Archieven: Verhalen

‘Al die bevrijdingsfeesten vond ik als verlegen jongetje niet leuk’

Dylan, Diedrik, Zouhair en Rosa van basisschool De Springstok gingen langs bij Willem Prins. Hij was pas vier toen de oorlog begon en hoewel hij zich niet veel kan herinneren, zijn er wel een paar gebeurtenissen bijgebleven.

Hoe was het als kind in de oorlog?
Het klinkt een beetje vreemd, maar de oorlog was voor mij ‘leuk’.  Ik was pas vier toen het begon, dus ik kan me niet veel herinneren. Wat ik wel nog weet, is dat we vaker dingen aten die ik niet lekker vond. En dat ik hoorde over razzia’s, en dat mijn vader daar kwaad van werd, al was ik te jong om te beseffen wat er gebeurde.
Ik zat hier om de hoek op de Protestantse school; in het gebouw zitten nu ateliers. In 1942 of 1943 werd onze school gevorderd, waarna we bij de katholieke school verderop in de IJsselstraat moesten intrekken. Niet leuk, want protestanten en katholieken gingen toen niet zo goed samen. Maar we wisselden elkaar af, we gingen maar halve dagen naar school. We waren dus veel vrij en speelden veel buiten.

Kende u iemand die in het verzet zat?
Ja, mijn vader, maar dat wist ik toen niet. Hij had een fotowinkel en in de oorlog kon hij daar weinig mee verdienen, want er was geen materiaal meer. Pas na de oorlog hoorde ik wat daar gebeurde. Achterin de tuin was een donkere kamer (toen had je nog fotorolletjes die je moest ontwikkelen in het donker) en daar werden pasfoto’s voor valse paspoorten gemaakt. Bert Haanstra, die na de oorlog een bekend filmmaker werd, kwam er filmmateriaal brengen. Later zijn er artikelen over deze plek geschreven, waaronder eentje met de titel ‘De fotowinkel in de Van Woustraat’. Als volwassene snap ik niet dat mijn vader, met mijn moeder die als koerier hielp, dit durfde. Ze hadden toch een gezin! Ik vraag me af of ik dat gedaan had. Na de oorlog hebben mijn ouders er nooit gedetailleerd over gesproken, behalve dan over wat er bij ons in huis gebeurde. 

Hoe reageerde u toen de oorlog was afgelopen?
Dat vond ik niet leuk! Maar dat kwam omdat er allemaal feesten waren en ik was een heel verlegen jongetje. Ik had een rode autoped, en mijn ouders schilderden die oranje en dat vond ik zó erg. Wat wel leuk was, was om de Canadezen over de Berlagebrug te zien rijden. Mijn broer en ik stonden op de Amstellaan, dat nu de Vrijheidslaan heet, en zijn op een vrachtauto met soldaten geklommen en meegereden. Waarschijnlijk zijn we toen bij de Hoofdweg – toen de grens van Amsterdam – er weer afgezet. We moesten de hele weg teruglopen en overal de weg vragen.

Was er ook een heel spannend moment in de oorlog?
Toen de Gerrit van der Veenstraat (toen nog Euterpestraat) werd gebombardeerd. Dat moment kan ik me nog herinneren. Toen stonden we gepakt en gezakt in de gang, want mijn ouders dachten dat er bij ons ook bommen zouden vallen. Normaal bij een luchtalarm waren mijn ouders niet in paniek. Het was dan wel even opletten en we mochten niet naar buiten, maar het was niet dat ik dacht: “Oh, god”. Wat ik nu weleens van leeftijdgenoten hoor over “dan kwamen de vliegtuigen over…” dat vond ik niet beangstigend, anderen wel. We hebben gehad dat Duitse vliegtuigen overvlogen, maar aan het einde van de oorlog waren het geallieerden die vanuit de lucht pakketten lieten vallen. Het ene is beangstigend en het andere niet terwijl het hetzelfde geluid is.

Foto: Katrien Mulder
Foto: Katrien Mulder

Archieven: Verhalen

‘Ik denk nog elke dag terug aan de oorlog, ik ben de oorlog.’

Op de van Woustraat nummer 149 stond tijdens de oorlog IJssalon Koco, gerund door twee Joode eigenaren die ook belangrijke figuren waren in het verzet: Ernst Cahn en Alfred Kohn. Safwan, Aleyna en Dynand van basisschool De Springstok hebben de nicht van Ernst Cahn, mevrouw Doris Cahn, geïnterviewd. Zij is 91 jaar en werd voor het interview door haar 70-jarige neef Freerk van der Meulen met de auto naar Amsterdam gebracht. Zelf woonde ze tijdens de oorlog niet in Amsterdam, maar ze kon veel vertellen over haar oom en zijn tragische dood.

