Archieven: Verhalen

‘Je moet alles achterlaten en gaat zomaar weg, maar je had geen keus!’

Hans Aussen is joods en moest daarom onderduiken. Onder andere om de hoek bij de Rosa Boekdrukkerschool, Abdullah, Oscar en Farah weten ongeveer waar. Ook heeft hij nog spulletjes om te laten zien.

Hoe voelde het toen de oorlog begon?
Ik was veertien jaar en we moesten vanwege het luchtalarm thuisblijven, zouden er granaten op ons huis komen? Mijn ouders waren heel bang, want die wisten dat Duitsland een hekel had aan joden en wij waren joods. We hadden de hele tijd de radio aan en we zagen parachutisten. Verder zat ik gewoon op school, maar in 1941 moest ik naar een joodse school. We woonden in de Frans van Mierisstraat 84, vlakbij het concertgebouw. Tijdens de oorlog woonde er een Duitse officier, hij sliep in het bed van mijn ouders. Na de oorlog zijn we weer in dat huis komen wonen, het was toen wel leeg. Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) was de officier weg en heeft de buurman ons huis alvast voor ons gehuurd. De waardevolle spullen die mijn ouders onder de vloerplanken onder hun bed hadden verstopt zaten er nog steeds, die officier heeft er de hele tijd bovenop geslapen.

Hoe was het om ondergedoken te zitten?
Mijn broer en ik waren opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Mijn vader zei: “Ga maar”, maar mijn moeder werd zo kwaad en dreigde zelfs er een einde aan te maken. We kregen het advies om dan maar allemaal onder te duiken en dat hebben we in de zomer van 1942 gedaan. Je had geen keus, we moesten alles achterlaten, maar gelukkig waren we veilig. We zaten met z’n vieren op de zolder en moesten daar ook naar de WC, niet prettig. We waren wel bang om verraden te worden. Jodenjagers kregen zeven gulden vijftig wanneer ze joden verraden. Wij zijn op ons onderduikadres hier om de hoek ook gechanteerd. Toen zijn we eerst ondergedoken in de Sanderijnstraat en daarna in zuid vlakbij ons oude huis. We hebben bijna drie jaar ondergedoken gezeten. Vanuit het raam zag ik steeds een mooi blond meisje, daar was ik zo verliefd op, maar ik mocht niet naar buiten, dus ik weet ook niet hoe ze heette.

Wat vond u van de oorlog?
Vreselijk natuurlijk. Zoveel mensen dood en de wereld heeft er niks van geleerd. Er is hier wel vrede, maar er is ook nog steeds discriminatie en ook zijn er weer mensen op de vlucht. De bevrijding in 1945 was een groot feest, iedereen danste op straat. Helaas was er op de dam nog een schietpartij op 7 mei terwijl mensen aan het feesten waren.

Fotografie: Shirley Brandeis

Archieven: Verhalen

‘Er zit nog steeds een litteken in mijn knieholte’

Herbert Gunst was acht toen de Tweede Wereldoorlog begon. Hij vertelt aan Frida, Yassine, Karshma en Auryn van de Rosa Boekdrukkerschool hoe dat was en hij laat hun ook zijn oude huis, om de hoek van hun school, zien.

Hoe wist u dat het oorlog was?
‘Ik werd wakker van knallen. Eerst dacht ik dat er weer een prinsesje of prinsje geboren was, want toen Beatrix was geboren deden ze dat ook. Maar moeder haalde me uit bed en toen hebben we voor het raam staan kijken. We zagen de rookwolken bij Schiphol en hoorden het afweergeschut van
het Nederlandse Leger. Mijn moeder bracht me naar school, maar er was geen school, het was oorlog.’

Bent u wel eens bang geweest?
‘Jazeker, naar mate je ouder werd begreep je het allemaal beter en dan werd je wel bang wanneer de vliegtuigen overvlogen, zeker aan het eind van de oorlog. De Duitsers probeerden dan de Engelse en Amerikaanse vliegtuigen uit de lucht te schieten en dan kletterden de granaatscherven op de
straatstenen. De volgende ochtend gingen we die dan oprapen en dan op school kijken wie de mooiste had. Daarom heb ik nu nog een hekel aan het geknal van vuurwerk. Maar eigenlijk ging het leven, heel gek, gewoon door. Je vader en moeder zorgden voor je, je ging naar school, weliswaar
halve dagen, maar toch.’

