Archieven: Verhalen

‘Ik snapte niet waarom ik alleen achter de vitrages naar de Duitsers op straat mocht kijken’

Broer en zus Jannie en Frits Möller maakten allebei de oorlog mee. Aan Lina, Milou en Julie van de Olympiaschool vertelden ze over de buurman die bij de NSB zat, over hun angsten (Jannie meer dan Frits), over de stinkende vis en de broeder in de zak en over de truc met de fiets.

Hoe wisten jullie dat de oorlog was uitgebroken?
Jannie: Dat kon ons niet ontgaan; de benedenbuurman was een NSB’er. Hij rende naar buiten en stond juichend op straat, zo blij was hij. Ik speelde buiten en zag een luchtgevecht boven Schiphol. Ik rende naar m’n moeder en vertelde wat ik had gezien. Ze riep in paniek heel hard: “Het is oorlog, het is oorlog!” en daarmee was het onbekommerd buitenspelen jarenlang voorbij.

Moesten jullie oppassen voor die buurman?
Frits: Er was altijd een kans dat de buurman dingen zou zien of horen die hem niet aanstonden, dus moesten we extra voorzichtig zijn. Soms waren er onderduikers bij ons, maar dat ontdekten wij pas als ze weer wegwaren. We hadden ook een speelgoedkist in bewaring van een Joods jongetje. Die stond verstopt in de kast en erin kijken was streng verboden: hoe meer we zouden zien of weten, hoe groter de kans dat we erover zouden praten.
Jannie: Het jongetje heeft zijn kist nooit meer opgehaald…
Frits: De buurman hield alles in de gaten. Dus toen iedereen zijn fiets bij de Duitsers moest inleveren, reed mijn vader met veel poeha de straat uit, zogenaamd om zijn fiets in te leveren. Hij kwam zonder fiets terug. Wat niemand wist, is dat hij hem om de hoek uit elkaar had gehaald en de onderdelen had verstopt. Eén voor één smokkelde hij ze weer terug het huis in. Een paar maanden later toen er bijna geen eten meer was in Amsterdam, bracht m’n vader ons naar familie in Noord-Holland: op de fiets die hij stiekem weer in elkaar gezet had!

Hoe was het in de Hongerwinter?
Jannie: Er was bijna geen eten meer. Mensen moesten naar de gaarkeukens om eten te halen. Mijn vader werkte bij het Rembrandtplein en ging tijdens zijn lunchpauze in de Herengracht vissen. Hij had gewoon een hengeltje in zijn bureau. Als hij geluk had, ving hij een paar visjes. Die nam hij dan mee naar huis en dat stonk enorm. Hij werd boos als we dan een beetje kritisch keken. Frits herinnert zich nog ‘de broeder in de zak’: alle etensrestjes werd met meel en water in een kussensloop gedaan en dat werd gekookt. Het was een grote smakeloze homp maar warm en met een beetje suikerbietenstroop was het toch beter dan niets.

Was u bang in de oorlog?
Frits: Ik was heel jong nog en wist niet beter. Onze ouders probeerden het thuis altijd zo gezellig mogelijk te maken. Vooral mijn moeder . Echte angst kende ik niet. Als er Duitse soldaten door de straten marcheerden of als een paardenkoets met Duitsers langsreed, vond ik dat leuk en stond ik pontificaal voor het raam. Ik snapte niet waarom ik dat alleen vanachter de vitrages mocht bekijken.
Jannie: Ik was wel vaak bang. Mijn grote angst was dat mijn vader niet thuis zou komen. Dat hij opgepakt zou worden en naar Duitsland moest om te werken. En als hij op de fiets ver buiten Amsterdam de kou in ging om eten te halen, dan zat ik de hele dag voor het raam op hem te wachten. Bang dat hij van uitputting neer zou vallen. Ik was pas weer gerust als hij er weer was en dat gebeurde gelukkig altijd.  

Archieven: Verhalen

‘Ze kwamen in het kamertje waar lagen allemaal illegale blaadjes op het bureau lagen…’

Jos Termohlen was 12 jaar toen de oorlog uitbrak. Ze woonde met haar ouders en haar twee jaar oudere zus aan David Blesstraat 3. De familie werd door de 29-jarige halfzus betrokken bij het verzet. Aan Kiara en Floor van De Springstok vertelt ze over haar lagere schoolvriendinnetje Hannah van Praag, over de dappere verzetsdaden van haar halfzus en de enorme honger tijdens de oorlog.

Ging u naar school?
De halve klas op de Dintelschool bestond uit Joodse kinderen, waaronder veel van Duitse-joodse ouders. Net zoals Anne Frank waren zij naar Nederland gevlucht toen Hitler in 1933 aan de macht kwam. Meestal waren dat rijke mensen. De kinderen gingen hier meteen naar school en spraken goed Nederlands. Onze klas had 40 kinderen. Van de Joodse kinderen is niemand in leven gebleven. Mijn vriendinnetje Hannah van Praag woonde met haar ouders aan de Zuider Amstellaan; dat is nu de Rooseveltlaan. Zij was een nakomertje en had twee grote broers: Max van Praag en nog een broer met een fotozaak in de Spuistraat. Zij en haar ouders doken onder in Boskoop, haar broers ergens anders. Hannah en haar ouders zijn verraden, weggevoerd en niet teruggekomen.
Het begin van de oorlog was angstig. Er kwamen Duitse verkenningsvliegtuigen heel laag over, met een groot hakenkruis aan de onderkant. Het was heel dreigend. Verder had je er in het begin niet echt weet van. Alles ging nog gewoon zijn gangetje.

