Archieven: Verhalen

‘’In de trein bij Berlijn worden de mannen van de vrouwen gescheiden’’

Het is even lastig schakelen voor Asma, Youssra en Lia van de IJpleinschool in Amsterdam-Noord. Christian Meyer vertelt hen niet zijn eigen verhaal – hij is net iets na de oorlog geboren – maar het oorlogsverhaal van zijn vader en moeder. Zijn moeder Corrie is de dochter van Jacques Kattenburg, de directeur van regenjassenfabrikant Hollandia-Kattenburg in Amsterdam-Noord, en zijn vader een Deense medewerker van Hollandia-Kattenburg. Als het interview klaar is, bedanken de kinderen Christian Meyer voor zijn ontroerende verhalen. Christian zegt blij te zijn dat de IJpleinschool zo veel eer bewijst aan het monument dat is opgericht ter nagedachtenis aan de vermoorde werknemers van de Kattenburgfabriek.

 

Bent u Joods?
“Eigenlijk ben ik maar voor driekwart Joods. Ik ben ook christelijk gedoopt. Dat hebben mijn ouders voor mijn oma gedaan, voor de vorm. Mijn ouders waren liberale Joden. Ze gingen niet naar de synagoge. Voor de oorlog werd mijn moeder verliefd op een Deense stagiair – mijn vader – die in de fabriek van haar vader werkte. In 1937 trouwen zij met elkaar. In Hollandia-Kattenburg werkten in die tijd heel veel Joden. Als de Duitsers Nederland bezetten, hopen de Joodse werknemers van Hollandia-Kattenburg dat ze vanwege hun werk – in de fabriek worden Duitse uniformen gemaakt – niet naar de concentratiekampen worden gestuurd. Maar op 11 november 1942 worden alle 367 Joodse werknemers toch opgepakt. Tegelijkertijd worden hun familieleden uit hun huizen gehaald en komen zij via de Hollandsche Schouwburg en de gevangenis in Scheveningen in Westerbork terecht. Van daaruit worden ze doorgestuurd. Acht van hen overleven de Duitse concentratiekampen.”

Waarom vluchtten uw ouders naar Denemarken?
“Omdat mijn vader Deens is, worden mijn ouders met mijn twee oudere broertjes in 1943 naar Denemarken gestuurd. Ook Denemarken is een bezet land en daarom proberen ze op een nacht naar Zweden te vluchten. Als mijn ouders en broers op weg zijn naar de haven waar ze de oversteek naar Zweden willen maken, komt er een Duitse politieauto langs. Het gezin verstopt zich snel en gaat weer verder als de kust veilig lijkt. In de buurt van de haven zien zij opnieuw de lampen van een Duitse auto. Ze verstoppen zich in de tuin van een villa, maar worden toch gepakt. Vanaf het Deense verzamelkamp voor Joden gaan ze per trein richting Berlijn. Vlakbij Berlijn wordt de trein stil gezet en worden de mannen van de vrouwen gescheiden. Mijn moeder wordt met haar twee kleine kinderen naar Ravensbrück gebracht en mijn vader komt in Sachsenhausen terecht. Omdat mijn vader denkt dat de scheiding maar tijdelijk is, neemt hij alle koffers mee. Als hij ziek wordt en naar een ziekenhuis wordt gebracht, blijft hij de koffers met zich mee zeulen.”

Was het moeilijk voor hen om het concentratiekamp te overleven?
“Uiteindelijk wordt mijn moeder naar Theresienstadt gestuurd. Soms neemt het lot een positieve wending. Als mijn vader uit het ziekenhuis komt, wordt ook hij naar Theresienstadt gestuurd. Als hij in het nieuwe kamp aankomt, ziet hij op een hoek van een straat een kleine vrouw, bleek en in elkaar gedoken zitten. Hij kan niet geloven wat hij ziet. Het is werkelijk zijn vrouw Connie. Dat zij en de kinderen weer bij elkaar kunnen zijn, zelfs in een huis kunnen wonen, maakt het overleven van de oorlog een stuk gemakkelijker. Na de oorlog start mijn opa Hollandia-Kattenburg weer op. Ook mijn vader gaat weer voor Kattenburg werken.”

Christian Meyer leest tijdens het interview voor uit het boek dat zijn ouders hebben geschreven over hun oorlogstijd. Het boek, dat in Denemarken is verschenen, heet Onze Belevenissen in Oorlogstijd. Het is een prachtig document ter herinnering aan Corrie en Sven Meyer-Kattenburg.

