Archieven: Verhalen

‘Met een theelepeltje suikerwater; bietenwater, hebben ze me grootgebracht’

Viggo, Jesse en Saar, leerlingen van OBS Twiske, gaan op bezoek bij Ton Baardwijk. Meneer Baardwijk is geboren in 1945 en heeft de oorlog zelf niet bewust meegemaakt, maar hij kan wel veel vertellen over wat zijn familie heeft meegemaakt en heeft een prachtige postzegelverzameling, waarvan de leerlingen ieder één kregen met een afbeelding van Hitler erop. ‘Een boosaardige man met een poppensnorretje’ aldus meneer Baardwijk. Ook neemt hij hun mee naar de Museumwoning, een klein museum in Amsterdam-Noord, waar ze heel mooi kunnen zien hoe mensen vroeger leefden.

Welke spullen zijn er in het museum die direct met de oorlog te maken hebben?
‘In het museum staat een verduisteringsluik. In de oorlog moesten de ramen verduisterd worden, want er mocht geen licht van binnen naar buiten komen. Het is papier, zwart papier dat je in een hor deed. Die moest voor de ramen komen. De Duitsers reden dan op de motor langs en als ze dan ergens licht zagen, schoten ze zo op het raam, of er nou mensen achter waren of niet. Dus je zorgde wel dat je de zaak goed verduisterde. En ook een heel uniek, we hebben ‘kakies’ uit de oorlog. In een blik dat helemaal dicht gesoldeerd is, en uit Zweden kwam aan het einde van de oorlog.’

Heeft u de Hongerwinter meegemaakt?
‘Ik ben geboren in maart 1945. En de eerste melk die ik kreeg was in mei. Dat was melkpoeder die we kregen uit Zweden.  Mijn moeder had geen borst met voeding, dat was allemaal blauw water. Met een theelepeltje suikerwater, bietenwater, hebben ze me grootgebracht.’

Hoe kwam uw familie aan eten tijdens de Hongerwinter?
‘Het voedsel was op, en mensen moesten naar de boeren om voedsel te krijgen. En ik weet nog dat mijn vader een keer van mijn oom een half varken heeft gekregen. Maar dat moest hij wel ophalen, want mijn oom durfde niet. Als je terugkwam van het boerenland werd je gecontroleerd door Nederlandse politiemensen. En het voedsel werd altijd in beslag genomen. Dat werd dan afgepikt. Maar mijn vader heeft gedacht, ik moet met dat varken er doorheen zien te komen. Hij heeft het op zijn rug gebonden, zijn jas er overheen en liep gebogen alsof hij een bochel had. Het lukte: hij mocht zo doorlopen. Hij heeft geluk gehad, want als hij aangehouden was, had hij misschien de kogel gelegen. Het voedsel moest je inleveren. Dus dat waren wel spannende dagen.
Hij ging ook vaak naar de boer toe. Hij heeft een keer een kruiwagen vol met aardappels gekocht. Hij heeft er misschien wel 80 gulden voor betaald.  En wat gebeurt er nou, daar ziet hij ineens in de verte Duitse wagens. Er kwam een patrouille aan. Toen is hij gauw van de dijk afgegaan, maar toen rolde die kar om. Hij heeft toen de hele nacht op zijn knieën alle aardappels lopen zoeken. Die lagen allemaal over de dijk verspreid. En zo is hij thuis gekomen. Hij was bekaf en mijn vader is met de handkar zo de deur in gereden. Voordeur open, hup, zo naar binnen, en in de gang omgekiept. En toen hadden wij weer een tijdje aardappels.’

 

Archieven: Verhalen

‘Onderin de pan was de soep dikker en lekkerder, dus stonden we expres achter in de rij’

Bilal, Semih, Elif en Sara van OBS De Spiegel in Zaandam mogen met Fatima, de moeder van Bilal mee in de auto naar Oostzaan. Daar worden ze opgewacht door Leo van Zadel en zijn vrouw.  Ze worden warm ontvangen, krijgen wat drinken en iets lekkers. Hoe het  met gaat? Trots vertelt hij dat hij bijna 93 jaar is, nog aan badminton doet en erg actief is. Hij kan veel over de oorlog vertellen en was ongeveer 7 jaar toen de oorlog begon. De familie woonde aan de J. Franklinstraat. Hij vertelt over de periode 1940-1945 in Amsterdam.

