Oorlog in mijn Buurt
‘ ſ 7,50 voor elke Jood die je aanbracht’
12 jaar), Dette, Roemer, Roukaya (11, Tess, Wisse, Zino ontmoeten Wanda Reisel over haar ouders 20 en 25 jaar toen de oorlog begon
Als de leerlingen van de Willem-Alexanderschool in Bergen de lerarenkamer binnenlopen, zit Gerrit Sijpheer (84) er al. Het is een sfeervolle kamer met uitzicht op het schoolplein en op veel groen. Otis, Serhii, Leah en Cato zijn een beetje laat en hebben daarom nog even geen tijd voor een kopje thee. Ze installeren zich aan de grote tafel en stellen de eerste vraag.
Wie was uw vader?
‘Mijn vader werkte bij het gemeentelijk energiebedrijf. Hij moest ervoor zorgen dat er elektra geleverd werd aan de Duitse bezetter. Toen iedereen moest evacueren, mochten wij blijven wonen waar we woonden. De rest werd weggestuurd om de soldaten te huisvesten vanwege het vliegveld en de Atlantikwall.
Mijn vader was een hotemetoot van het verzet. In onze kelder stond een stencilmachine waarmee een verzetskrant werd gedrukt. De vellen zaten op een rol en met de hand moest je draaien en stencilen. De krant heette de Waarheid en werd verspreid door heel Noord-Holland. 1800 exemplaren moesten er gedrukt worden… Daar waren vier mensen een hele dag mee bezig.’
Hadden jullie ook onderduikers in huis?
‘Wij hadden meerdere onderduikers in huis. Een van de onderduiksters was Hannie, een Joods meisje van 12 jaar. Mijn moeder verfde haar haar blond met waterstofperoxide zodat ze gewoon met ons buiten kon spelen. Ze werd mijn grote zus en zorgde ook voor mij, ik was pas vier jaar toen.
Ook kwam David bij ons wonen. David zat eerst ondergedoken met zijn familie boven een Duitse winkel bij de familie Vrasdonk, dat was heel gevaarlijk. Toen iedereen in Bergen moest evacueren, moesten de onderduikers natuurlijk ook mee. In een kar tussen alle spullen met een doek over zich heen zijn ze toen vertrokken met de familie Vrasdonk.
Maar David zat toen al twee jaar in dat kamertje boven de winkel. Ze mochten geen geluid maken en niet naar buiten. Hij werd mensenschuw, bang en ziek van narigheid omdat hij niet buiten kon spelen en stil moest zijn.
Mijn vader bood toen aan dat David bij ons zou komen wonen. En zo gebeurde het dat hij het laatste driekwart jaar van de oorlog bij ons woonde. Hij zag er heel Joods uit en kon daarom meestal niet naar buiten. Soms als we wisten dat er geen gevaar was, riepen we ‘Piet Kieviet’! En dan kwam David buiten spelen, we hadden hem een andere naam gegeven omdat David een Joods naam is.
Hij werd mijn grote broer. Mijn vader gaf hem blokjes hout waarmee hij ging jongleren en ons voorstellingen gaf. David oefende heel veel omdat hij zoveel binnen zat en werd daarin zo goed dat hij er een echte act van maakte. Later heeft hij hiermee over de hele wereld opgetreden.’
Waarom hielpen uw ouders onderduikers?
‘Wat doe je als mensen bij jou op de stoep staan voor hulp? Help je ze dan? Mijn ouders hadden ontdekt dat de Duitse bezetters mensen gingen vervolgen en Joodse mensen naar vernietigingskampen stuurden. Dat vonden mijn ouders verschrikkelijk en ze vonden dat ze moesten helpen en zich moesten verzetten.’
Heeft u ook bombardementen gezien?
‘Ik heb bombardementen gezien op het vliegveld. De Duitse soldaten hadden daar vliegtuigen staan waarmee ze probeerden de geallieerden uit de lucht te schieten. En de geallieerden lieten bommen vallen op de Duitse vliegtuigen op het vliegveld.
Naast het vliegveld waren volkstuintjes waar meneer Gieling, een vriend van ons, bezig was. Hij zag een Engelse bommenwerper laag overkomen en hij dacht: dat is wel erg dichtbij! Naast zijn tuintje was een groot gat en hij besloot daarin te springen. Inderdaad viel er vlakbij een bom. Maar al het zand dat door de bom in de lucht spoot, kwam in het gat terecht waarin hij gevlucht was.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.