 

Archieven: Verhalen

‘Ik wilde haar een gezicht geven zodat ze niet wordt vergeten’’

Met de auto gaan Jamila, Djesaiya en Sanae van de IJpleinschool in Noord naar het huis van Ellen Ros, die in de Oosterparkbuurt woont. Toevallig staat daar ook het huis van de oma van Jamila. “Misschien komen we haar nog wel tegen”, roept Jamila. Het is een buurt waar tijdens de oorlog veel Joden woonden. Een van hen was Ida de Boer. Ellen Ros gaat de kinderen straks het oorlogsverhaal vertellen van de Joodse Ida die ze zelf niet heeft gekend maar in wiens leven ze zich heeft verdiept. Toevallig stuitte ze op het bestaan van Ida en door speurwerk en met hulp van het Stadsarchief is ze veel over haar te weten gekomen. En dat verhaal wil ze nu ook aan de kinderen vertellen.

 

Waarom wilde u meer weten over Ida de Boer?
“Ida bleek om de hoek te wonen van waar ik nu woon, in de Eerste Oosterparkstraat. Het huis was overigens van slechte kwaliteit, dat staat er nu niet meer. Ze was tijdens de oorlog ongeveer 25 jaar, net zo oud als mijn eigen dochter nu is. Bovendien werkte ze als naaister in de Hollandia-Kattenburgfabriek in Amsterdam-Noord, waar ze regenjassen maakten. Mijn moeder en mijn tantes werkten vroeger ook in naaiateliers. Er waren dus kleine overeenkomsten in onze levens. Toen ik via-via iets over haar hoorde, wilde ik graag meer over haar te weten komen. Zo kon ik haar een gezicht geven zodat ze niet zal worden vergeten.”

Hoe woonde Ida in de oorlog?
“Ze woonde samen met haar familie in een klein en gehorig huis in de Oost. Dat wil zeggen: met haar ouders en haar jongere broertje. Haar twee zussen waren in die tijd al het huis uit en woonden iets verderop in de straat. Haar vader en moeder hadden niet veel geld dus Ida was erg blij met haar baantje als naaister bij Hollandia-Kattenburg.”

Kon ze in de oorlog haar baan houden bij Hollandia-Kattenburg?
“Tijdens de oorlog namen de Duitsers het bestuur over de fabriek over. In de fabriek werden Duitse uniformen en regenjassen gemaakt. Omdat het werken in de fabriek zo belangrijk was, kregen alle werknemers een Sperre. Dat betekende dat je niet kon worden opgepakt en op transport naar Duitsland kon worden gezet. Je was daar dus tegen beschermd. Toch kregen Ida, haar zussen en ook haar broertje in juli 1942 een brief waarin ze werden opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Bij Hollandia-Kattenburg kregen meer Joodse werknemers zo’n brief, en die verdwenen dan van de een op de andere dag. Misschien waren ze dan wel ondergedoken. Niet naar Duitsland gaan, was voor Ida eigenlijk geen optie. Ze was een betrouwbare en eerlijke meid. In de brief stond dat zij en haar broer en zussen naar het doorgangskamp Westerbork zouden gaan. Ze mochten een koffer meenemen en eten voor drie dagen. Dit soort brieven uit de oorlog zijn trouwens nog bewaard gebleven. Ik heb er bijvoorbeeld een gevonden in het Joods Historisch Museum in Amsterdam.”

Wat is er met Ida gebeurd?
“Ida en haar zus zijn vanuit Westerbork op één van de eerste transporten naar Auschwitz gezet. Haar zus is direct na aankomst in de gaskamer vergast. Ida heeft wat langer geleefd, maar is uiteindelijk ook in Auschwitz omgekomen.”

Het verhaal dat Ellen over Ida heeft geschreven kun je hier nog eens lezen

Archieven: Verhalen

‘’De liefde kreeg geen kans omdat Meier werd opgepakt’’

“Wat een mooi, luxe huis heeft u!”, roepen Fara, Arya en Rommayssa van de IJpleinschool in Noord enthousiast als ze de flat van Anneke Koehof binnenkomen. En wat veel plaatjes en spullen van honden zijn er in haar huis te zien. Anneke legt uit dat ze kynoloog is. Dat woord kennen de kinderen niet. Het betekent dat Anneke een hondenkenner en hondenliefhebber is. Het ijs is meteen gebroken. Dan gaan ze zitten en vertelt Anneke het oorlogsverhaal van haar 97-jarige tante Roos. Die woonde tijdens de oorlog in Oost maar werkte bij de regenjassenfabriek Hollandia-Kattenburg in Noord, vlakbij de IJpleinschool. Op 11 november 1942 vielen de Duitsers de fabriek binnen en namen alle Joodse werknemers mee.

 

Kende uw tante veel Joodse collega’s bij Hollandia-Kattenburg?
“Ja, er werkten veel Joodse mensen in de fabriek. Ik denk dat wel de helft van de meer dan 700 werknemers Joods was. En veel van die Joodse collega’s waren ook haar vriendinnen. Ze had ook verkering met een jongen die in de fabriek werkte. Meier Papegaai heette hij. Hij was stapelverliefd op haar. Net als zij woonde hij in Oost en samen fietsten ze iedere dag naar Noord. Maar de liefde kreeg geen kans om op te bloeien want al in mei 1942 werd Meier opgepakt en weggevoerd. Tante Roos heeft hem nooit meer gezien. In november 1942 volgde de inval in Hollandia-Kattenburg, waarbij haar Joodse collega’s en vriendinnen door de Duitsers werden meegenomen. Ook hen heeft ze nooit meer teruggezien. Dat heeft ze heel erg gevonden.”