Hoe was het in de oorlog in Amsterdam-West?
‘Aan het begin van de oorlog had bijna niemand een radio. Mijn vader wel. Hij had een grote radio en zette die in de vensterbank met het raam open, zodat iedereen in de straat kon horen dat de oorlog was begonnen.
Verder merkte je eerst weinig. De Duitsers zagen we pas later. Mijn moeder zei altijd dat de soldaten eigenlijk gewone jonge mannen waren, van zo’n twintig tot vijfentwintig jaar. Ze waren beleefd en stonden in de tram op voor vrouwen. ‘Dat waren geen slechte mensen’, zei ze, maar jongens die verplicht naar Nederland waren gestuurd.’

Wat merkte u als kind van de oorlog?
In het begin merk je als kind weinig van de oorlog. Je gaat gewoon naar school en hoort wel dingen, maar je begrijpt het nog niet. Ik was toen zeven jaar.
Later, toen de oorlog langer duurde en ik ouder werd, veranderde er veel. Er kwam minder eten, vooral vanaf 1943. We moesten zelf zorgen dat we iets te eten kregen.
Er waren gaarkeukens, vaak in een schoolgebouw. Daar kreeg je soep als je met een pan kwam. Mijn broertje was zes en ging met mij mee. Je stond lang in de rij. Als er net een nieuwe pan werd neergezet, was de soep dun. Daarom probeerden we expres later aan de beurt te zijn, want onderin was de soep dikker en lekkerder.’

Moest u en uw familie onderduiken?
‘Nee. Mijn vader werkte bij de PTT, bij de post. Hij bracht post rond met een fiets en een karretje.
Hij kreeg wel een oproep om zich te melden in de Euterpestraat in Amsterdam. Nederlandse mannen moesten in Duitsland gaan werken. Mijn vader ging daarheen, maar hij had zichzelf van tevoren verwond. Hij had een snee gemaakt en daar iets ingestopt zodat het ging ontsteken. Daardoor werd hij afgekeurd en teruggestuurd. Twee weken later moest hij zich opnieuw melden. Daar heb ik nog brieven van, van de Sicherheitsdienst.’

Waarom moest u zo vaak van plek veranderen?
‘Mijn moeder lag vaak in het ziekenhuis en was erg zwak. Mijn broer en ik moesten daardoor al jong voor onszelf zorgen. Alles was op de bon, ook brood. Soms deden we alsof we de bon al hadden gegeven, zodat we toch extra brood konden krijgen. Je moest slim zijn. Mijn broer en ik zijn twee keer in een sanatorium geweest.
Op een gegeven moment konden mijn ouders niet voor ons zorgen, dus gingen we naar het Burgerweeshuis. Na 14 dagen haalde mijn vader ons op en bracht ons naar een Luthers weeshuis. Ook daar zijn we niet lang gebleven, daarna moesten we naar Friesland.’

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder wist niet of ik het zou overleven; of ooit terug zou komen’

Zeynep Acar, Adam, Mirac, Zyulyay uit groep 7 van OBS De Spiegel uit Zaandam interviewen Samuel de Leeuw (1941). Hij is Joods en was een klein jongentje tijdens de oorlog: hij heeft die tijd niet bewust meegemaakt. Zijn moeder hem aan het verzet meegegeven om hem te laten onderduiken in Limburg.

 Wat deden uw ouders in de oorlog?
‘Mijn ouders werkten in een regenjassenfabriek Hollandia-Kattenburg in Amsterdam-Noord. Tijdens een razzia was mijn moeder niet aan het werk. Maar mijn vader is meegenomen door de Duitsers en met veel anderen naar Auschwitz gestuurd. Hij is daar vermoord. Mijn moeder is nadat ze mij had meegegeven aan het verzet, zelf ondergedoken in Heiloo, hier vlakbij. Ze werkte daar in een huis bij een vrouw met drie kleine kinderen. Ze zorgde voor de kinderen: gaf ze te eten, waste hun kleren en bracht ze naar bed.’

Moest u een Jodenster dragen?
‘Kinderen onder de zes hoefden geen Jodenster te dragen, dus ik niet. De Jodenster moesten mensen zelf kopen en overal dragen: op je jas, maar ook op je trui. Joodse mensen mochten steeds minder: niet meer naar de bioscoop, het zwembad of het park. Zo werden de regels langzaam steeds strenger.’

 Wat herinnert u zich van de oorlog?
‘Ik was nog een klein kind, maar ik herinner me dat ik ondergedoken was in Limburg. Mijn moeder maakte een moeilijke keuze: ze gaf mij, een baby van één jaar, weg aan mensen die ze niet kende, zodat ik veilig zou zijn. Ze wist niet of ik het zou overleven of ooit terug zou komen. Aan het einde van de oorlog, toen ik vier of vijf jaar oud was, kwamen Amerikaanse of Canadese tanks Heerlen binnen om Nederland te bevrijden. Na de bevrijding kwam mijn moeder mij ophalen in Limburg.’

