Archieven: Verhalen

‘Groot feest in de Ritakerk’

Het bombardement op de Ritakerk in Noord kan Annie Onderwater-Van Gogh zich nog goed herinneren. De kerk vol zat vol met feestelijk geklede mensen. En toen vielen de bommen.

Wanneer merkte u iets van de oorlog?
“Op 17 juli 1943 was er een groot feest in de Ritakerk, waar iedereen van mijn school naar toe ging. Ik had een prachtig jurkje aan en voelde me net een bruidje. Ineens hoorden we enorm lawaai en werd het helemaal donker. Overal om ons heen hingen grote stofwolken. De kloosterzuster riep dat we allemaal onder de banken moesten schuilen maar ik zat dichtbij de uitgang en ben snel naar buiten gerend. Naar huis. In onze straat was ook een bom gevallen. In de dakgoot van het huis hing een soldatenlaars. Ons huis stond nog overeind, maar was niet meer bewoonbaar.”

Heeft uw familie het bombardement overleefd?
“Ja, toen ik de hoek omliep, kwam mijn vader net aan. Samen liepen we naar het park, waar we mijn moeder en zusje weer zagen. Zij waren thuis geweest toen de bommen vielen. Mijn zusje zat aan de eettafel en mijn moeder op het toilet. Mijn moeder heeft toen snel mijn zusje bij zich geroepen in de wc. Een geluk, bleek later, want de eettafel lag helemaal onder de glasscherven. Na het bombardement lagen de straten vol met stenen en scherven. Als kinderen bouwden wij onze eigen huisjes met de stenen en speelden samen ‘vadertje en moedertje’.”

Heeft u last gehad van de Hongerwinter?
“Mijn moeder was toen hoogzwanger van mijn broertje en ging twee keer in de week op de fiets naar de boeren om eten voor ons te halen. Sommige kinderen uit de buurt werden bij boeren in de omgeving ondergebracht om aan te sterken. Mijn zusje en ik waren ook uitgekozen maar mijn vader wilde dat ik thuis bleef. Mijn zusje ging wel en woonde tot het einde van de oorlog bij een boer in Opdam.”

 

Archieven: Verhalen

‘Opeens vielen bommen in onze straat.’

Els Burger-Kroese was nog jong toen de bommen vielen op haar huis in de Spechtstraat. Met haar zusje en oma kroop ze onder de tafel om te schuilen.

Wat herinnert u zich van het bombardement op Noord in 1943?
“Het was zomer. Mijn moeder was weg, ze was naar Waterland om eten te halen en dus paste oma op. Opeens vielen bommen in onze straat. Oma, mijn zusje en ik kropen snel onder de tafel. We besloten dat de wc een nog veiligere plek was en sloten ons snel daar op. Er werd op de voordeur gebonsd. We kregen hem niet meer open, hij stond helemaal scheef. De deur werd ingetrapt en opeens stonden er mannen in overalls in ons huis. Het waren de mannen van de scheepswerf die iedereen in de buurt kwamen helpen om hun huis te verlaten. Buiten lag heel de straat in puin. Links en rechts van ons waren huizen ingestort. Ons huis net niet.”

Had u honger in de oorlog?
“Ik heb echt honger geleden tijdens de oorlog. Tegen het einde woog ik nog maar 9 kilo. Mijn moeder had ook een huishoudboekje met tips om zuinig te koken. Soep kon je volgens dat boekje dikker maken met een beetje stijfsel. Na de bevrijding werden voedselpakketten gedropt in weilanden. De burgerwacht moest ze uitdelen, maar sommige mensen gingen ook zelf op zoek. Mijn tante deed dat ook en gaf mij een keer een blik koekjes. Toen we de bevrijding vierden, gebruikten we die blikken als trommels bij de optocht.”

Draagt u veel herinneringen aan de oorlog bij u?
“Lange tijd had ik geen enkele herinnering over de Tweede Wereldoorlog. Pas in 1985, bij de 40-jarige herdenking, kwamen flarden terug. Vanwege die herdenking vlogen oude oorlogsvliegtuigen over Amsterdam-Noord. Bij het horen van dat geluid werd ik zo bang dat ik wegkroop in een hoekje en in mijn broek plaste. Ineens zag ik weer helder voor me hoe ik met oma en mijn zusje in huis zat en de Spechtstraat werd gebombardeerd.”