Hoe heeft u het verhaal van uw tante te horen gekregen?
“Jarenlang heb ik niet geweten wat er met mijn familie is gebeurd in de oorlog. De mensen spraken niet over deze periode. Mijn vader is bijvoorbeeld opgepakt door de Duitsers omdat hij niet voor ze wilde gaan werken. Toen moest hij naar de gevangenis. Maar hij praatte er nooit over. En over mijn tante Roos wist ik ook niets. Pas op late leeftijd, zo’n 12 jaar geleden, vertelde ze mij dat ze ieder jaar naar de herdenking van Hollandia-Kattenburg ging. Omdat verhalen vertellen mijn hobby is, wilde ik haar verhaal ook graag weten. Toen ben ik wel tien keer bij haar op bezoek gegaan om haar vragen te stellen. Zo is het verhaal van mijn tante Roos tot stand gekomen.”

Het hele verhaal van tante Roos kun je hier teruglezen

 

Archieven: Verhalen

‘’Mijn 25-jarige vader vluchtte met zijn broer de stoffenkelder in’’

Waar ligt Soest eigenlijk? Is dat niet heel ver weg? De autorit naar het huis van Monica Kattenburg is misschien wat lang, maar ook gezellig, vinden Cherokee, Eliyah en Djenet van de IJpleinschool in Amsterdam-Noord. Onderweg zien ze het beroemde Paleis Soestdijk. Intussen bedenken ze goeie vragen die ze willen stellen aan Monica Kattenburg over de Tweede Wereldoorlog. Monica is na de oorlog geboren, maar ze zal het verhaal vertellen van haar Joodse vader Hans, zoon van de oprichter van textielfabriek Hollandia-Kattenburg in Noord.

 

Wat was Hollandia-Kattenburg voor fabriek?
“Het was een moderne textielfabriek waar ze regenjassen maakten. Jacques Kattenburg, de vader van Hans, heeft de fabriek laten bouwen in 1917. Hans had een oudere broer en een oudere zus die ook in de fabriek werkten. Het was een groot, mooi pand met hoge ramen. Er werkten wel 700 mensen, mannen en vrouwen. De helft ervan was Joods. Jacques vond het belangrijk dat de condities voor de werknemers goed waren, vandaar ook die grote ramen. Het was een leuke werkplek. In de oorlog hadden de Duitsers de fabriek overgenomen. Alle Joodse werknemers kregen een Sperre. Dit betekende dat ze niet zouden worden opgepakt omdat ze belangrijk werk deden voor de Duitsers. Lang ging dit goed, tot die bewuste 11 november 1942, toen bij een razzia alle Joden werden opgepakt. Mijn 25-jarige vader vluchtte met zijn broer de stoffenkelder in. Ze zijn niet opgepakt. Daar hadden ze heel veel geluk mee.”

Waar is Hans terechtgekomen?
“Hij moest onderduiken in ‘t Gooi. Maar omdat het ook daar steeds gevaarlijker werd voor Joden, had hij een plan bedacht. Samen met Bob van den Berg, die hij kende van de Hollandia-Kattenburgfabriek en die ook wist te ontsnappen aan de razzia, had hij zich onder valse naam aangemeld om te werken in Duitsland. Hij heette toen Henk Kuilman. Dat was natuurlijk heel erg spannend want als ze zouden worden gesnapt, konden ze alsnog worden opgepakt. Maar de omstandigheden in de machinefabriek waar ze werkten, waren goed en ze woonden met een klein groepje Nederlanders samen in een huis. In het najaar van 1943 zijn ze naar Baden-Baden gegaan. Daar heeft Hans nog als portier in een hotel gewerkt.”

Hoe weet u dit allemaal?
“Mijn vader was tijdens de oorlog al verloofd met mijn moeder Greetje en hij schreef heel veel brieven aan haar. Wel 98 brieven schreef hij en die zijn er allemaal nog. De brieven die mijn moeder schreef aan mijn vader, zijn helaas verloren gegaan. Hans schreef Greetje ook over Bob die het ene vriendinnetje na het andere had. Hij was bang dat Bob te veel vertelde aan die Duitse meisjes. Hans was een stuk ouder dan Bob en voelde zich verantwoordelijk voor hem. Hij maakte ook geld over aan de moeder van Bob. Dat hebben we allemaal ontdekt toen we de brieven lazen.”

Hoe eindigde de oorlog voor Hans?
“In april 1945, toen de oorlog voorbij was in Baden-Baden, is mijn vader met het groepje Nederlanders teruggegaan. Te voet. Daar hebben ze wel tien dagen over gedaan, helemaal via België en Frankrijk tot in Maastricht. Uiteindelijk heeft hij mijn moeder weer gezien en zijn ze op 14 juli 1945 getrouwd. Dit verhaal loopt dus heel gelukkig af.”