 Waar zat u ondergedoken?
‘Ik werd ondergebracht bij een gezin in Heerlen, Limburg. Zij hadden zelf geen kinderen. Eerst woonden we in het centrum. Mijn pleegouders noemden mij ‘Baukje’. In het begin was ik zogenaamd hun neefje, omdat de buren wisten dat ze geen kinderen hadden. Later verhuisden ze en werd ik hun zoon. Ik woonde in een katholieke omgeving en ging later naar school bij de nonnen. Ik speelde veel met buurtkinderen. We hadden een grote tuin waar mijn pleegvader ook groenten verbouwde.’

Hoe heeft uw moeder u weer gevonden?
‘Tijdens de oorlog kregen mensen een bonkaart op naam voor voedsel. Het verzet zorgde ervoor dat ook onderduikers zo’n kaart kregen. Bij mijn pleeggezin stond per ongeluk mijn echte naam op een bonkaart. Zo ontdekte mijn pleegvader wie ik was en schreef hij na de oorlog een brief aan mijn moeder, die haar via een omweg bereikte. Zij wist toen dat ik nog leefde en schreef terug.
Na de oorlog kwam mijn moeder mij halen. Dat was moeilijk, omdat ik verlatingsangst had, net als veel andere ondergedoken kinderen. We reisden liftend naar Amsterdam, omdat de treinen nog niet reden. De stad was grotendeels verwoest en veel van mijn familie was vermoord; ik had geen grootouders, ooms of tantes meer. Mijn moeder bracht me regelmatig terug naar Limburg om te wennen. Uiteindelijk ging ik in Amsterdam naar school, maar ik bleef contact houden met mijn pleegouders. Mijn eigen kinderen noemden hen later ook opa en oma’.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik had geen vader en mijn moeder sprak nooit over de oorlog’

Na een gezellige fietstocht door Zaandam, komen Ecrin, Berire, Simge en Yigit van bij het huis van Siem Meijn aan. Hij woont in een aanleunwoning van het Ministenerf een verzorgingstehuis in Zaandam. Een echt ‘mannenhuis’ noemt hij het. Aan de muur hangen twee tekeningen van zijn kleinzoons, waar hij ontzettend trots op is. Siem is in 1946 geboren in Oostzaan. Hij vertelt het verhaal over zijn moeder in oorlogstijd en wat de gevolgen voor hem waren.

Hoe kent u de verhalen over uw moeder?
‘Mijn moeder heeft nooit met mij over de oorlog gesproken. Wat ik weet, heb ik pas veel later gehoord van mijn tante en van mijn opa en oma, bij wie ik deels ben opgegroeid. Ik had geen vader en mijn moeder sprak er nooit over. Via mijn tante, die naast mijn opa en oma woonde, en een andere tante ben ik uiteindelijk veel te weten gekomen. Zonder hen had ik het niet geweten.’

Waarom ging je moeder naar Duitsland?
‘Mijn moeder was ongeveer zeventien jaar oud toen de oorlog al vier jaar aan de gang was. Ze werd verliefd op een Duitse jongen die ze in het dorp had leren kennen. Begin november 1944 vertrok ze en bleef weg tot 5 mei 1945. Niemand wist waar ze was, ook mijn opa en oma niet. Later bleek dat ze in Duitsland was geweest; meer is daar niet over bekend. Mijn opa heeft daar veel verdriet van gehad. Op 5 mei, Bevrijdingsdag, keerde ze terug. Kort daarna, op 7 mei, ontstond er veel ellende.’

Wat gebeurde er toen?
‘Ze was uit Duitsland teruggekomen, op Bevrijdingsdag, en woonde bij mijn opa en oma, haar ouders. Op 7 mei, de verjaardag van haar zus, stonden er ongeveer 120 mensen voor de deur. Ze wilden haar ophalen en kaalscheren, omdat ze met een Duitser was omgegaan. Zo ging dat vlak na de oorlog; zulke vrouwen werden uitgescholden voor ‘moffenhoeren’.

Mijn opa is naar buiten gegaan en zei dat hij de eerste die het erf opkwam zou doodschieten. Hij had een schietmasker bij zich, het apparaat dat werd gebruikt om vee te doden. Twee mannen die de leiding hadden in de groep kwamen naar voren en gingen met mijn opa naar binnen om te praten. Ze spraken af dat mijn moeder een half jaar op het erf zou blijven en niet naar buiten zou gaan. Zo is het uiteindelijk gegaan.’

