Archieven: Verhalen

‘De Binnenlandse Oorlog was erg eng, ze schoten over en weer’

Christiaan, Giliënca, Jeniva, Olvienio en Precious van de openbare school Wonoredjo in het noordoosten van Suriname interviewen Filia Prisiri (1952). Ze vertelt de kinderen veel over haar leven in Suriname.

Bent u hier geboren?
‘Ja, ik ben hier in het Suralcoziekenhuis geboren. Mijn vader werkte bij Suralco (een bauxietbedrijf, red.). Wij woonden daar waar de Ricanoubrug is. Mij is verteld dat toen mijn moeder zwanger was een van de leiders van de Suralco kwam kijken hoe mijn vader zijn werk deed. Deze man zag toen dat mijn moeder in verwachting was. De bevalling zou gewoon thuis geschieden, maar hij zei: ‘Nee hoor, ze moet naar het ziekenhuis’. Toen heeft hij gebeld, de ambulance is gekomen, en ik ben de gelukkige uit mijn gezin om hier in het ziekenhuis te zijn geboren. Dus ik ben geboren en getogen Moengonees.’

Hoe was het op school?
‘Eerst ging ik naar de Fred Murrayschool, maar je moest er wel boeken kopen. Mijn ouders hadden veel kinderen, dus op een gegeven moment hadden ze geen geld meer voor al die boeken. Gelukkig kwam hier de Wonoredjoschool, en kon ik er naar de derde klas.

Ik had niet altijd brood mee naar school en er was nog een ander meisje zonder brood in de klas. Maar ik had een hele lieve meester die aan ons gezicht kon zien dat we niet hadden gegeten. Op een dag toen de bel ging, zei hij: ‘Prisiri, jij moet binnen blijven’. En toen alle kinderen weg waren, vroeg hij: ‘Prisiri, je moet me eerlijk zeggen, heb je vandaag gegeten?’ Ik zei: ‘Nee, ik heb niet gegeten’. De volgende dag zei hij tegen het andere meisje: ‘Jij moet blijven’. Daarna kreeg zij de ene dag en ik kreeg de andere dag twee boterhammen van hem. Als zij ze kreeg deelde ze die met mij en als ik ze kreeg deelde ik met haar. Zo hebben we samen geleefd. We waren lief voor elkaar.’

Ging u met de bus naar school?
‘Nee, we gingen lopen en er waren ook kinderen die helemaal van Ricanao kwamen. Die kinderen moesten om 5 uur ‘s morgens opstaan. Om half 7 waren ze al bij Sin Kampo, te voet. Die hele groep kwam zingend naar school. We hadden geen licht en geen water, dus als we kwamen namen we flessen mee. En dan haalden we onderweg water. En ‘s avonds tegen 7 uur kwamen we met emmers water thuis. Maar het was voor mij normaal en het was een fijne tijd.’

Hoe was het in de Binnenlandse Oorlog?
‘Heel erg eng. Ze schoten, over en weer. Ik had al kinderen. Ze hebben een keer de hele dag van ’s morgens vroeg tot ‘s avonds laat geschoten. We hebben in mijn huis plat op onze buik gelegen, ik met al mijn kinderen naast mij, en we hebben de hele dag niet gegeten. Je was al bang om even naar de keuken te lopen. Na 7 uur was het stil. Dus we dachten: we gaan even naar de bakkerij verderop om wat te kopen. Toen begonnen ze weer te schieten. Er waren goten, dus lieten we ons vallen in die goten. Gelukkig hebben ze ons niet gezien. Als ze ons hadden gezien waren we dood geweest. Dat is wat ze deden, constant schieten over en weer. Het was eng, heel erg eng.

Op een middag kwam mijn tante met al haar kinderen bij ons, want ze schoten zo verschrikkelijk dat ze niet thuis konden blijven. We gingen die avond naar bed, maar om middernacht kwam mijn nicht naar me toe en zei: ‘De doro, de doro’ ik zei: ‘Wie?’, ze noemde de mannen van het Junglecommando. En ik hoorde meteen een klop op de deur. En ze kwamen met een geweer naar binnen. Ze gingen overal kijken, in mijn kamer waar me kinderen lagen… ‘Jullie hebben mensen hier’, zeiden ze. Ik antwoordde dat er niemand was. Ze zijn bijna anderhalf uur bij mij thuis gebleven. Het was heel laat toen ze weggingen. Maar je blijft met die angst. Je ziet zoveel geweren.’

Bent u in Moengo gebleven tijdens de oorlog?
‘Nee, ik ben naar de stad gegaan met mijn hele gezin want het werd te erg. Ik ben niet naar de Franse kant gegaan want ik dacht: als ik naar Frans-Guyana ga, dan kunnen mijn kinderen niet naar school. Dus in Paramaribo zijn mijn kinderen wel naar school gegaan. Maar na de Binnenlandse Oorlog ben ik teruggekomen naar Moengo, en ik ben gebleven tot nu toe. Mijn man werd opgeroepen om weer te werken bij de Suralco, dus toen ben ik teruggekomen.’