Archieven: Verhalen

‘Mijn broer is op zijn 21e verjaardag overleden ’

Mikki, Naoufal en Chavelly van de Admiraal de Ruijterschool spraken Ad Corver in Nieuw Vredenburgh op de Postjesweg waar een gedenksteen hangt voor zijn broer die omgekomen is in Duitsland.

Hoe heeft u de oorlog beleefd?
Vlak voor de oorlog was ons gezin aan de Orteliuskade komen wonen. Dat was toen nieuwbouw. Toen de oorlog begon, was ik 11 jaar. Ik vond veel nog spannend. Als het luchtalarm ging, moesten we naar de schuilkelder. Een daarvan stond hier op het terrein van Nieuw Vredenburgh, waar toen nog een kerk stond. Met de jaren kwam er steeds minder eten. Aan de bonkaarten had je uiteindelijk  niks meer, want er was gewoon niks. Ik heb een keer 60 kilometer met een handkar gelopen op zoek naar eten, hopende dat als je wat had het op de terugweg niet afgepakt werd. We aten van alles; tulpenbollen of brandnetelsoep bijvoorbeeld. We wisten dat  ‘s ochtends de gaarkeukens nieuwe voorraad kregen. Dan maakten we een lange stok met een spijker eraan. Als er dan een aardappel van de kar viel, prikte je die snel op met je stok. Zo kwam je trots thuis met twee aardappelen. Of we ruilden eten voor boomstammen bij de houtzagerij op het Paramariboplein. Dan konden we daar de kachel weer van laten branden.

Wat is er met uw broer gebeurd in de oorlog?
Mijn vader zat bij een politieke partij en dat was verboden. Hij is toen opgepakt en als gijzelaar naar Vught gebracht. Dat betekende dat ze hem elk moment konden doodschieten. Intussen kreeg mijn broer een oproep om te gaan werken in Duitsland. Hij moest wel gaan, omdat dit anders gevolgen zou hebben voor onze vader. Hij is in Düsseldorf in de oorlogsindustrie gaan werken. Dat soort fabrieken werden altijd hevig gebombardeerd. Mijn broer en een vriend zijn toen gevlucht. Onderweg naar Zwitserland is hij in het grensgebied opgepakt. Hij werd veroordeeld tot twee jaar dwangarbeid. Daar is hij ziek geworden en op zijn 21e verjaardag overleden. Dit hoorde we pas later van zijn vriend die het wel heeft overleefd.

Zijn er veel mensen van uw familie overleden?
Behalve mijn broer is ook mijn oom omgekomen in Indonesië. Mijn vader heeft de oorlog overleefd. Hij was in Vught zo verzwakt dat hij vlak na de oorlog alsnog overleden is, net als mijn moeder. De oorlog is aan ons dus niet zomaar voorbij gegaan.

Archieven: Verhalen

‘In een hele diepe kuil in het kamp werden de lijken gegooid’

De eerste herinnering die Ina Groenteman aan de oorlog heeft, is dat zij als Joods kind van de kleuterschool af moest. Haar ouders dachten erover om de kinderen te laten onderduiken, maar toen de man die hen zou helpen kwam, wilde haar broertje Gerrit hem geen hand geven. Haar vader zei toen dat als een kind hem geen hand wilde geven, hij niet te vertrouwen was. Ze zijn toen niet gaan onderduiken. Puck, Billie en Ruben van basisschool Oscar Carré vroegen verder.

Wat hebben jullie toen gedaan?Zijn jullie ergens anders gaan onderduiken?
Nee, we werden in 1943 tijdens een razzia opgepakt. We werden in veewagens op elkaar gepropt en naar Westerbork gebracht. Ook mijn ooms, tantes en hun kinderen. We sliepen in barakken waar allemaal stapelbedden stonden, drie etages, met strooien matrassen. De vaders werden apart gezet. Ik was toen zes jaar en ging nog niet naar school. We deden niks, maar er was wel een man die kleine kinderen de Hora leerde, dat is een dans. Een keer waren er twee mannen ontsnapt, dat was op mijn zevende verjaardag. Het hele kamp kreeg straf en iedereen moest op appèl staan. De bewakers sloegen om zich heen en we kregen niks te eten. Elke dinsdag gingen er treinen naar Duitsland of Polen. De avond ervoor werden de namen opgenoemd van de mensen die mee moesten. Dat was verschrikkelijk. Na negen maanden in Westerbork moesten wij in februari 1944 ook op dinsdag weg.

