Oorlog in mijn Buurt
‘Mijn opa werd de schrik van Tongelre genoemd’
Jochem, Luigiano, Oscar, Quinn ontmoeten Piet van Summeren
Neyo, Zafirah, Omar en Benjamin van ’t Karregat in Eindhoven gaan met de auto op bezoek bij Guus de Kok. Meneer De Kok was 5 jaar oud toen de oorlog begon. Hij woonde aan de Geldropseweg en heeft de Duitse soldaten Eindhoven zien binnenkomen en later ook weer zien vertrekken. Samen met zijn oudere broer haalde hij veel kattenkwaad uit. Vlak bij hun huis lag een militaire begraafplaats, en dat maakte de jongens natuurlijk extra nieuwsgierig…
Waar woonde u in de oorlog?
‘We woonden aan de Geldropseweg 229, vlakbij het oude Daf-kantoor, in een van de rijtjeshuizen die daar vroeger stonden. Ik ben daar ook geboren. De grote rondweg was er toen nog niet.
Vanuit ons huis konden we zien hoe de Duitse soldaten vanuit Duitsland via Geldrop Eindhoven binnenkwamen. Ik zat op de schutting toen er een grote Mercedes stopte. Duitse officieren stapten uit en belden aan. Ze zeiden: ‘Wasser, bitte’ tegen mijn moeder maar zij verstond geen Duits. Dus wees zij naar de wc. Een van de mannen liep door naar de keuken en vulde een keteltje met water. Dat hadden ze nodig voor de radiator van hun auto. Het was mijn eerste ontmoeting met Duitsers.’
Heeft u iets naars meegemaakt?
‘Ons gezin niet, maar we hadden contact met aardige aardappelboeren uit Geldrop. Zij kwamen altijd aardappels bij ons thuis brengen, totdat dat opeens niet meer gebeurde.
Hun zus had verkering gekregen met een Duitse sergeant. Haar broers vonden dat verschrikkelijk. Op een avond kwam hun zus niet thuis. Een van de broers pakte toen een broodmes en vermoordde de Duitse sergeant.
Daarna werden allebei de broers opgepakt. Een broer werd geëxecuteerd, de andere broer werd naar een kamp in Duitsland gebracht. Daar heeft hij het heel zwaar gehad, maar hij heeft het wel overleefd. Na de oorlog is het nooit meer echt goed gekomen tussen de zus en haar broer.’
Heeft u ook bombardementen meegemaakt?
‘Onze keuken had een plat dak, waar mijn broer en ik vaak op gingen zitten. In de avond konden we dan de vuurgevechten zien: overal werd geschoten. Rondom ons huis zijn ook veel bommen gevallen. Ik ruik de kruitdamp soms bijna nog.
Op een keer waren we aan het eten toen de Demer werd gebombardeerd, dat gebeurde tijdens het Sinterklaasbombardement in 1942. Het hele huis schudde heen en weer. Ik kroop onder de tafel en werd helemaal heen en weer geschud. Dat vergeet ik nooit meer. Het was vreselijk.
Mijn vader werd toen opgeroepen om mensen onder het puin vandaan te halen. We merkten dat wat hij daar gezien had heel heftig was, maar hij heeft er bijna nooit over gepraat.
Aan het einde van de oorlog vlogen de Spitfires (Britse jachtvliegtuigen, red.) laag over ons heen. De Duitse soldaten waren op de terugtocht en doken snel de sloten in de buurt van ons huis in om zich te verstoppen. Mijn broer en ik deden precies het tegenovergestelde: wij kropen juist in hun auto’s en stalen sigaren en chocola uit de wagens. Dat vonden we toen spannend en stoer.’
Haalde u wel eens kattenkwaad uit?
‘Mijn oudste broer en ik trokken veel met elkaar op. In onze tuin stonden dahlia’s. Als je die uit de grond trok, zat er een grote kluit aarde aan. Mijn broer en ik probeerden die kluiten naar de overkant van de weg te gooien.
Op een dag kwam er net een Duitse bus aanrijden. De kluit vloog zo de bus in! Meteen stapte er een Duitse officier uit. Mijn broer rende snel het korenveld in en ik holde naar huis.
Even later stonden de Duitsers bij ons aan de deur. Ze hadden gevraagd waar wij woonden en we kregen een flinke preek. Gelukkig begrepen ze uiteindelijk dat het een ongeluk was geweest.
Toen de Duitsers zich terugtrokken, gooiden ze veel spullen in het water. ’s Avonds gingen wij die eruit vissen. We vonden kogels en kogelbanden van mitrailleurs. Daarna gingen we de bossen in met een hamer en sloegen op de kogels, zodat ze afgingen. Tussen de gewone kogels zaten ook lichtkogels. Dan zag je ineens een felle lichtstraal door het bos vliegen.
Vlak bij ons huis, aan het Zwarte Pad, stond een villa. Aan de andere kant lag een militaire vuilnisbelt. De Amerikanen letten daar niet zo goed op. Ik zat eens in een tank op de vuilnisbelt. Overal lagen granaten. Wij haalden de granaten open en gebruikten het kruit als vuurwerk in de avond.
Tijdens de gevechten lagen ook granaten die eruitzagen als dennenappels. De geallieerden gooiden die in schuttersputjes waar Duitse soldaten zich verstopt hadden. De volgende dag zagen wij die granaten nog liggen. Wij schopten er gewoon tegenaan, omdat we niet wisten hoe gevaarlijk ze waren. Ze leken voor ons net op dennenappels. Maar toen werden we gepakt door een Britse militair. Hij nam ons mee en liet in een weiland zien hoe zo’n granaat ontplofte. Toen pas begrepen we waar we eigenlijk mee gespeeld hadden.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.