Archieven: Verhalen

‘In Paramaribo dacht ik alleen maar aan feesten en meisjes, ik leerde niet’

Shamiro, Sweetney, Naduelo, Digail en Jessaya van de openbare school Wonoredjo in Suriname interviewen Elmer Boëtius (1954). Meneer Boëtius woont in Nederland, maar hij komt elk jaar terug naar Moengo om zijn oude klasgenoten weer te ontmoeten en de sfeer van Suriname op te snuiven.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben in Moengo geboren en had er een mooie kindertijd. Ik heb twee broertjes en vier zusjes, ik ben de oudste. We woonden bij de watertoren. Eerst stond er een andere toren, tot deze kwam. Als kind was ik veel bij de rivier, daar heb ik vaak gespeeld.’

Op welke school heeft u gezeten?
‘Ik heb op de EBG-school gezeten, daarna ging ik naar de mulo, tot de derde klas. Daarop ging ik in Paramaribo naar de AMS en de havo. Maar in Paramaribo dacht ik alleen maar aan feesten en meisjes, ik leerde daardoor niet. Ik vertel eerlijk hoe ik was, maar zo moeten jullie het niet doen.

Meneer Venetiaan was mijn schoolhoofd en die heeft me een keer bij zich geroepen en zei ‘Meneer Boëtius, uw hoogste cijfer is op verzuim. U mag niet meer op school blijven.’ Dus toen ging ik terug naar Moengo om mijn diploma te halen, en dat is gelukkig gelukt. Venetiaan is pas overleden, hij was later ook president van het land.’

Had u strenge ouders?
‘Ja, ze waren heel streng, maar wel lief. Als ik naar een feestje ging, nam ik de brommer van mijn vader, maar eigenlijk mocht dat niet. Het was een brommer van het bedrijf Suralco. Mijn pa ging naar me op zoek met de auto en als hij me vond kreeg ik straf. Dan mocht ik twee weken nergens heengaan. Ik heb ook wel een pak slaag gehad. Als ik ging roken – en ze roken dat ik had gerookt – dan moesten mijn broertjes en zusjes me vasthouden en kreeg ik klappen op mijn mond.’

Waarom was de oorlog begonnen?
‘Ik weet het niet, ik was toen niet meer hier. Ik ben in 1974 naar Nederland gegaan, en de oorlog begon hier in 1986. Ik woon inmiddels al vijftig jaar in Nederland. Ik kom wel elk jaar terug want ik heb vrienden hier wonen. De familie Prisiri op de Bursideweg zijn vrienden. Gerrit Barron is een goede vriend, met hem heb ik op school gezeten, net als met Sjin Sjang Chien, van de winkel hierachter.’

Hoe was het in Nederland?
‘Toen was Suriname nog Nederland. Alle mensen in Suriname hadden een Nederlands paspoort. Nu is dat anders, als je nu naar Nederland gaat dan heb je een Surinaams paspoort. Daarmee kan je nu niet meer zomaar Nederland in komen. Ik ben destijds alleen, zonder mijn ouders, naar Nederland gegaan en bij een tante gaan wonen. Toen ik daar kwam, kon ik binnen twee maanden werk krijgen.

Nu ben ik met pensioen en heb ik veel vrije tijd. Ik pas op de kleinkinderen, dan lees ik voor uit boeken en ik speel met autootjes en poppetjes. En ik ga vaak naar Ajax. Bij elke wedstrijd zit ik in het stadion, en dan heb ik de Surinaamse vlag mee en die hou ik zo naar boven. Dus wanneer je op tv kijkt en je ziet een Surinaamse vlag, dan sta ik daarachter. Je ziet me niet, want de vlag zit voor mijn hoofd.’

Archieven: Verhalen

‘We gingen naar Stafdorp om sinaasappels te stelen’

Revinio, Kenlisha, Damiël, Ismaël en Ashantiwa van de openbare school Wonoredjo in het noordoosten van Suriname spreken met Tresna Pinas (1973). Mevrouw Pinas is bekend in Moengo omdat ze leerkracht is geweest op verschillende scholen.

Hoe was het in uw kindertijd?
‘Mijn kindertijd was heel leuk in Moengo. Ik kende bijna alle buurten en ging naar verschillende lessen, zoals blokfluitles en padvinderij. We klommen in manjabomen en gingen naar Stafdorp om sinaasappels te stelen bij de boerderij. In de avond gingen we honden plagen. Ik ging ook vanuit Bernharddorp naar Bursideweg om koeien te plagen of om vriendinnen van de school te bezoeken.’

