Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder gaf mij altijd mee dat niet alle Duitsers slecht zijn’

Marja Ruijterman is van na de oorlog. Als professioneel verstelster én omdat haar moeder zoveel verteld heeft, kan zij de verhalen van voor haar geboorte doorgeven alsof ze erbij was. Aan Chenoa, Asli en Steven van de Visserschool vertelde ze bij een ingelijste jeugdfoto van haar moeder Greetje over de oorlog.

Liep uw moeder gevaar in de oorlog?
Haar vader, mijn opa Samuel Dresden, was Joods. Mijn oma Christien was katholiek. Daardoor waren mijn moeder Greetje en haar zusje Annie niet Joods. Per ongeluk stond mijn moeder wel als ‘geheel Joods’ ingeschreven bij de Joodse gemeente. Een keer werd ze opgeroepen voor werkkamp. “Mijn kind moet weg!” riep haar moeder in paniek. Dat heeft mijn opa nog net voor hij werd weggehaald door de Duitsers recht kunnen zetten. Een ander gevaarlijk moment was toen mijn moeder een keer in de Kinkerstraat houtblokjes uit de tramrails ging stelen. Nodig voor de kachel, om het een beetje warm te krijgen in huis. Opeens kwamen er twee Duitse soldaten aan. Ze rende weg maar een van de soldaten kreeg haar te pakken. Hij zei: “Ik heb ook kinderen, ga maar gauw.” Mijn moeder gaf mij daarom altijd mee dat niet alle Duitsers slecht zijn. Ze heeft de Duitsers zelfs  vergeven. Daardoor werd, zei ze, haar hart zachter, en het mijne ook. Ze zei: “Alle mensen zijn verschillend – er zijn Joden, katholieken, moslims… – maar we zijn één grote familie.”

Heeft uw moeder honger geleden in de oorlog?
Heel erg. Eerst waren er nog gaarkeukens. Ze is een keer met een volle pan, gehaald na uren wachten in de rij, gestruikeld. Al het eten lag op de grond! Tijdens de Hongerwinter, toen het ook nog eens koud was, was de honger enorm. Mijn oma scharrelde wel wat eten bij elkaar, waaronder bloembollen. Maar er was te weinig en ze moest ondertussen wel werken, op een atelier, waar ze samen met haar zusje moest toekijken hoe de anderen lunchten. Pas toen ze een keer flauwviel van de honger besloot de baas dat ze daar elke dag een boterham kreeg. In die jaren werd haar gebit  slechter, ook omdat er geen tandartsen waren, en ze kreeg wonden aan haar voeten. Na de oorlog genoot mijn moeder dan ook enorm van eten. Na haar dood ontdekte ik dat ze geregeld geld had gegeven aan goede doelen die zich inzetten tegen de honger in de wereld.

Fotografie: Shirley Brandeis

Wat is er met uw opa en andere familieleden gebeurd?
Mijn opa en oma waren voor de oorlog gescheiden. Opa hertrouwde met een Joodse vrouw, die al een dochter uit een eerder huwelijk had. Dit gezin is via Westerbork naar Sobibor gegaan, waar ze zijn vermoord. Samen hadden ze ook een baby, Sara genaamd. Die is via de creche tegenover de Hollands Schouwburg bij een pleeggezin terechtgekomen en daar groot gebracht onder de naam Maria. Ze hoorde pas als volwassene over haar verleden en dat ze dus Joods is! Toen ging ze naar haar halfzussen, mijn moeder Greetje en tante Annie op zoek. Ik heb nog altijd contact met haar. Van mijn opa’s familie kwam maar één zus terug. Tante Engeltje was dat, en ze was behoorlijk in de war door de oorlog. Als ik haar zag, deed ze eerst heel aardig en opeens kon ze dan gaan schelden. “Nazi! Nazi!” riep ze dan tegen me. Ze had in haar kleine huisje allemaal porseleinen beeldjes die ze de namen van haar omgekomen familieleden had gegeven en geregeld aaide. Dat kan een oorlog met iemand doen… Mijn moeder kon gelukkig door en praatte veel over de oorlog. Haar verhalen vertel ik graag, dat had ze fijn gevonden. Ze is in 2008 op 80-jarige leeftijd overleden. Een dag erna mijn tante Annie. 