Wist u dat uw halfzus onderduikers in huis had?
Ja, wij hadden ook onderduikers in huis. Mijn halfzus had een groot huis met beneden drie kamers, waar haar gezin woonde, en op de bovenetage drie kamers waar onderduikers zaten. Mijn zus heeft wel eens een inval gehad in huis. Ze kwamen in het kamertje waar zij al het schrijfwerk deed en daar lagen allemaal illegale blaadjes op het bureau. Mijn zwager zei toen: “Oh dat is niets, dat is rommel”. Gelukkig heeft die man het niet gezien. Het waren van die nauwe ontsnappingen. Ze namen toen wel de typemachine mee, want daar ging het om. Als ze toen betrapt waren, dan waren ze er geweest.
In ons kleine huis hadden we af en toe iemand op de divan slapen. Dan werd diegene ‘s ochtends heel vroeg opgehaald door mijn zus en – toen de trein nog reed – door haar naar Limburg gebracht. Een keer bracht mijn zus een Joodse jonge vrouw, Anna Kaas, met de trein en toen werden ze betrapt. Ze zijn in de trein aangehouden. Die vrouw had natuurlijk valse papieren en dat werd niet vertrouwd. Van tevoren hadden ze afgesproken dat als er iets zou gebeuren, mijn zus zou zeggen dat ze Anna niet kende, maar dat vertrouwden die soldaten niet. Toen is Anna meteen afgevoerd en mijn zus werd naar het Oranjehotel in Den Haag gebracht. Dat is een gevangenis waar veel verzetsstrijders naartoe werd gebracht. Ze heeft daar ongeveer zes weken gezeten, maar omdat ze bleef volhouden dat ze van niets wist werd ze vrijgelaten. Ze begon daarna meteen weer te helpen in het verzet. In haar leven heeft ze heel veel risico’s genomen. Mijn moeder heeft dat gezin toen ook ondersteund, dus we gingen elke dag naar de Roerstraat waar mijn zus woonde. De zorgen om het jonge gezin van mijn halfzus, maakte mijn moeder depressief. Ik maakte altijd grapjes om haar op te vrolijken ze noemde mij haar zonnetje, maar ik heb haar of mijn vader nooit zien schaterlachen.

Wat is het ergste dat u in oorlog heeft meegemaakt?
Dat was de Hongerwinter. We kregen een half brood per week en bij de gaarkeuken watersoep. Mijn moeder moest het brood verstoppen voor mijn vader, omdat hij ‘s nachts zo’n honger kreeg dat hij in huis naar eten ging zoeken. Via het Rode Kruis of de GGD hebben we een keer een voedselpakket gekregen met extra’s, omdat mijn vader hongeroedeem had, maar dat was niet echt beter. Na de vieze soep ’s avonds moesten we maar gaan slapen, want dan merkte je niet dat je honger had. We hadden een noodkacheltje om dingen op te warmen, er was geen licht en geen gas. We hebben nog blokjes hout gejat uit de trambanen. Die blokjes brandden heel goed. We werden dan wel eens betrapt, maar dan renden we hard weg. Alle bomen in de straat werden ook omgehakt en onder buren verdeeld. Aan het einde werd het heel erg karig met eten. Mijn zwager had van tevoren heel veel brood geroosterd en dat in Verkade-trommels gedaan. Achteraf vraag ik me soms af hoe bedenkt iemand dat? Maar het zorgde ervoor dat ze altijd wel wat brood hadden. Getoast brood bleef hartstikke lang goed, zeker in die trommels.

Archieven: Verhalen

‘Het was wel spannend, maar ook verschrikkelijk’

Wim Leeuwenburgh (1933) woont al zijn hele leven in hetzelfde huis aan de Albrecht Dürerstraat 15. Daar bracht hij dus ook de oorlogsjaren door en in zijn buurt is “best wel wat gebeurd”. Sofyan, Mercan en Malcolm van de Olympiaschool interviewden hem daarover.

Wat veranderde er aan het begin van de oorlog?
Ik zat op de Openluchtschool in de Cliostraat en eigenlijk veranderde er in het begin niet zoveel. De grote mensen maakten zich wel zorgen over het gevaar, zij lazen de kranten. Er waren ook veel geruchten, dus veel mensen dachten ook dat het met een paar maanden wel afgelopen zou zijn. De informatie was toen veel minder. Wij als kleine jongetjes vonden het eigenlijk wel spannend. We gingen kijken naar het wisselen van de wacht. En we merkten dat die soldaten soms ook gewoon mensen waren. Een soldaat vroeg eens in het Duits aan mij of ik sigaretten voor hem wilde kopen. Dat durfde ik niet, toen aaide hij over mijn hoofd en zei: “Ach, je verstaat mij niet”. Maar er werden ook mensen doodgeschoten. Zoals op de Apollolaan; die schoten heb ik gehoord. En hier op de hoek zijn mensen omgekomen bij een vuurgevecht. Daar is nog een gedenksteen aan de muur.