Archieven: Verhalen

‘Hij zag tot zijn schrik dat ook zijn eigen huis was getroffen door een bom’

Na het bombardement op de Ritakerk liep de 9-jarige Gerard Rebel met zijn broertje verdwaasd naar huis. Waar zijn andere broers en zussen waren, wist hij niet. In de Bremstraat zag hij tot zijn schrik dat ook zijn eigen huis was getroffen door een bom.

Wat herinnert u zich van het begin van de oorlog?
“Talloze Duitse bommenwerpers die over vlogen. Telkens ging het luchtalarm af en moest je snel naar binnen om te schuilen. Soms gebeurde dat midden in de nacht. Dan liepen we naar een buurvrouwtje onder ons. In onze pyjamaatjes zaten we bij haar onder de trap, want dat leek de veiligste plek.”

Heeft u het bombardement meegemaakt in 1943?
“Samen met mijn broers en zussen zat ik die dag in de Ritakerk om het 25-jarig bestaan van de kerk te vieren. Ineens ging het luchtalarm af. En meteen daarna werd het donker. Ik werd wakker, met mijn hoofd op een bank en begon te schreeuwen: ‘Ik ga dood, ik ga dood’. Struikelend over planken, stenen en misschien ook wel over mensen, ben ik naar buiten gegaan en huilend naar huis gelopen.

In de Bremstraat schrok ik enorm want hier waren ook bommen gevallen. De deur van ons huis stond half open, maar mijn moeder was er niet. Gelukkig kwam ze al snel aangelopen. Ze wilde een kopje thee voor ons maken om ons te troosten. Maar dat ging niet.”

Keerden uw andere broers en zussen ook weer terug?
“Mijn zus bleek gewond in het Wilhelminagasthuis te liggen. Mijn oudere broer kwam thuis met pijn aan zijn rug. Mijn moeder heeft toen glas en puin van een bed gehaald en hem erin gelegd. Vader nam mij mee naar de Eerste Hulp op de Wingerdweg. Maar ik kon niet worden geholpen, want ook dat gebouw was gebombardeerd. En iemand kwam vertellen dat een jongen op een brancard bij de Ritakerk naar mijn moeder had gevraagd. Bij de kerk trof mijn moeder mijn broer aan met wonden in zijn rug en hoofd en splinters in zijn lichaam. Pal voor hem was een bom gevallen en de kinderen die daar
hadden gezeten, waren dood.”

Archieven: Verhalen

‘Zij hebben ons nooit verraden. Maar toch ging het mis.’

In het huis van Henny de Kat-Belkmeer zaten Joodse onderduikers verscholen. De 13-jarige Henny wist helemaal niet dat het gevaarlijk was om onderduikers in huis te hebben. Ze maakte zelfs nog een fietstochtje met hen.

Kende u mensen bij het verzet?
“Mijn moeder zat bij het verzet en daarom kregen we wel zes onderduikers in huis. Op een avond, het was ergens in 1941 of 1942, belde een Joods echtpaar aan. Deze mensen waren ontsnapt uit kamp Westerbork en hadden via anderen onze naam doorgekregen. Ze vroegen of ze mochten blijven en dat mocht.”

Was het eng om onderduikers in huis te hebben?
“Eng vond ik het niet, al die onderduikers in huis. Met het Joodse echtpaar ben ik zelfs nog op de tandem naar familie van hen gefietst, helemaal van Noord naar de Helmersstraat. En de buren wisten ook wel dat wij Joden in huis hadden. Een buurvrouw die een keer boos op ons was, riep tegen mijn moeder: ‘Ik wil je Joden zien!’ Hoewel de buren dus op de hoogte waren, hebben zij ons nooit verraden. Maar het ging toch mis.
In 1944 werden de onderduikers en mijn moeder opgepakt. Ik was 15 jaar.”

Wat gebeurde er met uw moeder?
“Ze is eerst vastgezet op de Amstelveenseweg en van daaruit naar concentratiekamp Dachau gebracht. Samen met andere vrouwen uit dit kamp is ze aan het werk gezet in een munitiefabriek in München. Aan het einde van de oorlog kregen we bericht van het Rode Kruis dat mijn moeder nog leefde. Juli 1945 kwam ze thuis. Ze was zo mager, ze woog nog maar 45 kilo. We zijn er nooit helemaal achter gekomen wie ons heeft verraden. Waarschijnlijk was het een tante van een vriendin van mij. Na de oorlog heeft deze vrouw drie maanden in de gevangenis gezeten. Maar het is niet bewezen dat zij het ook echt heeft gedaan.”

