Archieven: Verhalen

Mijn vader schreef: ‘Marie, ik leef nog. Verbrand dit briefje meteen.’

Carmen Rosendaal (1961) staat al in de deuropening als de kinderen de lift uitlopen. Ze vindt het gezellig dat Bobbi, Jacob en André van basisschool De Talisman in Eindhoven haar vragen komen stellen over haar jeugd. Ze woont op de negende verdieping. Vanuit haar ruime, lichte huis kijken ze uit over de hele stad en proberen ze de Gerarduskerk te vinden, die naast hun school staat. Mevrouw Rosendaal heeft veel te vertellen. Ze is geboren in Indonesië, maar heeft ook in Suriname gewoond. Op haar vijftiende kwam ze naar Nederland. Haar vader was een Surinaams-Nederlandse KNIL-militair.

Wat kunt u nog herinneren van de tijd in Indonesië?
‘Ik ben geboren in de Bersiap-periode (het gewelddadige begin van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, red.). Ik was nog maar anderhalf jaar oud, maar heb toch angst ervaren. Die onrust zat overal. Het kwam door groepen Indonesiërs, ook wel ‘ploppers’ genoemd, die vonden dat wij weg moesten. Mijn vader was militair in het Nederlandse leger en had eerst veel vrienden, maar ineens werden dat vijanden.

We woonden in een huis op palen, met schelpenzand eronder en eromheen. Mijn moeder hoorde vaak geluiden. Dan pakte ze ons snel op en bracht ons naar een schuilplek in huis. Het was een onveilige tijd. Ook al ben je zo jong, je voelt dat. Op foto’s zie je het ook terug: ik had een angstige blik, was bang voor alles en iedereen. Die spanning maakte ik voortdurend mee. Daardoor kan ik me nu ook goed voorstellen wat kinderen in oorlogssituaties voelen als ze moeten vluchten en alles achterlaten.

Op een dag zei mijn vader tegen de overheid dat zijn gezin met spoed naar Nederland moest. Binnen een week vertrokken we met het vliegtuig. De reis duurde drie dagen. Zo zijn we in Nederland aangekomen. Mijn moeder was toen in verwachting. We gingen eerst bij mijn oma wonen, in de Hofstraat in Tongelre, hier in Eindhoven. Later werden we weer naar Suriname gestuurd.’

Is er een verhaal wat u is bijgebleven?
‘Mijn vader werd tijdens de oorlog krijgsgevangen genomen. Hij zat op een eiland in een Japans kamp. Hij was pelotonscommandant. Op een gegeven moment kreeg hij hulp van mensen uit een kampong; een klein afgeschermd inheems dorpje, om hem te helpen ontsnappen.

Ze regelden een kleine boot en gaven hem wat voedsel en drinken mee. Mijn vader vroeg anderen om mee te gaan, maar niet iedereen durfde. “We weten niet waar we naartoe gaan”, zei hij tegen ze. Uiteindelijk gingen er een paar mee, maar gaandeweg bleef hij alleen over. Hij heeft bijna een maand min één dag op zee gezworven. Hoe hij dat heeft overleefd, heeft hij ons nooit echt verteld, maar het moet een zware en eenzame tocht zijn geweest. Uiteindelijk werd hij gevonden door Indonesische vissers die hem hebben verzorgd en weer op de been geholpen.

Na zijn herstel schreef mijn vader een briefje aan mijn moeder: ‘Marie, ik leef nog. Verbrand dit briefje meteen.’ Hij had een donkere huid en een zwarte baard, waardoor hij niet direct als Nederlandse militair werd herkend. Dat hielp hem om onder te duiken. Gelukkig vond hij zijn weg terug naar mijn moeder en samen probeerden ze een nieuw bestaan op te bouwen. Ze bakten pindakoekjes en verkochten die in een Chinese winkel. De koekjes noemden ze ‘Pinas-koekjes’ naar onze achternaam.’

Heeft uw Surinaamse familie slavernij meegemaakt?
‘Mijn overgrootvader was tot slaaf gemaakt. Wat bijzonder is, is dat hij later zelf een plantage bezat. We kregen ooit een foto van zijn graf, een heel mooi graf, en iemand zei: ‘Dat kan niet kloppen, hij was toch slaaf?’ Als kind kende ik dat graf al, maar later bleek dat er een bijzonder verhaal achter zat. Ondanks het gruwelijke leven dat overgrootvader had, vond hij tijd om houtsnijwerk te maken. Toen kwamen de Hernhutters naar Suriname, protestantse zendelingen uit Duitsland. Zij hebben veel betekend op het gebied van onderwijs, opvoeding en geloof.

Mijn overgrootvader kwam met hen in contact. Hij werd door hen geholpen en groeide uiteindelijk uit tot voorganger binnen de Evangelische Broedergemeente. Hij doopte en trouwde mensen.

Dankzij die ontwikkeling kon hij een eigen plantage kopen, een houtplantage, zo groot als Nuenen. Mijn dochter heeft dit familieverhaal verder uitgezocht. Dat kan je lezen op onze familiewebsite  Pinas Roots.’

