaribo. Dus als ik vakantie had, dan ging ik terug waar ik geboren ben en dat was veel leuker dan in de stad. Dan was ik met familie.’
Hoe was het leven in Suriname?
‘Sommige mensen hebben het goed en sommige mensen zijn arm. En dat heb je overal. Maar in mijn tijd had iedereen te eten. Wij hadden geen elektriciteit, dus wij gebruikten altijd zo ’n olielampje om te lopen. Die hing je dan op en had je helder schijnend licht de hele avond. Net alsof je elektriciteit had.
We plantten zelf rijst, we verbouwden rijst en we oogstten zelf de rijst. En als we dat niet voor elkaar kregen om alles te kunnen oogsten, was er een groep mensen die kwam ons helpen. We hadden suikerriet. Suikerriet ging je persen. En het sap vingen we dan op met een emmer; daar kon dan suiker van gemaakt worden. Dat ging je persen en dan kookte je dat tot het een hele dikke stroop was geworden. Dan had je gewoon zoetigheid voor de koffie.’
Hoe voelde u zich toen uw vader en broer waren overleden?
‘Dat vond ik helemaal niet leuk toen mijn vader overleed want ik had een hele lieve vader. Als iemand overlijdt bij ons, dan rouwen ze acht dagen lang. Dus vanaf de eerste dag tot de achtste dag gaan ze zingen. Ze zingen liederen over het geloof. En dan eten en drinken ze. In de tussentijd wordt iemand ook begraven. In onze cultuur is de band heel hecht, de hele familie komt acht dagen bij elkaar.’
Wat maakte u allemaal mee als kind?
‘Ik ga een verhaal vertellen over een vis. Ik was ongeveer 15 jaar toen ik dit meemaakte. Wij aten vis die we zelf vingen bij de maaltijd. Als we vis hadden gevangen, dan gingen we die schoonmaken en wassen in de rivier. Het afval daarvan gooide je ook in het water. Die vissen die in de rivier leefden, die kwamen dat weer opeten. En op een dag was ik bezig vissen schoon te maken en ik had afval in de rivier gegooid en toen zag ik een hele grote boven komen. Ik wil niet overdrijven. Maar hij is misschien zo groot als die kast. Misschien zelfs groter. Plots zag ik hem en gaf ik hem er wat van dat afval. Ik dacht, op welke manier sluit ik vriendschap met die vis? Dus wat deed ik? Ik liep over een boomstam toen dacht ik… ik ga op die boom kloppen. In het water gaat het geluid verder. En toen kwam die vis. Iedere keer als ik vis ging schoonmaken deed ik dat en hij wende eraan. Iedere keer kwam hij terug en gaf ik hem eten…. Tot hij weg bleef. Ik was heel boos dat mijn vriend, mijn vis, weg was. Ik had wekenlang niet met hem gesproken. Hij is gevangengenomen en ‘geslacht’ door een visser.’


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.