Oorlog in mijn Buurt
‘De dode mensen konden door de kou niet begraven worden’
Charlie, Sepp, Tijm, Wouter ontmoeten Jenny de Jong
Paul Weijts krijgt Melis, Oubayda en Kay van ’t Karregat op bezoek. De kinderen hebben onderweg al een beetje geoefend hebben met vragen stellen en doorvragen. Ze zijn heel geïnteresseerd in wat meneer Weijts te vertellen heeft, maar ook in wat hij aan de muur heeft hangen: schilderijen en ook herinneringen aan de oorlog.
Hoe was het begin van de oorlog?
‘Ik was nog maar 2 jaar oud toen de oorlog begon, we woonden op de Barrierweg in Woensel. Mensen waren bang, dat voelde je als kind, maar verder had ik een normaal leven. Je zag Duitse soldaten, en die deden niets. De grootste angst was de Grüne Polizei, die hield in de gaten of iedereen wel binnen was ’s avonds. We gingen naar de kleuterschool van de nonnekes, dat heette toen een bewaarschool. Maar in ’43-‘44 moesten we uit het gebouw want er werden jonge Duitse soldaten ingekwartierd. Dus moesten we naar een andere school, in de Woenselsestraat. Tijdens een van die wandelingen vlogen er vliegtuigen over, en toen riep juffrouw Panhuizen: ‘In de sloot!’ Daar werd ik geraakt door iets in mijn been. Ik had een wond en het bloedde, maar het deed niet pijn. Er werd later verband omheen gedraaid, maar ik huilde niet. Ik was daarom meteen een held. Ik kreeg een extra snoepje en koekje, voor een kind was dat best leuk.’
Was de stad gebombardeerd?
‘Ja, op de dag van het Sint Nikolaasbombardement, op 6 december 1942, zouden we naar een voorstelling gaan in het theater. Mijn vader, broer en ik gingen vooruit, want mijn moeder wilde de jas van mijn zus nog snel repareren omdat alle knopen er vanaf waren gevlogen. Toen wij over de Boschdijk naar de stad liepen, begon er een zwaar bombardement bij de Philipsfabrieken. We werden ergens binnen geroepen om te schuilen. Mijn moeder en zusje waren intussen thuis onder de trap gaan zitten. We zagen dat de fabrieken in brand stonden, dat was heel erg spannend.’
Kwamen de soldaten ook bij u thuis?
‘Ja, er was een Duitse soldaat bij ons ingekwartierd: die kwam bij ons thuis ‘logeren’. Hij had ook een geweer, dat stond zo in de gang maar daar mochten we niet aankomen.
Tegen het einde van ‘44 was ik 6 jaar oud, en ik zou naar de lagere school moeten. Maar die zaten allemaal vol militairen. En toen kwamen de Tommies (Engelse soldaten, red.) ons bevrijden. Wij gingen luisteren naar hun verhalen, hoe ze vanuit Frankrijk door België naar Nederland waren gekomen. In die winter bleven ze in Eindhoven. Twee van die Tommies kwamen bij ons in huis, ze woonden op zolder. Ze brachten gezelligheid en zongen soldatenliedjes, dan zongen wij mee.
Op een gegeven moment zaten de Tommies aan tafel, en toen begon ons hondje te piepen. Die Tommies gingen meteen onder de tafel zitten. Ze wisten dat een hond kon voelen als er bommen aankwamen of misschien geluiden al eerder kon horen.’
Hoe zag de bevrijding eruit?
‘Chaotisch, er waren heel veel tanks, soldaten, en zingende mensen, het was feest in de stad. Die Tommies hadden een keuken gemaakt op de speelplaats, daar speelden wij. Ik was op de muur geklommen en had 10 pence en vroeg aan die Tommy: ‘Can I have a sandwich please?’ Hij pakte het 10 pence-muntje aan en gaf mij toen een boterham met boter en aardbeienjam. Dat was de lekkerste boterham ooit.’
Uw vader was pro-Duits, hè?
‘Ja, hij was pro-Duits en werd na de oorlog in Vught opgesloten. Zijn broer was onderhoudsmonteur in Kamp Vught. Hij had mensen nodig dus nam hij mijn vader mee voor allerlei karweien. Ik heb hem daar een paar keer bezocht.
Mijn vader was voor de oorlog lid geworden van de Vincentiusvereniging, die deelden kleding uit aan arme mensen, maar die werd opgeheven door de Duitsers. Zijn oudere broer zei toen: je moet de Winterhilfe (Winterhulp, red.) gaan steunen. Die regelden kleding voor Duitsers die uit Polen waren gejaagd en alles kwijt waren. Dat is hem na de oorlog heel erg kwalijk genomen. Maar hij was eigenlijk een hele aardige man.’
Wat is het ergste dat u heeft gezien?
‘Ik heb gezien dat er Duitse en Engelse soldaten werden begraven. Duitse soldaten die niet meer bewapend waren moesten die graven maken, terwijl ze onder schot gehouden werden. Dat weet ik nog heel goed. Ik heb daar lang niet over gesproken. Je ziet dan een arm met een streep van een sergeant, en dan gaat ie in de grond. Ze vuurden ook saluutschoten af, als kinderen vonden we dat heel spannend.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.