Oorlog in mijn Buurt
‘In het kamp dacht ik: wat hebben ze hier toch rare kleren aan’
Jana, Parker, Vroni ontmoeten Deborah Maarsen
Maris, Eden, Luka en Nikki van de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost moeten even zoeken naar het juiste flatgebouw van Bernadette Nyst. Maar als ze er zijn, is de sfeer meteen ontspannen. Mevrouw Nyst kletst er gezellig op los en de kinderen hebben zelfgebakken koekjes meegenomen.
Bernadette Nyst is in 1935 geboren en woonde in de oorlog aan het Linnaeushof in Amsterdam-Oost. Ze was 5 jaar toen de oorlog begon, ze kan zich niet precies herinneren dat het begon, ze weet wel nog goed de gevolgen ervan, bijvoorbeeld dat ze heel weinig te eten hadden.
Wat droegen jullie in de oorlog?
‘Tijdens de oorlog had je bonnen, zoals je nu postzegels hebt, met vellen en kleine karteltjes die je kon afscheuren. Als je boodschappen deed, nam je die zegeltjes mee. Roze bonnen waren voor het eten en groen dacht ik voor kleding. Thuis had mijn moeder een oude kist in de kast beneden, zo’n ouderwetse kist. Daar zaten de bonnen in. Nu gebruik ik die kist voor knutselspullen, maar toen was het een belangrijke plek voor onze spullen.
Kleding was schaars in die tijd. Je kreeg bijna nooit iets nieuws, en alles wat er was, werd afgedragen. Mijn drie zusjes en ik droegen kleding van het ene kind naar het andere. Ik was de kleinste, dus vaak kreeg ik kleren die eerst door mijn oudere zus waren gedragen. Ondanks dat ze een beetje stevig was en ik een sprietje dat vaak ziek was, vond ik het nooit erg. Soms dacht ik: mag ik dat jurkje? Maar dan was het nog te groot, en dat vond ik jammer.
Van mijn tante, had ik een zwart jurkje of misschien was het een rok, ik weet het niet precies meer. Mijn moeder draaide er een koord op. Ik was er dolblij mee. Dat jurkje heb ik helaas niet meer, maar ik herinner me nog goed hoe gelukkig ik er toen mee was. Als er een feest was, kreeg je een mooi jurkje aan, en dat voelde bijzonder. Maar over het algemeen hadden we niet veel kleding. Zo ging dat tijdens de oorlog.’
Wat aten jullie?
‘Wij aten brood, ook wel warm eten, maar van dat brood weet ik het nog heel goed. Mijn moeder sneed zelf boterhammen van het brood, die maakte ze extra dik want dat kostte minder boter. We noemden ze ‘dikke pillen’. We moesten de boterham ‘met tevredenheid’ eten, dat was dus een boterham met alleen boter, geen chocoladehagel ofzo.
Alles ging met bonnen. Voor een feest had mijn moeder bonnen gespaard om naar de bakker te gaan. Die zat waar nu het IJcuypje zit op de Middenweg. Ze wilde er een cake te halen, maar het personeel bij de bakker had al het deeg opgegeten. Mijn moeder was zo verdrietig… Kun je het je voorstellen? Had ze al die bonnen gespaard.
Mijn vader ging met mijn oudste zus in de Hongerwinter op twee fietsen met houten banden naar de boeren om aardappelen halen. Dat was hard trappen. En er was altijd een gok of je weer thuis kwam, en dat je niet aangehouden was door de Duitsers. Want dat gebeurde ook wel. Dan pikten ze je eten in en kwam je zonder iets thuis. Maar dat is bij ons niet gebeurd hoor.’
Wat deed u op school?
‘Ik ging naar de Linneausschool en die lag bij het klooster. Het was een meisjesschool. Omdat het in een klooster was, hadden we daar een andere manier van leren en regels dan op een gewone school. Het was streng. De zusters hielden alles in de gaten. Fouten werden niet zomaar door de vingers gezien. Je moest je altijd goed gedragen. Soms waren er strafregels, bijvoorbeeld als je niet goed luisterde of rommel maakte.
Maar ik voelde me ook veilig. We hadden vakken zoals lezen en schrijven, en soms moesten we bidden. Ik zat met andere meisjes in de klas en voelde samenhorigheid met hen. Er waren ook momenten van plezier, bijvoorbeeld tijdens zang of kleine spelletjes. In de Hongerwinter konden we daar soep halen. Dan ging je met een pannetje naar school en kreeg je soep.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.