Archieven: Verhalen

‘In het begin was het wennen, het weer en de cultuur waren anders’

Jip, Bobbie en Annelore van basisschool De Talisman in Eindhoven gaan op bezoek bij Henk Bhawanidin. Hij is geboren in 1956 in Paramaribo, Suriname. Zijn voorouders, Hindoestanen, werden vanuit India naar Suriname gebracht om op het land te werken. Dit gebeurde nadat de slavernij in 1863 was afgeschaft en er vanaf 1873 nieuwe arbeiders nodig waren. Zij werkten als contractarbeiders. Suriname was een vruchtbaar land waar de landbouw sterk groeide. Vooral suikerriet, goud en bauxiet waren van groot belang. Meneer Bhawanidin groeide op in een gezin zonder armoede, zijn vader was goudsmid.

Op zijn 22ste verhuisde hij naar Nederland. Zijn familie woonde daar al en bovendien waren er meer ontwikkelkansen dan in Suriname. Toch was het niet zijn eerste keuze om te vertrekken.

Hoe was het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Ik kijk met een warm gevoel terug op mijn jeugd in Suriname. Ik speelde veel buiten met andere kinderen en haalde ook wel kattenkwaad uit. We hadden niet veel speelgoed, dus we maakten het zelf, van een autoband of een fietsvelg bijvoorbeeld. Ik voetbalde vaak met mijn vrienden en zelfs als het regende, bleven we buiten. Het was altijd warm, wat het buiten zijn extra fijn maakte.

Suriname was in 1954, twee jaar voordat ik werd geboren, veranderd van kolonie naar een gelijkwaardig deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Er was welvaart door de landbouw. De Nederlandse soldaten gingen goed met de bevolking om. Ik noemde ze altijd ‘Jantjes’ en maakte graag een praatje met ze.’

Heeft u een bijzondere herinnering uit uw jeugd?
‘Als ik terugdenk, is er niet één specifiek moment dat eruit springt. Mijn hele jeugd voelt als een mooie periode: het buitenspelen, de vriendschappen en het leren op school.

Toen ik 22 was, wilde mijn vader naar Nederland verhuizen, omdat mijn broers en zussen daar al woonden en hij hen miste. Zelf wilde ik eigenlijk in Suriname blijven. Mijn schoonbroer, die we ‘Honda’ noemden, ging wel naar Nederland, maar raakte daar op het verkeerde pad. Dat was voor mij het moment om toch te gaan. Ik wilde hem helpen en bij mijn familie zijn. Ik liet alles achter om in Nederland een nieuw leven op te bouwen.

In het begin was dat wennen. Het weer en de cultuur waren heel anders. Ik werkte graag met mijn handen en begon in de haven van Rotterdam. Later verhuisde ik naar Eindhoven, waar mijn vader een baan voor mij had geregeld bij Daf. Daar heb ik meer dan veertig jaar gewerkt.’

Welke sporen heeft dit nagelaten in uw leven?
‘De overgang van Suriname naar Nederland heeft veel invloed gehad op mijn leven. Ik heb geleerd dat je met een positieve instelling het verst komt. Ik heb me nooit gediscrimineerd gevoeld en voelde me volledig Nederlander. Voor mij is iedereen gelijk, en daar moet je ook naar handelen. Als iemand een discriminerende opmerking maakte, reageerde ik vaak met humor, zodat we er samen om konden lachen.

Ik geloof dat het helpt om mee te doen in de samenleving, je aan te passen en de taal goed te leren. Dan word je sneller opgenomen. Dat is een keuze die je zelf maakt. Mensen die dat niet doen, voelen zich vaker buitengesloten.

Ik heb de kansen die ik kreeg met beide handen aangegrepen en hier een nieuw leven opgebouwd. Ik heb mijn vrouw leren kennen en samen kregen we drie dochters, die in Eindhoven zijn opgegroeid.’

Archieven: Verhalen

‘Zelfs ’s nachts luisterde ik via de radio naar honkbalwedstrijden’

Lien, Max, Lani en Tian van basisschool De Talisman in Eindhoven worden warm ontvangen door Winston Gibbes (74). Levendig vertelt hij over zijn leven, dat begint op Curaçao en zich vanaf 1973 verder afspeelt in Nederland. Zijn verhalen bewegen moeiteloos van jeugdherinneringen naar werk bij Philips en zijn rol als pastoor.

Hoe was het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Ik groeide op in de wijk Steenrijk, vlak bij het centrum van Willemstad. Het leven had daar een ander ritme; school begon al om half acht, voordat de hitte echt voelbaar werd. Op school zag je verschillen die te maken hadden met het koloniale verleden. Er was bijvoorbeeld een klas met alleen kinderen uit Nederland. Ook werd verwacht dat we in de pauze Nederlands spraken. Dat deed ik niet altijd en dan kreeg ik straf.

Over de slavernij werd weinig verteld. Sommige leraren vonden dat een moeilijk onderwerp. Toch merkte je dat het verleden nog doorwerkte in hoe mensen naar elkaar keken. Wat ik daaruit heb meegenomen, is dat je je daar niet door moet laten leiden. Uiteindelijk gaat het erom dat je de mens als mens ziet. Als je elkaar met respect behandelt, verdwijnen veel verschillen vanzelf.’ 

Heeft u een bijzondere herinnering uit uw jeugd?
‘Mijn jeugd op Curaçao was hecht. Ik was de oudste van acht kinderen. Mijn vader was streng, maar duidelijk: als anderen kattenkwaad uithalen, moet je daar niet bij horen. Mijn moeder leerde ons iets wat minstens zo belangrijk was: respect. Wat je je eigen zussen niet aandoet, doe je ook anderen niet. Dat is altijd blijven hangen.