Archieven: Verhalen

‘Het was een kleine buurt, dat door de Duitsers was aangewezen joods getto’

Ongeveer 300 joden moesten tijdens de oorlog naar getto Asterdorp verhuizen, ook Jacob met zijn ouders, zus en broer. Hij herinnert zich vooral zijn angst in de nacht, als er weer buren werden weggehaald.

Hoe kwam u in Asterdorp terecht?
“In april 1943 kwam er een NSB’er bij ons aan de deur. Wij woonden toen in Utrecht, in een smal straatje. De NSB’er wilde onze woning bekijken. Daarop zei hij: ‘Ik wil hier wonen en jullie gaan eruit’. En zo kwamen wij in Asterdorp terecht, mijn ouders, zus, broertje en ik. Het was een kleine buurt, dat door de Duitsers was aangewezen joods getto.”

Wat herinnert u zich van Asterdorp?
“We woonden in een klein huisje. Aan de overkant van het water stond de Fokkerfabriek, gecamoufleerd met doeken, zodat de geallieerden de fabriek vanuit de lucht niet konden zien. En ik herinner me van Asterdorp vooral hoe bang ik was. Wat zou de nacht ons nu weer brengen? Iedere nacht kwam de politie bewoners weghalen. Ze kregen vijf minuten de tijd om hun spullen te pakken en moesten dan mee. Eerst waren er nog zo’n driehonderd families in Asterdorp, maar elke dag werden dit er minder. Wij waren als laatste over en uiteindelijk moesten ook wij vertrekken.”

Wat gebeurde er met uw gezin?
“We werden weggevoerd naar kamp Westerbork. Ik herinner me van daar dat we nog samen Chanoeka vierden, een joods feest waarbij alle jongens samenkwamen en overal lichtjes waren. Maar ook dat we ons elke dag in rijen moesten opstellen en dan werden er mensen uitgepikt die naar concentratiekampen in Duitsland en Polen werden gebracht. Wij moesten naar concentratiekamp Bergen-Belsen, in veewagens van een goederentrein werden we weggebracht. Alle ouders moesten er werken, terwijl de kinderen in het kamp bleven. Iedere dag stonden we urenlang op een grote buitenplaats omdat de Nazi’s de mensen moesten tellen, in zomer of winter, zon of regen. Speelgoed was er niet. Wel kan ik mij herinneren dat een paar mensen in het kamp voor de jeugd zorgden. Zij zongen soms liedjes met ons. En ik had gelukkig ook vrienden in het kamp. Sommige van hen leven nog. Maar mijn vader overleefde het concentratiekamp niet, hij is aan voedselgebrek gestorven, net als vele anderen.”

Archieven: Verhalen

‘Niemand verwachtte dat je juist op die plek stiekem met wapens zou lopen’

In oorlogstijd speelde John Geelof als klein jongetje met zelfgemaakte voetballen van oude autoband, gevuld met proppen krantenpapier. En soms raakte hij als kind zijdelings betrokken bij het verzet, waar zijn vader actief in was.

Kende u iemand bij het verzet?
“Mijn vader zat in het verzet. Op een dag moest hij wapens brengen naar een verzetsstrijder in Haarlem en ik mocht mee. Hij nam mij met opzet mee: zodat hij minder verdacht zou overkomen. In een café naast het station, een plek waar ook veel Duitsers kwamen, had hij afgesproken. Niemand verwachtte dat je juist op die plek stiekem met wapens zou lopen. In de wc van het café heeft mijn vader zijn contact ontmoet en het pistool afgegeven. Later had hij er spijt van dat hij mij had meegenomen. Als er iets mis was gegaan, hadden ze ook mij opgepakt.”

Kende u ook Joodse kinderen?
“In de klas had ik een paar Joodse kinderen. Op een dag
vertelde de juf dat er iets ergs was, drie Joodse kinderen uit mijn klas mochten niet meer naar school komen. En mijn vader en opa hebben me een keer meegenomen naar de jodenbuurt bij het Waterlooplein, waar alle Joden bij elkaar moesten wonen. Vooraf had mijn vader gezegd dat ik goed moest opletten op wat ik zag. Het zag er triest uit. De Joden mochten de wijk niet uit, maar wij konden er wel in, tussen de afzettingen met prikkeldraad door.”

Heeft u over de pontenbrug gelopen?
“Ik heb er enkele keren overheen gelopen want er was geen andere verbinding naar de stad. De ponten lagen achter elkaar, met de laadkleppen op elkaar geplaatst en zo kon je er overheen. Door de beweging van het water verschoven die laadkleppen weleens. Dat was een raar gevoel, een beetje zoals van een roltrap stappen.”

