Oorlog in mijn Buurt
‘Vergeet mij niet’
Jaydon, Neslisah, Nida ontmoeten Annie Fransma en Lientje de Jong, allebei 10 jaar toen de oorlog begon
Vida, Vanessa en Mila van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord, wachten meneer Henk Smit op in de OBA Molenwijk. Hij woonde tijdens de oorlog samen met zijn ouders in de Van Oldenbarneveldtstraat 10 in Amsterdam- West. Daar waren gelukkig geen bombardementen, maar door het gebrek aan eten hadden ze het wel zwaar.
Wat was uw gedachte toen u hoorde dat de oorlog was begonnen?
‘Er vlogen vliegtuigen over de stad heen. Ik was toen zes jaar. Ik heb de oorlog meegemaakt tot mijn elfde jaar. Je had het thuis al een beetje gehoord. Dat was toen in mei 1940. Maar dan ben je zes jaar. Dan droom je nog een beetje. Ik wist er te weinig van af. Ik wist helemaal niet wat oorlog was. En zo is het eigenlijk voor mij begonnen.’
Hadden jullie het zwaar in de oorlog?
‘Mijn moeder was veel ziek, maar daardoor hoefde mijn vader niet in Duitsland te gaan werken. Omdat mijn moeder zo ziek was kregen we ook extra bonnen voor boter. Nu konden we die extra boter weer ruilen voor wat anders bijvoorbeeld aardappelen. Zo deden we dat met de buren, met vrienden, met familie. Heb jij nog een beetje van dit? Dan heb ik nog een beetje van dat?
Later in de oorlog was er geen gas meer. Toen moest ik een potje met eten op de houtkachel warm maken. Dat was gewoon fikkie stoken in de huiskamer. Maar er was geen hout, dus hakte ik de planken van de wandkast in stukjes, om toch vuur te kunnen stoken.’
Wat droeg u voor kleding?
‘Er was niks te krijgen en we hadden ook geen geld voor nieuwe kleding. Ik weet nog wel dat ik een overhemd droeg en de boord die sleet het snelst. Maar dan knipte mijn moeder gewoon een stukje van de onderkant van de blouse en naaide dat op de boord, dan kon ie weer een tijdje mee. Uiteindelijk werd de blouse natuurlijk wel steeds korter.’
Hoe heeft u de Hongerwinter overleefd?
‘Toen er steeds minder te eten was, ben ik in januari 1945 buiten Amsterdam bij een boer gaan wonen, in de Wieringermeer. Daar ontdekte ik dat boerenmensen helemaal niet dom zijn, zoals men in de stad wel eens beweerde. De boer had drie hoogopgeleide kinderen en het werk was interessant. Ik heb na de oorlog nog jarenlang in de zomer bij hem gewerkt op het land. Ik hielp tijdens de oorlog ook mee op de boerderij en moest vaak mest scheppen, dat vond ik niet erg want het was erg koud. Soms ging ik midden op de mesthoop staan, daar kwam warmte vanaf. De boerin was een beetje streng, hard. Ik moest me bijvoorbeeld elke vrijdag wassen in een teil met ijskoud water. De boer was heel aardig, ook voor andere mensen. Er kwamen soms mensen uit Amsterdam die geen eten hadden, helemaal naar onze boerderij toe gefietst. Soms zaten er ’s avonds wel 15 mensen aan tafel. Ze sliepen in de stal. De volgende dag gingen ze weer verder of terug naar Amsterdam. Ik bleef daar tot 17 april 1945. Toen werd de Wieringermeerpolder door de Duitse bezetters onder water gezet en moest iedereen zijn huis verlaten. Ik kreeg daarom een nieuw plekje bij de boerenknecht en zijn vrouw in Nieuwe Niedorp.’
Hoe was de Bevrijding?
‘Ik heb daar eigenlijk niets van meegemaakt, want ik ging pas eind juni terug naar huis. Al mijn vrienden waren broodmager na de oorlog. Mijn moeder lag in het ziekenhuis en heeft helaas niet lang meer geleefd. Ze stierf vijf dagen na mijn verjaardag, die datum vergeet ik nooit meer.’

Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.