Kende u uw oom goed?
Ja, hij was zo’n leuke, vrolijke oom. Hij kon leuk voorlezen, weet ik nog. Ik herinner me vooral dat hij gewoon altijd vrolijk was. Hij kwam voor de oorlog vaak bij ons op bezoek, en dan bracht hij dat lekkere ijs mee uit de ijssalon. Dat was iedere keer smullen. Maar hij was ook iemand die zich wilde verdedigen, ook al was het voor hem gevaarlijk omdat hij Joods was.

Uw oom is gefusilleerd in de oorlog; kwam u daar snel achter?
Het was ons al enige tijd voor het fusilleren bekend dat de Duitsers mijn oom zouden vermoorden. Nadat hij door de SS in de ijsalon was opgepakt, omdat van daaruit verschillende verzetsdaden werden voorbereid, werd hij overgebracht naar het Oranjehotel in Scheveningen. Daar zaten veel verzetsmensen gevangen. Niet lang daarna kreeg de familie het nieuws dat ze afscheid van hem mochten nemen, omdat hij gefusilleerd zou worden. Otto, de broer van Ernst, heeft toen besloten er niet naartoe te gaan. De meerderheid van mijn familie zat toen al ondergedoken, en afscheid nemen van Ernst was natuurlijk veel te gevaarlijk. De Duitsers zouden Otto onmiddellijk hebben opgepakt en afgevoerd naar een concentratiekamp. Maar dat Otto geen afscheid nam, zorgde in de familie voor veel problemen. Vooral Ernsts vrouw heeft het hem erg kwalijk genomen. Maar voor haar was het veel minder gevaarlijk om naar het Oranjehotel te gaan, want zij was niet Joods.
Toen het nieuws van zijn dood ons bereikte, woonde Ernsts vrouw bij ons in huis. Ik herinner me dat ze dagenlang heeft gehuild. De dood van mijn oom was ook voor mij bijzonder heftig. Hij was de eerste in mijn jonge leven die doodging. Dan denk je: ‘Hé, ik zie hem nooit meer terug’. Daarvoor denk je daar niet zo over na. Maar zo was het nu eenmaal in die tijd, de Duitsers waren aan de macht en zij konden deze dingen doen.

Hoe kijkt u nu terug op de verzetsdaden van uw oom en de oorlog?
Ik wist tijdens de oorlog lang niet dat hij in het verzet zat. Ik vind het knap dat hij niet zomaar de boel van zich heeft laten afpakken. Hij heeft zich verdedigd. Het heeft hem zijn leven gekost, maar uiteindelijk stonden we allemaal op de lijst om vermoord te worden. Dan kon je beter gefusilleerd worden terwijl je jezelf verdedigde, dan op een trein te worden gezet naar Auschwitz, denk ik.
Ik denk nog elke dag terug aan de oorlog, ik ben de oorlog. Ik ga er niet meer onder gebukt, maar het is belangrijk om het nooit te vergeten. 

Archieven: Verhalen

‘’

Na een ritje met de tram zijn Chanell, Destiny en Gaia van basisschool De Springstok bij Emmy Davids en haar man. Vriendelijk worden ze ontvangen en met ice tea en chocolademelk in de hand bewonderen ze eerst de uilenverzameling in het huis. En dan is het tijd voor het interview.

Bent u bang geweest tijdens de oorlog?
Gelukkig woonde ik tijdens de oorlog niet in een gebied waar gebombardeerd werd, ik woonde in de Eerste Jan Steenstraat op nummer 38. Mijn school stond een paar huizen verder; ook daar waren geen bombardementen of andere enge dingen. Wel weet ik nog dat er overal Duitsers waren en daar was je best bang voor. Ik weet nog goed dat mijn moeder ons op een avond naar huis riep rond een uur of acht. De avondklok ging in en iedereen moest naar binnen. Toen kwam er een Duitse motorrijder de straat ingereden om te kijken of er niemand meer buiten was. Ik heb zo hard gerend. Zo hard had ik dat nog nooit gedaan! Ik kwam net op het laatste moment veilig thuis.
Ook heb ik toen ik met andere kinderen buiten aan het spelen was op de Amsteldijk nog in een boom gehangen omdat er een Duitser aankwam. Gelukkig was het toen helemaal donker en kon hij ons niet zien want we waren niet op tijd naar huis gegaan. Het was heel angstig om daar te hangen terwijl die Duitser riep en aan het zoeken was.