Heeft u ook leuke herinneringen aan die tijd?
‘We haalden wel kattenkwaad uit. Net voorbij de Orteliusstraat hield de stad op, daar was een grote zandvlakte en dat was ons speelterrein. Ietsje verder was landbouwland.  Daar roosterden we de aardappelen, die we op weg bij groenteboer Fred Loyen aan de Jan Evertsenstraat hadden gepikt, op een fikkie. Ook moesten ik een keer met mijn vriendje Wimpie voor Duitse soldaten ijs halen. Dat moest twee keer. De eerste keer hadden we niet het goede ijs gehaald. Het moest ijs van Koco zijn, de joodse ijszaak op de Jan Evertsenstraat terwijl Duitse soldaten niks bij Joden mochten kopen.’

Wat was het ergste dat u in de oorlog heeft meegemaakt?
‘De Hongerwinter. Er was gewoon geen eten. Je kon als kind met je pannetje, bij de centrale keuken in de rij gaan staan voor een soort soep. Er waren ook wel mensen die niet in de rij wilden staan, die schepten het dan heel snel uit de pannen wanneer het naar de uitgifteplek werd gebracht. Er was
ook geen brandstof voor de kachel. Ik ben toen een keer met een houten balk vanuit de Jordaan helemaal naar huis gelopen.’

Kende u iemand die werd weggevoerd?
‘Mijn vader was weliswaar ziek geworden van de honger in de hongerwinter, maar toen hij in november 1944 werd opgeroepen om schuttersputjes te gaan graven in het oosten van Nederland, is hij toch gegaan. Hij kreeg daar eten en dan hadden wij hier met één persoon minder meer voor onszelf. Wij hadden joodse buren in de straat, de familie Bremer, die waren opeens weg. Je vroeg niks, bovendien werd er met kinderen niks besproken zoals nu.’

Hoe was het om de schietpartij op de Dam op 7 mei 1945 mee te maken?
‘Een verrassing! Ik ging met een vriendje feesten op de dam en ik klom in een lantaarnpaal om beter te kunnen zien. Ineens werd er geschoten vanuit een gebouw recht tegenover mij en ik zat vast aan de lantaarnpaal met mijn linkermouw. Uiteindelijk ben ik weggekomen. Onderweg zag ik nog een
mevrouw dood op straat liggen. Ik bleek ook te bloeden, ik heb nog steeds een litteken in mijn knieholte.’

      

Archieven: Verhalen

‘Die Duitse soldaat vond ook niet fijn wat er allemaal gebeurde’

Lenie Ekelschot (1935) woonde met zes broertjes en zusjes in een huis met twee slaapkamers. Heel normaal in die tijd. Niet normaal was dat het oorlog was. Aan Maia, Britany en Lila van de Rosa Boekdrukkerschool vertelt ze bij haar ouderlijk huis aan de Admiralengracht over het normale leven tijdens de oorlog, over wat er gebeurde op die avond dat ze zuurkool aten en heftige momenten in Drenthe.

Kon je buiten spelen in de oorlog?
Ja hoor. En weet je, er waren helemaal geen auto’s, dus we hadden alle ruimte. En weet je wat we onder andere speelden: oorlogie! Dan had je een houten pinkje, dat is een blokje, door onze vaders gemaakt. Daar moest je tegenaan slaan richting een put en elke put stond voor een ander land. Zo ging je dan landje veroveren. Op de Witte de Withstraat kon je lekker rolschaatsen op het asfalt. Ook daar waren geen auto’s. En je kon naar het Jan van Galenbad, dat bestaat nu nog. Hoe heet het nu? Oh, Sportplaza Mercator. Nou, vroeger kon je voor een dubbeltje naar binnen. Dat is zo’n 4 eurocent. Na de oorlog was het opeens 15 cent. Moesten we mensen vragen om een stuiver. Dat klinkt niet als veel geld, maar vroeger verdienden mensen zo’n 9 gulden per week. Da’s 4 euro.

Kende u mensen in het verzet of bij de NSB?
Schuin boven ons woonden NSB’ers. Dat was raar, ja. Als mijn vader, die anderhalf jaar ondergedoken zat in Zuid (omdat hij had gestaakt bij de Spoorwegen) ’s avonds op bezoek kwam, moest ie heel stil doen. Mijn man, die ik toen nog niet kende, had een neef die in het verzet zat en is gefusilleerd. Hij kreeg later een straat hier naar zich vernoemd: de Verleunstraat. Hij heeft er nog voor gezorgd dat het bevolkingsregister, het gebouw waar alle mensen geregistreerd waren, in de brand ging. Hierdoor konden de Duitsers niet nagaan wie er Joods was.  Als kind hield je je met andere dingen bezig. Zo hebben we bij de groenteboer in de Van Kinsbergenstraat wel eens grote wortels gestolen. Je had honger en ze lagen buiten. De mensen kapten ook de bomen om voor het hout, om te verbranden in  de kachel. Dat deden ze ’s  nachts of als er mist was. De Duitsers mochten dat niet zien. Die waren trouwens niet allemaal slecht. Een keer zagen we hier voor de deur hoe een Engels vliegtuig werd beschoten. De piloot sprong er met een parachute uit. Naast ons keek een Duitse soldaat mee. Hij zei: Nein, das ist nicht gut. Hij vond het ook niet fijn wat er gebeurde. We aten die avond zuurkool. Grappig dat ik dat nog weet; ik hou niet van zuurkool.