Archieven: Verhalen

‘In ruil kreeg mijn moeder een half pond vlees mee’

Marty Jager was pas 1 jaar oud toen de oorlog uitbrak, maar toch heeft deze periode grote indruk op haar gemaakt.

Wanneer was u bang in de oorlog?
“’s Avonds als het aardedonker was. Van de Duitsers moest het ‘s avonds altijd helemaal donker zijn, de straatlantaarns waren uit en alle ramen van de huizen moesten elke avond worden geblindeerd, dus je kon dan helemaal niets zien op straat. Omdat het zo donker was, kon je ook het einde van onze kade niet zien en liep je dus zo het water in. In het water bij de Ranonkelkade is wel eens een lijk gevonden van iemand die in het water was gevallen.”

Had u honger tijdens de oorlog?
“Eens in de week ging mijn moeder ’s avonds naar het einde van de straat om iets af te leveren. Wat dat was weet ik niet, maar in ruil kreeg ze een half pond vlees mee. Zo hadden wij toch iets te eten. Een keer toen mijn oom bij ons bezoek was, moest mijn moeder weer weg. Maar ze kwam maar niet terug. Mijn oom en ik werden er hartstikke zenuwachtig van. Pas uren later dook ze op. Wat bleek? Het was zo donker geweest dat ze aan de muren en deuren moest voelen waar ze was in de straat en zo is ze haar oriëntatie kwijtgeraakt. Ons huis kon ze niet meer vinden.”

Heeft u bommen gehoord tijdens de oorlog?
“Niet het geluid van bommen, maar wel van de bommenwerpers. Pas veel later realiseerde ik me hoeveel indruk dat geluid op mij heeft gemaakt. Jaren later, in de bioscoop, werd ik zeer angstig bij het horen van bommenwerpers in een film. Ik herinnerde me dat geluid weer en de angst die ik daarbij voelde als kind.”

Archieven: Verhalen

‘We zagen een neergestort vliegtuig, in het Volewijkspark (nu Noorderpark), het stond nog in brand’

Al bijna 100 jaar is To van der Pol, maar haar angst voor de bombardementen kan ze zich nog goed herinneren.Net als de razzia’s in Nieuwendam, waarbij Joden en jonge mannen uit hun huizen werden gehaald.

Was u bang dat ze uw huis gingen bombarderen?
“Doodsbang. Vlak achter ons huis, aan de Beemsterstraat, stond het afweergeschut van de Duitsers. Elke nacht hoorden we de vliegtuigen van de Engelsen overkomen. Tommies noemden we hen. Als het luchtalarm afging, kroop ik diep onder de dekens, ook al wist ik dat dit me niet zou helpen. Pas als de Tommies voorbij waren gevlogen, konden we weer slapen.

Gelukkig is ons huis nooit geraakt.
En met mijn man moest ik een keer schuilen tijdens luchtalarm. Toen we later naar huis liepen zagen we in het Volewijkspark (nu Noorderpark) een neergestort vliegtuig, het stond nog in brand. Het was angstig om te zien. Met een boogje konden we er omheen lopen.”

Heeft u gezien dat er Joodse mensen werden opgepakt?
“In Nieuwendam waren wel eens razzia’s. Op een zaterdagochtend in alle vroegte kwamen de Duitsers onze wijk binnen. Ze waren op zoek naar Joden. Overal belden ze aan en haalden de bewoners uit hun bed. Daar gingen die mensen, met z’n allen in een rij aan een touw vast. Ik stond buiten en zag het gebeuren. Het was een heel naar gezicht. Ik wilde wel helpen, maar ik was bang dat ik dan zelf ook werd opgepakt. Wat moest je?”

Hoe vierde u de bevrijding?
“Het was vrijdagavond laat, we hadden net op onze knieën gebeden of er alsjeblieft geen bombardementen zouden komen die nacht, toen er werd aangebeld. Jemig, het was al 9 uur, wie kon dat nog zijn? Bleken het de buren die ons vertelden dat we waren bevrijd. We gingen meteen de deur uit, en ja hoor, op het Purmerplein was het feest, met trommels en vlaggen. Iedereen liep in de rondte. Maar het was ook nog erg gevaarlijk. De Duitsers hadden geen officieel bericht gehad dat de oorlog voorbij was, dus die waren er nog. Toen er een vliegtuig overkwam, dook iedereen snel weg.”