Is jouw vader een Duitser?
‘Nee, mijn vader was een Nederlander. Daar ben ik pas later achter gekomen, toen ik ongeveer twintig jaar oud was. Ik was een keer laat thuisgekomen en mijn moeder was daar boos over. In die ruzie noemde ze voor het eerst zijn naam. Verder heb ik er toen niets mee gedaan. Later bleek dat mijn vader heel dichtbij had gewoond, aan de Kometensingel 403 in Amsterdam. Ik ben verder gaan zoeken, maar je wilt natuurlijk zeker weten of iemand echt je vader is. Uiteindelijk ontdekte ik dat ik drie halfbroers had. Drie jaar geleden heb ik samen met een van hen een DNA-test gedaan. Die bevestigde dat zijn vader ook mijn vader was. Mijn vader is in 1994 overleden. Met honderd procent zekerheid bleek mijn halfbroer inderdaad mijn broer te zijn.’

Ze zeiden dat uw vader een politieagent was, klopt dat?
‘In het dorp werd veel gelogen, men dacht dat ik de zoon van een politieagent was. Dat staat zelfs in het gemeentearchief. Wat bleek: de vader van mijn vader was een politieagent. Daarom zei mijn dochter: ‘Pap, laten we het zeker weten.’ Zo kwam de DNA-test tot stand. Uiteindelijk bleek dat mijn vader een metaalwerker was, hij heette Dirk. Hij woonde eerst in Ransdorp in Amsterdam-Noord. Later verhuisde hij naar Vlissingen, waar hij ook als metaalwerker werkte. Ik heb hem nooit levend ontmoet, maar ik heb wel foto’s gekregen van hem en van mijn halfbroers. Ik heb drie halfbroers, allemaal van dezelfde vader. Eén broer woont in Vlissingen en staat open voor contact als ik dat wil.’ Een andere broer wil er niets mee te maken hebben en woont vaak in Spanje. De derde broer ken ik via foto’s. Met Ruud, mijn halfbroer, ben ik ook naar de plekken gegaan waar zijn grootouders woonden.’

Bent u gepest door de kinderen uit uw klas?
Nee, niet door kinderen, wel door volwassen, zelfs door de burgemeester. Op school heb ik nooit problemen gehad met kinderen.Een voorbeeld is een buurvrouw die mij, toen ik dertien was, begon uit te schelden met ‘moffenjong’ en ‘hoerenjong’. Ik vroeg mijn moeder waarom ze dat deed, en zij zei alleen: ‘Dat weet ik niet, laat ze maar praten.’ Dit ging zo door tot ik negentien was. Toen ben ik voor mijzelf opgekomen.’

 

Archieven: Verhalen

‘Pas later werd duidelijk dat de treinen niet naar werk gingen, maar naar de dood’

Vandaag zijn Sundus, Elena, Hamza en Bera van OBS De Spiegel in Zaandam  aan de beurt om met juf Nurten op bezoek te gaan bij Pim Blank en zijn vrouw. Meneer Blank is in 1943 geboren tijdens Tweede Wereldoorlog. Hij vertelt de verhalen van zijn ouders en over zijn opa die werd opgepakt. Zijn vader en moeder hadden verkering. Tijdens de oorlog vervalsten ze hun trouwboekje om zijn moeder te redden.

Waarom gingen je ouders snel trouwen in de oorlog?
‘Mijn vader was 20 en werd gevraagd om in het verzet te gaan. Mijn moeder was 21. Ze waren toen nog niet getrouwd; dat gebeurde pas in 1942. Ze vervalsten hun trouwboekje en zetten er 1941 in, zodat het leek alsof ze vóór die tijd al getrouwd waren. Dat was belangrijk, want er was een Duitse regel: Joodse vrouwen die met een niet-Joodse man getrouwd waren vóór een bepaalde datum, werden niet direct opgepakt. Dankzij dat vervalste boekje bleef mijn moeder veilig. En wat de Duitsers niet wisten: ze hielp ondertussen mee in het verzet.’

Wat is er met uw opa gebeurd?
‘Mijn opa is opgepakt en naar Kamp Westerbork gebracht. Vanuit daar schreef hij veel brieven aan mijn vader en moeder. Hij wist niet dat hij vermoord zou worden. Hij dacht dat hij in Duitsland moest gaan werken. Mijn opa was Joods, maar niet Joods opgevoed en wist weinig van het Joodse geloof. Mijn oma was toen al overleden. De laatste brief schreef hij op 7 februari 1943. Daarin vroeg hij of mijn ouders een broek voor hem wilden brengen, omdat zijn broek kapot was. Op 26 februari 1943 is hij vermoord in Auschwitz. Pas later werd duidelijk dat de treinen niet naar werk gingen, maar naar de dood.’