Archieven: Verhalen

‘Door dat geluid van toen heb ik nog altijd een hekel aan vuurwerk’

Herbert Gunst is van 1931 en maakte de oorlogstijd in De Baarsjes bewust mee. Uitkijkend over het schoolplein aan de Balboastraat en voor de deur van zijn ouderlijk huis aan de Marco Polostraat vertelt hij Rüstem, Sara en Sophie van de Visserschool hoe de buurt eruit zag tijdens de oorlog.

Hoe was dit plein in oorlogstijd?
‘Dit was een korfbalveld totdat de Duitsers in mei 1940 de stad inkwamen en het gebouw aan het plein overnamen. Hier op het sportveld oefenden ze, parkeerden ze hun auto’s en hadden ze ook een smeerbrug om de auto’s van onderaf op te knappen. Ik was een jaar of tien, vond het prachtig wat ik zag en was hier vaak te vinden samen met mijn vriendje Wimpie. Indrukwekkend waren de marcherende, liederen zingende soldaten en de knallen van de oefengranaten, die wel knalden maar alleen los kruid bevatten. Maar soms was het echt. Dan hoorde je de kanonnen die vanaf de Ringdijk  op de overvliegende bommenwerpers schoten. Je hoorde het knallen van het luchtdoelgeschut en het rinkelen van de granaatscherven op straat. Door dat geluid van toen heb ik nog altijd een hekel aan vuurwerk. De ochtend erna gingen kinderen scherven zoeken. Als je vroeg was, en dat was ik nooit, had je de mooiste en die lieten we dan op school aan elkaar zien. Ik heb er een bewaard.’

Wat hebben Wimpie en u nog meer meegemaakt?
‘Op een dag vroeg een Duitse militair ons om ijsjes te halen, en gaf ons geld. In de Jan Everstenstraat, aan het eind van de Marco Polostraat en dan aan de overkant, zat ijssalon Koco. Maar daar stond een bordje op de deur: ‘Für Wehrmacht verboten’. Dus gingen we een stukje verderop bij Scholten, een banketbakker op de hoek van de Admiralengracht en de Jan Evertsenstraat, ijs halen. Bij terugkomst vroeg de soldaat waar we de ijsjes hadden gehaald. Bij Scholten dus. Maar hij zei dat hij ijsjes van Koco wilde. Ik zei nog in mijn beste Duits – mijn moeder is Duitse van oorsprong – dat dat van een Joodse winkelier was. Maar nee, hij moest echt ijs van die winkel hebben. Ik vraag me nog af of dat een kleine daad van  verzet was van die soldaat.’

Heeft u ook mooie herinneringen aan de oorlog?
‘Het spelen met Wimpie, mijn buurjongen, die ik met een gefloten deuntje vanaf de veranda kon roepen. En de bevrijding is natuurlijk een mooie herinnering. Toen stonden er geen Duitsers maar Canadezen op het sportveld! En er was overal feest. We hadden gehoord dat de bevrijders naar de Dam zouden komen op 7 mei. Dus wij daar naartoe. Ik klom in een lantaarnpaal om goed zicht te hebben. Opeens hoorden mijn vriendje Tonny en ik een geluid dat leek op zweepslagen. Er werd geschoten en iedereen rende weg. Bij beddenzaak Woltering vernielden  mensen het ijzeren hek om via deze winkel – met een uitgang op de Nieuwendijk – te kunnen ontkomen. Ik zag nog net voor die winkel een vrouw in een plas bloed liggen, ze was dood denk ik. Tonny en ik zijn weggerend en stonden pas stil in de Jordaan. Daar merkte ik dat ik gewond was aan mijn been. Een mevrouw die daar woonde heeft me geholpen met water en verband, waarna ik naar huis ben gegaan. Toen was de oorlog pas echt voorbij.’

       

Archieven: Verhalen

‘Als we niet waren weggegaan, waren we allemaal dood geweest’

Frits Neijts (88) is een kind van een Joodse vader en niet-Joodse moeder. In buurtcentrum De Klinker, waar hij met zijn vrouw Ans in een aanleunwoning woont, ontvangt hij Umutcan, Badreddine en Kubilay van de Visserschool met limonade.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ongeveer zo oud als jullie, twaalf jaar. Het enige dat ik merkte was dat er geen school meer was. Ik woonde in de Bestevaerstraat en zat op Columbusschool, op de hoek van de Admiralengracht. Daar zaten de Duitsers in, we konden niet meer naar school. Ik herinner me een keer dat er bommenwerpers overvlogen. Het was een mooie dag en ik keek verwonderd naar boven. Dat je risico liep, besefte ik niet. Jullie weten door de tv en zo van alles, maar wij wisten niet wat oorlog was. Later wel. Mijn moeder was in de politiek, bij de SDAP, wat nu de PvdA is. Die hoorde van partijgenoten in Duitsland wat er allemaal gebeurde. Mijn vader, die Joods was, is toen ondergedoken. Omdat we als gezin toen geen inkomsten meer hadden, moesten we bij de gemeente om steun vragen en verhuizen naar Disteldorp in Noord.’