Fotografie: Shirley Brandeis

Wat was het moeilijkste voor u in de oorlog?
Toen ik naar Drenthe ging, omdat er geen eten meer was voor alle kinderen. M’n moeder en zus zwaaiden me uit op het Centraal Station. Ik ging op een schuit, een boot met stro erop en met een emmer als wc. De reis duurde een week. Onderweg maakten we nog een bombardement mee. Ik moest van huis, omdat mijn moeder niet meer zeven kinderen kon voeden en mijn vader ondergedoken zat en er dus geen inkomsten waren. In Drenthe woonde ik bij een familie in Coevorden, daar heb ik echt de oorlog nog meegemaakt. We woonden tegenover het station. Er was een begrafenis van een Amsterdams jongetje – hij was doodgeschoten vanuit de lucht – en toen werd er weer gebombardeerd. We moesten schuilen in de goot langs het kerkhof. Het huis waar we woonden was kapot. Uiteindelijk waren we in Drenthe eerder bevrijd dan in Amsterdam, op 14 april 1945. Een tijdje terug hoorde ik toevallig op de radio een oproep van de broer van het jongetje dat was omgekomen. Er kwam een reünie. Daar zag ik de baby die ik tijdens het bombardement op de begraafplaats in de kinderwagen snel had meegenomen. Het was nu natuurlijk een grote meneer. Daarna kon ik het afsluiten.

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader verdomde het zijn radio en slagersweegschaal aan de Duitsers te geven!’

Marianne Appelboom is van net na de oorlog, maar kent de verhalen van haar ouders goed. Aan Hailey (haar buurmeisje), Açelya, Mette en Brahim van de Rosa Boekdrukkerschool vertelt ze over de slagerij van haar ouders, over de nare dingen die haar vader zag en het spannende verhaal van de aardappelen en de kinderwagen.

Wat was het ergste dat uw ouders hebben meegemaakt?
Het ergste voor mijn vader als slager was dat hij op een gegeven moment van de Duitsers zelf een dier moest slachten. Hij zag er dan wel stoer uit, maar dat durfde hij niet, dat deden ze altijd voor hem bij het abattoir. Maar er waren geen slachters meer, dus moest ie het zelf doen. En ook erg vond mijn vader het in de oorlog dat je niet wist wie van je buren en klanten je kon vertrouwen. En het allerverschrikkelijkst: mijn vader fietste in Zuid, bij de Apollolaan. Opeens moest ie stoppen van Duitse soldaten. Die hadden zomaar elf mensen opgepakt en op een rij gezet. Die mensen werden doodgeschoten en andere mensen, waaronder mijn vader, moesten daar van de Duitsers naar kijken. Mijn vader kwam lijkbleek thuis, hij vond het zo erg. Waarom die mensen waren doodgeschoten? Zomaar! Nou ja, er was een aanslag gedaan op Mussert geweest. Die man was van de NSB, een soort Hitler. De Duitsers waren zo boos over de aanslag, dat ze wraak namen door zomaar mensen dood te schieten.

Moesten uw ouders onderduiken?
Nee, dat niet. Mijn vader had wel een Joodse vader, maar geen Joodse moeder, dus officieel was ie niet Joods. Ik ken wel verhalen van in de straat waar ik nu woon, dat is ook in Bos en Lommer. Over onderduikers die zich verstopten in een dubbele laag van het plafond. Die moesten heel erg stil zijn. Zo stil: ze konden niet hoesten, niet naar de wc. En dat soms 8 uur lang, moet je je voorstellen. Soms maakten de mensen die er woonden extra geluid, zodat zij ook weer wat konden bewegen of naar de wc konden gaan. Uiteindelijk zijn ze verraden en zijn de onderduikers en het gezin waarbij ze in huis woonden naar een kamp afgevoerd. Dat is mijn ouders bespaard gebleven, maar ze hebben een nare tijd gehad. Zo was mijn moeder zwanger, terwijl mijn broer van vier bij mijn tante logeerde. Daar kreeg ie kinderverlamming. Van de dokter mochten ze dat niet tegen mijn moeder zeggen, dat zou niet goed zijn voor haar om te weten. Later is ie bij een andere tante vlakbij mijn ouders gebracht. Mijn moeder zag een kinderziekenwagen langs de slagerij rijden en zei tegen mijn vader: ‘Het zal je kind maar zijn die daarin ligt’.  Dat was dus haar kind! Later heeft ze het wel gehoord, hoor. Iedereen was heel aardig voor d’r en ze maakten een speciale box voor hem. En hij heeft weer leren lopen!