Was u wel eens bang tijdens de oorlog?
Nee eigenlijk niet. De Joodse mensen  waren wel bang, die wisten dat ze opgejaagd werden. Ik heb mijn eigen vriendje Jaapje Forstenzer, waarmee ik veel op straat speelde, met zijn vader, moeder en broer Johan – met hun rugzakken op – tussen gewapende soldaten zien weggaan. Er werd tegen de Joodse mensen natuurlijk niet tegen ze gezegd dat ze vermoord zouden worden, maar wel dat ze het land uit moesten. Hier om de hoek zat in de school aan de Euterpestraat (nu de Gerrit van der Veenstraat) het hoofdkantoor van de SD (Sicherheitsdienst). Daar werden opgepakte Joodse mensen naartoe gebracht. Omdat we zo dichtbij woonden, denk ik niet dat mijn ouders onderduikers durfden te nemen. Wel leverde mijn vader papier voor illegale kranten. In november 1944 werd dat gebouw van de SD gebombardeerd door de geallieerden. Dat deden ze speciaal op zondag, zodat de scholen in de buurt dicht waren. Ik was in de tuin en we hoorden hele harde knallen. Mijn vader riep dat we de kelder in moesten. We hoorden nog meer harde knallen en mensen gillen. Ik dacht dat ik dood zou gaan, maar zelfs toen was ik niet bang.  Toen het over was, gingen we buiten kijken. Overal lagen scherven. Ik dacht van bloempotten, maar het waren dakpannen. Veel huizen waren getroffen en er zijn meerdere slachtoffers gevallen. Het gebouw van de SD was onbeschadigd.

Hoe heeft u de Hongerwinter beleefd?
Hoe slechter de oorlog voor de Duitsers ging, hoe minder eten er was. Er kwam steeds meer op de bon. Op een dag ging het luchtalarm en moesten we op school blijven. De directeur heeft boterhammen gemaakt en iedereen een klein stukje gegeven. Later was er geen elektriciteit meer en ging de school helemaal dicht. De bakker kwam nog wel eens langs de deur. Hij had dan een politieagent mee, omdat hij misschien overvallen zou worden. Ik heb mensen gezien die heel erg verzwakt waren. Of dat een pot soep omviel en mensen het van de straat aten. Ze hadden altijd een lepel bij zich. Ik was zelf  heel mager geworden. Mensen dachten “die Wim gaat bijna dood”. Toen ben ik op een boerderij in Nieuw Vennep gaan wonen. Dat waren heel aardige en goede mensen. Zoals er eigenlijk overal goede en minder goede mensen zijn. Aan het eind van de oorlog werd er voedsel naar beneden gegooid. Ik heb heel laag die vliegtuigen zien overvliegen. Toen de bevrijding kwam, was iedereen aan het roepen op straat van blijdschap. Ik vierde het op de Apollolaan, schuin tegenover waar nu het monument staat. Soldaten gooiden sigaretten en mensen klommen op de auto’s. Ik snap niet hoe ze nog konden rijden. Dat was best een wilde boel met die Canadezen.

Het was voor ons wel een spannende tijd, maar toch is het verschrikkelijk. Zeker als je achteraf hoort dat die vreselijke verhalen die je hoorde allemaal waar blijken te zijn. 

Archieven: Verhalen

‘Opeens hadden we geen natuur- en scheikundelokaal meer’

Liselot Aartsen-Sunier was tien toen de oorlog begon. Zij woonde samen met haar ouders en twee ooms bij haar oma op de Koninginneweg 79. Zelf vond ze dat ze ‘niet zo verschrikkelijk veel spectaculairs had meegemaakt’ tijdens de oorlog, maar Elise, Asmae en Rohil van de Olympiaschool vonden haar herinneringen erg bijzonder.

Hoe maakte u het begin van de oorlog mee?
Op een ochtend hoorden we ontzettend geronk en gedoe in de lucht. Ik stond voor het zolderraam met mijn ooms. We zagen bommen vallen en vliegtuigen die afgeschoten werden. Ze vielen in brokken naar beneden! Op de stoep stond mijn vader met een bos bloemen en zijn koffertje. Hij kwam net terug van een bezoek uit België, want daar hadden we tot net voor de oorlog gewoond. Hij had de laatste trein naar Nederland gehaald. Zo heb ik het begin van de oorlog meegemaakt, voor het zolderraam.

