Als beloning voor zijn verzetswerk kreeg de vader van Jo Oostervink soms eten mee naar huis, dat de familie in de piano verstopte. Bij huiszoekingen deed Jo altijd snel de klep van de piano dicht en ging haar moeder ervoor staan. Gelukkig ging het altijd goed.
Kende u iemand bij het verzet?
“Mijn vader zat bij het verzet. Eigenlijk mocht ik dat niet weten, maar ik had het gehoord van mijn neef, die bij ons ondergedoken zat. Per ongeluk had hij zijn mond voorbij gepraat. Daar was mijn vader wel boos over natuurlijk. Vanaf het moment dat ik van het verzet wist hielp ik mijn vader altijd. Als hij naar Radio Oranje luisterde ging ik uit het zolderraampje hangen om onze buren in de gaten te houden, die lid waren van de NSB.”
Wat is uw ergste herinnering aan de oorlog?
“Op een nacht bombardeerden de geallieerden een paar fabrieken bij ons in de buurt, waarbij ook ons huis werd geraakt. We moesten allemaal meteen ons bed uit want ons huis stond op instorten. Buiten stonden we, in de nacht, zonder huis. De volgende dag hebben we al onze meubels uit het huis gehaald en ons hele huisraad op het Polluxplein neergezet. We wisten niet wat konden doen en waar we naartoe moesten. Gelukkig heeft een pastoor ons uiteindelijk kunnen helpen. Hij vond een woning voor ons in de Vegastraat, daar gingen we toen wonen.”
Heeft u honger gehad in de oorlog?
“Voor ons viel het nog mee omdat we wat extra eten kregen vanuit het verzet. Maar onze buren, die zes kinderen hadden, leden wel echt honger. Toen ik een keer met een emmer vol aardappelschillen naar buiten liep, vroeg de buurvrouw of zij die mocht hebben. Van de schillen ging ze soep koken.”






Simon van Blokland was vijf jaar toen de oorlog begon. Zijn vader had een smederij, waar hij al op vroege leeftijd meewerkte. Meneer Blokland vertelt over de Hongerwinter. We horen ook zijn indrukwekkende verhaal over de jacht van de Duitse politie op zwarthandelaren, waarbij het vierjarige meisje Annie Meijer om het leven kwam.
Mevrouw De Groot-Papegaaij is geboren in de Rapenburgerstraat, waar ze tijdens de oorlog ook naar school ging. Haar vader was Joods, haar moeder niet. Daardoor heeft haar vader de oorlog overleefd. Hoewel Anna de Groot-Papegaaij zelf niet Joods was, werd ze wel Joods opgevoed. In het begin droeg ze ook de ster, totdat haar moeder het te gevaarlijk vond. Toen moest ze ook naar een andere school. Voor mevrouw De Groot-Papegaaij was de oorlog een heel angstige tijd. Ze was altijd bang dat haar vader opgepakt zou worden. Ze zag haar familie verdwijnen. Een zus en een oom zijn ondergedoken, zij hebben de oorlog overleefd, maar de rest van de familie is omgekomen in Auschwitz en Sobibor.
e naar mijn vader en moeder natuurlijk, naar mijn gezin. Toen we op een gegeven moment weer naar huis mochten, waren we zo blij. We werden met een bakfiets naar huis gebracht. We kregen nog wat zakken met graan en andere etenswaren mee. Ik herinner me nog goed de grote blijdschap van mijn vader, toen hij ons zag aankwamen met de bakfiets.”
de Duit
sers. Wij stonden aan de zijkant van de Bijenkorf en ook daar werd geschoten. Mijn vader drukte mij naar beneden bij een van die hoge lichtmasten. Daar lagen we, terwijl het schieten doorging. Op een gegeven moment hield het schieten op. Ik zie nog die kinderwagen midden op de Dam. En er lagen schoenen, tassen en mensen op de grond. Uiteindelijk waren er volgens mij 23 doden. Ik ben opgestaan, heel erg bang en ben hard gaan lopen. Toen ik in de Beursstraat kwam, hoorde ik naast me: ‘ja, ik ben er ook!’ dat was mijn vader. Ik herinner me nog dat we samen naar huis liepen.”

keer zijn ze ook gekomen, maar toen is mijn vader van tevoren gewaarschuwd. Hij is ergens anders gaan slapen die nacht. Zo heeft hij de oorlog overleefd. Na de oorlog zijn mijn ouders weer getrouwd en werd ik geboren. Tijdens de oorlog hadden ze ook al een zoontje gekregen en later maakten we altijd het grapje dat we halfbroertjes waren, uit twee verschillende huwelijken.”