Moest uw familie zich verstoppen voor de Duitsers?
Mijn vader moest oppassen omdat hij in het verzet zat. Maar wij hadden zelf onderduikers. Geen Joden, maar verzetsmensen van 22 jaar uit Rotterdam en een piloot. Ze liepen gevaar en moesten ondergebracht worden. Wij woonden in een heel klein huisje in Wormerveer, dus het was behoorlijk krap met z’n allen. Die jongens werden gek van het opgesloten zitten, dus ze wilden er even uit. Mijn vader zou eigenlijk meegaan, maar hij had hoofdpijn en bleef in bed. Die dag zijn de jongens door de Duitsers opgepakt en neergeschoten. Mijn vader heeft daar veel verdriet van gehad. Hij zei altijd: ‘Als ik was meegegaan, was ik ook dood geweest.’  En dan zei hij: ‘Ik ben voor het geluk geboren.’

Moest je moeder een Jodenster dragen?
‘Ja. In het begin hoefde mijn moeder geen ster te dragen, omdat ze getrouwd was met een christelijke man. Later moest dat wel. Doordat ze een ster droeg maar niet werd opgepakt, kon ze veel doen voor het verzet. Ze vervoerde wapens in de kinderwagen waarin ik lag. Onder het matras lagen illegale kranten. Ik lag dus bovenop wapens. Juist omdat ze de ster droeg, werd ze niet verdacht van verzetswerk.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Voor mij was de tijd na de oorlog eigenlijk heel goed. We waren eerst arm, maar het leven werd langzaam beter. Omdat mijn vader in het verzet had gezeten, werkte hij na de oorlog bij de politie. Ik had een fijne jeugd.
Voor mijn moeder was het anders. Zij is altijd bang gebleven. Op hun slaapkamer stond een koffer klaar, voor het geval er weer oorlog zou komen en we moesten vluchten. Die angst heeft ze haar hele leven meegenomen en ze is ook jong overleden. Zo was de oorlog na de oorlog nog steeds aanwezig. De herinneringen en het trauma bleven. Jarenlang durfden mijn ouders niet over de oorlog te praten. Het woord ‘Joods’ werd niet uitgesproken. Als we er toch over spraken, zeiden we ‘Mexicanen’. Zo groot was de angst. We vertellen deze verhalen, zodat jullie later kunnen zorgen dat er geen oorlog meer komt. Dat is heel belangrijk. We hopen dat jullie kunnen opgroeien in een tijd zonder oorlog. Dat begint met lief zijn voor elkaar, waar je ook bent en wie je ook bent. Iedereen is evenveel waard. Het is belangrijk dat we elkaar accepteren en respecteren. Als we dat samendoen, kunnen we zorgen dat er geen oorlog komt.’

 

Archieven: Verhalen

‘We hebben altijd contact gehouden; ze is gewoon mijn zusje gebleven’

Ayan, Yigit, Belinay en Simge van OBS De Spiegel gaan met de auto op bezoek bij Sophie Timmer-Primowees. Zij is 90 jaar oud en woont in Zaandam aan de Westzijde. Ze worden hartelijk ontvangen met een kop thee en lekkere chocolaatjes. Mevrouw Timmer vertelt haar verhaal over de oorlog, die begon toen zij 5 jaar oud was. Ze woonden in de Eerste Helmersstraat in Amsterdam.  In 1942 kwam zusje Hanneke erbij, die Joods en 3 jaar oud was toen ze bij Sophie en haar ouders kwam wonen.

Met hoeveel personen waren jullie vroeger thuis?
‘Ik was enig kind, samen met mijn vader en moeder, dus met z’n drieën. In 1942 kreeg ik een pleegzusje, Hanneke. Ze zou eigenlijk maar één nacht blijven als tussenadres, maar ze is uiteindelijk drie jaar bij ons gebleven. Hanneke was Joods en had al op twee andere adressen ondergedoken gezeten, waar het niet goed ging. Ik was blij dat ik niet meer alleen was en vertelde op school trots dat ik een zusje had gekregen. Niemand geloofde het, want ik was blond en Hanneke had donker haar, en ze liep al. Maar ik hield vol dat het mijn zusje was. Pas later kwam ik erachter dat iedereen wist dat Hanneke Joods was, maar dat niemand dat ooit had verteld.’

Wat gebeurde er tijdens het buitenspelen?
‘Hanneke en ik waren met vriendinnetjes aan het buitenspelen voor de deur, met een driewieler en een stepje. Toen kwam er een oudere dame en vroeg of Hanneke ook op het fietsje mocht. Ik vond dat zo vreemd, waarom vroeg die vrouw dit? Omdat ik bang was dat ze ons zou verraden, nam ik mijn zusje meteen mee naar boven en vertelde het aan mijn moeder. We hebben drie dagen in spanning gezeten. Pas later kwamen we erachter dat die vrouw Hannekes oma was, die maar één straat verder ondergedoken zat.’