We speelden veel buiten, onder andere honkbal en voetbal. Zelfs ’s nachts luisterde ik naar wedstrijden via de radio, met een koptelefoon op zodat anderen konden slapen. De overgang naar Nederland was groot. In het begin had ik moeite om mensen uit elkaar te houden. Iedereen leek op elkaar. Pas als iemand begon te praten, hoorde je verschil.’

Welke sporen heeft het koloniale verleden nagelaten?
‘Ik heb 25 jaar bij Philips gewerkt. Daar heb ik geleerd dat je mensen gelijk moet behandelen. Voor mij was iedereen collega, ongeacht functie. Dat zorgde voor vertrouwen. Een leidinggevende zei ooit tegen mij: ‘Bij jou is er vrede’. Later begonnen we een feestwinkel, Toeters en Bellen. Daar werd één les steeds opnieuw bevestigd: behandel mensen goed. Je weet nooit wie je later weer tegenkomt. Ik vertel vaak het verhaal van iemand die onbeleefd was tegen een chauffeur, en die de volgende dag zijn tandarts bleek te zijn.

Sinds 2002 ben ik pastoor. Niet omdat ik alles zeker weet, maar omdat ik graag met mensen ben. Mensen leren kennen in vreugde en verdriet, dat is voor mij het belangrijkste. Als ik met mensen kan praten, voelt dat als vakantie.

Het koloniale verleden heeft zeker sporen nagelaten, maar dat hoeft niet te bepalen hoe je met elkaar omgaat. Ik heb zelf ervaren dat mensen je soms anders zien, afhankelijk van waar je bent. Toch blijft mijn uitgangspunt hetzelfde: zie de mens als mens, we hebben elkaar nodig.’

Archieven: Verhalen

‘Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek’

Vera, Julian en Alicia worden hartelijk ontvangen bij Tineke van der Woude-Zulver. Ze heeft een tradionele delicatesse mee, spekkoek, voor de leerlingen van De Talisman in Eindhoven en vraagt meteen of ze het kennen.

Mevrouw Van der Woude-Zulver (1926) is geboren in Indonesië. Op haar twaalfde kwam ze terecht in een Japans interneringskamp. En toen ze 20 jaar oud was kwam ze naar Nederland. Nu nog als ze beelden op televisie ziet van oorlogen, dan heeft ze daar heel veel moeite mee.

Had u veel vrienden in het kamp?
‘Ja, maar ik had alleen niet veel tijd om mijn vrienden te zien. Er was weinig tijd om samen te komen. Ieder moest eerst op appel staan, en dan stonden de anderen in een ander straatje en was het moeilijk om samen te komen. Mijn moeder was uitgesloten van corvee omdat ze drie kleine kinderen had, maar ik moest allerlei klusjes doen doen zoals een beerput leeghalen. Als het appel was afgelopen en het werk gedaan was dan kon ik ze wel zien. Nu zie ik deze vrienden nog steeds, tijdens de reünies.’

Wat is uw mooiste herinnering aan het kamp?
‘Aan het eind van de oorlog waren er continu geruchten over dat we vrij zouden zijn. Als ik daar naar zou luisteren, dan zou ik er kapot aan zijn gegaan. Op een dag was er weer een gerucht dat we vrij zouden zijn. Toen heb ik dit aan mijn Engelse leraares mevrouw Cornelissen gevraagd en zij vertelde dat dit honderd procent zeker was. Mijn moeder was destijds zo mager dat ik niet wist of ze het ging halen, maar gelukkig heeft ze het gered.’

Heeft u ooit nog iets van uw vader gehoord?
‘Na de oorlog werkte ik op een kantoor. Elke dag werden er lijsten gepubliceerd wie wie zocht. Op een dag zeiden ze dat mijn vader mij zocht. Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek. Maar ik herkende hem bijna niet meer, mijn vader was zo mager geworden. Ik kwam dichterbij en mijn vader tilde me op de vrachtwagen.

Het eerste wat hij vroeg was: waar is je moeder? Maar omdat het zo slecht ging met mijn moeder, moest ik haar daar op voorbereiden. Ook omdat hij moeilijk te herkennen was. Ik ben toen naar huis gegaan en heb gezegd dat er mannen terug waren, misschien is mijn vader er wel bij. Mijn moeder was buiten aan het breien. Ik ging daarna terug naar mijn vader toe. En ik nam hem mee naar mijn moeder. Ze vlogen elkaar niet in de armen omdat ze allebei zo beschadigd waren. Als kind was dat niet zo fijn om te zien.’

Archieven: Verhalen

‘Bizar mooi waren de avonden op zee onder de sterrenhemel’

Op deze zonnige donderdagmorgen komen Juna, Kathelijn en Isabel op de fiets aan bij Liesbeth Moerman (1948). De leerlingen van De Talisman in Eindhoven worden hartelijk ontvangen door mevrouw Moerman in haar woning waar de sfeer wordt bepaald door de prachtige houten meubels met verfijnd houtsnijwerk en de vele planten en schilderijen. Op tafel liggen met de handgemaakte zilveren sieraden en houten beeldjes uit Indonesië en ook een fotoalbum met oude foto’s van vroeger. Mevrouw Moerman biedt de kinderen een blikje Fanta aan en zet wat chocolaatjes op tafel.