Waar moesten jullie naartoe?
We werden weer in een beestenwagen zonder ramen weggevoerd. We kwamen terecht in Bergen-Belsen. Dit kamp had verschillende afdelingen. Wij kwamen op de afdeling van mensen die niet doorgestuurd zouden worden naar vernietigingskampen. Dit kwam omdat mijn oom, voor de hele familie, 100.000 gulden in diamanten had betaald aan een Duitse instantie. We kregen waterige koolraapsoep en een sneetje van 1 centimeter brood per week. Mijn moeder woog nog maar 35 kilo. Omdat mijn vader in Duitsland was geboren en Duits sprak, kon hij ook veel dingen regelen. Hij kreeg een baantje en kreeg af en toe wat extra eten voor ons. Er was ook een strafgevangenenkamp. Tussen dat kamp en onze afdeling, was een hele diepe kuil. Hierin werden de lijken gegooid van het strafkamp. Dit zal ik nooit meer vergeten, dat was zo verschrikkelijk.
Op een dag moesten we allemaal in een trein. We wisten dat we naar de gaskamers moesten, dit hadden we al van mensen gehoord in het kamp. Een paar vrouwen hebben de machinist afgeleid en de mannen hebben toen de kolen weggegooid. De trein kon niet verder rijden. We hebben een hele week langs een sloot stilgestaan. We hadden geen eten en drinken, iedereen dronk water uit de sloot. Toen kwamen de Amerikanen. Zij hebben ons naar het Duitse dorp Hillesleben in de Adolf Hitler Strasse gebracht. Er waren mooie tuintjes waar aardbeien groeiden. Iedereen die uit de sloot had gedronken, kreeg tyfus en kwam in het ziekenhuis terecht.

Fotografie: Mirjam Schut

Ging u toen weer naar huis?
Dat heeft nog heel lang geduurd omdat wij stateloos waren. Voor de oorlog kreeg prinses Juliana van de Duitse regering twee kinderwagens cadeau, voor Beatrix. Ze wist niet wat ze moest met twee kinderwagens en besloot het aan een vrouw te geven die net als zij met een Duitser was getrouwd en een kind had dat in Baarn was geboren. Dat was ik. De Duitsers waren zo kwaad dat Juliana dat aan een Joods gezin had geschonken, dat de nationaliteit van mijn ouders werd afgenomen. Hierdoor hadden wij na de oorlog geen paspoort en geen land. We moesten van het ene opvangkamp naar het andere. Uiteindelijk konden we terug naar Amsterdam. Dat was wel een heel bijzonder gevoel, om weer terug te zijn. We zijn nog tot 1954 stateloos geweest. Als ik met de klas naar het buitenland ging, moest ik een visum aanvragen. 

Archieven: Verhalen

‘Mijn buurvrouw nam mij apart en zei: ‘Zullen wij samen een geheimpje hebben?’’

Op blote voeten deed meneer Leo Jacobs de deur open voor Nidal, Cenna en Nilah van basisschool Oscar Carré. Ze gingen aan de eettafel zitten en kregen een paasstol met poedersuiker. Leo Jacobs was vijf jaar oud toen de oorlog begon, maar kan zich nog veel herinneren.

Hoe wist u dat er oorlog was?
Het is mijn oudste herinnering. Wij woonden toen aan de Noorder Amstellaan, wat nu de Churchill-laan heet. Er was een enorme paniek op straat. Mensen riepen tegen elkaar, in de verte hoorde ik dof gebonk. Ik was vijf en begreep niet wat er aan de hand was. Later bleek dat dat gebonk het bombardement op Schiphol was. Het zei mij toen niet zoveel. We gingen daarna gewoon ontbijten. Eind 1940 verhuisden we naar Heemstede, omdat mijn vader wel doorhad dat het een moeilijke tijd zou worden, zeker in Amsterdam. Mijn vader is van 1884 en had ook al de Eerste Wereldoorlog meegemaakt.

Fotografie: Mirjam Schut

Hebben jullie illegale dingen gedaan?
Mijn ouders hadden een onderduiker in huis, maar ik begreep helemaal niet wat dat was. Ik dacht, die komt gewoon langs om mijn moeder te helpen of zo. Ik herinner mij wel dat je nergens over mocht praten. Er was namelijk veel verraad. Mijn buurvrouw nam mij eens apart, toen ik een jaar of acht was, en zei: ‘Zullen wij samen een geheimpje hebben?’ en ‘Wil jij iets voor mij doen?’ En toen gaf zij mij papiertjes mee, die ik in de brievenbussen moest stoppen. Maar ik mocht tegen niemand iets zeggen. Ik heb pas later begrepen dat dat de illegale krant Trouw was. Toen mijn moeder hier veel later achterkwam, ontplofte ze. We hadden onderduikers in huis, dus als ik door de moffen gepakt was, waren ze op onderzoek uitgegaan en had dit veel ellende opgeleverd. Soms werden ook huizen waar onderduikers zaten platgebrand.

