‘Je had de gekste dingen in de oorlog, ik had bijvoorbeeld malaria’


Ruben, David, Jip, Lola en Melle vertellen het verhaal van Annie Stoop
Bergen

Annie Stoop (97 jaar) is een week eerder naar de Willem-Alexanderschool in Bergen gekomen om de kinderen te vertellen over haar jeugd tijdens de oorlog. Nu mogen Ruben, David, Jip, Lola en Melle haar zelf interviewen. Ze hebben allerlei vragen voor haar bedacht. Iedereen neemt plaats in het kantoor van de directrice van de school en de kinderen schenken lekkere koffie.

Waar woonde u in de oorlog?
‘We woonden op de Loudelsweg. Tegenover ons was een school die vol zat vol met Duitse soldaten. Aan de ene kant van ons woonden de SS‘ers en aan de andere kant was munitie opgeslagen. Daar woonden wij dus tussenin.’

Had u vriendjes?
‘Ik had veel vriendinnetjes. Thuis was ik alleen met mijn ouders want ik had geen broers en zussen. Maar naast ons en tegenover woonden gezinnen met kinderen. We speelden altijd samen buiten op straat: knikkeren, hinkelen touwtjespringen… dat was heerlijk!

Ik speelde ook veel met poppen en met mijn poppenwagen. Ik was zo trots op mijn poppenwagen. Maar mijn vader heeft hem in de oorlog geruild voor een kist aardappelen omdat er geen eten was. Ik vond het heel erg dat ik hem kwijt was.’

Veel mensen moesten evacueren uit Bergen, ook u moest weg. Hoe ging dat?
‘Op een dag kwam er iemand bij ons die zei: ‘Jullie moeten weg. Vanavond gaan ze bommen gooien en jullie wonen naast een munitiedepot.’ Toen zijn we met zijn drieën en andere buren op de fiets naar Krabbedam gegaan. Mijn moeder kon niet fietsen en zat bij de buurman voorop.

De volgende dag zagen we dat ze op het vliegveld alles lieten ontploffen. Het was een enorm lawaai. Dat was de dag dat de geallieerde landden: D-Day. Daarna moesten we allemaal weg uit Bergen. Wij zijn toen in Amsterdam-Noord terechtgekomen bij familie.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘Het was wel vrede, maar er was natuurlijk zoveel vernield. Er was nog niks, dus al het eten was nog op de bon. Er was geen huis gebouwd in de oorlog en er waren geen materialen. Heel West-Europa lag in puin.

Er was nog geen regering, het was allemaal nog een warboel eigenlijk. Je had dan wel de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten, dat waren mannen die in de ondergrondse gezeten hadden en nu een beetje soldaat waren geworden. Het was een samengeraapt zooitje in een blauwe overall met BS erop. Zij hebben de boel weer een beetje op orde gebracht.’

Is er iemand in uw familie overleden tijdens de oorlog?
Er was heel weinig medicatie en zorg en mensen waren heel erg verzwakt door gebrek aan eten. Daardoor werd iedereen ook sneller ziek. Er heerste difterie. Mijn nichtje van 17 jaar is eraan overleden. Nu zijn er genoeg medicijnen, maar in de oorlog was er bijna niets.

Je kreeg ook hele rare ziektes. Ik heb bijvoorbeeld malaria gehad, een tropische ziekte die hier nooit voorkomt. Je had de gekste dingen in de oorlog. Mijn vader is in maart 1946 overleden. Hij heeft het allemaal niet goed kunnen verwerken.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892