Ze vertelt dat ze is geboren in Semarang op Java. Vervolgens heeft ze op verschillende plekken in Indonesië gewoond. Samen met haar ouders en haar twee jaar jongere broer verhuisde ze op 11-jarige leeftijd naar Nederland.

Hoe heeft uw koloniale leven invloed gehad op hoe u naar nadere mensen kijkt?
Ik ben door mijn leven heen omringd geweest door verschillende culturen, waardoor het voor mij vanzelfsprekend werd om me thuis te voelen in een diverse omgeving. Door het vele verhuizen leerde ik steeds nieuwe plekken, mensen en tradities kennen, wat me flexibel maakte en nieuwsgierig naar andere mensen en hun achtergrond.

Toen ik later naar Nederland verhuisde, merkte ik hoe anders mensen soms omgingen met diversiteit. Toen mijn man ziek werd in Nederland, kregen we een verpleegkundige aan huis, een ontzettend leuke vrouw uit Suriname. Zij vertelde me later dat ze verrast was dat ik zo blij op haar reageerde, omdat ze al regelmatig weg was gestuurd bij andere mensen met de boodschap: ik wil geen zwarte vrouw in huis. Ik dacht: et is toch niet waar? Omdat ik zelf had ervaren hoe rijk het is om met verschillende culturen samen te leven, voelde het voor mij vanzelfsprekend om open te staan voor iedereen, ongeacht afkomst of kleur. Die houding heeft me mijn hele leven gevormd: in mijn gezin, mijn vriendschappen en zelfs in de multiculturele families van mijn kinderen.’

Hoe was het voor u om zo vaak te moeten verhuizen?
‘Ik heb in Indonesië op vijf verschillende plaatsen gewoond, en ondanks dat we zo vaak verhuisden, heb ik mijn jeugd altijd als heel fijn ervaren. Het was warm, we waren veel buiten, en ik vond het daar zalig. In Nederland hebben we ook op verschillende plekken gewoond. Doordat we telkens na een paar jaar weer naar een andere plek gingen, leerde ik ook dat alles tijdelijk was. Daardoor ging ik eigenlijk niet te veel investeren in vriendjes worden, want ‘je gaat toch weer weg’. Dat deed ik niet bewust; het ging vanzelf. Soms stond ik een beetje zo te kijken naar iedereen, op afstand, omdat ik wist dat ik toch weer zou vertrekken. Door die manier van opgroeien leerde ik me steeds opnieuw aan te passen, en open te staan voor nieuwe mensen en plekken. Die veelzijdige achtergrond zie ik als een groot cadeau. Het heeft mij geleerd om met een ruime blik naar de wereld te kijken en om verschil niet als vreemd te zien, maar als verrijking.’

Hoe ging de reis van Indonesië naar Nederland in die tijd?
‘Als wij van Indonesië naar Nederland reisden, gingen we vaak met de boot of met het vliegtuig. Als we vlogen, deed je daar drie dagen over, omdat vliegtuigen ’s nachts nog niet konden vliegen. Ze landden vlak voordat het donker werd, waarna we naar een hotel gingen en de volgende ochtend weer verder reisden.

Met de boot deed je er drieënhalve tot vierenhalve weken over. Als kind vond ik dat minder leuk, want vaak werden we op het kinderdek gedumpt en moesten daar de hele dag spelletjes doen. Toch heb ik van die reizen ook mooie herinneringen. Een van de leukste dingen vond ik de avonden op zee onder de sterrenhemel. Dat was bizar mooi.

Ook herinner ik me hoe het vliegtuig soms landde op een baan met fakkels langs de rand, omdat er nog geen verlichting was. Dat vond ik toen heel bijzonder om mee te maken.’

Archieven: Verhalen

‘We woonden in een mooi huis en juist dat maakte ons tot doelwit’

Kaley, Lucy en Kee van basisschool de Talisman in Eindhoven hebben een bijzondere afspraak: ze gaan Charlotte Johann interviewen. In 1952, toen mevrouw Johann zes jaar oud was, vertrok ze vanuit het toenmalige Nederlands-Indië naar Nederland. Haar verhaal is indrukwekkend, niet alleen omdat ze slechtziend is, maar vooral omdat ze deze lange als jong meisje helemaal alleen heeft afgelegd.

Bij aankomst worden de kinderen warm ontvangen. In de kamer valt meteen een speciaal voorwerp op: de koffer die ze als kind meenam op de bootreis naar Nederland. Aan de muur van haar gezellige appartement hangen veel foto’s van familie.

Hoe was het leven van uw ouders tijdens de Japanse bezetting?
Ik ben geboren in 1946, vlak na de oorlog, in Nederlands-Indië. Mijn vader was een Nederlands-Indische man, wat betekent dat hij zowel Nederlandse als Indonesische roots had. In die tijd waren de verhoudingen gespannen, vooral tijdens en na de Japanse bezetting. Mensen zoals wij, met een gemengde achtergrond, werden vaak als vijand gezien.

Mijn vader heeft in de oorlog veel meegemaakt. Hij heeft gevochten en zelfs in Japanse krijgsgevangenschap gezeten. Over die periode vertelde hij niet veel. Dat zorgde ervoor dat er thuis ook veel onuitgesproken bleef.

Zelf heb ik de oorlog niet bewust meegemaakt, maar de gevolgen waren wel gevoeld. Alles stond in het teken van onzekerheid en voorzichtig leven. Zelfs iets eenvoudigs als een kind registreren bij de gemeente kon gevaarlijk zijn. Toch dacht ik daar als kind niet echt over na. Pas later besefte ik hoeveel invloed die tijd op mijn leven en dat van mijn familie heeft gehad.’