Fotografie: Shirley Brandeis

Hebben uw ouders zich verzet tegen de nazi’s?
Ze hebben wel dingen gedaan. Zo verdomde mijn vader het om de radio in te leveren. Dat moesten alle mensen, omdat ze anders via de radio het nieuws over de oorlog konden horen en dat wilden de Duitsers niet. Ook z’n mooie slagersweegschaal wilde hij niet afstaan. Die kon ie kwijt bij de brandweer, aan de Marnixstraat. De brandweermensen hebben veel mensen geholpen, onder andere met onderduiken.  Bij de Willem de Zwijgerlaan lagen schepen vol aardappelen. Die hebben mijn vader en oom gestolen. Ze namen de kinderwagen, zo’n ouderwetse, en maakten er een dubbele bodem in. Daar pasten die aardappelen in, erboven op de baby. Als er dan controle van een soldaat zou komen, zouden ze zeggen dat de baby de mazelen had. Voor besmettelijke ziektes waren de Duitsers erg bang!  Die aardappelen werden met de buren gedeeld. Dat deed je in die tijd. Mijn ouders konden als slager ook vlees ruilen met andere winkeliers. Met de melkboer op de hoek, de bakker om de hoek of de groenteman aan het eind van de straat. In die tijd ging je niet naar Albert Heijn, je deed alle boodschappen in die winkels. En die hielpen elkaar onderling.

Archieven: Verhalen

‘Ik schreef bij een theelichtje in mijn dagboek’

Rie Kok werd geboren in 1925. Mina, Ella en Mischa van de Rosa Boekdrukkerschool kozen uit alle vertellers haar uit. “Omdat ze al wat ouder was in die tijd en zich misschien wel veel herinnert.” Dat is zeker zo, blijkt als ze hun vragen stellen. Maar eerst: cadeautjes voor Rie. De juf had nog gezegd dat het niet hoefde, maar de meisjes namen graag een zelfgemaakte cupcake, een tekening en dropjes mee.

Ben u klaar voor het gesprek of wilt u nog iets zeggen?
Ik ben er klaar voor. Weet je, ik denk aan de ene kant: waarom moeten jullie dit weten? Aan de andere kant merk ik dat jullie het graag willen horen. Over hoe het hier toen was. Nou, er was bijna niks. We hadden het laatste jaar van de oorlog erge honger. En toen was het ook nog een hele koude winter: zestien graden onder nul! Ik heb een keer stiekem een boerenkool uit de grond getrokken. Dat is stelen, maar dat deed iedereen. Suikerbieten heb ik gegeten en – heel vies – tulpenbollen. Ik ben samen met een vriendin op de fiets naar Noord-Scharwoude, bij Alkmaar, gegaan om bij de vader van een kennis aardappelen te halen. We waren twaalf uur onderweg. Maar we hadden eten! De buurvrouw, die ook honger had, vroeg ons de schillen. Maar die ruilden we met de melkboer voor pudding. Ook heb ik een keer twee jongetjes die uitgehongerd over straat liepen gezegd dat ze de volgende dag naar ons huis mochten komen. Ik zie ze nog zitten: dichtbij het kacheltje, etend terwijl het nog niet voldoende was opgewarmd.

Hoe voelde het, oorlog?
Je voelde je gebonden. Acht uur moest je binnen zijn. En alles moest verduisterd. Geen kiertje licht mocht naar buiten gaan. Ik schreef bij een theelichtje in mijn dagboek.  De Duitsers wilden dat de stad onvindbaar was vanuit de lucht en dat het dus donker was. Je voelde vaak angst. Ik heb dode mensen op straat zien liggen. Bij mijn werk (op de Bloedtransfusiedienst) was een lijkkamer vol dode mensen. Met paard en wagen werden stapels mensen aangevoerd; met een kaartje met hun naam erop aan hun teen.
Ja, ik had wel speelgoed. Maar dat werd allemaal gebruikt om bij de boeren te ruilen voor eten. M’n poppenwagen, m’n poppenledikantje, blokkendozen… Schoenen moest je zuinig mee zijn, die kon je niet laten maken, omdat er geen leer meer was. In de laatste klas van de Mulo (dat is de middelbare school) zei ik tegen mijn vriendin: zullen we vanmiddag op klompen komen? Dat deden we. Binnen een week kwam iedereen op klompen. Dat zat nog lekker warm ook. Van het beetje wol dat ik nog had, breide ik sportkousen.