Heeft u honger gehad in de oorlog?
Ja zeker, en ik at alles wat er te eten was, van suikerbiet tot bloembollensoep! Ik ben ooit met een vriendinnetje naar de kerk geweest om eten te halen. Daar deelden ze uit. Met een lepel liepen we daar naartoe, maar ik mocht niet naar binnen. Mijn vriendin was katholiek, zij mocht wel. Ik was niet katholiek en kreeg niks. Ik was zo boos daarover.  Uiteindelijk heb ik nog uit de melkbussen wat eten geschraapt.
Aan het einde van de oorlog werd het erger. Er was hier geen eten meer, dus moesten we vluchten. Mijn ouders, mijn zusjes en ik zijn toen op de fiets naar mijn opa in Friesland gegaan. Mijn kleine zusje en moeder konden niet fietsen dus die gingen in de bakfiets. We hebben dagen gefietst, wel tien dagen of meer. Maar bang was ik niet, het was een avontuur. Onderweg klopten we bij mensen aan voor eten en een slaapplek. Eigenlijk kregen we altijd wel een glaasje water of wat te eten. Er was één dorp waar we niets kregen: Staphorst. Erg hoor, ik ben daar dan ook nooit meer geweest.

Hoe was de bevrijding?
Ik was toen in Leeuwarden en daar liep ik in de stad met een grote bouvier, herinner ik me. Na de oorlog konden we weer terug naar huis, met de trein dit keer. Toen konden we ook mijn broer en zus, die waren ondergedoken, weer zien. We gingen toen in een ander huis wonen, aan de Govert Flinckstraat. Maar nog niet alles was goed in Amsterdam. De hele stad lag in puin en er was niet veel eten. Ik kan mij nog goed herinneren dat we overal bonnen voor kregen. Ook voor een ons snoep. Ik ging dan zo snel mogelijk naar de winkel en het was ook meteen op. Ook waren er in die tijd niet veel stookmiddelen. Dus moest ik als dertienjarige op pad. Mijn vriendin en ik gingen in een kano langs alle huizen om daar kolen mee te pikken. Zo hadden we toch nog een warm huis. Ook pikte ik eten, want tja, je moest wel. Er was niks meer.

Foto’s: Caro Bonink

 

Archieven: Verhalen

‘Ik heb de hele oorlog gebeden dat het gauw voorbij zou zijn’

Vanuit de openstaande balkondeuren kijken we uit op de brug over de Amstel en de bomen van de Weesperzijde aan de overkant. Hier groeide Fons Eickholt op. De muren hangen vol herinneringen. Op tafel ligt een advertentie uit de oorlog van de bakkerswinkel van de familie Eickholt. Jennate, Juultje en Obioma van basisschool De Springstok bekijken oude foto’s en bonnenboekjes. Meneer Eickholt wijst aan waar in zijn huidige woning Joden zaten ondergedoken.

 

Vindt u het moeilijk om over de oorlog te praten?
Ik heb er juist heel veel over geschreven. Ik was in de oorlog heel erg bang, het was een hele angstige periode voor mij. Ik zag door een gaatje in de verduistering de zoeklichten en hoorde steeds het zoemende geluid van vliegtuigen boven ons hoofd. Eén keer zag ik een vliegtuig naar beneden komen, ik stortte van schrik van de trap. Ik heb de hele oorlog gebeden dat het gauw voorbij zou zijn.

Wat herinnert u zich van het dagelijkse leven toen?
Ik was nog heel jong toen de oorlog begon. Het was een heel gedoe thuis, we moesten bijvoorbeeld samen op één kamer slapen. Eén zus sliep op de overloop. Je moest je in die tijd nog wassen met een teiltje. Mijn broer luisterde stiekem naar Radio Oranje. Boven woonden onze ongetrouwde tantes. Ik speelde wel met vriendjes die aan de andere kant van de Amstel woonden. Ik heb veel soldaten ‘rupsenpap’ aangeboden, samen met een vriendinnetje van mij. De meesten waren niet geïnteresseerd in ons. Eén soldaat was wel heel aardig. Soms was er een blokkade bij de brug over de Amstel, dan kon ik niet met mijn vriendjes spelen.
Het ergste wat ik me kan herinneren is dat mijn Joodse vriendinnetje van de overkant werd opgepakt door de Duitsers. Zij kwam helaas slecht terecht.

Had u tijdens de oorlog altijd genoeg eten?
We hadden een bakkerij, met ook een filiaal op de Weesperzijde 53. Mijn vader is altijd heel vrijgevig geweest, al werd dat op een gegeven moment wel moeilijker. Mensen konden hun bonnen inleveren zodat mijn vader dan van de verzamelde ingrediënten brood voor ze kon bakken. Op een gegeven moment is de kelder van de bakkerij, waar de oven stond, ondergelopen met water. Toen moesten we uitwijken naar het Afrikanerplein. Er was een voedseldropping van de voedselvoorziening geweest, met heel veel pakken taaitaai. Die werden op onze slaapkamers opgeslagen door m’n vader. Na de oorlog heb ik uit alle beschuitbollen, waar een glazuurtje over zat, een hap genomen. Mijn vader was heel verbaasd dat ik zoiets stouts gedaan had. Maar na al die taaitaai die ik in de oorlog had gegeten was dat zo lekker! 