Wat gebeurde er met uw gezin na de oorlog?
‘Na de oorlog wilden Indonesiërs onafhankelijk worden van Nederland. Daardoor ontstonden er spanningen, en Nederlands-Indische families zoals de onze kwamen in gevaar. Op een gegeven moment werden wij letterlijk uit ons huis gezet.

Mijn vader had een goede baan bij de marine, en we woonden in een mooi huis. Maar dat maakte ons juist een doelwit. Ons huis werd ingenomen en wij stonden op straat. Gelukkig konden we tijdelijk bij vrienden van mijn ouders terecht. Als kind werd mij verteld dat we gingen logeren, maar in werkelijkheid waren we alles kwijt. Dat logeren duurde steeds maar kort. Na een paar maanden moesten we weer verder. Het leven was onzeker en we hadden geen vaste plek meer.’

Hoe was het om als kind alleen naar Nederland te gaan?
‘Toen ik zes en een half was, moest ik alleen naar Nederland voor een oogoperatie. Ik werd naar de haven gebracht en moest in mijn eentje aan boord van een schip. Mijn familie bleef achter. Ik begreep niet goed wat er gebeurde. Mij werd verteld dat ik ging logeren en dat er voor me gezorgd zou worden. Maar ik voelde dat er iets niet klopte, en ik was bang. Ik ben ook een hele dag zeeziek geweest.

Op het schip moest ik wennen aan alles en iedereen. Ik was omringd door vreemden en miste mijn familie enorm. Hoe langer de reis duurde, hoe sterker het gevoel werd dat ik er alleen voor stond. Mijn ouders mochten niet mee, waarschijnlijk omdat ze geen toestemming kregen. Waarom precies, dat weet ik nog steeds niet zeker.’

Hoe was het in Nederland?
‘In Nederland woonde ik lange tijd gescheiden van mijn ouders. Ik zat op een kostschool en zag hen alleen in de vakanties. Dat was heel zwaar voor mij. Ik had veel last van heimwee, zelfs lichamelijk. Het leven op school was streng en totaal anders dan het vrije leven dat ik in Indonesië kende. Het eten, de regels en het leven in grote groepen, daar moest ik aan wennen. Ik voelde me vaak ongelukkig en moest telkens opnieuw wennen na een vakantie thuis.

Toch vond ik manieren om ermee om te gaan. Ik maakte vriendinnen en probeerde mijn eigen weg te vinden, hoe moeilijk dat ook was.’

Welke moeilijke momenten heeft u als kind meegemaakt?
‘Op de kostschool had ik het soms zwaar. Zo had ik moeite met het eten, vooral met brood. Ik verstopte het en gaf het aan eendjes. Toen dat ontdekt werd, kreeg ik straf. Ik werd geslagen met een kleerhanger. Dat was een harde en pijnlijke ervaring. Ik huilde niet, ondanks de bedoeling dat ik dat wel zou doen. Ik was koppig en hield mijn gevoelens voor mezelf. Ik leerde al jong om sterk te zijn en mijn emoties niet altijd te tonen.’

Welke herinneringen heeft u aan uw jeugd?
‘Aan mijn tijd in Indonesië heb ik mooie herinneringen. We hadden een groot huis en een tuin met dieren zoals kippen, eenden en een hond. Ik kon vrij rondlopen en spelen.

In Nederland was dat anders. De huizen waren klein en ik moest me aanpassen. Toch vond ik ook daar vriendinnetjes en leerde ik mijn weg te vinden. Op de kostschool beleefden we ook avonturen. We speelden, verkenden het gebouw en haalden kattenkwaad uit.’

Archieven: Verhalen

‘Ik wilde weten hoe kou voelde, dus heb ik mijn hoofd in de vriezer gestopt’

Als Ruben, Max, Sem en Rens bij Joyce Djarkasi binnenkomen, staat de tafel al vol met lekkers. ‘Bij ons is het gewoonte’, zegt ze meteen. ‘Alles wat op tafel staat, mag je pakken. Liever dat het op is dan dat het blijft staan.’ De leerlingen van de Talisman in Eindhoven schuiven aan en luisteren naar haar verhaal over Suriname, haar familie en haar leven tussen twee werelden. Ze werd in 1963 geboren in Parra in Suriname. Op 19 jarige leeftijd is ze naar Nederland gekomen.

Hoe was het om tussen twee landen te leven?
‘Ik kom oorspronkelijk uit Suriname en heb daar gewoond tot mijn negentiende. Mijn ouders hebben een Javaanse achtergrond. Mijn overgrootouders zijn als contractarbeiders vanuit Indonesië naar Suriname gekomen. Over hoe het leven toen was, werd bij ons thuis niet echt gesproken. Misschien was het te pijnlijk of zat er schaamte op. Dat zie je vaker: de eerste generatie vertelt weinig, terwijl de volgende generaties juist willen weten waar ze vandaan komen.

Als kind wist ik niet beter dan dat Suriname bij Nederland hoorde. Op school leerden we alles over Nederland, maar bijna niets over ons eigen land. Pas toen ik in Nederland kwam, vond ik het vreemd dat mensen hier zo weinig over Suriname wisten.