Merkte u op school veel van de oorlog?
Toen ik op de lagere school zat niet echt. Ik had wel les van twee NSB’ers: meneer Hettema en meneer Waarts, maar ze waren heel vriendelijk. Er zaten ook een paar Joodse kinderen in mijn klas, en ik weet nog heel goed dat zij gedeporteerd zijn. Ik zie ze nog voor me. Verder ging ik ging gewoon naar school en dacht ik er niet veel bij na.
Dat gevoel veranderde wel toen ik naar de middelbare school ging. Ik heb toen vanuit mijn raam het bombardement van de Gerrit van der Veenstraat gezien. Eén van de bommen raakte mijn school, het Hervormd Lyceum Zuid aan de Brahmstraat. Opeens hadden we geen natuur- en scheikundelokaal meer. Gelukkig waren deze lokalen een uitbouw,  dus verder hadden we na het bombardement nog wel les. Af en toe kwamen ook Duitse soldaten naar school, op zoek naar 18-jarige jongens. Zij wilden hen naar Duitsland sturen om er te werken. Soms kwamen de Duitsers ook leraren halen. Die werden dan gedeporteerd. Dat alles maakte ons wel bang en ik werd me bewuster van het gevaar. Maar goed, het leven ging gewoon door, het was nou eenmaal zo. Uiteindelijk raakte je hier aan gewend.

 Hoe beleefde u de Hongerwinter?
De Hongerwinter was echt erg. We hadden toen bijna niets. Ik mocht af en toe bij een tante gaan eten die meer eten had dan wij. In het voorlaatste jaar ben ik ook naar de boeren geweest, om aan te sterken. Thuis ging ik me tijdens de Hongerwinter vaak verstoppen om in een kookboek te bladeren. Dan keek ik naar alle lekkere gerechten en droomde ik over alles wat we zouden maken als de oorlog voorbij was. Naast de honger was het ook bijzonder koud. Op een ochtend kwam mijn oom naar beneden en zag hij een lege kapstok. Iemand was binnengedrongen in ons huis en had onze jassen gestolen, maar verder niets. In die winter sneeuwde het echt heel erg. Ik moest door de sneeuw op klompen lopen, want er waren geen schoenen meer. Opeens was er een groot gat aan de onderkant van één van mijn klompen. Mijn vader stopte ze met krantenpapier. Dat hielp natuurlijk niet echt, maar het was beter dan op blote voeten rondlopen.

Foto’s©Ingrid de Groot

 

 

Archieven: Verhalen

‘Hoe groter de scherven hoe beter want het waren goede ruilobjecten’

Lev, Tarik en Sophia van de Olympiaschool bezochten Burchard Pennink en zijn broer Maarten, die voor het gesprek bij hem op bezoek was vanuit Amerika, waar hij woont. Een dag later zou hij alweer naar huis, dus nog net konden de kinderen de verhalen horen van twee broers die veel van elkaars verhalen niet kenden. Het grappige was dat ze het soms helemaal niet met elkaar eens waren, elkaar verbeterden of aanvulden.

Was u bang in de oorlog?
Burchard: Niet aldoor. De ene dag een beetje meer, de andere een beetje minder. Als kind had je soms niet door hoe het gevaarlijk was.
Maarten: Toen ik op een zondagochtend terugkwam van een logeerpartij bij  mijn vriend Frits, stond ik voor de etalage van Pruis, de speelgoedwinkel aan de Beethovenstraat, en ging het luchtalarm af. Er was een bom gevallen in de Euterpestraat, wat nu de Gerrit van der Veenstraat is. Ik keek gewoon verder naar de autootjes en de speelgoedtreintjes. En naar tram 24 die keihard voorbij stoof. Ik vond al dat lawaai en de brandweerauto’s wel interessant. Ik was helemaal niet bang. Toen ik later thuis kwam werd mijn moeder zo boos dat ze met alle deuren van het huis sloeg.
Burchard: Ik weet nog dat als er granaten vielen, wij niet konden wachten tot we naar buiten konden om onze collectie scherven aan te vullen. Hoe groter de scherven hoe beter want het waren goede ruilobjecten.

Kende u mensen die in het verzet zaten?
Maarten: Onze grootmoeder had banden met het verzet. Ze gaf ’s avonds berichten door, terwijl je na achten niet meer op straat mocht. Dan liep ze, terwijl de Duitsers patrouilleerden, van boom tot boom. Fantastisch vond ik dat toen. Het lijkt een leuk spel als je jong bent maar er was niets grappigs aan. Als je opgepakt werd dan was dat waarschijnlijk het einde van je carrière of van je leven.
Burchard: Met vrienden uit mijn klas hadden we een club die we ‘Knallende schoten’ noemden. We waren iets jonger dan jullie en imiteerden de Binnenlandse Strijdkrachten die wachtten tot de bevrijding kwam. We vochten in het park om er ook klaar voor te zijn. Voor ons, jongens van de club, was het een serieuze zaak.

Is er weleens een inval bij u thuis geweest?
Maarten: Vlak voor de bevrijding kwam een soldaat met een grijsgroen uniform aan de deur. Hij zei tegen ons dienstmeisje dat hij de radio en de fiets moest hebben. Hij had een granaat in zijn hand waardoor zij bang werd en naar boven liep. De soldaat ging erachteraan en ik ook. ‘Die deur móét open!’ schreeuwde hij maar het dienstmeisje had geen sleutel. Moeder kwam er net aan en vroeg wat er aan de hand was. Ze zei dat ze het begreep maar dat ze er even over moesten praten. Ze gaf de soldaat koffie en een sigaret. Dat had die soldaat ook al in jaren niet gehad en na de koffie ging hij zeer tevreden weer weg, zonder radio en fiets en zonder zin om iets te forceren met zijn granaat.         