Archieven: Verhalen

‘Het geschreeuw hoorde je tot het einde van de staat, het was verschrikkelijk en ik zal dat nooit vergeten’

Henny van Herpen stond al voor het raam op de uitkijk toen Yasmin, Diego, Imran en Yurensley van basisschool De Springstok bijna haar huis voorbij liepen. Het interview, in haar tuin, vonden ze allemaal best spannend. Achteraf vertelde zij de kinderen dat ze het heel bijzonder vond dat ze hen, uit alle windstreken, over haar tijd als kind in de oorlog kon vertellen. 

Had uw familie genoeg te eten tijdens de oorlog?
In de laatste winter van de oorlog was er gebrek aan alles in de stad. Er was geen eten, geen elektriciteit, geen gas. Mijn vader werkte op de centrale groentemarkt in West. Hij kon af en toe wat rotte appels mee naar huis nemen of pikte groente als de spoorwagens voor de Duitsers geladen werden. Hij kon dat als ruilmiddel gebruiken voor andere dingen waar we gebrek aan hadden.

Aan het einde van de oorlog werd ik 14 jaar. Mijn vader wist dat ik een mooi horloge had gezien in de etalage bij een juwelier op de Overtoom. Hij heeft toen aan de juwelier gevraagd of hij in ruil voor een tas met groente het horloge kon krijgen. En zo kwam het dat ik als grote verrassing een horloge voor mijn verjaardag kreeg! Jammergenoeg raakte ik het kort na de oorlog kwijt toen ik samen met een vriendin in de Van Woustraat achter op een schillenkar ging hangen om stiekem een stuk mee te kunnen rijden.

Is iemand van uw familie opgepakt tijdens de oorlog?
Mijn vader en broer moesten zorgen dat ze uit handen bleven van de Duitsers, die wilden dat alle mannen naar Duitsland gingen om te werken. Daarom verstopten ze zich soms onder het luik in het trappenhuis, Gelukkig zijn ze tijdens de huiszoekingen nooit gevonden. Wel is mijn broer een keer opgepakt. Mijn moeder had gehoord dat de boter bij de kaasboer in de Van Woustraat in de aanbieding was. Ze stuurde mijn broer met alle boterbonnen die ze had ernaartoe. Hij werd aangehouden door de Duitsers en zij vonden de bonnen. Ze dachten dat hij een zwart handelaar was en de bonnen wilde verkopen.Hij is toen meegenomen naar het politiebureau aan de Ferdinand Bolstraat. Onze buurman was rechercheur van de politie en zag bij toeval mijn broer op het bureau. Hij vertelde het aan mijn moeder, die natuurlijk heel ongerust was. Ze is er met een boterham voor hem heen gegaan maar moest die achterlaten omdat ze niet bij hem mocht. Gelukkig werd hij dezelfde avond vrijgelaten.

Wat vond u het ergste aan de oorlog?
Het allerergste vond ik de Jodenvervolging. In onze buurt woonden heel veel Joodse gezinnen. Zij werden zomaar meegenomen en kwamen nooit meer terug. Ze konden alleen een klein koffertje met spullen meenemen. Dan kwam er een grote vrachwagen en werd het hele huis leeggehaald. Pulsen noemden ze dat, omdat het bedrijf die dat deed Puls heette.
Tegenover ons woonde een verstandelijk gehandicapt meisje. Ze heette Elly en zij spuugde veel en als ze boos was schreeuwde ze heel hard. Toen zij in de  open wagen meegenomen werd, is ze enorm tekeer gegaan. Haar geschreeuw hoorde je tot het einde van de staat, het was verschrikkelijk en ik zal dat nooit vergeten.

Archieven: Verhalen

‘Ik vond het best leuk, met alle buren tijdens het luchtalarm in de badkamer’

Goed voorbereid maar ook best bang omdat mevrouw van der Lugt een hond heeft, belden Destiny Wi, Romaisae Blessing en Julia van basisschool De Springstok aan. Bij het opendoen, blafte Kiek  van blijdschap. Mevrouw van der Lugt stelde de kinderen gerust en zei dat Kiek – net als zij zelf –  veel van bezoek houdt. Gerustgesteld en met een glas chocolademelk en koekjes kon het interview beginnen!