Waar waren Hannekes ouders?
‘Tante Marie, een mevrouw van het verzet,  ging ook langs bij Hanneke haar ouders die in Vijfhuizen zaten ondergedoken zo’n 20 kilometer van Amsterdam. Hanneke kon daar niet heen, omdat ze nog zo klein was en de rest misschien gevaar zou brengen. Hanneke’s ouders wisten dat het goed met haar ging in ons gezin en tante Marie bracht truitjes en vestjes mee die haar moeder voor haar had gemaakt. Hanneke wilde ‘papa’ en ‘mama’ zeggen tegen mijn ouders, maar dat mocht niet. Mijn moeder zei: ‘Je eigen ouders komen beslist terug’. Maar als ze niet terugkomen, dan zijn wij pas papa en mama voor jou.’

Waar was uw vader?
‘Mijn vader had vroeger een timmer- en houthandel in Amsterdam, maar die werd door de Duitsers in beslag genomen. Kort daarna werd hij naar Duitsland gestuurd om te werken. Mijn moeder stond er helemaal alleen voor, met Hanneke erbij.
Mijn vader moest in Duitsland in een fabriek werken. Uiteindelijk kwam mijn vader terug, maar hij was erg ziek. De Duitsers hadden hem in zijn pyjama teruggestuurd, denkend dat hij het niet zou overleven. Hij had tuberculose, een besmettelijke ziekte, dus wij mochten niet dichtbij komen. We stonden in de deuropening om met hem te praten. Af en toe kwam een zuster van het ziekenhuis langs, zuster Pannenkoek, om ons te controleren of we niet besmet waren door mijn vader. Uiteindelijk werd hij toch opgenomen in Hilversum om daar te herstellen, en langzaam knapte hij helemaal op.’


Hoe was het tijdens de Hongerwinter?
‘Tijdens de Hongerwinter was mijn vader gelukkig weer terug. Hij ging met tante Jo of met mijn moeder op de fiets naar Enkhuizen om eten te halen.  Ze gingen op zogenaamde ‘hongertochten’ naar Enkhuizen. Daar haalden ze eten en bleven vaak een nachtje slapen. Op een dag moesten ze tijdens zo’n tocht in de berm  gaan liggen omdat er vliegtuigen overvlogen en ze bang waren voor bombardementen. Op de terugweg gingen ze op de pont en mijn tante had zoveel honger dat ze een broodje at. Toen ze van de pont afgingen, merkten ze dat de tassen ineens leeg waren: al het eten was gestolen. Na een lange, zware tocht kwamen ze dus met niets terug.’


Hoe was voor jullie de Bevrijdingsdag?
‘Die dag vergeet ik nooit: 5 mei, prachtig weer. Mama zette Hanneke altijd op de stoel in de keuken,om haar dikke bos met haar te kammen. Toen werd er op de deur geklopt en stonden haar vader, moeder en tante Marie daar. Hanneke sprong meteen onder mijn moeder’s rok; ze wilde absoluut niet met hen mee, ze kende hen niet meer. Later gingen we naar haar huis, om langzaamaan te wennen, maar telkens ging ze weer terug naar ons. Zo ging het wekenlang, totdat mijn moeder uiteindelijk zei: ‘Lieve schat, ik heb je bed verkocht.’ We hebben altijd contact gehouden; ze is gewoon mijn zusje gebleven.’

 

Archieven: Verhalen

‘Vooral baby’s hadden het zwaar, want er was bijna geen melk’

Nazario, Jedaiah, Zeynep, Han en Murat gaan van OBS De Spiegel uit Zaandam gaan met juf Nurten mee het huis van Martha Fosch. Ze woont op de 4e etage met een prachtig uitzicht over Zaandam. Haar gezellige huis vol met foto’s aan de wand en veel boeken maken indruk op de kinderen.  ‘Ik ben in Suriname geboren tijdens de oorlog. Ik was nog een baby toen mijn vader overleed, dus ik heb hem niet persoonlijk gekend. Hij heette Reinier. Mijn moeder is hertrouwd met mijn stiefvader en hij wordt dit jaar 103 jaar.’