Ik was negentien toen ik plotseling naar Nederland moest vertrekken door de revolutie. Ik kon niet eens afscheid nemen, en dat vond ik het moeilijkst. Hier moest ik wennen aan de kou, de cultuur en andere kleine verschillen. Ik was ook heel nieuwsgierig naar de winter. Ik wilde weten hoe kou voelde, dus ik heb mijn hoofd in de vriezer gestopt.

Mijn leven is nu hier, maar Suriname voelt nog steeds als thuis. Het blijft alsof ik tussen twee werelden leef.’

Hoe was uw jeugd in Suriname?
‘Ik heb een hele fijne jeugd gehad. We waren met negen kinderen thuis en speelden vooral buiten. We klommen in bomen en haalden kattenkwaad uit. We hadden een grote tuin met mango’s, bananen en mandarijnen, en ik klom overal in, ook bij de buren.

Eten was bij ons iets om te delen, maar je moest er wel snel bij zijn. Als je even van tafel ging, was de kans groot dat je vlees weg was. Dus je bleef gewoon zitten.

Ik weet nog dat ik een keer in een boom zat en iets zag bewegen: een zwarte staart. Ik wist niet wat het was en kon er bijna aan trekken. Toch kreeg ik een vreemd gevoel en ben ik snel naar beneden gegaan. De volgende dag bleek het een slang te zijn.

Ik was ook best rebels. Wat niet mocht, deed ik juist wel. Ik had een jeugdliefde, Frank, maar mijn ouders wilden dat ik alleen met een Javaanse jongen thuiskwam. Dat maakte me juist eigenwijs. Jaren later vond ik hem terug en heb ik hem nog één keer gezien. Kort daarna is hij overleden. Dat was heel verdrietig.

In mijn huis nu staan veel planten. Dat is voor mij een stukje Suriname. Alleen kan ik er hier niet meer in klimmen.’

Hoe was het op school in Suriname?
‘Op school in Suriname moest ik altijd Nederlands spreken. Als ik dat niet deed, kreeg ik straf. Dan moest ik mijn hand uitsteken en kreeg ik met een liniaal slagen. Dat was toen heel normaal. Thuis sprak ik Javaans en Surinaams, maar op school mocht dat niet.

Pas later begreep ik dat dit met de koloniale geschiedenis te maken had. Op school leerden we vooral over Nederland: over rivieren, het weer en de koningin. Over Suriname zelf leerden we bijna niets.

Ik sprak meerdere talen en ging met verschillende groepen kinderen om. Toch waren er verschillen. Nederlandse kinderen zaten vaak op aparte, rijke scholen, dus die zag ik bijna niet.’

Hoe was het leven van uw familie?
‘Mijn voorouders kwamen zonder iets aan in Suriname. Ze dachten dat ze na een tijd werken weer terug zouden gaan. Dat was aan de contractarbeiders beloofd. Maar dat lukte niet meer. Ze moesten daar dus blijven toen het contract afliep en zelf een nieuw leven opbouwen. Zo is mijn familie daar ook geworteld geraakt.

Als kind merkte ik niet zoveel van verschillen tussen mensen, maar die waren er wel. Nu zie je nog steeds sporen van het koloniale verleden. In de taal, in de namen van mensen en in gebouwen. Het zit eigenlijk overal in verweven.

Toen ik naar Nederland kwam, viel me op hoe anders sommige gewoontes waren. Bij iemand thuis kreeg je één koekje, en daarna ging het trommeltje dicht. Dat vond ik heel vreemd, want bij ons thuis staat juist alles op tafel en mag je blijven eten.

Mijn ouderlijk huis staat nog in Suriname en er woont nog familie. Als ik daar ben, kennen mensen me nog. Dat voelt heel bijzonder.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb me hier nooit gediscrimineerd gevoeld, mensen waren eerder nieuwsgierig’

Een beetje spannend vinden Boaz, Cas en Zoë van basisschool de Talisman in Eindhoven het wel als ze met hun interviewvragen aanbellen bij het huis van Evelyne Marti. Zij begroet de kinderen hartelijk en nadat ze drinken en wat lekkers hebben gekregen starten ze het interview. Mevrouw Marti werd geboren op 8 maart 1952 op Curaçao. Ze groeide daar op samen met haar ouders, twee zussen en twee broers. Haar vader werkte bij de Shell en haar moeder zorgde voor het gezin.

Hoe was het voor u om met vijf kinderen in huis op te groeien?
‘Ik kom uit een gezin met vijf kinderen, en wij hadden het thuis niet breed. Mijn vader vertrok en betaalde geen alimentatie, waardoor mijn moeder alleen voor ons moest zorgen. Zij werkte heel hard, eerst in de huishouding en later in een winkel waar gordijnen werden genaaid. Ondanks dat we weinig geld hadden, wist mijn moeder ervoor te zorgen dat we er netjes uitzagen, vaak in jurkjes die ze zelf maakte van restjes stof.’

Hoe vond u het dat u op school geen Papiaments mocht spreken?
‘Wij moesten op school verplicht Nederlands spreken, zelfs op het schoolplein. Als je Papiaments sprak en werd betrapt, kreeg je straf. Pas later is het Papiaments, onze eigen taal, op school ingevoerd. Het duurde lang voordat onze taal officieel werd erkend. Toen voelde ik daar niet veel bij, maar later besefte ik hoe vreemd en oneerlijk dat eigenlijk was. Het liet duidelijk zien dat Curaçao een kolonie van Nederland was, want alles draaide om de Nederlandse taal.’

