Oorlog in mijn Buurt
‘’Omdat ik vriendelijk en beleefd was tegen de boeren, kreeg ik altijd wel wat te eten mee’’
Maliha, Salim, Soufiane ontmoeten Dolf van der Veen, 10 jaar toen de oorlog begon
Hoewel groep 8 van ‘t Karregat in Eindhoven vandaag een vrije dag heeft, komen Rebecca, Esther, Yasmine en Nour toch naar school om te luisteren naar het aangrijpende verhaal van Sheila Meinhardt. Ze vertelt over haar opa en oma, een Sinti-echtpaar dat de oorlog en de kampen overleefde. ‘Een wonder’, noemt ze het zelf, ‘anders was ik er vandaag niet geweest.’ De kinderen zijn zichtbaar onder de indruk. Mevrouw Meinhardt vertelt ook over transgenerationeel trauma: hoe verdriet en angst van vroeger soms nog generaties later voelbaar kunnen zijn.
Wat is uw opa en oma overkomen?
‘Mijn opa en oma kwamen uit Duitsland, maar mijn voorouders kwamen ooit uit India. Toen waren er nog geen paspoorten. Daarom kregen ze soms een brief van een pastoor, priester of andere belangrijke mensen waarin stond dat ze op bedevaart waren. Bij de grens lieten ze die brief zien en dan mochten ze verder reizen.
In 1942 trouwden mijn opa en oma met elkaar. Mijn opa noemde ik ‘Papo’. Op 9 mei 1944 werd hij opgepakt en naar een kamp gestuurd. Een week later, op 16 mei 1944, werd ook mijn oma opgepakt. Het was heel vroeg in de ochtend. Mijn oma was samen met haar dochtertje Helene en haar schoonmoeder toen er een razzia kwam. Dat betekent dat mensen plotseling werden opgepakt.
Ze moesten snel hun spullen pakken en werden hardhandig op de trein gezet. Eerst gingen ze naar kamp Westerbork en daarna naar Auschwitz. De nazi’s wilden Sinti- en Joodse mensen oppakken. Het was allemaal van tevoren bedacht en gepland.’
Hoe werkt het trauma door?
‘Toen mijn oma aankwam in het kamp, werden mannen en vrouwen meteen van elkaar gescheiden. Ze moesten heel zwaar werk doen, stenen dragen en soms wapens maken. Mijn oma moest ook zware stenen sjouwen terwijl ze hoogzwanger was. De mensen werden niet als echte mensen behandeld. Ze moesten reizen in een goederenwagon, een trein die normaal gebruikt werd voor koeien en varkens. Er waren geen stoelen, geen bedden en bijna geen eten of drinken. Je kunt je voorstellen hoe moeilijk en verdrietig die reis moet zijn geweest.
In het kamp moest iedereen proberen te overleven. Mijn oma wist niet waar mijn opa was, en mijn opa wist niet waar mijn oma was. Baby Josef werd geboren in Auschwitz. Hoe klein de kinderen van mijn oma ook waren, ze kregen meteen een kampnummer op hun arm getatoeëerd. Helene was pas 2 jaar oud en baby Josef was net geboren.
Na de oorlog vonden mijn opa en oma elkaar gelukkig weer terug. Samen kregen ze later nog elf kinderen, onder wie mijn vader.’
Hoe kwam u erachter dat uw oma een oorlogsverleden had?
‘Eerst wist ik dat helemaal niet. Op een dag was ik samen met mijn mami in een museum. Ik had net mijn communie gedaan, ik was toen 8 jaar oud en mijn oma was 66 jaar. In het museum zag ik ineens heel vaak mijn achternaam terug op foto’s en lijsten. Toen dacht ik: dit is mijn familie… Dat was een grote schok voor mij. Ik vond het heel heftig om te ontdekken dat zoveel familieleden in de oorlog waren omgekomen.
Daarna ben ik verder gaan zoeken naar mijn familiegeschiedenis en hoe mijn oma de oorlog had overleefd. In veel families wordt hier niet makkelijk over gepraat omdat het erg pijnlijk is. Een oorlogstrauma zit van binnen. Je ziet het niet, zoals een gebroken been, maar het kan er wel altijd zijn. Daarom is het belangrijk dat we erover durven praten en dat het geen taboe blijft.’
Hoe verwerkt u dit allemaal?
‘Ik ben gaan schilderen als een soort therapie. Door het schilderen ontdekte ik meer over wie ik ben en over mijn identiteit. Er kwamen mooie gevoelens en herinneringen naar boven. Daarna ben ik ook over mijn familieverhaal gaan vertellen. Het verhaal van mijn familie is ook een deel van mijn eigen verhaal geworden.
Foto’s liggen in mijn familie gevoelig, daarom leggen wij liever niet alles vast met camera. Met tekenen kan ik toch laten zien wie mensen waren en welke gevoelens zij hadden. Ik vind het mooie mensen en probeer hun gezichten en uitdrukkingen goed weer te geven.
Hitler keek in de oorlog naar ras en uiterlijk. Sinti- en Roma-mensen vond hij niet passen in zijn ideaal beeld. Dat is heel verdrietig en oneerlijk.
Ik wil mijn verhaal graag delen, zodat andere mensen er meer over leren. Ik zie het als een wonder dat mijn opa en oma de oorlog hebben overleefd. Soms voel ik mij bang of verdrietig zonder precies te weten waarom. Nu begrijp ik dat dit te maken heeft met wat mijn familie in de oorlog heeft meegemaakt. Dat heet transgenerationeel trauma. Via mijn vader en oma zijn die gevoelens ook bij mij terechtgekomen. Door te schilderen, tekenen en erover te praten kan ik het beter verwerken en maak ik het bespreekbaar.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.