Hoe merkte u dat het oorlog was?
Door de straten liepen soldaten te marcheren. Als zesjarig meisje vond ik dat heel indrukwekkend. De pakken die ze droegen, de muziek en de manier waarop ze marcheerden. Met mijn vriendin wilde ik er dan achteraan. Dat deden we met een zelfgemaakt, papieren hoofddeksel en een ook zelfgemaakt sabel. Toen mijn moeder dat zag, schrok ze enorm en sleurde ons zo van de straat. Ik was nog klein en had niet in de gaten dat ik iets deed wat niet de bedoeling was. Ook was er soms luchtalarm en dan kwamen al onze buren bij ons schuilen in de badkamer omdat dat de veiligste plek was. Ik werd dan in de badkuip gezet. Omdat mijn ouders heel zorgzaam en beschermend waren, had ik niet zo in de gaten hoe gevaarlijk het was. Ik vond het zelfs best leuk, zo met alle buren in de badkamer.

Merkte u iets van de Hongerwinter?
Tijdens de Hongerwinter was er heel veel armoede. Er was geen brood, sowieso geen eten en er waren geen kolen. En het was heel koud die winter van 1944. Alle bomen waren door mensen omgehakt zodat ze met het hout de kachel konden stoken en konden koken. In de buurt stond nog één boom bij de speeltuin. Onze buurman, oom Rinus, zei toen tegen mijn moeder: “Die boom is voor ons!” Toen het donker was en ik sliep, hebben oom Rinus en mijn moeder de boom omgehakt en naar ons huis gesleept. Toen ik wakker was, lag er een hele boom in ons huis. De wortels op de waranda en de kruin aan de andere kant van de kamer. Mijn moeder was erna nog naar buiten gegaan om alle takjes op te ruimen en zo waren alle sporen gewist. Ze was heel bang dat het ontdekt zou worden.

Soms ging ik met mijn oma naar het rangeerterrein bij de Wibautstraat. Er stonden allemaal locomotieven en de verbruikte kooltjes werden er weggegooid. Daaroverheen werd dan zand gestrooid. Veel Amsterdammers gingen er  met een grote zeef naartoe om naar bruikbare restjes kool te zoeken. Mijn oma en ik waren dan lange tijd aan het zoeken en we waren heel blij als we met een klein zakje kooltjes terug naar huis liepen. Van mijn moeder mocht het eigenlijk niet maar ik denk dat ze toch wel blij was met de kooltjes.

Kunt u zich nog iets van de bevrijding herinneren?
Ja,  op een avond hoorden we allemaal vliegtuigen. Ze dropten voedselpakketten, brood en koeken. Ik was boven aan het spelen. Opeens hoorde ik roepen: ‘Kom naar beneden, de oorlog is afgelopen!’ Iedereen ging de straat op en vierde feest. Er waren veel straatfeesten en de Amerikanen kwamen in voertuigen over de brug. Iedereen danste in de remise. Ik zie het nog zo voor me, alle feestvierende mensen in de kuilen waarboven de trams gerepareerd werden. Mijn vader was zó blij dat hij over een heel hoog hek is gesprongen. Dat heeft hij daarna nooit meer nagedaan.

Foto’s: Caro Bonink

Archieven: Verhalen

‘’Joodse kinderen uit de klas verdwenen van de een op de andere dag’’

Vano, Dami en Noor nemen in de mediatheek van basisschool IJplein nog even de vragen voor het interview met Hans Notmeijer door. Vanuit de mediatheek is er een prachtig uitzicht over het IJ, waar vrachtschepen en de pontjes af- en aanvaren. In de oorlog heeft de opa van meneer Notmeijer gewerkt bij de pont en de schepen in het IJ, als werknemer van de Opruimdienst. En zijn moeder liep vanaf het IJ soms wel dagen langs het Noordhollandsch Kanaal richting Alkmaar en Purmerend op zoek naar eten. Daar was in de oorlog een groot tekort aan. En dan moesten de opa en oma van meneer Notmeijer het schaarse eten dat ze hadden soms ook nog delen met Duitse soldaten…

 

Hadden uw ouders Joodse vriendjes en vriendinnetjes?
“Mijn vader zat in Amsterdam-Noord op school. Hij was tien toen de oorlog begon, ongeveer zo oud als jullie nu zijn. Mijn moeder was vier. Er woonden veel Joodse gezinnen in Noord, en mijn ouders hadden dus ook Joodse vriendjes en vriendinnetjes. Zij vertelden dat als zij dan soms op school kwamen, er opeens kinderen weg waren. Dan was het gezin opgepakt en werd het via Westerbork naar een concentratiekamp gebracht. Op die manier raakten mijn ouders vriendjes en vriendinnetjes kwijt. Later kon mijn moeder de huizen nog aanwijzen waar de kinderen hadden gewoond, ‘’Hier woonde Sara”, zei ze dan. Ze heeft ze nog meer teruggezien.”