Heeft u ooit discriminatie ervaren toen u in Nederland ging studeren?
‘Toen ik in 1970 in Groningen ging studeren, waren wij als Antilliaanse studenten een bezienswaardigheid. Ik heb me in al die jaren in Nederland nooit gediscrimineerd gevoeld. Mensen waren eerder nieuwsgierig. In Groningen werkte ik ook naast mijn studie. Mijn eerste bijbaan was in een fabriek waar we wortels schoonmaakten. Mensen hadden mijn huidskleur daar nog nooit gezien. Ik herinner me dat iemand eens vroeg of hij mij even mocht aanraken, omdat hij nog nooit iemand van mijn kleur had gezien. Het was geen belediging, maar pure nieuwsgierigheid.’

Wat maakte het meeste indruk op u in uw leven?
‘De armoede waarin wij leefden en hoe hard mijn moeder werkte om ons groot te brengen, heeft veel indruk gemaakt. Ook het koloniale stempel, verplicht Nederlands spreken en het verschil tussen wit en zwart, heeft mijn identiteit gevormd. Later leerde ik dat mijn taal, mijn opvoeding en zelfs hoe mensen naar mijn haar keken, allemaal beïnvloed zijn door dat verleden.’

Wat wilt u dat wij onthouden van uw verhaal?
‘Dat het belangrijk is om trots te zijn op je achtergrond, ondanks moeilijke omstandigheden. En dat het koloniale verleden invloed heeft gehad op ons leven, zelfs op hoe we onszelf zagen. Maar je kunt, met doorzettingsvermogen en studie, je eigen weg vinden, net zoals ik dat heb gedaan.’

Archieven: Verhalen

‘Omdat mijn vader was gevlucht, mochten we niet meer bij de kazerne wonen’

Kuzay, Kay, Thomas en Feije van de Klimboom in Eindhoven zijn op bezoek bij de 97-jarige Lies Vogels. Ze is nog heel kwiek en heeft bijzondere verhalen over de oorlog. Haar vader vluchtte destijds naar Engeland op de dag voordat de Duitsers Eindhoven binnenvielen. Ze bleef achter met haar moeder, broers en zussen. Ze verhuisden naar een andere plek in de stad omdat de Duitsers in de kazerne gingen wonen waar zij woonden. Hun vader was gevlucht dus mochten ze daar niet blijven. Na de oorlog ontdekt mevrouw Vogels dingen over haar moeder die ze pas begrijpt jaren na de oorlog. Haar vader keert na de oorlog gelukkig terug.

Wat gebeurde er met de marechaussee in de oorlog?
‘De marechaussee hielp vroeger de gemeentepolitie en veldwachters bij de orde in de stad. De kazerne was in de Tuinstraat, daar woonden wij met ons gezin. De marechaussees werden een dag voordat de Duitsers Eindhoven binnenvielen, gewaarschuwd en werden via de ondergrondse meegenomen naar Frankrijk. Na een maand zijn ze via Bretagne gevlucht naar Engeland, waar het veilig was. Pas 4,5 jaar later zag ik mijn vader weer terug. Mijn vader heeft ook nog zelfs de Londense bombardementen overleefd.

Die paar leden van de marechaussee die terugkeerden naar de kazerne werden op een dag beschoten door een Duitser. Ik zag dit vanuit mijn slaapkamerraam. Het was heel eng, vooral het schreeuwen van een gewonde marechaussee is me bijgebleven. Ik zat toen nog maar in de zesde klas, hetzelfde als nu groep 8.

Omdat mijn vader gevlucht was mochten we niet meer bij de kazerne wonen en verhuisden we naar een andere plek in de stad. Het was verboden om contact te hebben met mijn vader. Mijn moeder had wel stiekem een radio verstopt zodat ze toch op de radio konden luisteren naar het Engelse nieuws om te volgen wat er gebeurde. Deze zat verstopt in de kast. Eigenlijk moesten alle communicatiemiddelen ingeleverd worden zodat er alleen nieuws kwam dat de Duitsers graag wilden.’

Was het gevaarlijk voor jullie gezin?
‘Na de oorlog kwam ik erachter dat mijn moeder wapens en marechaussee-uniformen aan de ondergrondse heeft geleverd. Zo kwam ik bij een herdenking over de oorlog in Waalre waar de burgemeester sprak over een meneer Gerels die in de oorlog voor de ondergrondse werkte. Later is deze meneer Gerels verraden en is door de Duitsers opgepakt en omgekomen in een kamp.

Ik was helemaal verbaasd. Ons gezin kreeg tijdens de oorlog iedere maand en bij verjaardagen voedselbonnen van deze meneer Gerels. Omdat mijn vader was gevlucht hadden we geen inkomen om van te kunnen leven. Ik had zes broertjes en zusjes en er was bijna geen eten. De ondergrondse hielp ons met deze voedselbonnen.

De burgemeester vertelde ook dat meneer Gerels zorgde voor uniformen en wapens voor de ondergrondse om mensen te helpen vluchten. Toen pas besefte ik dat mijn moeder de ondergrondse heeft geholpen tijdens de oorlog. Mijn moeder heeft hier zelf nooit over gesproken.
Helaas kan ik het haar niet meer na vragen.