Heeft u in het verzet gezeten?
‘Twee huizen naast ons in Noord woonde de familie Douwma. Ik speelde vaak met hun zoon Pietje. Deze familie zat in het verzet, bekende verzetstrijders kwamen er over de vloer en N.F. Israël leidde de groep. Ik was een jaar of vijftien en werkte in een magazijn voor geneesmiddelen. Israël vroeg of ik wat vitaminepillen kon regelen. Dat wilde ik wel doen. Ik verborg kokers met pillen in mijn sportsokken. En steeds meer. Tot ik een keer werd gepakt. Bij de portier moest je namelijk elke keer bij het weggaan uit een kauwgomballenautomaat die gevuld was met rode en groene stuiterballen een bal trekken. Meestal was dat groen, dan kon je door, maar bij rood werd je gefouilleerd. Op een keer was de bal die ik trok rood! Ik moest mee, mijn diefstal kwam aan het licht en… de Duitser daar zei ‘Je bent nog maar een kind, ga maar.” Ik mocht weg en rende naar huis! Pas nu, later, besef je het risico dat je toen nam.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt tijdens de oorlog?
‘Er zijn een paar nare dingen gebeurd in mijn omgeving. Zo werd de familie Douwma verraden en door de Duitsers opgepakt. Israel stond bovenaan de trap en weigerde op commando naar beneden te komen. Hij werd door een Duitse soldaat doodgeschoten. Zelf zijn we aan de dood ontsnapt. We waren nog maar net verhuisd, omdat mijn moeder het niet veilig vond in Noord, toen er een bom op ons huis viel. Die was van de Engelsen en bedoeld om de Fokkerfabriek aan de overkant op te blazen. Als we niet waren weggegaan, waren we allemaal dood geweest. Mijn moeder probeerde ook de twee zussen van mijn vader duidelijk te maken dat ze moesten onderduiken. Dat deden ze niet, ze dachten dat ze alleen maar moesten werken in een kamp. Maar ze zijn daar vergast.’

 

Archieven: Verhalen

‘Iedereen had codenamen zodat mensen elkaar niet konden verraden als ze opgepakt waren’

Dick Neijssel werd door Issae, Jitte, Nikan en Jade van de Olympiaschool geïnterviewd in het clubhuis van de speeltuin aan de Gaaspstraat. Een bijzondere plek, want in de oorlog werd deze speeltuin een markt voor Joden. Zij mochten alleen boodschappen doen op deze speciale markten en niet in gewone winkels. Eén keer in de maand werden alle Joden die op dat moment op de markt waren, opgepakt en via de Hollandse Schouwburg naar concentratiekampen vervoerd. De kelder van het oude clubgebouw diende als hoofdkwartier van het verzet, De Waarheid werd er gedrukt en de taken werden van daaruit verdeeld. Na de oorlog is het weer een speeltuin geworden met een monument bij de ingang om de mensen te herdenken die hier zijn opgepakt en vermoord.

Hoe kwam uw vader bij het verzet terecht?
Mijn vader was 18 toen de oorlog begon en was lid van de communistische partij. De partij vroeg hem of hij in het verzet wilde en hij zei ja. Iedereen bij het verzet had een taak, bijvoorbeeld berichten rondbrengen, affiches plakken, de krant De Waarheid verspreiden. In 1943 werd het echt menens. Toen ging hij bij het gewapend verzet.

Loes werd bijvoorbeeld Blauwoog genoemd. Maar mijn vader liet zich gewoon Dirk noemen. Hij kreeg een revolver en soms opdracht om landverraders dood te schieten. Ook bleef hij affiches plakken terwijl een vrouw op de uitkijk stond. Zij had ook een revolver en moest schieten als ze aangehouden zouden worden. Na de oorlog had mijn vader daar veel last van want ook al redde hij daar veel andere levens mee, hij had wel mensen van het leven beroofd. Oorlog is zo verschrikkelijk dat je soms dingen doet die je eigenlijk helemaal niet wilt doen.