Archieven: Verhalen

‘Als je boos bent, ben je niet bang’

Het is een hete lentedag, maar binnen bij Magda Bruno thuis is het lekker koel. Nikki, Sofia en Benjamin van de Olympiaschool worden door de dochter van mevrouw Bruno warm onthaald met appelsap, cake en koekjes. ‘Toen de Olympiaschool nog de Spartaschool heette, zat mijn oudste dochter daar op,’ vertelt mevrouw Bruno. En Benjamin vertelt dat zijn grootouders nu in de Cornelis Schuytstraat wonen. De gemeenschappelijke band is gesmeed.

Hoe kwam u erachter dat de oorlog begon?
Dat was heel vroeg op de ochtend, om een uur of vier. Mijn broer had een radiootje, hij maakte me wakker: ‘De Duitsers zijn geland, de Duitsers zijn geland!’ We hebben meteen mijn ouders wakker gemaakt. Daar waren ze dus, de Duitsers. Langzamerhand kwamen ze naar Amsterdam. Ik was heel boos: wat moeten jullie hier! Dit is ons land! Daar liepen ze zomaar door onze straten. Als je boos bent, ben je niet bang. Soms moesten we schuilen in huis, in een ruimte waar we net met z’n vieren staand in pasten. Mijn broer begon algauw vervelend te doen daar. Later raakten we aan het luchtalarm gewend. Op het laatst zat alleen mijn vader er nog, in zijn eentje.

Hoe ging het leven tijdens de oorlog?
Het hele leven stond stil. Ik kon niet studeren door de oorlog en ging werken, en later ging ik voor mijn ouders zorgen. Mijn broer, die drie jaar ouder was dan ik, was tewerkgesteld in Berlijn, waar heel veel gebombardeerd werd. Toen onze grootvader overleed kon hij op verlof naar Nederland. Iemand had wat geholpen door op het telegram te zetten dat het onze vader betrof, en daarvoor mocht je voor de begrafenis overkomen. Ik zei daarna: ‘Je gaat nooit meer terug!’ Ik ben met hem meegegaan naar het Centraal Station, waar hij zich na het verlof moest melden. Ik zei: ‘Als je niet komt, dan zoeken ze je. Ze moeten weten dat je erbij bent, dus als ze je naam noemen, dan zeg je heel hard: ja!’ Daarna zijn we stiekem naar achteren geslopen en heel rustig in een andere trein gaan zitten. Hij is vervolgens bij ons thuis ondergedoken. Ik sliep in die tijd ’s nachts in zo’n donkerblauw trainingspak van school, want als ik iets hoorde moest ik meteen eruit om hem weg te werken.
Het werd later nog veel erger, toen er honger heerste. In de stad was de grootste nood aan voedsel. Proberen aan eten te komen, was het enige wat we deden. Ook ik ging op pad daarvoor, per fiets met houten banden. Steeds verder, naar Friesland. Onderweg sliep ik soms in een stal, tussen de paarden. Die gaven warmte, ik vond het heerlijk bij ze. Van mijn moeder had ik een jampotje met bruine bonen mee, die ik koud at. Nooit heeft een taartje lekkerder gesmaakt dan die koude bonen, in de stal op het stro.
Op een keer zag ik dat een boer geen eten wilde meegeven aan een man met een handkar. ‘Jij hebt al genoeg!’, zei hij tegen de man, terwijl hij wees op de vracht op de kar. De man tilde toen het laken op: daar lag zijn dode kind, overleden tijdens de tocht. Dat vergeet je nooit meer. Dat was zoiets gruwelijks.

Hoe wist u dat de oorlog was afgelopen?
Van de radio, en iedereen liep ineens op staat. Zo mager als we waren, we waren allemaal blij. We gingen allemaal met elkaar de stad in en je voelde je vrij. Later hebben we nog wittebrood gekregen van de Amerikanen. Iedereen kreeg een halfje wit. Wit, dat was iets heel bijzonders. Maar mijn broer was nogal snel, die at veel. Ik was heel precies, dus ik nam hele dunne sneetjes af en toe. Dan zei ik tegen mijn broer: ‘Jij hebt van mijn halfje wit gegeten!’ Ik zei tegen mijn broer: ‘Weet je wat ik doe? Ik doe er een lintje om. Dan weet je dat het rode van mij is, en het blauwe is van jou!’ Ja, zo ging dat na de oorlog, terwijl als je ziet wat de mensen nou allemaal weggooien, dat hou je niet voor mogelijk…    

Archieven: Verhalen

‘De hele nacht hebben we gegraven tot we een diep gat hadden voor de doos met mijn moeder erin’

De moeder van Myriam Mater was Joods, haar vader zat in het verzet. Aan het Roelof Hartplein 2a probeerde haar vader met valse papieren te bewijzen dat mensen niet Joods waren. Myriam hielp haar vader in het verzet, en thuis logeerden er onderduikers. Tijdens de Hongerwinter overleed de moeder van Myriam.