Wat deden uw ouders tijdens de oorlog?
‘Mijn ouders woonden tijdens de oorlog in Suriname. Ik ben daar in 1942 geboren. Mijn moeder was thuis en mijn vader werkte als matroos op een vrachtschip van de KNSM, de Koninklijke Nederlandse Scheepvaart Maatschappij.  Suriname was toen een kolonie van Nederland. Mijn vader voer naar Europa en Amerika voor zijn werk. Dat werd steeds gevaarlijker, omdat de Duitsers probeerden te voorkomen dat het bauxiet werd vervoerd. De matrozen moesten zelfs leren vechten, terwijl mijn vader daar nooit voor was opgeleid.’

Waarom was bauxiet belangrijk voor de Duitsers?
‘Bauxiet was belangrijk voor de Duitsers omdat van die grondstof aluminium wordt gemaakt, en aluminium was nodig om vliegtuigen te bouwen. Vooral de Amerikanen gebruikten die vliegtuigen om in Europa te vechten. Dankzij die vliegtuigen konden ze Duitsland bombarderen en zo hielpen ze de oorlog te winnen. De Duitsers wilden dat tegenhouden. Daarom stuurden ze duikboten vlakbij Suriname. Ze lagen daar te wachten tot de schepen met bauxiet vertrokken en vielen die dan aan met torpedo’s.’

Hoe is uw vader overleden?
‘De Duitsers lagen met duikboten voor de kust van Suriname. Als er schepen met spullen vertrokken, vielen ze aan en lieten ze zinken. Ook het schip van mijn vader werd getorpedeerd. Hij is daarbij omgekomen, hij was pas 23 jaar. Ze hebben zijn lichaam nooit gevonden, dus er is geen graf. Bijna niemand overleefde de aanslag. Er was toen nog geen marine om de schepen te beschermen. Die kwam pas later. Toen ontdekten de mariniers een geheime code van de Duitsers, de Enigma-code. Zo konden ze precies weten waar de duikboten waren en meer schepen beschermen.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘In 1967 ben ik naar Nederland gekomen om te werken. Ik werkte in Suriname in de verpleging. In Suriname kon je wel leren, maar niet ver doorgroeien. Er waren geen universiteiten. Ook kon je je niet specialiseren. Voor hogere opleidingen moest je naar Nederland. Dat gold voor veel beroepen. Je kon bijvoorbeeld wel in de zorg werken, maar geen arts worden. De leidinggevenden kwamen meestal uit Nederland. Alleen mensen met rijke ouders konden hun kinderen naar Nederland sturen, want studiefinanciering bestond toen niet. Dat had alles te maken met het koloniale verleden, waarin Nederland de baas was.’

Hadden ze in Suriname ook honger tijdens de oorlog?
‘Ja, ook in Suriname was er honger tijdens de oorlog. Omdat bijna alles uit Nederland moest komen, was er veel tekort aan eten en medicijnen. Rijke mensen konden nog wat kopen of ruilen, maar arme mensen hadden niets. Ze moesten creatief zijn en gebruiken wat het land zelf had, zoals peulvruchten. Vooral baby’s hadden het zwaar, want er was bijna geen melk. Daarom kookten mensen bijvoorbeeld bruine bonen heel lang en zeefden die. De vloeistof gaven ze aan baby’s als vervanging voor melk.’

Heeft u een geloof?
‘Ik geloof in één God. Die God zit in alle geloven. Daarom zeg ik vaak: ik geloof in alles. Ik ben geboren en gedoopt als rooms-katholiek. In Suriname waren veel verschillende geloven: Christelijk, Joods, Islamitisch en andere stromingen. Mijn moeder vond dat je voor iedereen moest zorgen, ongeacht het geloof. Op een dag hielp zij een buurman die volgens zijn geloof moest vasten. Dat mocht niet van de kerk. Mijn moeder werd daarvoor gestraft en mocht geen kinderen meer laten dopen. Zij vond dat niet eerlijk. Liefde voor je medemens was toch juist belangrijk? Daarom haalde ze ons van die school en bracht ons naar een school waar geen onderscheid werd gemaakt tussen mensen. Sindsdien geloof ik dat God er voor iedereen is, in elk geloof.’

Archieven: Verhalen

‘Dit was de allereerste krant die in het bevrijde Nederland verscheen’

Op OBS De Spiegel in Zaandam bereiden Safiye, Abigail, Firdowsa en Jemina het interview voor. Dorothy Borghardt heeft heeft de oorlog niet zelf meegemaakt, maar ze vertelt het verhaal van haar oma Johanna Christina Belkmeer-Wessels. Toen de oorlog uitbrak, was zij 47 jaar en woonde in Amsterdam-Noord, aan de Waddenweg. Heel bijzonder is de krant die mevrouw Borghardt laat zien. Het Parool van zondag 6 mei 1945. Het is een artikel uit een verboden krant tijdens de oorlog. Op 5 mei 1945 capituleerden de Duitsers en dit was de allereerste krant die daarna in het bevrijde Nederland verscheen.

