Oorlog in mijn Buurt
‘Daar stond ik dan met zweren op mijn benen en zonder eten’
Inass, Kate, Rayane, Teije ontmoeten Francisca Thomassen
Els Peeters woont vlak bij de school ’t Karregat in Eindhoven. Eigenlijk zou ze de eerste les op school komen geven, maar die dag voelde ze zich niet zo lekker. Daarom is ze extra enthousiast om Isabella, Sarah en Finn alsnog thuis te ontvangen en haar verhaal te vertellen.
De kinderen hebben er zin in en voelen zich meteen welkom bij mevrouw Peeters, die vroeger onderwijzeres was. Ze kan heel goed vertellen en heeft zelfs snoepjes in huis gehaald. Maar daar moeten de kinderen nog even op wachten, want eerst luisteren ze aandachtig naar haar bijzondere verhaal. Mevrouw Peeters was 5 jaar toen de oorlog uitbrak.
Wat heeft diepe indruk op u gemaakt?
‘Ik was 8 jaar oud en kwam uit school toen ik hoorde dat mijn vader ineens was meegenomen. Die middag liep hij langs de synagoge, waar de Duitsers bezig waren het gebouw kapot te maken en de ster eraf te halen. Mijn vader zei iets in de trant van: ‘En zelfs dát maken ze kapot…’ Daarop werd hij meteen opgepakt.
Hij heeft eerst zes weken in de gevangenis gezeten en werd daarna naar concentratiekamp Vught gebracht. Mijn zusje mocht via het Rode Kruis een pakketje naar hem brengen. Mensen uit de buurt hielpen mee: de één gaf een brood, de ander wat vleeswaren. Mijn vader vertelde later dat hij alles deelde met de zes tot acht mannen met wie hij op een kamer zat. Dat voelde voor hen als een klein feestmoment.
En net zo plotseling als hij was verdwenen, kwam hij in 1943 weer thuis. Ik herkende hem bijna niet meer…’
Heeft u ook wel eens kattenkwaad uitgehaald?
‘Nou, dat deed ik vooral samen met mijn oudere broer. In de oorlog moesten alle Nederlanders hun radio inleveren. Ik zat achterop de fiets bij mijn broer, met de radio op schoot. Mijn broer gaf de radio aan de Duitsers, maar liet hem expres meteen vallen. Zo was de radio kapot en had niemand er nog iets aan. Met zulke kleine dingen lieten mensen merken dat ze het niet fijn vonden dat Nederland door de Duitsers bezet was.
Mijn broer Henk was zeven jaar ouder dan ik. Hij ging vaak met zijn vrienden op avontuur. Op een dag ontdekten ze een garage vol terreinwagens van de Duitsers. Henk vond landkaarten prachtig en die lagen in de wagens. Hij wilde een paar kaarten meenemen. Maar vlakbij een vat benzine ontstond plotseling brand. Henk moest dwars door de vlammen lopen.
Even later stond er al iemand aan de deur om hulp te halen. Mijn moeder probeerde eerst zijn brandwonden met melk te verzorgen, maar het was zo erg dat de dokter moest komen. Henk moest eigenlijk naar het ziekenhuis, maar mijn moeder durfde dat niet. Ze was bang dat het ziekenhuis aan het einde van de oorlog gebombardeerd zou worden. Daarom werd hij heel liefdevol verzorgd door een Duitse non bij ons thuis. Zij kwam elke dag lopend naar ons toe. Mijn zei moeder altijd: ‘Je kunt niet zeggen dat alle Duitsers slecht waren’.’
Hoe heeft u uw trauma verwerkt?
‘De geluiden van vliegtuigen vond ik iets vreselijks. Ze vlogen soms heel laag boven de stad, zo laag dat je de bommen onder de vliegtuigen kon zien hangen. Ik zorgde altijd dat ik zo snel mogelijk veilig thuis bij mijn moeder kwam.
Ik sliep samen met mijn zusjes in een groot tweepersoonsbed. Mijn oudste zus kwam later naar bed. Als ik het geluid van de bommenwerpers hoorde terwijl ik alleen lag, rende ik meteen naar beneden naar de huiskamer. Daar mocht ik blijven totdat de vliegtuigen weer weg waren. De hond van de buren voelde het al aankomen als er bommen aankwamen. Dan gedroeg hij zich anders.
Na de oorlog mocht ik naar Zwitserland om bij te komen van alles wat ik had meegemaakt. Een Nederlandse mevrouw die daar was gaan wonen, haalde mij op. In het begin had ik veel heimwee en wilde ik alleen maar naar mijn moeder terug. Maar later kreeg ik het daar toch fijn. Op een dag speelde ik buiten in Zwitserland, toen er ineens een vliegtuig laag overvloog. Ik schrok zo erg dat ik meteen naar mijn Zwitserse moeder toe rende. Zo bang was ik nog steeds voor vliegtuigen.
Toen ik 54 jaar was, werd ik ziek. In Limburg ging ik in therapie, in een oud kasteeltje. Iedereen had daar een eigen plankje in de kast en kookte zijn eigen eten. Soms kookten we ook voor elkaar. Daar heb ik veel Duitse vrienden gemaakt, en die heb ik nog steeds. Na mijn pensioen ben ik er vrijwilligerswerk gaan doen.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.