Wat at u in de oorlog?
Hele vieze dingen. Tulpenbollen waren het ergste. Suikerbieten waren iets minder erg. Er was ook regeringsbrood, dat was niet zoals je tegenwoordig vers brood hebt. Er zat allemaal troep in. Er kwamen ook mensen aan de deur om te bedelen. Ik wilde ze wat geven, maar dan zei mijn moeder: ‘Jij gaat zelf al met honger naar bed.’ En dat was ook zo. Het was ook ontzettend koud. Mijn vader maakte zelf een noodkacheltje, waarmee je met heel weinig hout kon koken. Handig, want er was geen gas en ook geen stroom meer. Later werd hout bemachtigen ook lastig, want alle bomen in de straat werden gekapt. Fietsen waren er ook niet meer, die werden gevorderd. Mijn ouders liepen daarom helemaal naar het dorpje Schagen om eten te halen. Je kon dan spullen zoals tafelzilver ruilen voor voedsel. Formeel mocht dat niet van de Duitsers, dus je moest nog oppassen ook. In de oorlog was alles schaars. Weten jullie wat ‘bukshag’ is? ‘Shag’, dat is dus losse tabak. In de oorlog raakte de tabak op en dan gingen mensen peuken verzamelen. Om dat te doen moest je bukken, dus dat noemden de mensen ‘bukshag’.

Ging u naar school?
Ja, totdat die dicht ging wegens gebrek aan brandstof. Dat zal in 1944 geweest zijn. Op school deden wij geregeld oefeningen voor als er gebombardeerd zou worden. Dan moesten we onder de banken liggen. Als je er nu over nadenkt, dan had dat niet echt nut gehad. Als er een luchtalarm was, moesten wij zo snel mogelijk naar buiten. Dat vonden wij wel leuk, want daarna mochten wij naar huis.
Mijn broer Fred, die negen jaar ouder was, moest eigenlijk niet naar school maar naar Duitsland om daar te werken. Arbeitseinsatz heette dat. Dat wilden hij en mijn vader natuurlijk niet. Boven in ons huis had mijn vader daarom een schuilplek gemaakt. Je kon niet zien dat daar iets zat. Hij kon zich daar verstoppen, maar er is in Heemstede – voor zover ik mij kan herinneren – nooit een razzia geweest.

Archieven: Verhalen

‘Er was geen grotere daad van liefde mogelijk, dan te ontkennen dat ik bestond’

Rozette Kats is geboren in de oorlog. Als baby van Joodse ouders werd ze met acht maanden bij andere mensen ondergebracht waar ze opgroeide als hun dochter. Aan Fatima, Nikki en Roukaya van basisschool Oscar Carré vertelt ze haar verhaal.

Kunt u zich iets herinneren van de oorlog?
Een paar beelden. Het meeste heb ik gehoord. Ik ben geboren in 1942, mijn ouders waren Joods. Er waren toen al veel maatregelen om het normale leven van Joden moeilijk te maken. Overal waar het leuk was, zoals parken, zwembaden, speeltuinen, bioscopen, was het verboden voor Joden. Ook moesten in mijn geboortejaar alle Joden van zes jaar en ouder een gele ster op hun kleding dragen. Een Davidster, al duizenden jaren het symbool van het Joodse volk. Die Nazi’s zetten daar op een hele nare manier het woord ‘Jood’ in. Puur pesten en vernederen was dat. Je moest ze kopen voor 4 cent – dat was veel geld – en ze zelf op elk kledingstuk waarmee je buiten gezien kon worden, naaien. Niet met een veiligheidspeld, nee naaien. Dat was ook weer pesten.

U bent niet bij uw ouders opgegroeid, waarom niet?

Mijn ouders waren ze met mij als baby op enkele adressen ondergedoken. Het werd te gevaarlijk en met acht maanden ben ik naar een kinderloos echtpaar in de Zeeliedenbuurt gebracht. Hele  goede mensen, met het hart op de goede plek. Ik ben daar mijn hele jeugd blijven wonen. Ze noemden mij Rita en schreven die naam in hun trouwboekje, op de plaats waar eerder de naam van hun tweede overleden zoontje had gestaan. Vlak na mijn komst, werden mijn ouders opgepakt. Ze werden naar Westerbork gebracht, waar ze een zoontje kregen, mijn broertje dus. Vanaf daar zijn ze op transport gezet, zogenaamd om hard te werken ‘in het Oosten’. Maar ze gingen dus naar Auschwitz, waar ze zijn vermoord. Later ontdekte ik dat mijn moeder bij aankomst in Westerbork had aangegeven dat ze geen andere kinderen had. Er was geen grotere daad van liefde mogelijk; zo wilde ze mijn leven redden. Door te ontkennen dat ik bestond. Zoals ze me eerder had weggegeven aan onderduikouders, in de hoop dat die mij beter zouden beschermen dan zij op dat moment zelf kon.