Hoe was de oorlog in Moengo?
‘Het was niet leuk. We waren allemaal bang, omdat je vaak schoten hoorde. Ze hebben mensen doodgeschoten, mijn eigen familie ook. Elke ochtend als je opstond wist je niet wat er zou gebeuren. We dachten dat we dood zouden gaan. Op een gegeven moment zijn we gevlucht naar de Franse kant en daar waren we veilig. Anderen gingen naar Paramaribo en sommigen gingen naar familie in Commewijne. De Hindoestanen gingen ook naar Commewijne, anderen naar Nickerie.’

Naar welke school bent u gegaan?
‘Als kleuter zat ik op de Bambischool. Toen ik zes jaar was, ging ik naar de Fred Murrayschool en daarna naar de mulo. Toen begon de oorlog. Na de oorlog deed ik de opleiding voor Boslandakte, en ook de onderwijzersakte. Met de Boslandakte leerde je om in het binnenland les te gaan geven. Ik ben naar Wanhatti gegaan om te werken als leerkracht. En later ben ik schoolhoofd geworden op de Bambischool waar ik dus zelf ook als kleuter was geweest. Ook ben ik op de mulo schooljuffrouw geworden. Overal waar ik als kind ben geweest, ben ik later juffrouw geworden.’

Hoe was het op school vroeger?
‘Het was heel streng. Als je haar een beetje verfrummeld was, dan werd je naar huis gestuurd. Je was verplicht om kousen aan te trekken met elastiek om ze recht te houden. Als je geen kousen aanhad, dan werd je gezweept. Op de EBG-school moest je hemd netjes geknoopt zijn met vier knopen. En alle meisjes moesten strikjes in hun haar dragen. Het was echt streng. Als je een 5 had, kreeg je vijf slagen, want je moest op een 10 komen. Als je een 3 had, dan kreeg je nog zeven slagen. Maar als je flink was, dan werd je beloond. Ik was heel flink en ik was bijna elk jaar de beste van de klas, dus aan het eind van het jaar mocht ik verkeersbrigadier worden.’

Wat is een verkeersbrigadier?
‘Dat zijn schoolkinderen met een geel vest aan en in de hand een rond bord aan een stok. Als verkeersbrigadier moest je op straat bij het zebrapad de auto’s stoppen zodat kinderen konden oversteken. Als er heel veel kinderen stonden te wachten, liet ik met hulp van mijn bord de auto’s stoppen en dan vloot ik op mijn fluit, prrrrrrr, en zei ik: ‘Klaar over’, en dan konden de kinderen oversteken. En als ze waren overgestoken, floot ik weer, prrrrr, en dan mochten de auto’s weer rijden.’

Archieven: Verhalen

‘In Moengo leefden alle bevolkingsgroepen als broeders en zusters’

Jamil, Bilesa, Delivio, Michael en Chesron van de openbare school Wonoredjo in het noordoosten van Suriname interviewen Eric Nelstein (1967). Ze kennen meneer Nelstein al een beetje omdat hij een bekende voetbaltrainer is in Moengo.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben in de stad geboren. Ik woonde alleen bij mijn moeder, niemand keek naar mij om, en mijn moeder moest werken. Toen ik zeven jaar was, heeft mijn zus me bij mijn oma gebracht. Dus ik woon nu vijftig jaar in Moengo. Ik woonde bij mijn oma op Schiphol. Moengo was echt mooi. Je had er veel voetbalvelden, een basketbalveld, een zwembad en glijbaan, we hadden alles. Er woonden verschillende bevolkingsgroepen: Javanen, Hindoestanen, Stadscreolen, en we leefden als broer en zuster. De Boslandcreolen woonden in de omliggende dorpen.’

Naar welke school ging u?
‘Ik ben begonnen op de Fred Murrayschool. In de stad ging ik al naar de tweede klas, maar in Moengo moest ik weer opnieuw in de eerste beginnen want ik had geen rapport. Ik kon niet bewijzen dat ik al in de tweede zat. Maar ik ging niet naar school, ik bleef thuis. Ik had een paar vrienden en ik was ondeugend. Dus in de eerste ben ik blijven zitten, net als in de tweede. Toen ik naar de derde ging dacht ik: ik ga stoppen met dat kattenkwaad, en ging ik mijn best doen. Tot aan de zesde klas, daarna kon ik door naar lbgo.’

Wat voor werk heeft u gedaan?
‘Vanaf dat ik 13 jaar was, ben ik de jeugd gaan trainen bij voetbal, mijn eerste team was de Pele-boys. Ik had dertig jongens onder mijn leiding. Na een paar jaren startten we Spirit. Daarna ben ik even gestopt, want de Binnenlandse Oorlog was begonnen. Terug in Moengo startte ik met voetbalclub de Schorpioen. Nu werk ik voor de overheid, ik ben hier de coördinator van sportzaken. Dus ik regel scholencompetitie en slagbal voor de meisjes en voetbal voor de jongens. Basketbal gaat hier moeilijk want er is geen accommodatie. Het was er wel vroeger, maar ze hebben alles kapot gemaakt. Bij het basketbalveld is nu een danstent opgericht, zodat de kinderen meer gaan dansen.’