Fotografie: Shirley Brandeis

Waren ook ‘leuke’ momenten tijdens de oorlog? Natuurlijk de bevrijding!
Ja, er waren ook plezierige momenten. Ik zeg altijd:  verdriet krijg je, plezier moet je zelf maken. We gingen uit op het Rembrandtplein. Daar was een groot restaurant waar je met een flesje drinken naar muziek kon luisteren. Je kon ook naar de film, alleen waren dat Duitse films. Of je ging op zondag naar een kerkdienst van de ANVJ op het Leidseplein. Ik ben niet zo van de kerk, maar het was er gezellig én er waren leuke jongens. En ja, de bevrijding! Toen dat bekend was, was je de honger meteen vergeten. In het boek ‘Stad in oorlog’ kun je heel veel foto’s zien zoals het was in de stad tijdens de oorlog. Ik hoop dat jullie er niet wakker van gaan liggen. Maar gelukkig is die tijd voorbij, al houd ik mijn hart vast voor mensen als Trump en Putin. En gelukkig staan op de gracht waar ik toen woonde weer rijen mooie bomen!

Archieven: Verhalen

‘Je enige kind afstaan, zonder dat je weet of je het ooit nog terugziet’

Simon Italiaander (76) wordt op dit adres geboren in 1940, de oorlog was net begonnen. Omdat hij joods is, moest hij al snel onderduiken. Zijn ouders wachten te lang en worden in Auschwitz vermoord. Ter nagedachtenis aan hen, heeft Simon voor hun oude huis Struikelstenen voor zijn ouders laten plaatsen. Na het interview halen Assia, Sterre en Safouan van de Rosa Boekdrukkerschool het onkruid weg en poetsen de steentjes een beetje op.

Hoe was het om ondergedoken te zijn?
‘Ik was toen een jaar of drie en dan weet je niet beter. Het was gewoon zo. Later merk je pas, dat andere kinderen een heel ander leven hadden. Ik mocht bijvoorbeeld niet het huis uit of de straat oversteken om bij een vriendje te gaan spelen, want je zou zo maar verraden kunnen worden. In de eerste jaren van mijn leven heb ik wel bij zo’n vier verschillende gezinnen gewoond. Bij mijn ouders natuurlijk, daarna ondergedoken in Haarlem. Daar moest ik weg, waarom weet ik nog steeds niet. Toen kwam ik bij een gezin in Alkmaar en had ik opeens een vier jaar oudere “broer”. Na de oorlog ging ik bij mijn oom en tante wonen in de Witte de Withstraat. Tijdens de oorlog kon ik natuurlijk ook niet naar de kleuterschool, dus ik ging pas op mijn zesde voor het eerst naar school.’

Leven de mensen nog waarbij u ondergedoken was?
‘Van die mensen in Haarlem weet ik helemaal niks, maar met mijn broer en zusje uit Alkmaar heb ik nog steeds contact, de laatste jaren zijn we heel hecht. Hun ouders zijn er niet meer, maar die hebben wel de Yad Vashem onderscheiding gekregen “Rechtvaardige onder de volkeren”, de hoogste onderscheiding van de Staat Israël die wordt gegeven aan mensen die Joden hebben gered. Ook staan hun namen op een muur in Israël. We zijn ook samen daar geweest! Ik ben ze nog steeds dankbaar, want ze hebben mijn leven gered.’

Wat veranderde er na de oorlog?
‘Eigenlijk alles natuurlijk. Mijn ouders zijn me afgepikt, ze zijn in Auschwitz vermoord en eigenlijk vind ik het nog steeds moeilijk om daarover te praten. Direct na de oorlog werd er ook door niemand over oorlog gesproken. Pas vanaf de jaren 80 ging men er dieper over nadenken en werd ook steeds meer duidelijk, dat het allemaal niet zwart/wit of goed/fout was, maar dat heel veel grijs was: niet goed, maar ook niet persé fout. Ik kwam in die tijd voor mijn werk ook veel in Duitsland en heb ook veel met Duitsers over de oorlog gesproken. Er waren niet alleen ook slechte Nederlanders, maar ook Duitse helden! Uiteindelijk ben ik gelukkig getrouwd – al 52 jaar – en heb 2 kinderen gekregen. Mijn kleinzoon is nu 9 jaar!

Archieven: Verhalen

‘Van de buren heb ik geweldig leren vloeken!’

Truus Grondsma (79), was pas twee jaar toen de oorlog begon en heeft de Hongerwinter in Leeuwarden doorgebracht. Voor haar oude huis en met de foto’s van haar tante vertelt ze haar kleinzoon Daniël en Ranillie, Nina en Dajo van de Rosa Boekdrukkerschool over de laatste straat van de stad.