Archieven: Verhalen

‘Alle katten zijn aan het einde van de oorlog opgegeten’

Vanaf een hoog dak in de stad keek Wim Oostervink machteloos toe hoe Engelse bommenwerpers richting Noord vlogen. Kort daarna vielen bommen op de buurt waar zijn huis stond.

Woonden er Joden in Disteldorp die tijdens de oorlog werden opgepakt?
“Er woonden best wel wat Joodse gezinnen. Er was ook een gezin met wel 24 kinderen dat op een avond werd meegenomen. We zagen het gebeuren. Als de Joden waren weggehaald, werden al hun spullen op straat gegooid. De vloeren en deuren gebruikten mensen als brandhout. Maar als het huizen waren van de rijkere Joden, werden ze na het vertrek van de oorspronkelijke bewoners verzegeld en uiteindelijk leeggeroofd.”

Herinnert u zich het bombardement op Noord?
“Op die zaterdagmorgen stond ik op een dak aan de Prinsengracht, ik was loodgieter en was daar aan het werk. Plotseling hoorden we vliegtuigen aankomen. Het waren bommenwerpers van de Engelsen. Vanaf dat dak zag ik hoe ze Noord bombardeerden. Ik kon niet zien of Disteldorp ook werd geraakt. Bang ben ik meteen naar huis gegaan. Ik moest lopen, onze fietsen hadden we niet meer. Vanaf de pont liep ik door de Van der Pekstraat en ter hoogte van het Mosveld kon ik zien dat een hoekhuis van Disteldorp was geraakt. Het was ons huis. Ramen en dakpannen waren er niet meer. Ik schrok me dood. Mijn zusje en moeder waren thuis geweest tijdens het bombardement. Gelukkig leefden ze nog en mankeerden ze niks.”

Had u in de oorlog huisdieren?
“Wij hadden een kat. Maar alle katten zijn aan het einde van de oorlog opgegeten. Honden trouwens ook. Iedereen had zo’n honger. Onze kat hebben we niet gegeten, maar op een dag was hij wel verdwenen. Niet lang daarna rook ik zo’n heerlijke
baklucht bij de buren, echt de geur van gebakken vlees. Ik dacht: ‘Nu eten zij onze kat op.’”

Archieven: Verhalen

‘Elke dag over de pontenbrug’

Altijd speelden ze samen, Geesje de Vries en haar buurjongen Max. Op een dag was hij verdwenen. Pas een paar jaar geleden kwam Geesje erachter wat er met Max is gebeurd.

Liep u wel eens over de pontenbrug?
“Elke dag. Ik zat op de Mulo en had typelessen bij Schoevers in de Van Baerlestraat. Omdat er geen bussen en geen trams reden, moesten we vanuit Noord lopen naar Zuid. Ik herinner me dat ik één keer heel bang was, terwijl ik over de pontenbrug liep. Er was opeens heel veel lawaai boven ons hoofd en ik vreesde voor een bommenwerper. Maar gelukkig vielen er uiteindelijk geen bommen. Maar bang was ik wel.”

Heeft u meer enge dingen meegemaakt?
“Op een middag werd er aangebeld, ik deed de voordeur open en er stond een Nederlandse SS’er tegenover me, met een revolver op me gericht. ‘Waar is je vader?’ vroeg hij. Ik was doodsbang. Ik dacht dat mijn vader zou worden gearresteerd. Het bleek om mijn broertje te gaan. Hij zat vast in het politiebureau omdat hij met oudere vrienden een bootje van de Duitsers had gestolen en ermee het IJ op was gegaan. Gelukkig liep het uiteindelijk met een sisser af, werd mijn vader niet gearresteerd en kwam mijn broertje weer vrij.”

Kende u Joodse mensen in de oorlog?
“Ja, mijn Joodse buurjongen Max, Max Furth. Hij was mijn vriendje. We woonden allebei in de Spechtstraat, hij op nummer 19. Max was 14 jaar en ik 13. We speelden altijd samen. Ik vond hem heel lief en heel mooi. Op een dag miste ik Max, ik zag hem nergens. Een buurmeisje kwam naar me toe en zei me dat hij en zijn ouders ’s nachts waren weggehaald. Pas onlangs vond ik uit wat er met hem is gebeurd. Hij is op 27 oktober 1942 samen met zijn ouders in Auschwitz vermoord. Max werd 15 jaar. Mijn lieve vriendje.”

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892