Is hij weleens verraden?
Toen mijn vader ondergedoken zat op de zolder van zijn huis is hij verraden. Hij werd opgepakt en naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg gebracht. Hij had geluk. Zijn pleegvader kwam uit Duitsland en sprak nog goed Duits. Hij ging naar de gevangenis als Duitser en zei dat er een vergissing gemaakt was en dat zijn zoon opgepakt was. Toevallig waren er op dat moment net geen Duitse officieren en toen hebben de bewaarders hem per ongeluk vrijgelaten.

Waarop bent u het meeste trots?
Ik vind het heel  moedig van mijn vader dat hij op zijn 18e besloot bij het verzet te gaan. Hij was nog jong en had nog een heel leven voor zich. Toch streed hij voor wat hij belangrijk vond. Mijn vader is wat dat betreft een voorbeeld voor mij. Ik ben blij dat het geen oorlog is want ik denk dat ik hetzelfde zou doen als mijn vader. Mijn raad aan jullie is om altijd zelfstandig te denken en niet zomaar dingen aan te nemen.

Fotografie: Ingrid de Groot

 

Archieven: Verhalen

‘De schietpartij op de Dam op 7 mei was het engste dat ik heb meegemaakt’

Dirk Kunst woonde in de oorlog samen met zijn ouders, broer en zussen aan de Herengracht. Toen hij 12 jaar oud was hoorde hij op de radio dat het Duitse leger Nederland binnen was gevallen en dat er oorlog was. Dit was voor hem een heel ingrijpend moment. Alles was anders in de oorlog, vertelt hij aan Ayoub, Aysha en Imani van de Olympiaschool.

Hoe was de Hongerwinter voor u?
In de laatste winter van de oorlog was er ontzettend veel honger in Amsterdam, maar ik heb zelf nooit zoveel honger gehad als veel andere mensen. Dat kwam omdat mijn vader een schoenenwinkel had. Mensen hadden natuurlijk ook in de oorlog nog schoenen nodig. Mijn vader kon daarom schoenen ruilen voor wat te eten voor ons gezin.

Was u bang tijdens de oorlog?
Ja ik was bang. In de laatste jaren van de oorlog wilden de nazi’s dat Nederlandse jongens naar Duitsland kwamen om daar in oorlogsfabrieken te werken. Alle Duitse jongens waren namelijk al aan het vechten in de oorlog, waardoor er een tekort aan arbeiders was. Ik was in de laatste jaren van de oorlog al ouder dan 15 en dat vonden ze oud genoeg om in een fabriek te werken. Ik wilde absoluut niet, er waren vaak bombardementen in Duitsland en vaak waren de fabrieken het doelwit. En dus probeerde ik uit het zicht van de nazi’s te blijven. Ik bleef zoveel mogelijk thuis en als ik naar buiten ging kleedde ik me als een klein jongetje. Als ze langs de huizen gingen, op zoek naar jongemannen, verstopte ik me achter de schoorsteen. Gelukkig hebben ze me nooit meegenomen naar Duitsland, maar ik was steeds bang dat het zou gebeuren.

Heeft u de bevrijding gevierd?
Toen Nederland bevrijd werd, ging iedereen die dat kon de straat op. Er waren ook veel mensen die te hongerig en verzwakt waren door de oorlog, dus niet iedereen kon de bevrijding mee vieren. Nadat Nederland bevrijd was, is er nog iets heel naars gebeurd. Op 7 mei stond ik op de Dam om de bevrijding te vieren. Het hele plein stond vol met feestvierende mensen. Toen werd er opeens op de menigte geschoten door Duitse soldaten die Nederland nog niet uit waren. Ze bleven wel een uur op de mensen schieten. Iedereen raakte in paniek en vluchtte de zijstraten in om zich te verschuilen in restaurants. Ik ben zelf ook een restaurant in gevlucht en heb daar mijn familie kunnen laten weten dat ik veilig was. Deze schietpartij was het engste dat ik heb meegemaakt.

Archieven: Verhalen

‘ Mijn vader schreef in zijn dagboek aan mij over de moeilijke tijd waarin ik geboren ben’

In een prachtig huis in Amsterdam-Zuid vertelde Dorien Jacobs aan Raya, Julianne en Hasnae van de Olympiaschool over de oorlog. Zij werd geboren in 1943, midden in de oorlog, en heeft er zelf dus geen herinneringen meer aan. Maar dankzij het dagboek dat haar vader vanaf 1944 speciaal voor haar bijhield en dat ze vijftien jaar geleden – na de dood van haar moeder vond – kan ze nog veel vertellen.