 

Archieven: Verhalen

‘We mochten alleen een uurtje in de middag spelen’

Supiyan, Clifiensa, Davinio, Sylvion en Jozua van de openbare school Wonoredjo in het noordoosten van Suriname interviewen Florence Hupsel (1945). Mevrouw Hupsel is in Paramaribo geboren, ze kwam naar Moengo toen ze 15 jaar oud was. De leerlingen hebben veel vragen gesteld over wat ze allemaal in Moengo heeft meegemaakt.

Waar bent u naar school gegaan?
‘Ik heb mijn lagere school gedaan op de Bernadetteschool in Paramaribo, Zorg en Hoop. Daarna ben ik naar de ulo gegaan, nu heet dat lbgo. Toen ik 15 jaar was, is mijn moeder naar Amerika verhuisd omdat ze voor de Amerikaanse ambassade kon werken. Ze is er meer dan vijftig jaar gebleven. Toen ze gepensioneerd was, kwam ze weer naar Suriname, een paar jaar later is ze overleden. Ik heb haar nooit in Amerika bezocht. Mijn vader heb ik nooit gekend, hij is vroeg overleden.’

Was uw kindertijd leuk?
‘Jullie hebben het beter. Wij mochten alleen maar van half 5 tot half 6 spelen. Zodra het een klein beetje donker begon te worden, moesten we al rennen om naar huis te gaan. Onze ouders riepen ons dan niet, we moesten uit onszelf terug om huiswerk te doen. Spelletjes die we speelden waren djompo futu, touwtje springen, djoel, kibri, en ik hield van knikkeren. Ik heb daar een keer een pak slaag voor gehad. We kregen buskaarten om naar school te gaan. En wat deed ik? Ik verkocht mijn buskaart om knikkers te kopen, en ging lopend naar school en weer terug.’

Hoe oud was u tijdens de Binnenlandse Oorlog?
‘Toen de Binnenlandse Oorlog begon was ik ongeveer 40 jaar, en ik woonde aan de Bursideweg met mijn kinderen. Veel winkels waren leeg of dicht, je moest dus naar de stad om inkopen te doen. Wij namen de bus er naartoe. Bij de Cotticabrug moesten we uitstappen want dan gingen militairen de bus onderzoeken. En op Stolkertsijver waren er weer militairen, want ze keken of Brunsie (de Surinaamse politicus Ronnie Brunswijk, red.) niet in de bus zat.’

Zag u de commando’s op straat in de oorlog?
‘Nee, geen commando’s. Op straat waren wel militairen, maar je zag ze niet want ze zaten in hun pantsers. Ze waren bang voor het Junglecommando. En als ze je verdachten van contacten met het Junglecommando, gingen ze extra op je letten. Ze verdachten bijvoorbeeld een man in Moengo hiervan. Deze man liep eens samen met twee vrouwen over straat. Toen de militairen hem zagen, schoten ze op hem, maar hij sprong over een muur. Een van die vrouwen met wie hij was, keerde zich om om te kijken wat er gebeurde en ving alle kogels op. Die andere vrouw brak haar hand omdat ze viel. Zo was het. Het was eng als je die militairen zag aankomen.’

Hoe was Moengo voor de Binnenlandse Oorlog?
‘Het was schoon en mooi want Suralco (een bauxietbedrijf, red.) was hier gevestigd. Alles werd netjes gehouden, er waren geen kapotte dingen. En er was een trein die met bauxiet reed. In Stafdorp kwamen alleen de hoge mensen van Suralco. Als je vader of moeder niet in de staf zat, dan mocht je Stafdorp niet binnen. Wachters hielden de boel in de gaten. Als zij je toch zagen, dan werd je vader opgeroepen. ‘We hebben je zoon gepakt’, zeiden ze dan. Kinderen gingen er graag heen omdat er veel vruchtbomen waren. Dan gingen ze loeren tot de wachter er niet was, en dan konden ze ‘boren tu du wan sani’ (erin gaan om kattenkwaad uit te halen).’

Archieven: Verhalen

‘Toen de knallen kwamen, zijn we onder de tafel gaan zitten’

De interviewers Riham, Trijntje en Soujoud uit groep 7 van basisschool de Kinderboom uit Amsterdam-Noord gaan met de auto naar Els Burger (1941) die opgroeide in de Spechtstraat. Het is heel bijzonder om alle spullen te zien die mevrouw Burger nog uit die tijd heeft. Behalve foto’s, voedselbonnen en een granaat, is er zeep en zelfs een blik smeerkaas bewaard gebleven!