Waarom overleed uw moeder tijdens de oorlog?
Tijdens de oorlog namen de Duitsers allemaal maatregelen tegen de Joden. Joden mochten bijvoorbeeld geen goederen van Duitse merken gebruiken. Mijn moeder had een nierkwaal, waar ze pillen voor slikte die uit Duitsland kwamen. Daarom mocht ze die pillen op een gegeven moment niet meer slikken. Ze werd zo ziek dat ze naar het ziekenhuis moest. Mijn moeder overleed in de Hongerwinter. Het was toen heel erg koud, de grond was keihard, waardoor het moeilijk was om een graf te graven. Mijn vader, mijn twee zusjes en ik gingen samen met onze tante Emmy naar het ziekenhuis van mijn moeder. Er waren geen houten kisten meer, want al het hout werd in de Hongerwinter in kacheltjes gestopt. Mijn moeder lag daarom in een kartonnen doos. Op een fiets zonder banden, want die waren er ook niet meer, met een karretje erachter hebben we mijn moeder naar de begraafplaats gereden. Het was een heel eind rijden. We hadden honger en we hadden geen goede kleren aan. De hele nacht hebben we op de begraafplaats staan graven tot we een diep gat gegraven hadden en de doos erin konden laten zakken. Mijn moeder overleed op de tiende verjaardag van mijn zusje. Mijn zusje wilde daarom nooit meer haar verjaardag vieren op die dag.

Was het gevaarlijk om in het verzet te zitten?
Ja. De Duitsers hadden op een gegeven moment door dat mijn vader dingen deed die niet mochten. Op een dag zijn er Duitse soldaten en NSB’ers bij ons binnengevallen om ons huis te doorzoeken. Mijn zusje en ik waren alleen thuis met de onderduikers die bij ons woonden. De soldaten hadden een lijst bij zich van alle ziekenhuizen in Amsterdam, want ze wisten dat mijn moeder in het ziekenhuis lag. Ze dachten dat mijn vader mijn moeder zou opzoeken, dus wilden ze weten in welk ziekenhuis zij lag. Ik moest toen al die nummers bellen en vragen of mijn vader er was. Aan de ene kant had ik de hoorn van de telefoon, en aan de andere kant hield er iemand een pistool tegen mijn oor. Uiteindelijk kwam ik bij het ziekenhuis van mijn moeder. Toen heeft een verpleegster mijn vader geroepen, want die was daar op bezoek. Hij had aan de telefoon in de gaten dat er iets aan de hand was en is toen onmiddellijk ondergedoken. De Duitsers hebben uiteindelijk niks kunnen vinden. Een paar mensen uit het verzet hebben de onderduikers in ons huis toen naar een ander adres gebracht.

Hadden jullie huisdieren?
Wij hadden twee moerasschildpadden. Toen de Duitsers ons huis doorzochten hebben ze in de kelder het kistje met onze twee schildpadden gevonden. Ze hebben ze in een pan met kokend water gegooid om er zogenaamd schildpaddensoep van de maken. Mijn zusje en ik moesten kijken en zouden de soep moeten opeten. Het werd natuurlijk helemaal geen soep, dat deden ze uit kwaadheid, om ons te pesten. Wij waren heel erg verdrietig. Er zijn in de oorlog natuurlijk wel ergere dingen gebeurd, maar het waren wel ónze schildpadden.     

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader was geen verzetsman met een pistool, maar met een pen’

Noor, Judah en Lucy van de Olympiaschool interviewden Rob Zillisen bij hem thuis in Amsterdam-Noord, waar hij nu al bijna veertig jaar woont. Tijdens de oorlog woonde hij twee en drie hoog in een huis in de Amazonestraat samen met zijn moeder, vader en zijn broertje.

Hoe wist u dat de oorlog begon?
Het was pas in 1944, toen ik 6 jaar was, dat de oorlog voor mij begon. Op een nacht eind september 1944 schrok ik wakker van een geluid. Het was een Duitse soldaat die met zijn geweerkolf mijn slaapkamerraampje kapotsloeg. Hij schreeuwde en vroeg me waar mijn vader was. Mijn vader was ondertussen al wakker geworden en kwam kijken. Ik heb me toen opgesloten op de wc en deed het in mijn broek van angst.
De Duitsers hebben mijn vader die nacht meegenomen naar de gevangenis op de Weteringschans. Dat was de laaste keer dat ik hem gezien heb, want enkele maanden later is hij samen met 28 mede-gevangenen gefusilleerd op de Apollolaan, waar nu een oorlogsmonument staat. Ik moest altijd langs deze plek wandelen van school naar huis. Ik liep er die dag voorbij zonder te weten dat mijn vader tussen de dode mannen lag.