Kwam u in het dagboek dingen tegen die u niet wist of niet had verwacht?
‘Na het lezen van het dagboek had ik vooral vragen. Jammer genoeg waren mijn beide ouders al overleden. Het vreemdste vond ik dat het enkel aan mij gericht was, en niet aan mijn broer. Hij is namelijk ook tijdens de oorlog geboren, in 1944.
Ik kreeg wel een nieuw beeld van mijn moeder. Zij had me altijd een hele brave huisvrouw geleken, die erg luisterde naar mijn vader die vaak streng kon zijn. Zo was mijn moeder erg goed in zwemmen, maar heeft ze ermee moeten stoppen van hem. Ze leek altijd een erg rustige, onderdanige huisvrouw. In het dagboek las ik dat zij tijdens de oorlog vaak gevaarlijke tochten op de fiets ondernam om bij de boeren eten te halen. Dat vond ik erg bijzonder, want het klonk helemaal niet als iets dat mijn moeder zou doen.’

Waarom liet uw vader u het dagboek na?
‘Hij begon ermee na mijn geboorte in 1943. De volgende keer dat hij schreef was pas veel later, op 4 september 1944. Zuid-Limburg en Breda waren toen al bevrijd, en de Hongerwinter stond voor de deur. In het dagboek staat dat hij schreef om mij eraan te herinneren in wat voor moeilijke tijd ik geboren ben. Met Gods hulp hoopte hij dat ik hiermee later in mijn leven een normale situatie beter zou kunnen waarderen en beleven. Hij hoopte ook dat ik er iets mee zou doen, en dat heb ik dus een paar jaar geleden voor het eerst gedaan.’

Wat vertelde uw vader allemaal in het dagboek?
‘Hij schreef over het dagelijks leven in de oorlog. Wat ik las, bleek veel erger dan wat ik had verwacht. De honger, de koude, de armoede, het moet verschrikkelijk zijn geweest. Toch hadden wij een bevoorrechte positie. Dankzij de kledingwinkel van mijn vader, the Society Shop, kon hij kleren ruilen voor eten. We hadden ook een hulp in huis; die kwam uit Lutjebroek. Zij ging dan met kleren terug naar haar ouders om het daar te ruilen voor eten. Hierdoor is ons gezin de Hongerwinter beter doorgekomen dan de meeste Amsterdammers. Mijn moeder durfde vaak niet met ons over straat wandelen, omdat ze zich schaamde. Mensen zagen er zo dun uit, en mijn broer en ik helemaal niet. Toch schrijft mijn vader ook dat hij eten deelde met zijn acht broers als het kon. En toch, niet alles was perfect voor hen. Ook mijn ouders hebben lang in de rij moeten staan voor eten, en door de winkel werd bij ons vaak ingebroken. Mijn vader schreef dat mijn moeder hierdoor erg bang was. De oudste broer van mijn vader was een NSB’er. Daar schreef mijn vader verder niet veel over, maar dat was vast niet altijd makkelijk voor hem. Ik was over het algemeen niet verbaasd over wat ik in het dagboek las, maar ik was wel verrast door de impact van de oorlog en hoe erg het was om in deze periode te leven.’

Archieven: Verhalen

‘De vloeipapiertjes waarop we boodschappen aan m’n vader schreven, heb ik nog steeds’

Emy Roël was zeven jaar toen de oorlog begon en veel herinneringen. Onder andere aan haar vader, die als verzetsman werd opgepakt en vermoord. Maar ook aan de lieve reactie van haar klasgenootjes. Aan Ilias, Jamill en Luna van de Olympiaschool vertelt ze over de oorlog die bij de start nog niet tot haar doordrong.

Was u wel eens bang tijdens de oorlog?
Het begin van de oorlog maakte niet zoveel indruk, we hadden als kinderen nog niets door. We gingen gewoon naar school en speelden buiten. Het besef kwam later pas, toen er meer Duitsers op straat waren. Zo stond er bij de tramhalte op Ferdinand Bolstraat een hele grote mitrailleur. Dat ding zie ik nog altijd voor me, zo groot en angstaanjagend. Toen was de oorlog voor mij pas echt begonnen. Later in de oorlog vielen er wel eens bommen bij ons in straat, dan vluchtten wij naar mijn opa en oma op de Prinsengracht, zij hadden een schuilkelder. Tegenover ons in de straat woonden ook Joodse mensen waaronder een jongen van een jaar of 11. Ik heb nog gezien hoe zij door de politie werden opgepakt en in een wit Volkswagenbusje werden afgevoerd. Een beeld dat ik nooit van mijn leven zal vergeten, het was afschuwelijk. Bang dat onze vader niet terug zou komen, zijn we geloof ik nooit echt geweest. Mijn moeder was er altijd heilig van overtuigd dat hij zou terugkomen. Zij was een ontzettend positieve vrouw en die instelling is mij altijd bijgebleven en heb ik zelf ook overgenomen.