Hoe zorgde uw moeder voor eten?
‘In het begin ging dat nog wel. Mijn vader moest in 1942 naar Duitsland om te gaan werken, dus bleef mijn moeder over met mij, een kleine baby, en mijn oudere zus. Mijn opa had ook een volkstuintje, dus daar konden we ook nog weleens iets vandaan halen. Mijn moeder fietste ook vaak naar Broek en Waterland om eten te halen bij de boeren. Natuurlijk ging dat de ene keer beter dan de andere en aan het einde van de oorlog werd dat lastiger. Tijdens de Hongerwinter was er natuurlijk vrijwel niks meer in Amsterdam. Mijn opa had een huisje bij zijn volkstuintje, dus toen er bombardementen waren in Amsterdam Noord, sliepen we daar weleens. Ik kan me nog heel goed herinneren hoe erg dat naar teer rook, want daarmee smeerde hij het hout in.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Dat was natuurlijk verschrikkelijk. We aten weleens bloembollen, dat was echt verschrikkelijk vies. En gelukkig soms iets van het volkstuintje, maar dat was te weinig.  Uiteindelijk zijn we naar Groningen gegaan, naar iemand waarmee mijn vader ook in Duitsland aan het werk was. Die had gezegd dat we daar naartoe mochten komen, en zo eindigde ik dus in Blijham. Daar was gelukkig eten genoeg en daar zijn we uiteindelijk gebleven tot na de oorlog, om aan te sterken. Ik kan me de treinreis naar Groningen nog goed herinneren. We hadden zes uur in de trein gezeten, toen we er plots uit moesten, omdat ze dachten dat de trein gebombardeerd zou worden. Er vlogen vliegtuigen van de Engelsen en Amerikanen over, want die waren toen al bezig met bombardementen in Duitsland. Dus toen hebben we naast de spoorbaan in een weiland gelegen, totdat het over was. Uiteindelijk zijn we veilig in Groningen aangekomen.’

Heeft uw familie de oorlog overleefd?
‘Ja, allemaal gelukkig! Maar er werd na de oorlog nooit over de oorlog gepraat, zowel door mijn vader als mijn moeder niet. In Amsterdam-Noord zijn er ook veel bombardementen geweest, rondom de Fokkerfabriek en ook in de Spechtstraat. Toen de Rosakerk werd gebombardeerd, waren mijn zusje en ik thuis met mijn oma, mijn moeder was groenten halen bij de boer. Toen de knallen kwamen, zijn we onder de tafel gaan zitten, en naar de wc gekropen, want dat was het kleinste, maar ook het veiligste kamertje in huis. Er werd hard op de deur gebonsd en we dachten dat het soldaten waren, maar het waren mensen van de fabriek, die ons eigenlijk kwamen helpen.’

Hoe was het op school tijdens de oorlog?
‘Wij zaten in een hele grote klas, met maar liefst vijftig leerlingen en één juf. Ik ging al heel erg vroeg naar de kleuterschool. Op deze foto  was ik degene met die grote strik! Maar veel klasgenootjes kijken heel erg verdrietig omdat alle vaders aan het werk waren, we honger hadden en onze moeders verdrietig waren.’

Ging uw vader ook werken in Duitsland?
‘Ja, mijn vader moest ook verplicht in Duitsland werken, bij de munitiefabriek. Aan het begin van de oorlog mocht hij soms nog op bezoek komen thuis. Maar als hij ging, dan moest mijn oom, die ook in de fabriek werkte, altijd blijven, hierdoor moesten ze altijd terugkomen. Mijn moeder vertelde later dat als hij dan eventjes thuis mocht komen, dat ze dan alleen maar achter de naaimachine zat om jasjes te maken van dekens. Het werd in de winter extreem koud, dus maakte ze jasjes voor de Russische kinderen die ook moesten werken in de fabriek. Er waren ook bombardementen op het kamp waar ze waren, dus het was helemaal niet fijn dat mijn vader in Duitsland moest werken. Aan het einde van de oorlog mocht mijn vader helemaal niet meer terug.’

 

Archieven: Verhalen

‘Na het bombardement op het Japanse interneringskamp had mijn moeder niets meer’

Frank van Oortmerssen (1951) wordt warm ontvangen op basisschool De Schelp in Eindhoven. In de koffiekamer kan hij zijn spulletjes uitstallen: een blikje, keurig opgevouwen tekeningen, stukjes batik, een wajangpop, een fotoboek en een met de handgesneden beeldje. Adem, Angelena, Lars en Sofia schuiven nieuwsgierig aan. De kinderen zijn goed voorbereid, hun vragen voor meneer Van Oortmerssen hebben ze al keurig op papier gezet.

Waar bent u geboren?
‘Mijn ouders verhuisden in de jaren dertig naar Nederlands-Indië, nu Indonesië. Ik ben geboren in Jakarta en ik ben bijna 74. Vroeger heette Jakarta ‘Batavia’. Mijn ouders kwamen uit Nederland. Mijn vader werkte eerst bij een handelsbedrijf en werd later opgeleid tot KNIL-officier (het Nederlandse leger daar). Ze woonden op Celebes, het huidige Sulawesi. In Europa waren de Duitsers de bezetter; in het Verre Oosten, dus ook in Indonesië, waren dat de Japanners. Japan won, en daardoor kwamen mijn ouders in kampen terecht: de Japanse interneringskampen. Na de oorlog bleven ze nog. Mijn vader was militair, en er brak opnieuw oorlog uit omdat Indonesië zijn eigen vrijheid en bestuur opeiste. Toen werd het Indonesië en heette het geen Nederlands-Indië meer. Er moest nog kennis en materieel worden overgedragen, dus mijn ouders bleven nog even. Zo ben ik in Jakarta geboren.’