Waarom hebben ze uw vader meegenomen?
Mijn vader was een erg vrolijke man, maar hij kon niet tegen onrecht. Hij had een hekel aan onze overburen, want dat waren NSB’ers. Om hen te pesten, schilderde mijn vader bijvoorbeeld het plankje van mijn step oranje. Dat was natuurlijk verboden, want je mocht niets oranje of rood-blauw-wit in het straatbeeld tonen. Maar dit was niet alles. Mijn vader had door zijn beroep – buitendienstmedewerker van de sociale dienst van de gemeente Amsterdam – een vergunning om ’s avonds laat op straat te komen. Dat was heel speciaal, want tijdens de oorlog was er een avondklok. Hij kon dus ’s avonds op bezoek gaan bij een vriend, waar ze samen illegaal naar Radio Oranje luisterden. Met de informatie die ze op de radio hoorden, schreven ze anti-Duitse pamfletten die ze uitdeelden. Dat is het enige wat mijn vader gedaan heeft in de oorlog. Een verzetsdaad, maar wel van lichte wijze. Hij was geen man met het pistool, maar de man met de pen.

De NSB’er aan de overkant van de straat heeft mijn vader wel eens achtervolgd om te zien waar hij naartoe ging. Hij is naar de politie gegaan en zei: ‘Die meneer Zillisen, die moeten we ondervragen.’ Hierdoor startten de Duitsers een onderzoek: ze namen mijn vader gevangen en haalden ons huis ondersteboven, maar ze hebben nooit bewijsmateriaal gevonden.

Wat gebeurde er met u en uw familie toen u hoorde dat uw vader vermoord was door de Duitsers?
De avond van zijn dood kregen we het nieuws te horen. Het was verschrikkelijk, en mijn moeder heeft het nooit kunnen verwerken. Enkele dagen eerder voelde mijn vader volgens mij dat het te lang duurde voor hij werd vrijgelaten, en kon hij op wc-papier een afscheidsbriefje naar buiten laten smokkelen voor mijn moeder: ‘Tine, wees zelf flink, en bid veel voor mij. We hebben dat nodig. Vergeef me dat ik dikwijls hard tegen je geweest ben. Pas goed op jezelf, want je bent een sterke vrouw. Duizende kusjes, je liefhebbende Jacques”.

Na het nieuws kon mijn moeder niet meer in de Amazonestraat blijven wonen. Ze schreeuwde elke dag ‘vuile NSB’ers!’ naar de buren aan de overkant van de straat. Elke dag! Dat was erg gevaarlijk. Dus toen zijn we in november 1944 gevlucht naar Groningen, naar een oom van mijn moeder. Ik moest alleen met een wagen van het Rode Kruis mee, en ik hoorde overal schoten en bommen. Ik was zo bang dat ik in mijn broek plaste. Gelukkig kwam ik veilig in Groningen aan. Mijn moeder kwam samen met mijn broertje twee weken later. Daar maakten we in april de bevrijding mee. 

Archieven: Verhalen

‘David, Sam en Joris ’

Rolf Zeegers was 17 jaar toen de oorlog begon en studeerde toen aan de hogereburgerschool (HBS). Tijdens de oorlog waren er verschillende momenten die veel indruk hebben achtergelaten. In detail vertelde hij erover aan David, Sam en Joris van de Olympiaschool.

U bent een keer door de Duitse politie opgepakt, waarom was dat?
Als kind was ik erg geïnteresseerd in eenden en bekeek ik op een dag in het Vondelpark een eend met jongen. Ik keek door mijn verrekijker naar de eendjes, maar onbedoeld ook naar een villa  die door de Duitsers in beslag was genomen. Een Duitse soldaat heeft mij toen gearresteerd en met de tram naar de Grüne Polizei in de Euterpestraat gebracht, op de plek waar eerst het HBS voor meisjes zat. Bij de Grüne Polizei zaten de gevaarlijkste veiligheidsmensen in Duitse dienst; directe aanhangers van Adolf Hitler. Mensen werden in dat gebouw in de kelder gemarteld en afgevoerd naar Duitsland. Terwijl mijn verrekijker op het bureau stond, zei de man daar niks tegen mij. Als je daar een kwartier moet staan en er gebeurt niets dan word je wel bang, want je weet dat je bij de vijand zit. Ik wist dat ik in een hele gevaarlijke situatie zat en zo afgevoerd kon worden. Ik werd beschuldigd van spionage. Ik vertelde dat ik eenden in die vijver heb en naar de eenden keek. Toen vroeg hij mij: “Sind es weiße oder graue enten?”, dat betekent: “Zijn het witte of grijze eenden?” en ik antwoordde: “Geen van beide, want ze hebben een witte kop en…” Op dat moment werd hij vriendelijk, zelfs vaderlijk tegen mij, want hij wist dat ik gelijk had en dat daar eenden zaten. Toen mocht ik gaan zitten. Hij woonde in die villa en voerde daar vaak mijn eenden. Ik mocht naar huis.