Hoe was het in de oorlog?
De straat was heel rustig, behalve wanneer buren verderop ruzie hadden. Die kwamen uit de Jordaan en die konden me toch vloeken! Achter onze tuin hield de stad op. Door de schutting kwamen we in een gigantische zandbak terecht. Ik liep ook een keer met mijn vader op de weg, waarschijnlijk om eten te halen bij de boeren, toen er een Duitse legerjeep aankwam. We doken snel langs de kant van de weg, dat was best wel eng.

Had u last van de Hongerwinter?
In de zomer van 1944 gingen we bij mijn Pake (Opa) op bezoek in Leeuwarden en uiteindelijk zijn we daar gebleven. Ook daar kon je soep bij de gaarkeuken halen, maar er zat vast meer in dan hier in Amsterdam. Ik had hongeroedeem op mijn ellenbogen en knieën en wanneer de zweren open gingen stonk dat verschrikkelijk. Bij Pake stond een tarwekist, daarin hadden muizen een nest gemaakt met papier uit mijn schoolschrift. Alleen mijn vader ging af en toe terug naar Amsterdam naar de sigarenzaak, daar zat een joods gezin ondergedoken. De mensen in de straat moeten voor ze hebben gezorgd, dat kan niet anders. Vader heeft zelfs nog eten vanuit Leeuwarden naar de buren gestuurd.

Wat veranderde er tijdens de oorlog?
Er is iets van een bom gevallen in de straat, maar dat herinner ik me niet meer, ik was te klein. In Leeuwarden waren razzia’s om mannen op te pakken om in Duitsland te gaan werken, aan de achterkant zagen we de mannen via de dakgoot naar andere huizen ontsnappen. Vader had een verstopplek in het huis van pake. Toen er Duitse soldaten kwamen zoeken, zat vader daar verstopt. Ik begon te huilen en zei: “Ze komen mijn vader halen”. De soldaat verstond het niet en mijn moeder vertaalde, dat ik huilde omdat mijn pake ziek was. Toen hij weer weg was, legde mijn moeder uit dat ik dat nooit meer mocht zeggen. Toen heb ik eigenlijk jaren niks meer gezegd. Voor de oorlog had mijn vader in Duitsland gewerkt, hij sprak dus uitstekend Duits. Toen hij toch een keer op straat was opgepakt heeft hij zich er met zijn goede Duits uitgekletst en stond hij opeens weer voor de deur.

Fotografie: Shirley Brandeis

Ging u ook feestvieren toen de oorlog voorbij was?
Leeuwarden is net als Amsterdam door de Canadezen bevrijd, ze deelden koekjes en chocola uit. En er was overal feest. Ik weet ook nog dat ik voor het eerst een banaan kreeg net na de bevrijding, ik vond dat maar raar smaken. Ook wel grappig is het briefje dat ik vond van de schoolinspectie van februari 1946. Daarin stond dat ik klompen of schoenen moest hebben of dat ik anders niet meer naar school toe mocht.  Ik weet niet waarop ik naar school ging, maar vast niet op blote voeten in februari!

Archieven: Verhalen

‘Omdat mijn moeder een Duitse was, is ze na de oorlog verschrikkelijk uitgescholden’

De moeder van Yvonne van der Zwaard was een Duitse en haar vader was een Nederlander en joods. Nynke, Teun en Reyer van de Rosa Boekdrukkerschool gaan met de bus bij Yvonne op bezoek om haar hierover van alles te vragen.

Wat is uw eerste herinnering van de oorlog?
Dat we naar school moesten met een pannetje en een lepel en dat we dan met de hele klas naar de gaarkeuken gingen lopen in de Balboastraat. Daar kregen we dan aardappelschillensoep, het zag eruit als slootwater met schillen, echt heel vies. Moeder bakte ook taart van suikerbieten, echt heel zoet en dat bleef in je keel hangen, bah! En het brood dat je met bonnen kon halen was ook heel smerig, je kon het haast niet doorslikken. Het eerste dat ik na de oorlog rook was het Zweedse wit-brood, dat was nog lekkerder dan een taartje.

Heeft u ook spullen geruild voor brood?
In 1944 was ik 6 jaar en omdat mijn moeder Duits was en nogal met een accent sprak – dat hoorde ik niet, maar anderen wel – had het geen zin om met mijn moeder te gaan. De buren deden dat voor ons. Mijn vader had tot 1942 als stoffeninkoper gewerkt voor Gerzon. Hij kwam daardoor voor de oorlog vaak in Duitsland en zag wat er daar gebeurde. Daarom had hij balen stof en scheermesjes gehamsterd aan het begin van de oorlog, dat werd dan geruild. Bij de Wiegbrug lag een keer een Duitse boot met boomstammen, daar ben ik met mijn zus opgeklommen en toen hebben we een boomstam gepikt en mee naar huis genomen. Dat is de enige keer in mijn leven geweest dat ik iets heb gepikt.