Wist u dat uw pleegouders niet uw echt ouders waren?
Op mijn zesde verjaardag heb ik het hele verhaal gehoord. Mijn pleegvader vertelde het me en zei dat ik altijd bij hen mocht blijven. En dat we er verder niet meer over moesten praten.
Ik werd een heel braaf kind, uit angst dat ik anders niet mocht blijven. Ook bij vriendinnetjes was ik braaf, bang dat ze er achter zouden komen dat ik niet was voor wie ik me uitgaf. Praten is altijd mijn advies nu bij problemen. Als je geen ‘nee’ durft te zeggen, kun je je niet ontwikkelen tot wie je eigenlijk bent. Dat duurde bij mij lang. Ik kreeg contact met een oom in Vaals, maar op mijn vragen gaf hij geen antwoord. Toen ik 42 jaar was en hij heel ziek was, besloot ik nog één keer ernaar te vragen. Hij zei niks en gaf me een tas met een album erin waarop ‘prehistorie’ stond. Dat was een fotoalbum met foto’s van familie die hij is verloren. Mijn vragen waren te pijnlijk voor hem. Wel gaf hij me een foto van mijn ouders. Het album kreeg ik niet na zijn dood. Toen ik er uiteindelijk om vroeg, vertelde mijn tante dat niemand er naar omkeek en dat het album niet was bewaard. Daar werd ik zo ziek van dat ik in therapie ben gegaan. Tien jaar later vertelde de jongste zoon van mijn oom op een verjaardag dat hij het album uit de container heeft gered en op zolder bewaarde!

Bent u blij met uw pleegouders?
Mijn pleegvader meldde zich na de oorlog bij het Rode Kruis om te melden dat Rozetje Kats, ik dus, bij hen was. Er is toen in de rechtbank om mij gevochten. Mijn oom werd voogd, maar ik bleef bij mijn onderduikouders. Mijn pleegouders hadden mijn ouders gevraagd wat ze moesten doen als mijn ouders de oorlog niet zouden overleven. Mijn ouders hebben gezegd: “Zorg voor haar alsof het je eigen kind is”. Dat hebben mijn pleegouders verklaard in de rechtbank dat hebben zij ook echt gedaan. Het waren gewone mensen, maar ook helden. Samen met mijn pleegbroer, die na de oorlog is geboren, heb ik hen geëerd door hun de titel ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’ te laten geven door Israël. Mijn eigen ouders hebben we ook geëerd, want zij hebben mij in veiligheid gebracht. We hebben erna een groot feest gegeven.

We hoeven niet allemaal helden te zijn, maar je moet je bewust zijn van het feit dat mensen dit gedaan hebben. Je moet zorgen dat dit nooit meer gebeurt, door zelf het goede voorbeeld te geven.

Fotografie: Mirjam Schut

Archieven: Verhalen

‘Tijdens de bombardementen ging op de wc zitten en steeds doortrekken’

Philip, Caner en Mirte van basisschool Oscar Carré interviewden de 83-jarige mevrouw Jeanne Koehein in haar huis in De Pijp. Tijdens de oorlog woonde ze in dezelfde buurt als nu; toen samen met haar ouders, zusje en twee broertjes.

Weet u nog dat de oorlog begon?
Ja dat weet ik nog heel goed. Ik zie dat nog zo voor me. Want mijn moeder begon ineens te huilen. En dat had ik nog nooit eerder gezien. Ze huilde namelijk nooit. Dus dat maakte heel veel indruk op mij. Wij woonden op de eerste verdieping en mijn ouders zijn toen gelijk naar de onderburen gelopen. Ze hebben toen overlegd: gaan we bij bombardementen in het trappenhuis zitten of in de schuilkelder? Ik weet nog dat ik heel erg hoopte dat we in de kelder zouden gaan schuilen. Want ik had nog nooit in mijn leven een kelder gezien! Ik was pas vijf jaar en zag de ernst van de oorlog nog niet in.

Wat deed u tijdens bombardementen?
Dan ging ik snel op de wc zitten. En dan heel vaak doortrekken, zodat ik de bombardementen niet kon horen. Mijn broertjes niet hoor, die stonden gewoon voor het raam te kijken. Die vonden dat spannend. Maar ik vond het ongelooflijk eng. Ook liep ik een keertje met m’n vader naar vrienden om wat eten te vragen. We wandelden langs een Duitse kazerne en toen kwamen er ineens vliegtuigen aan. En die gooiden bommen op de kazerne. Mijn vader dook bovenop mij, om me te beschermen. Doodsbang was ik. Lang na de oorlog schrok ik nog steeds op wanneer ik het gebrom van een vliegtuig hoorde. Dan voelde ik diezelfde angst weer.

Zijn er ooit Duitse soldaten bij u thuis geweest?
Bij ons op drie hoog zat een Joodse man ondergedoken. Op een gegeven moment ging bij ons de bel. Mijn ouders deden de deur open en gelijk kwamen er enkele Duitse soldaten het huis binnengestormd. Ze wilden weten waar die Joodse man was. Mijn ouders vertelden dat ze dat niet wisten. De soldaten zijn toen verder naar boven gegaan, maar die man was al op de vlucht. De Duisters zagen hem echter vluchten en schoten op hem. Hij is toen getroffen in zijn been. De soldaten hebben hem vervolgens naar het ziekenhuis gebracht. De hele verdere oorlog heeft hij daar in het ziekenhuis gelegen. En de oorlog dus overleefd! Hij had dus eigenlijk mazzel dat hij in zijn been geschoten was.