Wat was het ergste dat u heeft meegemaakt in de oorlog?
In 1943 moest ik onderduiken omdat ik oud genoeg was om in Duitsland tewerkgesteld te worden in fabrieken om oorlogsmateriaal te maken. In die periode zat ik tegen mijn zin ondergedoken bij boeren op een eiland bij het Alkmaardermeer. Daar kwamen geen Duitsers, dus er zaten veel mensen ondergedoken. Ik moest leren omgaan met koeien en paarden, terwijl ik nog nooit met een paard was omgegaan. Bij de boeren hadden ze wel genoeg eten. Maar ik was vegetariër en toen ik daar binnenkwam waren ze pannenkoeken aan het bakken en dat deden ze met schapenvet. Ik dacht dat ik dat niet kon eten, maar doordat ik zo’n honger had, heb ik het vegetarisme toch opgegeven.

Hoe was de bevrijding voor u?
Ik was met een vriend op 7 mei naar de bevrijding op de Dam. Die dag hebben de Duitsers vanaf de Kalverstraat bij het Paleis op de feestvierende menigte geschoten, er zijn toen veel mensen doodgeschoten. Met z’n tweeën stonden we net op de hoek bij de bank en die hele  mensenmassa die naar het Damrak vluchtte, kwam langs ons. Er lagen mensen in wel vier rijen over elkaar heen, allemaal op de vlucht voor de Duitsers. Ik hield mij vast aan de stangen van de bank, mijn knieën tegen de wand, want de mensen duwden enorm. Er zaten ook Duitsers met mitrailleurs op een vrachtwagen, die van het station naar het Damrak reden. Zij schoten ook op de menigte richting de Bijenkorf aan de overkant. Ik kan mij nog herinneren dat de kalk van de Bijenkorfmuren afvloog. Op de weg tussen de bank en de Bijenkorf lag een man die was neergeschoten. Mijn vriend was moediger dan ik op dat moment en ging kijken of hij nog leefde en hulp kon bieden, maar dat was niet veilig. Toen het allemaal achter de rug was en mensen waren weggehaald, zag ik dat die auto vooraan op de Nieuwendijk geparkeerd stond. Ik zal nooit de blik van die Duitsers vergeten, het was zo akelig. Het waren net maskers, zij waren namelijk ook bang aangezien ze in een vijandige menigte zaten. Dankzij mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten, bewapende Nederlanders, konden we nadat de Duitsers waren verslagen gewoon verder lopen.

Foto’s©Ingrid de Groot

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder zei dat ik maar goed moest zwaaien naar Klaartje’

TheaVerboom was pas vier jaar oud toen de oorlog begon. Toch kan zij Derk, Enah en Melody van de Olympiaschool veel vertellen. Tijdens de oorlog ging zij ook naar de Olympiaschool. Ze toonde een foto van zichzelf, genomen om de hoek van school. Bijzonder om te zien hoe die plek er vroeger uitzag.

Hoe wist u dat er oorlog was?
Ik kan me nog herinneren dat mijn zussen met plakband op de ramen aan het plakken waren. Er kwam zo een patroon van plakband en dat vond ik heel mooi om te zien. Mijn zussen vertelden me dat ze dat deden om tijdens een bombardement te voorkomen dat het glas overal heen zou springen, want dat was gevaarlijk. Dat is het eerste wat ik me herinner van de oorlog.

Ik was vaak bang, maar de oorlog was soms ook spannend. Ik zag een keer gevechten in de lucht met vliegtuigen. Als kind vond ik dat wel interessant om te zien. Ik was nog klein en ik snapte nog niet hoe erg dat moet zijn geweest voor de piloten.

Had u ook Joodse vrienden?
Er was een keer een razzia in mijn buurt. Ik woonde op de eerste etage en vanuit het raam zag ik hoe Joodse mensen uit hun huis werden gehaald en achterin grote overvalwagens moesten stappen. Er was ook een vriendinnetje van mij bij, zij moest samen met haar familie ook de wagen in. Samen met mijn moeder heb ik naar haar staan kijken. Mijn moeder zei dat ik maar goed moest zwaaien naar Klaartje. In mijn klas zat ook een Joods jongetje. Hij kwam opeens niet meer op school en de meester vertelde dat hij een lange reis moest maken. De meester wilde ons niet vertellen dat ook Robbie naar een concentratiekamp was gestuurd.

Hoe was de Hongerwinter voor u?
Omdat er veel te weinig eten was, stuurden mijn ouders me naar het platteland in Noord-Holland. Hier was meer eten dan in de stad. Als 9-jarig meisje werd ik op een boot gezet met allemaal vreemden, mijn moeder zwaaide me uit. Toen ik was aangekomen moest ik naar een kindertehuis, hier kreeg ik wat te eten. Ik weet nog dat ik graag meer wilde omdat het maar zo weinig was, maar toen ik het had opgegeten zat ik toch helemaal bomvol. Dat was omdat ik het niet meer gewend was om goed te eten.

Er kwamen soms mensen langs bij het tehuis om te kijken of zij een leuk kind zagen om thuis voor te zorgen. Op een dag werd ik uitgekozen en toen ging ik met deze mensen mee naar huis. Ik moest daar samen met een oude oma in een heel klein bed slapen. Dat vond ik heel naar en daarom ben ik weggelopen. Ik werd al snel weer gevonden. Tot op vandaag wil ik niet slapen met iemand naast me, ik moet dan weer denken aan hoe eng ik het vond in de oorlog.

Fotografie: Caro Bonink

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892