Ook herinnerde ik me dat mijn moeder zich moest melden bij de grote Duitse commandant op het stationsplein. Daar was het hoofdkwartier van de Duitsers. Ik en mijn broers en zussen dachten dat ze nooit meer terug zou komen. Het is nog steeds een raadsel hoe ze zich uit de situatie heeft weten te praten.’

Wat gebeurde er tijdens de bombardementen rond de bevrijding?
‘De bevrijding kan ik me nog goed herinneren en daar denkt ik met vreugde aan terug.
Ik was inmiddels 16 jaar toen Eindhoven werd bevrijd. Ik weet nog goed dat de Amerikanen binnen kwamen. Alle mensen waren op straat een dag na de bevrijding. Het gevoel van vrijheid en opluchting was geweldig. Ik heb samen met mijn vrienden gevierd op de Rechtestraat. Daarna zijn we terug naar huis gegaan.

Toen ik ‘s avonds terug wilden gaan naar de stad, gingen er geruchten dat de Duitsers eraan kwamen vanuit Nuenen, ik mocht daar niet naartoe. Toen ik pas een straat van mijn huis was hoorde ik de lichtkogels aankomen. De vader van een vriendinnetje haalde me naar binnen. Toen begon het bombardement op Eindhoven. Het duurde maar kort, toch stierven die dag zeker tweehonderd mensen in Eindhoven.

Ook op de Biesterweg kwam een bom op een schuilkelder. Daarin zaten twee klasgenootjes van mij, twee nichtjes. Ik had die meisjes ‘s middags nog zien feestvieren. Hun hele gezin is omgekomen. Ook mijn moeder was doodsbang geweest want die wist natuurlijk niet waar ik was. De bommen werden willekeurig boven Eindhoven gedropt.’

Was u bij de bevrijding?
‘Ik kan mij deze dag goed herinneren. Er waren zoveel mensen in de stad. Het gevoel van opluchting en bevrijding voel je maar één keer in je leven. Ik had in die tijd een handtekeningenboekje. Dit was in die tijd normaal. Je vroeg dan aan iemand zijn verjaardagsdatum en een handtekening van deze persoon. Zo heb ik deze dag allemaal handtekeningen verzameld van Amerikanen. Het boekje heb ik nog altijd in bezit.

Jaren later heb ik per toeval twee Amerikanen uit de oorlog leren kennen die bij de bevrijding van Eindhoven waren. Deze mannen herkenden veel handtekeningen van compagnieleden. Zo ben ik via hen naar Amerika gegaan en heb ik veel soldaten leren, of kinderen van hen, die Eindhoven bevrijd hebben. Een geweldige ervaring! Ik heb zelfs Tom Hanks en Steven Spielberg leren kennen die op dat moment ‘Band of brothers’ maakten. Ik was uitgenodigd bij de première en het diner. Steven en Tom hebben ook in hetzelfde boekje een handtekening gezet.’

Archieven: Verhalen

‘Als kind struinde ik door huizen waar soldaten hadden gezeten’

De 83-jarige Jan Klercx maakte als kind de Tweede Wereldoorlog mee in Eindhoven; hij woonde bij de Theresiaparochie, vlakbij het vliegveld. Hij was nog jong en beleefde deze periode daarom heel anders dan volwassenen. Ondanks schaarste en onzekerheid ging het gewone leven voor een kind toch gewoon door, vertelt hij. Ruben, Jurre, Rufta en Elina van de Klimboom luisteren aandachtig naar zijn verhalen. Zonder telefoon, zonder fiets en vaak met maar heel weinig te eten was het leven heel anders dan nu.

Hoe ging u naar school in de oorlog?

‘Tijdens de oorlog zat ik op vijf verschillende scholen, omdat gebouwen werden ingenomen door de Duitsers. Dan werden klassen weer ergens anders ondergebracht. Of ik de achtste groep heb gehaald? Dat weet ik eigenlijk niet eens meer. Ik liep elke dag vijf kilometer naar school, en tussen de middag weer terug naar huis, en daarna opnieuw. Fietsen hadden we niet. Mijn vader had er niet eens één. Pas toen ik veertien was, leerde ik fietsen, op een fiets met houten banden.’

Kunt u iets vertellen over wat u weleens met uw vrienden deed in de oorlog?
‘Wat ik me herinner, is dat we overal gingen kijken toen de Duitsers vertrokken en de Engelsen kwamen. Als kind struinden we door huizen waar soldaten hadden gezeten. We zochten naar dingen die voor ons belangrijk waren: glimmende spullen, bijzondere vondsten voor een kind… Ik nam zelfs een keer laarzen mee, vijf maten te groot.

En een keer klom ik in een Engelse vrachtwagen, gewoon omdat het nieuw was en interessant. Ik viel eruit en brak mijn arm. Samen met mijn oudste zus liep ik kilometers naar het ziekenhuis, want bussen waren er niet.’

Heeft u de Hongerwinter meegemaakt?
‘Ik kan me niet herinneren dat ik de Hongerwinter bewust heb meegemaakt, maar ik weet wel dat ik vaak honger had. Eten was er weinig. We aten wat er was: aardappelen, wat groente als dat er was. Snoep? Dat kende ik eigenlijk niet.

We hadden geen radio, geen verborgen spullen en al helemaal geen telefoons zoals nu. Alles was eenvoudiger, maar ook schaarser. Met twee broers en zes zussen leefden we dicht op elkaar. Ik sliep met mijn jongste broer op een kamer. Mijn zussen sliepen samen op een kamer, ieder met z’n tweetjes in één bed.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892