Uw vader was joods, moest hij dan niet onderduiken?
Mijn moeder was niet joods, ze waren dus ‘gemengd gehuwd’, dat maakte mij en mijn zusje half-joods en het betekende dat mijn vader en mijn zusje en ik niet werden opgepakt. Mijn vader liet af en toe joden bij ons onderduiken. Hij had een schuilplaats gemaakt op zolder onder het plafond en de joodse buren van 1 hoog sprongen bij een razzia ook van het balkon en verstopten zich in ons huis. De NSB-buurman van nummer 43 heeft mijn vader verraden en toen is mijn vader opgepakt en vermoord. Ook de joodse buren en de rest van mijn joodse familie zijn allemaal opgepakt en vermoord. Pas in 1952 kregen we officieel te horen dat mijn vader dood was en pas drie jaar geleden hebben we gehoord wat er nou eigenlijk echt met hem gebeurd is.

Fotografie: Shirley Brandeis

Hoe voelde het toen u bevrijd werd?
Er was feest in alle straten. Er waren ook wedstrijden op straat tussen de verschillende straten en iedereen was vrolijk. Mijn moeder was al zo’n 10 jaar voor de oorlog in Nederland komen wonen, maar toch werd ze verschrikkelijk uitgescholden. De NSB-buurman is na de oorlog opgepakt en heeft in een kamp gevangen gezeten. Het was wel heel moeilijk om geen familie te hebben.

Archieven: Verhalen

‘“Mama, kom snel, Tootje moet watergruwel eten!”’

Toos Knollenburg is van 1931 en gruwelt nog bij het idee van de watergruwel die ze moest eten tijdens de oorlog. Ze vindt het moeilijk – beter gezegd belastend – om Nehir, Zaid en Dounia van de Visserschool over haar oorlogservaringen te vertellen. Emoties zijn er dan ook af en toe. De kinderen luisterden lief en aandachtig. “Gaat het?” vroeg Zaid toen ze het even te kwaad kreeg.

Hoe heeft u de oorlog overleefd?
Ik ben niet Joods, hoefde niet onder te duiken, en kon gewoon naar school. Die zat aan de Jan Pieter Heijestraat. Ik had niet de hele tijd besef van de oorlog. Maar de honger herinner ik me wel erg goed. En dat er geen kolen meer waren (die hadden de Duitsers ingepikt) en we dus andere dingen moesten gebruiken voor de kachel, zoals hout. Maar waar haalde je dat vandaan? We hebben houten blokjes uit de tramrails gepikt. En een keer heeft mijn moeder – een flinke, potige vrouw – ’s nachts met een paar mensen stiekem  een hele grote boom op de hoek van de Jan Pieter Heijestraat omgekapt. Iedereen kreeg een stuk hout mee naar huis. Wij voor ons noodkacheltje: dat was een rond  blik waar we zelf een rooster in hadden gemaakt. Onderin zat een bakje voor het hout of andere brandbare dingen. Zo konden we toch warmte krijgen en het eten opwarmen. Als er eten was.

Hoe is dat, honger?
Vreselijk. Maar zelfs met de allergrootste honger die ik heb gekend, at ik niet alles. Er was een gaarkeuken aan de Elisabeth Wolffstraat waar schoolkinderen mochten komen eten. Watergruwel kregen we, een soort gort met hele zure karnemelk erdoorheen. Nou, dat lustte ik echt niet. Mijn oudere broer wist dat en haalde snel mijn moeder thuis op. “Kom, Tootje moet watergruwel eten!” riep ie en mijn moeder ging mee. Toen ze aankwam had ik overgegeven, want de mensen daar hadden het in m’n mond geduwd. Ze dachten goed te doen. Maar dát kon ik niet doorslikken. Thuis maakte mijn moeder nog wat van het eten. We aten bloembollen, die smaakten wat meelderig. En van de restjes van suikerbieten maakte mijn moeder een soort stroop, dat ze veel gebruikte. Bij de Vondelkerk was een struik met bladeren waar je wat van kon koken en toen is mijn moeder dat gaan plukken. Ook dat smaakte niet, maar het was tenminste geen watergruwel. Gelukkig dropten de Amerikanen tegen het einde van de oorlog voedselpakketten vanuit vliegtuigen. Hoe weinig de mensen ook hadden, alles werd onderling netjes verdeeld. En er zaten lekker dingen in! Daar konden we echt brood mee maken, mmmmm!