Wat deed uw vader in het verzet?
Mijn vader zat bij het verzet via de kerk waar wij iedere zondag naartoe gingen. Dat was de kerk aan de Pienemanstraat. Niet alleen mijn vader had zich hierbij aangesloten, ook zijn vrienden, onze buren en de buren van zijn vrienden. Het was een vrij grote groep. Toen ze startten, hadden ze ook niet het idee dat de oorlog zo lang zou duren. Mijn vader heeft eigenlijk nooit iets voor het verzet gedaan. Het was nog redelijk in het begin van de oorlog toen de groep werd opgepakt. Waarschijnlijk zijn ze verraden. Helaas is nooit achterhaald door wie.

Heeft u daarna nog contact gehad met uw vader?
Ik was negen toen het allemaal gebeurde, nog heel jong. Voor hij verdween, heeft hij nog een tijdje in de gevangenis gezeten. Mijn moeder mocht dan bij hem op bezoek en dan nam ze een nieuwe pyjamabroek voor hem mee. In de band van de pyjamabroek had ze vloeipapiertjes genaaid. Op deze kleine papiertjes hadden wij als familie boodschappen geschreven. Deze papiertjes heb ik nog steeds. De tekst is ondertussen wat vervaagd, maar ik kan me nog goed herinneren dat op één van de papiertjes die ik van mijn vader had gekregen stond dat ik als oudste kind goed voor mijn broertjes en zusjes moest zorgen. Toen mijn vader verdween, deden mijn moeder en tante – het zusje van vader – heel geheimzinnig. Ze zeiden dat hij een tijdje op vakantie was. Ik en mijn broertjes en zusjes snapten dat niet zo goed. De dag dat hij is vermoord is de ergste dag van mijn leven. We woonden op twee hoog, en ik was thuis toen ik de deur opendeed en een Duitse agent door het trappenhuis hoorde schreeuwen dat mijn vader was overleden. Ja, dat hakte er toen flink in. Op school werd ik door mijn juf de klas uitgestuurd om op de klok te kijken hoe laat het was. Ik vond dat zo gek, ik kon nog geen klokkijken. Toen ik terug de klas in kwam lag mijn tafeltje vol met gummetjes, blocnootjes en pennetjes. Die had ik, als een soort steunbetuiging, van mijn klasgenootjes gekregen.

Archieven: Verhalen

‘Ongelooflijk dat we het allemaal hebben overleefd!’

Fien Benninga-Warendorf (1932) woonde tijdens de oorlog in de Gerrit van der Veenstraat en in de Chopinstraat. Ook kwam zij in verschillende kampen terecht. Madara, Silwan en Famke van de Olympiaschool interviewden haar.

Hoe was uw gezinssituatie?
Ik woonde in het begin van de oorlog in de Euterpestraat, die nu de Gerrit van der Veenstraat heet, met mijn ouders, mijn broer en zus. Mijn vader was jurist en was voor de oorlog al betrokken bij verschillende illegale krantjes. Tijdens de oorlog heeft hij geholpen met de oprichting van Het Parool. Hij zat vaak met zijn gedachten ergens anders. Dan was hij er wel, maar niet echt. Ik zat op school aan de Pieter Lastmankade, maar tijdens de oorlog moest ik verplicht naar de Joodse school. Ik had daar nooit bij stil gestaan. Ik voelde mij gewoon Nederlander, maar pas door de oorlog werd ik als Jood bestempeld. Voor mij ging het leven gewoon door. Ik speelde buiten en maakte plezier. Wij wisten van niets, er werd ook niets verteld, ook niet door mijn vader. Je bent nooit voorbereid op wat er zou gaan gebeuren.

