Koloniale sporen in mijn buurt
‘Ook de Nederlandse meester deed mee met het uitschelden’
Amaana, Grecia, Jimayro, Kysha ontmoeten Jeffrey Gort
Dgounia, Sara, Narjis, Yaser, Naciye van de Elif school in Amsterdam-Noord interviewen Guus Heffelaar in de bibliotheek in de Banne. Hij heeft een gezellig, Indonesisch kleedje mee voor op tafel, veel boeken en foto’s. Meneer Heffelaar is geboren in 1949 op Java.
Hoe oud was uw vader toen hij bij het KNIL ging?
‘Hij was negentien. Zijn vader, mijn opa, was een Rotterdammer. Hij was getrouwd met een Indonesische vrouw, mijn oma. Dat deed je eigenlijk niet in die tijd. Een Nederlandse man trouwde destijds niet zomaar met een Indonesische vrouw. Het mocht wel, maar er werd raar van opgekeken. Uiteindelijk hebben ze zich daar niks van aangetrokken en zijn ze toch getrouwd. Mijn opa heb ik nooit gekend. Hij overleed toen mijn vader nog jong was. Mijn oma was toen zwanger van mijn tante en had nog meer kinderen. Mijn vader is toen naar een weeshuis gegaan. Ik weet dat mijn vader negentien was, omdat je op die leeftijd het weeshuis uit moest. Dan kwam je terecht bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het KNIL. Hij startte daar als paardenjongen.Nederlandse officieren hadden toen allemaal een paard. Later is hij onderofficier geworden.’
Hoe was het rond uw geboorte?
‘Er werd gevochten rond het ziekenhuis. Mijn moeder woonde tijdelijk bij een Indonesisch gezin. Er werd op de deur gebonkt: ‘Zijn hier blanken?’ Die man riep in het Japans dat er geen blanken waren. Japan had net Indonesië bezet gehad en zij spraken Japans. Daardoor zijn ze naar het volgende huis gegaan. Anders was ik er misschien niet geweest.
Tijdens mijn geboorte en die van mijn eeneiige tweelingbroer werd er geschoten. Er zaten kogelgaten in de muren van het ziekenhuis. In oorlog wordt geen rekening gehouden met ziekenhuizen. De burgerbevolking is vaak het grootste slachtoffer.’
’Hoe bent u naar Nederland gekomen?
‘We zijn gekomen met de boot ‘De Oranje’. Dat was oorspronkelijk een cruiseschip. Toen Indonesië zelfstandig werd, moesten alle Nederlanders weg. Allerlei schepen werden ingezet om Nederlanders uit Nederlands-Indië weg te halen. Slechts een paar mochten blijven, op hele belangrijke technische posten. Mijn vader moest weg, want hij had als militair tegen de Indonesiërs gevochten.
Er waren verschillende klassen op het schip. Tot en met vierde klasse. De eerste klas was alleen voor mensen uit Europa. Daar kwamen wij niet. Wij zaten in de tweede klas. Als je helemaal beneden zat, zag je geen daglicht.’
Waar gingen jullie wonen?
‘We werden meteen naar Laren gestuurd. Dat is nu een groot museum. De rechtervleugel was toen Villa De Wilde Zwanen. Daar hadden we één kamer met z’n zessen. Er was woningnood. Er kwamen 320.000 mensen uit Nederlands-Indië naar Nederland.
Later kregen we in Amsterdam een kamer in een pension. Daarna een etage aan de Leidsekade. Uiteindelijk verhuisden mijn ouders naar Amsterdam-Noord, bij het Buikslotermeerplein.’
Kunt u Indonesisch praten?
‘Nee, een paar woorden. Mijn ouders wel. Als ze iets wilden bespreken wat wij niet mochten weten, gingen ze over op Maleis. Ik ben één keer terug geweest naar Indonesië. Toen heb ik een paar woordjes geleerd, maar ik spreek het niet.’

Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.