Was er veel honger in de oorlog?
“In de Hongerwinter was er heel veel honger. Soms had je maar één sneetje brood, of één aardappel, waar je de hele dag mee moest doen. Door de honger kon je ook niet meer keuskeurig zijn in wat je at, alles wat je ook maar een beetje kon eten, ging in de pan. Zo hadden de buren van mijn moeder een poes. Mijn moeder heeft die poes stiekem gevangen, en daarna gekookt en opgegeten. Ook liep zij soms wel dagen langs het Noordhollandsch kanaal richting Hoorn, of Alkmaar, in de hoop dat iemand een fles melk voor haar had, of uien of aardappels. Er was dus heel veel honger. Mijn opa werkte bij de Opruimdienst en kwam daardoor in contact met Duitse soldaten. Hij werd toen gedwongen om af en toe een Duitse soldaat bij het gezin te laten eten, omdat die ook honger hadden. De soldaat zei: ‘Als ik af en toe bij jullie mag eten, dan zorg ik dat jouw kinderen ook te eten hebben. Dat zij niet dood gaan van de honger’. Dat was natuurlijk heel spannend, alle mensen hadden een hekel aan Duitse soldaten. Mijn vader heeft er heel lang over na moeten denken, maar het wel af en toe gedaan. Want zo kregen de kinderen, onder wie mijn moeder, wel te eten.”

Hoe wisten uw ouders dat de oorlog afgelopen was?
Meneer Notmeijer pakt een krantje genaamd De Vliegende Hollander van tafel, waarop staat ‘Duitschland Capituleert’. Deze krant komt uit de grote kist die hij heeft meegenomen, vol met knipsels en andere documenten uit de oorlog. Zijn oma heeft dit allemaal bewaard en aan meneer Notmeijer gegeven toen hij zijn diploma als schoolmeester haalde. Want zij vond het belangrijk dat ook kinderen die de oorlog niet hebben meegemaakt, hierover zouden horen en ervan zouden leren.
Meneer Notmeijer geeft het knipsel aan Dani en begint te vertellen: “Toen de oorlog over was, vlogen er vliegtuigen over. Die strooiden dit soort krantjes naar beneden, en daarom heten ze de De Vliegende Hollander. Je mocht namelijk geen radio hebben, en televisie was er nog niet. Er staat ‘Deutschland capituleert’, dat betekent dat de Duitsers zich hadden overgegeven, en de oorlog was gestopt. Mijn vader en moeder wisten dus dat dit zo was doordat zij die krantjes vonden. Eerst vond mijn vader het maar vreemd. Hij was er zo gewend aan geraakt dat het oorlog was, en dat hij bang moest zijn, dat er rare dingen gebeurden en er geen eten en drinken was. Toen was dat opeens afgelopen. Hij vond het moeilijk om te geloven dat het echt veilig was, en dat hij niet meer bang hoefde te zijn.”

 

Archieven: Verhalen

‘’Ik heb mijn vader heel lang niet gezien’’

Met Chaimae, Gilljunhio en Malyar op de fiets van het IJplein naar het huis van Ria Schifflers, verderop in Amsterdam-Noord, is al een beetje een avontuur… met krakende wielen, lekkende remmen en te hoge zadels. Dankzij speculaas, chocomelk, het huiskonijn Moppie en Ria zelf natuurlijk wordt het al snel een ontspannen en boeiende vertelochtend waarbij de tijd vliegt. Ria is in 1936 geboren, vier jaar als de oorlog uitbreekt en dan net van de Nachtegaalstraat naar het Mosplein verhuisd. Als de tweeling wordt geboren, verhuist de familie naar de Latherusstraat.

 

Had U vriendjes in de buurt?
“Op de hoek van de straat was een Joodse kapperszaak. Het zoontje van de kapper heette David, ik noemde hem Dapie. Het was mijn vriendje, maar op een dag is hij weggevoerd. Ik heb hem nooit meer gezien. Ik was veel op straat, en speelde dan vaak puntenkrijgertje met mijn vriendinnetjes. In de buurt was een synagoge, waar wij op zaterdag vaak gingen kijken. Dan gingen de Joodse mensen naar de kerk. In 1943 viel er een bom op de synagoge, maar er waren toen al bijna geen Joden meer in de buurt.”