Hoe zag Nederlands-Indië eruit?
‘Mensen noemen het weleens het paradijs op aarde: zo groen, zoveel natuur, oerwouden. In die tijd was het nog niet volgebouwd, echt schitterend. Maar tijdens de Japanse bezetting is er veel verwoest. Kort na de oorlog lag er veel in puin. Kijk, zo zagen de Japanners eruit. Dit was hun aanvalsvlag en uniform. Ze riepen ‘Banzai’ en waren vechtersbazen. Mijn vader vocht tegen hen. Hij is gelukkig niet gedood, maar wel in interneringskampen beland. Hij mocht een paar spulletjes meenemen, dat was alles.’ Meneer Van Oortmerssen slaat een boek open en laat de kinderen de Japanse militairen zien.

Wat hebben uw ouders meegemaakt in de oorlog?
‘Mijn vader vocht eerst tegen de Japanners en werd toen gevangengenomen. Hij ging van kamp naar kamp en moest dwangarbeid doen in Japan, dat was zwaar werk in kolenmijnen of op een scheepswerf. Ze werden met een vrachtboot vervoerd, met honderden in het ruim. Een Amerikaanse onderzeeboot dacht dat het een Japans oorlogsschip was en schoot een torpedo af. Mijn vader was een van de weinigen die het overleefde. Tegen het einde van de oorlog vielen er twee atoombommen op Japan. Mijn vader zat bij Hiroshima in een kamp, maar werd vlak daarvoor overgeplaatst naar een kamp in China. Daar bevrijdden de Amerikanen hem, en vandaar ging hij terug naar Nederlands-Indië. Hij was vel over been.

Mijn moeder maakte ook vreselijke dingen mee. De Amerikanen dachten dat het kamp waar zij zat van het leger was, en bombardeerden het. Kinderen zagen zilveren dingetjes vallen, ze dachten aan zilverfolie van chocola, maar het waren brandbommen!’ Meneer Van Oortmerssen toont een blikje. ‘Wat is dit?’, vraagt hij. ‘Een chocoladeblikje?’, zegt een van de kinderen. ‘Dat klopt, maar het is een trommeltje met een verhaal. Na het bombardement op het kamp had mijn moeder, behalve de kleren die ze aan had, niets meer. Het blikje was het enige dat ze nog had met daarin wat foto’s van haar ouders, foto’s van mijn vader en moeder, en een paspoort. Ze nam het mee, stond buiten en zei: ‘Ik leef nog en ben dankbaar’. Dat trommeltje heeft dus een bijzonder verhaal.’

Merkte u als kind iets van wat uw ouders hebben meegemaakt?
‘Goede vraag. Ja. Ze probeerden van niet, maar juist omdat ze er niet over wílden praten, voelde ik: wat is er toch? Durven jullie het er niet over te hebben? Dat is bij mijn generatie vaker zo geweest. Ondanks verdriet en angsten wilden ze ons kinderen een zo goed mogelijk leven geven.

Eén keer merkte ik het duidelijk. We woonden in Den Haag, ik was een jaar of zes. Er vloog laag een sportvliegtuigje over, met zo’n reclamebanner. Veel herrie van de motor. Mijn moeder greep me vast en drukte ons tegen de muur van de flat om me te beschermen. Pas na veel doorvragen vertelde ze waarom: nog steeds was ze bang voor vliegtuigen door de bombardementen en schietsalvo’s die ze had meegemaakt. Dat motortje klonk net zo. Toen begreep ik hoeveel er speelde en hoe diep haar angst zat.

‘Moeten jullie thuis je bordje leegeten?’, vraagt meneer Van Oortmerssen. ‘Ja’, zeggen alle kinderen. ‘Bij ons thuis ook’, zegt hij. ‘Mijn moeder was zuinig en gooide niets zomaar weg. Ouders van wie veel is afgenomen, vertelden vaak weinig, misschien om zichzelf te sparen, misschien om het ons niet moeilijk te maken.’

Archieven: Verhalen

‘In het kindertehuis voor blinden en slechtzienden had ik veel heimwee’

Op een koude herfstdag gaan Jae, Pranav en Abdulkadir van basisschool De Schelp in Eindhoven op bezoek bij Charlotte Johann (1946). In haar gezellige appartement met veel batik aan de muren, bloemen en muziekinstrumenten interviewen ze haar over haar jeugd in Surabaya, de bootreis naar Nederland in 1952 toen ze 6 jaar oud was, en haar jeugd in Nederland.