Fotografie: Mirjam Schut

Hoe kwam u de Hongerwinter door?
Het was heel koud en we hebben echt honger geleden. Mijn vader had geen slechte baan hoor, hij verdiende best goed. Maar eten was gewoon heel erg duur. Voor een brood moest je een klein fortuin betalen. Mijn moeder had gouden kronen, en die heeft ze eruit laten trekken. Die kon ze dan ruilen voor eten. Ook haar trouwring heeft ze moeten verkopen. Er was zelfs zo weinig eten in de stad, dat mijn broertjes tijdens de Hongerwinter noodgedwongen in Groningen moesten gaan wonen. Er was anders te weinig eten om alle monden te voeden. Een van mijn broertjes was pas zes jaar oud en die heeft dat heel erg zwaar gevonden. Gelukkig duurde dat maar drie maanden. Daarna werden we bevrijd en konden ze weer naar huis.

Archieven: Verhalen

‘Tijdens de Hongerwinter schreef ik recepten uit de Libelle over’

Het laatste jaar van de oorlog verhuisde mevrouw Okhuizen en haar familie van Amsterdam-West naar het Sarphatipark. Omdat haar vader tijdens de oorlog in Duitsland moest werken stond haar moeder er alleen voor met vier kinderen. Joeri, Dessa en Mus van basisschool Oscar Carré vragen in haar huis in Badhoevedorp over de oorlogstijd.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
Op een ochtend zei mijn moeder dat in de nacht de oorlog was begonnen. We hadden die dag geen school en alles lag stil. Maar ik heb geen bombardementen of vechtpartijen meegemaakt. Als stadskind merkte je daar niet veel van. Ik was alleen angstig als de sirenes, het luchtalarm, in de stad afgingen want dan wist je dat gevaar dichtbij was. We moesten dan van m’n moeder in het midden van de woning zitten, omdat er een vliegtuig naar beneden kon storten. Uit voorzorg gingen we in de hal zitten.

Wat staat u het meeste bij uit de oorlog?
Tijdens de bewuste Hongerwinter, hebben wij echt heel veel honger gehad. Die laatste winter van de oorlog staat mij het meeste bij. Ik had toen een rood opschrijfboekje en daarin ging ik allerlei recepten uit de Libelles opschrijven. Gewoon, om mezelf lekker te maken. Dat boekje heb ik nog steeds. Ik dacht; als de oorlog voorbij is, ga ik dat allemaal maken. Ik schreef het op in ons bed, waar we de hele dag met zijn allen in lagen omdat het heel erg koud was en we geen verwarming hadden. Het is niet te beschrijven dat we toen zo’n honger en kou hebben geleden. Wij hadden geen geld, geen fiets en konden niet naar de boer om linnengoed te ruilen voor eten. Wij hadden alleen het eten uit de gaarkeuken, waar ik als oudste van de vier kinderen heen moest. Het eten moest ik gaan halen in een school aan de Govert Flinckstraat. Daar kreeg je vaak soep, dat we opaten met een theelepel, zodat we er heel lang van konden genieten. Dat was het enige wat we die maanden tijdens de Hongerwinter hadden.

Ik ging ook vaak naar mijn oma in de Spaarndammerbuurt. Dan liep ik in mijn eentje als 12-jarige met mijn hongerige lijf dat hele stuk naar oma. Onderweg bekeek ik alle huizen aan de Stadhouderskade en Nassaukade goed. Ik dacht dan;als ik later groot ben, dan wil ik in zo’n mooi huis werken. Het was een heel eind lopen, maar ik was dol op mijn oma. En heel vaak als ik dan bij haar aankwam had zij een klein beetje eten voor mij. Soms kreeg ik een tasje mee naar huis met een paar stukjes hout waar we ons kacheltje mee konden stoken. Opa werkte als wacht op een houthavenbedrijf in de Spaarndammerbuurt, daar kwam het spronkelhout vandaan.

Fotografie: Mirjam Schut

Wat is het mooiste dat u heeft meegemaakt tijdens de oorlog?
Dat de oorlog afgelopen was. Op die dag kwam er ’s avonds een politieagent bij het Sarphatipark op de fiets aan en die riep heel luid: de oorlog is voorbij, de oorlog is voorbij! Dat was iets! We waren bevrijd! Ik had gehoord dat de Amerikanen over de Berlagebrug kwamen en dat de mensen er heen gingen. Dat heb ik later ook op foto’s gezien. Maar wij waren zo verzwakt dat we niet de straat op gingen. Toen de oorlog voorbij was, ging het langzamerhand wat beter met ons. Maar als ik nu zie dat er mensen honger moeten lijden heb ik daar veel moeite mee. 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892