Hoe heeft uw familie de oorlog overleefd?
“Mijn ouders hadden een houtwinkel op de Papaverweg, maar moesten hem in de oorlog sluiten omdat het hout heel snel op was. Achter in de winkel hielden ze konijnen. Mijn vader dook onder op de zolder van de lege winkel zodat hij niet te werk kon worden gesteld in Duitsland. Ik wist daar niets van en dacht dat mijn vader wel in Duitsland zat om te werken. Elke dag zei mijn moeder na het eten dat ze de konijnen ging voeren van de restjes die over waren. Maar stiekem bracht zij dan eten bij mijn vader en de buurman die ook op de zolder onderdook. Ik heb mijn vader heel lang niet gezien. Mijn moeder was vaak op pad naar de Wieringermeerpolder en ruilde dan gereedschap voor voedsel. Echt veel honger heb ik niet gehad. De konijnen werden ook opgegeten, maar ik heb zelf nooit konijn gegeten. Als het luchtalarm afging, zaten wij onder de trap op de wc, de tweeling op mijn moeders knie en ik naast haar. Op een dag viel er een bom in de achtertuin aan de andere kant van de straat. Toen wij de wc uit kwamen bleek ons hele huis kapot. De ramen lagen eruit en de muur naar de buren ook. Wij verhuisden naar een huis verderop in de straat. In het portiek onder ons woonden twee families waarvan de mannen allebei bij de politie werkten. De één hielp in het verzet, de ander was NSB’er. Ze hebben elkaar niet verraden. Wij hebben het allemaal overleefd.”

Hoe bang was U in de oorlog?
“Ik was altijd bang dat er iets kon gebeuren met mijn moeder of mijn broertje en zusje. Wij moesten altijd oppassen als wij iets zeiden. Je kon niemand meer vertrouwen. Iedereen was achterdochtig. Toen de Tommies, de bevrijders, met de pont naar Noord kwamen met hun Jeeps, werd ik erop getild en kregen wij sigaretten voor mijn vader en kauwgom en chocola voor onszelf. Al een week na de bevrijding moesten wij weer naar school. Er kwamen twee vreemde jongens bij ons in de klas. Het waren twee Joodse jongens die ondergedoken hadden gezeten in de buurt.”

Archieven: Verhalen

‘’Mijn vader wist al al op vroege leeftijd wat er met Joden stond te gebeuren’’

“Als we maar niet per ongeluk gaan lachen terwijl ze ons filmen”, zeggen Nikata, Walid en Ingmar van de IJpleinschool in Amsterdam-Noord in de auto op weg naar het interview met Carolien van den Berg. Het televisieprogramma Eén Vandaag maakt straks opnames van het interview voor een item over de fabriek Hollandia-Kattenburg in Amsterdam-Noord, waar tijdens de oorlog zo veel Joden werden weggehaald. De Joodse vader van Carolien van den Berg werkte ook in de fabriek en over hem, Bob van den Berg, zal ze vertellen. Dat er televisieopnames worden gemaakt van het interview, maakt het extra spannend voor de kinderen. Gelukkig gaat alles goed. Bovendien heeft Carolien heerlijke taart en koekjes in huis gehaald dus de spanning is ook weer snel weg.

 

Waar woonde uw vader tijdens de oorlog?
“Mijn vader woonde met zijn moeder en zijn broer Jo in de Waalstraat in Amsterdam-Zuid, een Joods gezin. Ze hadden erg weinig geld. Om een extra centje te verdienen, had zijn moeder al vóór de oorlog van hun huis een soort pension gemaakt om Duitse Joden op te vangen die hun land waren ontvlucht. Hierdoor wist Bob al op vroege leeftijd wat er met Joden stond te gebeuren onder Hitler. Dat was niet goed. Hij zag ook de littekens van martelingen die de logés op hun rug hadden. Vanwege al die Duitstalige gasten kon mijn vader vrij goed Duits praten, wat hem later nog van pas zou komen.”

Hoe heeft uw vader de razzia van 11 november 1942 in Hollandia-Kattenburg overleefd?
“Mijn vader was best jong, 19 jaar, toen de Duitsers de fabriek in Amsterdam-Noord kwamen binnenvallen. Alle Joodse werknemers en hun familieleden werden opgepakt en in treinen naar Westerbork gestuurd. Mijn vader had al een vermoeden dat dit niet goed zou aflopen. Hij nam een dapper besluit, sprong uit de trein en rende heel hard weg. De trein stopte nog, maar de Duitsers hebben hem niet meer kunnen pakken. Hij heeft toen een andere naam aangenomen en heeft zich samen met Hans Kattenburg, de zoon van de fabriekseigenaar die ook was ontsnapt, vrijwillig aangemeld om in Duitsland te gaan werken. Zo hoopten ze dat ze niet zouden worden opgepakt. Dat is hun redding geweest. In Duitsland kreeg Bob verschillende baantjes in fabrieken en hotels en omdat hij zo goed Duits praatte en zo aardig was, hebben ze nooit ontdekt dat hij Joods was.”