Wat was er met uw oog gebeurd?
‘Ik ben geboren met staar, en ik ben daaraan in Indonesië geopereerd toen ik twee jaar oud was. Maar in die tijd waren de artsen nog niet zo ver; de operatie mislukte en ik werd bijna blind. Toen ik zes jaar oud was hebben mijn ouders mij met de boot naar Nederland gestuurd voor een nieuwe operatie in Utrecht. Daardoor kan ik toch nog 10 procent zien met één oog, en heb ik mijn lagere en middelbare school kunnen doen in het bijzonder onderwijs. Ik kan lezen met een leeshulp: een camera die de letters van een boek uitvergroot op een computerscherm.’

Welke spullen heeft u meegenomen op de boot?
‘Hier achter mij staat de koffer waar mijn spullen in zaten. Mijn moeder heeft warme wollen kleren meegegeven, omdat ze wist dat het in Nederland veel kouder was dan in Indonesië. De lijst met kledingstukken heb ik nog bewaard bij de koffer. Ook zat er een envelop bij, waar geld in zat voor de overtocht. Ik reisde met vreemde mensen die ik niet kende, maar omdat ik alleen was, heel jong en ook nog bijna blind waren de andere reizigers heel aardig voor mij. Er werd op de boot veel voor kinderen gedaan: poppenkast, toneel, muziek, knutselen. En ik zwierf veel in mijn eentje rond op de boot. Ik werd erg verwend met snoep en koek en mocht bij veel mensen op schoot. Maar soms had ik wel heimwee, vooral toen het stormde op de Middellandse Zee en toen ik bij aankomst in Nederland door vreemde mensen meegenomen werd naar het ziekenhuis in Utrecht.’

Heeft u vrienden gemaakt in uw kindertehuis?
‘Ja hoor, ik had vijf goede vriendinnen, we waren in een groep van ongeveer dertig kinderen van allerlei leeftijden. Ik was het enig Indische kind daar dus ik hield me meestal wel rustig, maar ik haalde ook wel kattenkwaad uit. Mijn ouders kwamen een half jaar na mij naar Nederland. We hebben nog een tijdje in barakken gewoond in die koude winter van 1953, maar uiteindelijk ging ik naar dat kindertehuis voor blinden en slechtzienden. Ik had daar wel veel heimwee. Echt leuk heb ik het er niet gevonden, maar er werd wel veel gedaan aan muziek en sport. Het werden echte hobby’s van mij: muziek maken, toneel, zingen.’

Heeft u nog herinneringen aan Surabaya?
‘Ik kan me de geuren nog goed herinneren van allerlei soorten fruit: de djamboe, een soort grote appel, de salak, een grote stekelvrucht, en we hadden bananen en kokosnoten in onze tuin. We hadden geluk, want we woonden in een groot huis in Surabaya met een grote tuin en veel fruitbomen. Er waren ook kippen die met twintigen in een ren zaten met een haan erbij, en duiven, en een oude poes, Miesje, en een oude Duitse herder. Ik mocht overal rondzwerven.

Later ben ik nog wel eens terug geweest naar Indonesië, in 2003. Je zit heel lang in het vliegtuig en je moet er lang voor sparen. Maar ik wil nu niet meer terug. Het is heel moeilijk om daar te wonen en te werken, in Nederland is alles veel gemakkelijker. Ik spreek maar een paar woorden Indonesisch, en ook vroeger spraken we thuis altijd Nederlands. Dat ging zo in de koloniale tijd, we moesten Nederlands praten.’

 

Archieven: Verhalen

‘In het kamp kregen we stijfsel te eten, waarmee je behang op de muren plakt’

Rachit, Elina en Dominique worden hartelijk ontvangen door Anton Stephan (1933). Hij staat al te wachten bij de deur als de leerlingen van basisschool De Schelp in Eindhoven aankomen. Ook de kat is blij dat ze er zijn en laat zich lekker verwennen door de kinderen. Foto’s van zijn ouders hangen aan de muur. De 91-jarige Anton Stephan is geboren in Bandoeng in Indonesië. In 1946 kwam hij op 13-jarige leeftijd voor de eerste keer naar Nederland nadat hij eerst in een Jappenkamp en daarna in een Bersiapkamp had gezeten. Na een tijd in Suriname te hebben gewoond, kwam hij weer naar Nederland om nooit meer weg te gaan.

Hoe vond u het Japanse kamp?
‘Dat was niet fijn, maar ik was gelukkig nog jong. De Japanners wilden alle witte mensen het land uit hebben. Ze hielden ons gevangen in kampen en zorgden slecht voor ons. Eerst moesten we met meerdere gezinnen, alleen vrouwen en kinderen, in woningen in een deel van de stad wonen, met prikkeldraad eromheen. Daarna werden we verplaatst naar scholen en werden de vrouwen en kinderen gescheiden. We moesten steeds kleiner gaan wonen. Mijn oma was ook mee en zij is in het kamp overleden.