Fotografie: Shirley Brandeis

Heeft u nog zielige dingen meegemaakt?
Ik ben dol op beesten, dus ik vond het heel zielig dat mensen met een haakje met zogenaamd iets lekkers eraan meeuwen gingen vangen. Om die op te eten. Ook ging ik een keer tekeer tegen soldaten die op vogeltjes schoten. Die jongemannen moesten lachen om mij, dat kleine meisje dat zich zo druk maakten om een beestje. Het ergste was de keer dat we lekker als buren wat met elkaar aan het praten waren, hangend uit het raam of op het balkon, toen er een wagen met soldaten de straat inreed. We moesten naar binnen, zeiden ze. Onze bovenbuurman weigerde en begon tegen de soldaten te schreeuwen. Hij werd zo – pang – doodgeschoten. Dat is zo erg, alles wat ze gedaan hebben met mensen in de oorlog. Geniet maar van het leven en probeer gelukkig te worden.

Archieven: Verhalen

‘Je hielp elkaar in die tijd, dat was het mooie eraan’

Tiny Aarssen werd in de zomer van 1943 geboren en heeft geen herinnering aan de oorlog. Maar de verhalen van haar ouders en het heftige verhaal van hoe zij het als baby maar net redde, draagt ze voor altijd met zich mee. Aan Oumima, Parwien en Ilias van de Visserschool vertelt ze voor de deur van haar ouderlijk huis aan de Van Spilbergenstraat, vlakbij de Postjesweg, over honger, buiten spelen in een tijd van schaarste en het moment dat ze hoorden dat vader nog leefde.

Heeft u erge dingen meegemaakt in de oorlog?
Ja, al weet ik het zelf niet meer. Ik was een baby in de oorlog, een hele dunne baby. Met negen maanden woog ik negen pond. De dokter in het Wilhelmina Gasthuis gaf me op. Bij de slager aan de Postjesweg, waar ze een zoontje van precies mijn leeftijd hadden, vertelde mijn moeder verdrietig het slechte nieuws. En ook dat ze dacht dat dagelijks kleine beetjes bouillon me zouden helpen, alleen had ze daarvoor geen geld. De slagersvrouw zei daarop dat ze elke dag vlees mocht komen halen om bouillon van te trekken. En daar knapte ik van op. Ik kwam aan, mijn moeder viel af, want ze moest me elk uur tien druppeltjes bouillon geven. Je hielp elkaar in die tijd, dat was het mooie eraan. Niemand had wat, iedereen kende dezelfde armoede. Daar word je ook vindingrijk van. Kinderen maakten zelf hun speelgoed en speelden met klepperende houtjes, pinkelden met stokken en maakten van conservenblikjes en touwen bliklopers.

Had u broers of zussen?
Ik was de zevende van het gezin! Mijn vader was voor mijn geboorte al op transport gezet. Mijn moeder deed van alles om aan eten te komen voor alle kinderen. Met zes vrouwen spraken ze af om ’s avonds eten te stelen van het land dat hierachter lag. Daar waren boerderijen, de huizen die er nu staan waren er nog niet. Gevaarlijk, want er liepen overal Duitsers. Maar dat deed je als je je kinderen te eten wilde geven. Mijn broertje was een jaar of tien toen ie werd opgepakt tijdens het stelen van houtjes uit de trambaan. De hele groep jongens en mannen werd bij de edelsmidschool op de Postjesweg tegen de muur gezet. Willekeurig werden ze wel of niet doodgeschoten. Aan beide kanten van mijn broer vielen ze neer. Drie mannen vluchtten richting de Baarsjesweg en werden in hun rug geschoten. Voor hen is het monument dat nu voor jullie school staat opgericht.

Fotografie: Shirley Brandeis

Wat is er met uw vader gebeurd?
Op een dag kwam er een Duitse soldaat aan de deur. Mijn moeder dacht nog dat ie boven moest zijn, bij de buurvrouw die erg goed ‘bevriend’ was met de Duitse soldaten. Maar hij stond erop binnen te komen. Eenmaal binnen haalde hij uit zijn schoen een briefje van mijn vader. Toen wist mijn moeder dat ie nog leefde. Het was voor ons gezin de rest van ons leven het bewijs dat niet alle Duitsers slecht zijn. Na de oorlog kwam mijn vader op een dag terug. Hij zag mij toen dus voor het eerst. Mijn moeder herkende hem niet, omdat ie erg vermagerd was in het werkkamp. Ons hele gezin heeft het gelukkig overleefd. Ik ben nog steeds van mening dat niemand macht over je mag hebben. Kijk, je moet je aan regels houden, maar dat een ander over je beslist, je kan dood maken, dat mag niet. Je moet een ander accepteren zoals ie is en als je ´m niet mag, loop dan weg. Schelden lost niks op. Oorlog helemaal niet. 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892