‘Ik mocht niet naast een Nederlands vriendje zitten, omdat de juf zei dat ik ‘stonk’


Tomas, Ela, Hamza en Madlen vertellen het verhaal van Guus Heffelaar
Amsterdam-Noord

Tomas, Ela, Hamza en Madlen ontmoeten Guus Heffelaar op hun school Oostzanerwerf in Amsterdam-Noord. Vooraf hebben ze nog even de vragen met elkaar doorgenomen. Meneer Heffelaar is in 1949 op Java geboren. In 1950 ging het gezin naar Nederland. Tijdens zijn leven heeft hij als Indo (Indonesisch-Europeaan) veel last gehad van vooroordelen en discriminatie.

Wat kunt u over uw gezin vertellen?
‘Rond dat ziekenhuis waar ik geboren ben, werd hevig gevochten tussen de Indonesische vrijheidsstrijders en het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Ik ben één van een tweeling en heb nog een oudere broer en zus. Mijn vader was militair in het KNIL. Alle Nederlanders werden uit de Republiek Indonesië uitgestuurd, dus wij moesten ook weg.’

Hoe bent u naar Nederland gekomen?
‘Met de boot ‘Oranje’, een cruiseschip. We moesten eind december 1949 weg uit Nederlands-Indië, omdat het land zelfstandig werd. Begin januari 1950 kwamen we aan in Amsterdam. De boot had meerdere verdiepingen: boven zaten de “witte” Nederlanders, op de tweede verdieping de Indische Nederlanders (Indo’s, gemengd bloed), en onderin zaten de mensen met volledig Indonesisch bloed, maar die wel Nederlanders waren.

Wat hadden jullie meegenomen naar Nederland?
‘Naar Nederland namen we niks mee. Dat kon je niet. Je moest alles achterlaten. Het enige wat ik van mijn ouders kan herinneren, was dat er twee hele mooie vogels waren, paradijsvogels, die opgezet werden. Maar je had één hutkoffer, een grote koffer, en daar moest je alles in doen. We kwamen met niets aan in Nederland. Mijn ouders moesten alles achterlaten. We woonden eerst in een kerk in Laren, met z’n zessen in één kamer. Mijn oma stond op de kade in een klein blouseje in de winter, ze had nog nooit sneeuw gezien.  Later kwamen we in Amsterdam terecht. Mijn ouders moesten zich aanpassen en opnieuw opbouwen, zonder erkenning of steun. 1950 in Amsterdam aan. Tijdelijk kregen ze een kamer in Laren en na een jaar een etage op de Leidse Kade in het centrum van Amsterdam.’

Werd u gediscrimineerd?
‘Ja, aanvankelijk wilde Nederland niet dat wij naar Nederland kwamen, ondanks dat we Nederlanders waren. Amerika dwong Nederland ons toe te laten, anders kreeg het geen Marshallhulp. Op school mocht ik niet naast een Nederlands vriendje zitten, omdat de juf zei dat ik ‘stonk’. Ze zei ook: ‘Ga terug naar je kampong.’ Er werd flink gediscrimineerd. We moesten Nederlander worden, we moesten niet integreren maar assimileren, en dat betekende dat je je eigen cultuur niet meer mocht houden. Mijn moeder leerde van een maatschappelijk werkster hoe ze de wasbak goed moest schoonmaken, zoals dat in Nederland dan ging, maar ook hoe ze haar appel moest schillen. In Indonesië schilden we een appel van ons af, maar hier moet het naar je toe.  Ze dacht echt dat we gek waren’.

Wat deden u ouders voordat u geboren werd?
‘Mijn vader was militair bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij ingesloten door de Japanners. Hij heeft met zijn groep ’s nachts door de Japanse linies weten te ontsnappen, zonder verliezen. Later is hij alsnog opgepakt en belandde hij in een krijgsgevangenkamp. Na de oorlog heeft hij de Bronzen Leeuw gekregen, een dapperheidsmedaille, voor zijn acties tijdens de oorlog.’

Wat gebeurde er met uw vader na de oorlog?
‘Toen Indonesië zelfstandig werd, werd het KNIL opgeheven. Mijn vader kwam naar Nederland, maar kreeg geen pensioen, omdat het KNIL niet meer bestond. Hij had 20 jaar gediend, maar kreeg niets. Hij moest opnieuw beginnen en is als magazijnjongen aan de slag gegaan.’

Wat deed uw moeder tijdens en na de oorlog?
‘Na de oorlog, toen we in Nederland aankwamen, ging ze bijverdienen door roosjes te plakken voor taarten bij de bakker. Dat waren eetbare papieren roosjes, die op taarten werden gebruikt. Ze moest werken om ons gezin te onderhouden, maar was wel altijd thuis om voor ons te zorgen.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892