De oudere mannen die niet konden werken, sliepen met de kinderen in de lokalen. Er lagen wel 45 kinderen in een lokaal. Als kinderen gingen we niet naar school. Vanaf 10 jaar moest je mee werken en helpen het kamp op orde te houden. Toen ik terugkwam in Nederland had ik vier jaar school gemist en zat ik met veel jongere kinderen in de klas. Dat vond ik niet leuk, na school was ik daarom altijd aan het leren om mijn achterstand in te halen, ik kon niet gaan spelen. Dat heb ik wel gemist. Ik had toen nóg geen normaal leven.’

Wat aten jullie in het kamp?
‘In het kamp kregen we heel slecht te eten. In de ochtend kregen we stijfsel te eten, waarmee je normaal behang op de muren plakt, met een beetje rijst erdoor. In de middag weer een handje rijst en ’s avonds rijst met een heel klein beetje groente. We kregen veel te weinig te eten en daardoor werden heel veel mensen ziek. We mochten niet naar de dokter, we moesten elkaar helpen met wat er was. In het kamp moesten we alles zelf doen. Ik moest met de jongens van mijn leeftijd de toiletten schoonmaken en het land bewerken.’

Waarom vond u het niet leuk in Haarlem?
‘Toen we weg mochten uit het kamp, werden we naar Nederland gebracht. We kwamen in Haarlem wonen nadat ook in Nederland de oorlog net afgelopen was. We leefden in pensions waar ook voor ons werd gekookt. Alles was op de bon en iedereen had honger. De mensen uit de kampen waren extra verzwakt en moesten aansterken en daarom kregen we een dubbele portie bonnen. Het pension nam onze bonnen in, maar gaf ons er niet dezelfde hoeveelheid eten voor terug. We hadden geen eigen plek. We hebben op verschillende plaatsen gewoond en zijn daarna naar Suriname vertrokken.’

Archieven: Verhalen

‘Soms werd ik toegelaten in de discotheek in Eindhoven, soms niet’

Het is even zoeken, maar dan bellen Safouane, Kadriye en Adi van basisschool De Schelp uit Eindhoven aan bij Winston Gibbes (1951). Gastvrij doet hij de deur open en leidt ze rond in zijn bungalow met een mooie patio. De kinderen kijken hun ogen uit en gaan aan de grote ronde tafel zitten, klaar om hun vragen te stellen. Na afloop krijgen ze een zakje chips, waar ze ontzettend blij mee zijn. Ze vinden het erg gezellig bij meneer Gibbes. Hij was 22 jaar toen hij uit Curaçao naar Eindhoven kwam om te studeren.

Hoe bent u opgevoed?
‘Ik had fijne ouders en groeide op in een gezin met vijf broers en twee zussen. Mijn moeder was een vooruitstrevende vrouw. Ze leerde ons respect te hebben voor meisjes en gaf ons ook voorlichting. Ze zei altijd tegen mij en mijn broers: ‘Jullie mogen niet doen wat ik mijn dochters niet wil laten overkomen’.

Op zondagen kookte ze niet, want ze vond dat iedereen moest leren koken. Daar ben ik haar nog altijd dankbaar voor. Dankzij haar hebben al haar kinderen leren koken en het lekkerste eten is dat wat je zelf maakt, precies naar je eigen smaak. Ik kookte vaak rijst, nasi en karbonade, en ik hou nog steeds veel van groente.’

Wat maakte u mee op school?
‘De witte onderwijzers dwongen ons om Nederlands te spreken. Papiaments onderling praten was verboden, als je dat toch deed, kon je zelfs van school gestuurd worden. Soms kregen we slagen, ook de meisjes. Maar mijn vader had de onderwijzers gewaarschuwd dat hij dat niet zou tolereren. ‘Aan mijn kinderen kom je niet’, zei hij tegen hen.

Ik maakte daar ook handig gebruik van. Als iemand iets deed in de klas en niemand wilde diegene verraden, kreeg de hele klas straf. Ik weigerde dan het strafwerk te maken. Ik had mijn vader achter me staan.’

Hoe was de begintijd Nederland?
‘Na de hbs wilde ik verder studeren, en dat kon in Nederland. Ik koos voor Eindhoven en ging naar de heao, richting economie. Ik had geluk dat ik in een fijne groep terechtkwam, ze maakten me wegwijs. Veel van hen kwamen ook van de Antillen, en het was een gezellige, warme club mensen.

Er was een discotheek waar ik vaak naartoe ging die we ‘het huwelijksbureau’ noemden. Soms werd ik toegelaten, soms niet. Witte mensen mochten altijd naar binnen. Ik besloot principieel te zijn en ging er uiteindelijk niet meer heen. Voor mij draait vriendschap niet om wat je hebt of wat je bereikt hebt, maar om wie je als mens bent. Ik wil dat mensen openstaan voor de persoon die je werkelijk bent, niet voor je opleiding of hoe mooi je leven is.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892