Wat gebeurde er?
Een aantal mensen van Het Parool werd opgepakt en toen is mijn vader naar Engeland gevlucht. Op een dag in november 1942 werd er aangebeld. Er stond een bekende NSB’ er voor de deur en het hele huis werd doorzocht. Boven was een kamer op slot, daar stonden onze Sinterklaascadeautjes in. Die dag werden wij opgepakt en als ‘strafgeval’, omdat mijn vader in het verzet zat, naar de gevangenis gebracht. Daar kwam ook een andere familie binnen. Omdat zij opgepakt waren zonder ster moest de grote man die erbij was een shirtje van mij aan. We zijn naar Westerbork gebracht en daar zijn we anderhalf jaar gebleven.  Daarna zijn we naar Bergen-Belsen gestuurd. Daar stonden barakken met stapelbedden. Ik sliep met mijn zusje in een bed en mijn broertje sliep naast mijn moeder. De vrouwen gingen altijd recepten opnoemen. Dat krijg je als je honger hebt, dan heb je het alleen maar over eten. En elke dag moesten we door weer en wind op appèl staan. Mijn moeder had werk in een fabriek buiten het kamp. Daardoor hadden we wat extra eten. Zij moet heel sterk geweest zijn.

Hoe liep dat af?
In april 1945 werden we bevrijd. Mijn moeder en ik zaten op een bankje. We waren uitgehongerd, maar de zon scheen en je voelde dat de bevrijding op komst was. Toen werden we in een trein gestopt en hebben we dagen rondgereden. Bij Frankfurt zijn we door de Russen bevrijd. We mochten in een dorp op zoek gaan naar eten en een tijdelijk huis. Ik ben toen op zoek gegaan, want mijn moeder was heel ziek. Andere meisjes die daar ook waren, maakten rokken van gordijnen. Uiteindelijk zijn we door de Amerikanen naar huis gebracht. Op 29 juni kwamen we weer in Amsterdam aan. Ik vind het ongelooflijk dat we het allemaal overleefd hebben. Vlak na de oorlog zijn we naar mijn vader in Engeland gegaan en heb ik daar drie jaar op kostschool gezeten. We mochten niet meer over de oorlog praten, dat is een tragiek. Je besefte toen niet veel van die narigheid; je ging gewoon door met touwtje springen.

Archieven: Verhalen

‘We schuilden in de badkamer, de meest veilige plek in huis’

Henny Vrouwes was 4 jaar oud toen de oorlog begon. Daarom  weet ze er niet heel veel meer van. Maar ze weet Ivy, Eve, Julian en Tika van de Olympiaschool nog wel te vertellen hoe haar vader een piano voor haar kocht en over de rood-wit-blauwe jurkjes die zij en haar vriendinnetjes droegen tijdens de bevrijding.


Hoe wist u dat de oorlog begonnen was?
Ik speelde op straat, en mijn moeder riep plotseling uit het raam: ‘Henny, kom naar boven!’. Verder wist ik natuurlijk niks, maar toen was de oorlog dus begonnen. Als het luchtalarm afging, hoorde ik dat thuis en op straat. Dan moest ik naar binnen. We gingen dan in de badkamer gaan staan, want dat was de meest veilige plek in het huis.

Had u hobby’s in de oorlog?
Toen ik op de kleuterschool zat, speelde ik altijd op een pianootje. De leraren hebben toen tegen mijn ouders gezegd: ‘U moet uw kind op muziekles doen, want ze heeft talent’. Mijn vader heeft toen met sigaretten die hij gesmokkeld had, met worsten die boven bij ons op zolder hingen en met een beetje geld een piano voor mij gekocht. Daarna ben ik meteen op pianoles gegaan. Tot mijn achttiende heb ik pianoles gehad.

Wat weet u nog van de bevrijding?
Ik weet nog dat we met onze school in rode, blauwe en witte jurkjes in het Olympisch Stadion het Bevrijdingsfeest gingen vieren. Toen Nederland bevrijd was ging iedereen juichen en de vlag uithangen. Alle kinderen uit de buurt speelden spelletjes op straat: zaklopen, tollen, balspelletjes. Hier in de buurt kwamen met de Bevrijding voedselpakketten uit de lucht vallen. Kinderen en volwassenen holden daar dan heen om die broden op te halen. Ook weet ik nog dat in deze buurt de Canadezen zaten, en die hielden erg van kauwgum. Die kauwgum spuugden ze uit op straat. Wij hadden als kind natuurlijk niet veel snoep. Ik weet nog dat ik met mijn vriendinnetjes de kauwgum van de straat oppakte, een beetje afveegde en in onze eigen mond stopte.