Waar ging uw vader heen toen de oorlog voorbij was?
“Toen Nederland was bevrijd, reisde mijn vader met een groepje Nederlanders terug naar Amsterdam. Maar eenmaal aangekomen in de Waalstraat, bleken er al andere mensen te wonen in zijn ouderlijk huis. Het was zijn huis helemaal niet meer. Pas veel later hoorde hij dat zijn moeder was opgepakt en vermoord in Auschwitz en zijn broer Jo is doodgeschoten in het kamp in Sobibor. Mijn vader heeft hier met mij nooit over kunnen praten.”

Archieven: Verhalen

‘’Dat is nou oorlog… dat mensen elkaar verraden’’

Als Harry Sablerolle praat over het bombardement in de Ritakerk in 1943, staren zijn ogen in de verte. Hij is weer even terug in de kerk, hoort het fluiten van de bom, het trillen van de glas-in-loodramen. Hij klimt over de puinhopen in de kerk, wordt omvergelopen door een hysterische vrouw en naar buiten getild door een meneer. Doodstil is het in de woonkamer. Oguzhan, Hiba en Zena van de IJpleinschool uit Amsterdam-Noord houden hun adem in. En plots is Harry weer in zijn woning in Diemen met zicht op het Amsterdam-Rijnkanaal. Hij kijkt de kinderen aan en zegt: “Oorlog is verschrikkelijk”.

Heeft u ook spannende dingen meegemaakt?
“Vlakbij waar ik woonde, stond een fabriek met een hek er omheen. Wij hadden een gat in het hek gemaakt om op het terrein te kunnen komen want er lagen blokjes geteerd hout. Dat brandt heel goed. In de winter waren er weinig kolen, en met zulke blokjes kon je toch de kachel warm maken. Ik stal die blokjes geteerd hout dus en deed ze snel in een zak. Mijn broer stond intussen op de uitkijk. Plotseling  zei hij: “Harry, daar komt een man aan met een herdershond”. Die man liep rechtdoor en ik sloop heel zachtjes naar een stapel treinwielen. Ik kon zien waar hij liep, maar hij zag mij niet. En de hond rook mij gelukkig ook niet. Toen hij weg was, rende ik gauw met de zak hout naar het gat in het hek en kon ik ontsnappen. Dat was spannend.”

Wat vindt u van de Tweede Wereldoorlog?
“Die vond ik verschrikkelijk. Mijn oom had verkering met een meisje. Hij was ondergedoken om niet te hoeven werken in Duitsland. Toen hij de verkering met het meisje uitmaakte, verraadde zij hem en werd hij opgepakt. Hij moest gaan werken in Keulen, een stad in Duitsland die zwaar werd gebombardeerd. Mijn oom heeft het niet overleefd. Dat is nou oorlog… dat mensen elkaar gaan verraden.”

Hoe was de hongerwinter voor u?
“Je had altijd honger in de oorlog. Mijn ouders hadden een Brabantse onderduiker in huis. Die ving ’s avonds honden en katten. De katten brachten we de volgende dag naar mijn oom, die een slagerij had drie huizen verderop op de Meeuwenlaan. Hij slachtte en vilde de katten boven op zolder. Als je daar nu naar de zolder zou gaan, zou je nog de bloedvlekken zien. Mijn vader dankt zijn leven aan dat kattenvlees. Tijdens de Hongerwinter was hij zo zwak, dat de dokter zei dat ie dood zou gaan als hij niet snel eten zou krijgen.”

Waar was u tijdens de bevrijding?
“Eind 1944 ben ik op de slee door onze Brabantse onderduiker naar Lutjebroek gebracht, in het noorden van Noord-Holland. Het was een hele strenge winter en alles stond onder water. Omdat het vroor, was het een grote ijsvlakte. Daar zag ik aan het einde van de oorlog een Canadese legerwagen die over de dijk reed. Zo maakte ik de bevrijding mee. Maar de volgende dag zag ik iets ergs: een paard en wagen met daarop twee vrouwen. Die werden kaalgeknipt en kregen een pot verf over hun hoofd. Ze hadden namelijk verkering met een Duitse soldaat. Na de bevrijding werden die meisjes opgepakt en door de bevolking kaalgeschoren. Terwijl ze alleen maar verliefd waren geweest. Dat is nou oorlog… het maakt alles wreed. Oorlog is gemeen. Zorg ervoor dat er nooit oorlog komt.”

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892