Archieven: Verhalen

‘Joodse vriendjes waar ik mee speelde, waren op een dag soms gewoon verdwenen’

Jan Schaake werd geboren aan het Merwedeplein, waar ook de familie Frank woonde. Anne heeft zelfs een keer op hem gepast, maar dat herinnert hij zich niet meer. Jan Schaake was dan ook pas drie toen de oorlog uitbrak. In die periode verhuisde hij met zijn ouders en zusje naar de Kinderdijkstraat en later de IJsselstraat, waar hij op een Katholieke broederschool les kreeg. Aan Sieto, Sime en Majid van de Olympiaschool vertelt hij over de pijn van zijn ouders en de oorlog door kinderogen.

Hoe was het om als kind de oorlog mee te maken?
Omdat ik pas drie jaar was toen de oorlog uitbrak, wist ik niet beter dan dat dit bij het leven hoorde. Zelfs de Hongerwinter vond ik normaal. De gaarkeuken vond ik vooral spannend. Met mijn zusje moest ik daar tijdens die winter weleens eten halen. Met een pannetje liepen we dan over straat. Natuurlijk hadden we honger, maar als kind ervaar je dat toch anders. Ik kan me niet herinneren dat ik daar onder geleden heb. Soms kregen we maar tien bonen per persoon om te eten. Naast dat ik het allemaal vooral heel spannend vond, voelde ik wel het verdriet en de zorgen van mijn ouders.


Waar hadden uw ouders dan verdriet over?
Vooral doordat er Joodse mensen werden weggevoerd. We woonden in Zuid, waar veel Duitse Joodse vluchtelingen hun toevlucht hadden gevonden. Ik weet nog dat er op een zondagmiddag Joodse mensen in onze straat door Duitse soldaten in vrachtwagens werden gestopt en afgevoerd. Als steun in de rug, schoof mijn vader het raam open en zwaaide naar hun. Zo van: we zien jullie hopelijk snel weer terug. Een Duitse officier blafte tegen mijn vader: ‘Wilt U misschien ook mee!’ Mijn moeder trok meteen het raam naar beneden, zodat mijn vader bijna klem kwam te zitten. De meeste mensen durfden zich niet te laten zien tijdens zo’n razzia. Het was heel naar dat veel woningen leeg kwamen te staan. Joodse vriendjes waar ik mee speelde, waren op een dag soms gewoon verdwenen. Toch stond ik als kind daar niet bij stil. Mijn ouders maakten zich natuurlijk wel zorgen. Pas later, na de oorlog, hoorden we wat er echt gebeurd is met al die Joodse buren. Verschrikkelijk.

Wat waren voor u de spannendste momenten?
Heel veel dingen begreep ik niet als kind. Pas later hoorde ik meer, bijvoorbeeld dat mijn vader betrokken was bij het verspreiden van verzetsblaadjes. Hierin werden mensen op de hoogte gehouden over de oorlog. Op een gegeven moment hoorde mijn vader dat de Duitsers een inval bij ons thuis zouden doen. Toen zijn we ondergedoken; mijn vader en ik op een zolderkamertje in de Rubenstraat en mijn moeder met mijn zusje ergens anders. Dat vond ik heel spannend; we sliepen samen in een éénpersoonsbed! En ’s avonds hoorde je schoten op straat. Na twee nachten was de kust weer veilig en gingen we weer naar huis.
Later was er nog een inval en toen waren we wel thuis. Ik weet nog dat mijn ouders hun handen achter hun hoofd moesten houden. Mijn zusje en ik moesten in bed blijven en tussen ons in stonden twee soldaten, die heel aardig voor ons waren. De Duitsers hebben toen het hele huis over hoop gehaald en in onze opbergkist een radio gevonden. Die mocht je niet hebben, omdat je dan naar berichten van het verzet uit Londen kon luisteren. De kist heb ik nog steeds. Wat de Duisters toen niet zagen, is dat de kist een dubbele bodem had. Daar zaten verzetsblaadjes in. Als ze dat ontdekt hadden, had mijn vader echt een probleem gehad. Vanwege de radio moest hij alsnog mee. Hij heeft toen een tijd vastgezeten in de gevangenis aan de Amstelveenseweg. Mijn moeder was doodsbang en heeft er alles aangedaan om hem vrij te krijgen. In die tijd werden gevangen soms door de Duitsers doodgeschoten als vergelding tegen het verzet. Op de Apollolaan is een oorlogsmonument op de plek waar een aantal gevangen als vergelding zijn doodgeschoten. Mijn moeder is daarom een paar keer naar het hoofdkwartier geweest om voor de vrijlating van mijn vader te pleiten. Ik weet nog dat hij op een dag met zijn koffertje kwam aanlopen. Iedereen was enorm opgelucht.

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892