Wat gebeurde er in 1942?
‘Op een dag kwamen vier Joodse mensen bij mijn oma onderduiken. Haar huis was klein, ze woonde er met haar man en vijf kinderen. Mijn oma had een kleine ruimte ingericht als badkamer, maar uit de kraan kwam alleen maar koud water. Met z’n elven in een huis was het krap en zwaar.
Het was uitzichtloos, dus toen de Duitsers vroegen zich te melden voor werk, deden ze dat. Ze werden naar kamp Westerbork gebracht, een doorgangskamp, en daarna naar Auschwitz. Ze reisden in overvolle veewagons zonder toilet en met weinig water. Onderweg gooiden sommige mensen stiekem briefjes uit de trein, in de hoop dat iemand ze zou vinden. Bij aankomst gingen ze bijna allemaal, behalve de vader, direct naar de gaskamers.’

Zijn de onderduikers nooit verraden?
‘Helaas wel. In 1943 kwamen er drie Joodse mensen bij mijn oma onderduiken: een man die viool speelde, zijn moeder en nog een man. Ze werden verraden en door de politie meegenomen. Via Westerbork gingen ze naar Auschwitz, waar ze in de gaskamers omkwamen.
Omdat ze de Duitsers in huis had genomen, werd ook mijn oma opgepakt. Het helpen van Joodse mensen was strafbaar. Ze werd eerst naar een politiecel gebracht, daarna naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg in Amsterdam en vandaaruit ging ze naar concentratiekamp Vught bij Den Bosch.
Mijn opa was op het moment dat de Duitsers binnenvielen niet thuis. Alleen mijn oma was er, samen met de onderduikers. Ze wilden ook mijn opa oppakken, maar mijn oma was heel slim. Ze zei: ‘Ik ben de baas in huis, hij heeft er niets mee te maken.’  De Duitsers trapten erin en lieten hem met rust. Zo was mijn oma: klein van stuk, maar een heel sterke, slimme vrouw.’

Moest uw oma werken in het kamp?
‘Mijn oma werd vanuit kamp Vught doorgestuurd toen de Amerikanen bijna kwamen. In september 1944 dachten ze dat ze bevrijd zouden worden, maar de Duitsers haalden in twee dagen het hele kamp leeg. Alle mensen werden in treinen gepropt en naar andere kampen in Duitsland gestuurd. Mijn oma kwam eerst in kamp Ravensbrück terecht, in het noorden van Duitsland. Daar heeft ze niet zo lang gezeten, want kort daarna werd een groep van ongeveer tweehonderd vrouwen uitgekozen om naar een wapenfabriek bij München te gaan, in het zuiden van Duitsland. Dat was een lange treinreis in goederenwagons, en daar bleef ze de rest van de oorlog.
In de fabriek moesten de vrouwen wapens in elkaar zetten. Mijn oma en de anderen deden dat expres niet goed: schroefjes werden er niet goed ingezet, zodat de wapens later niet goed werkten. Zo saboteerden ze het werk. De Duitsers merkten pas dat de wapens niet goed werkten toen ze werden gebruikt.’

 Wat voor spannends heeft u oma in de fabriek gedaan?
‘De vrouwen kregen steeds minder te eten en moesten ’s ochtends heel vroeg opstaan. Ze liepen elke dag een lange afstand naar de fabriek en weer terug, vaak door sneeuw en kou, zonder warme jassen en met versleten schoenen. De commandant van het kamp moest het eten voor de gevangenen inkopen. Hoe minder hij kocht, hoe meer geld hij zelf hield. Op een gegeven moment besloten de vrouwen te staken, ze stopten het werk. ‘Nu gaan we dood van de honger, dan maar een snelle dood met de kogel.’ Het staken werkte: ze kregen meer te eten.’

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers hadden onze bakkerij op Midsland gevorderd en dat was niet leuk’

Sam, Hylke en Luuk van de Vossersschool op Terschelling hebben hun vragen goed voorbereid als ze in de auto stappen. Ze rijden helemaal naar Hoorn om Wim Bos (90) thuis op te zoeken. Omdat het lekker weer is, gaan ze met zijn allen rond de tuintafel zitten. Tijdens de oorlog woonde meneer Bos in Midsland op Terschelling.

Hoe oud was u tijdens de oorlog?
‘Ik was vijf jaar toen de oorlog begon. Mijn vader had een bakkerij in Midsland. De Duitsers hadden onze bakkerij gevorderd en dat was niet leuk natuurlijk. De Russische bakker die door de Duitsers bij ons aan het werk was gesteld, was ook veel liever bij zijn vrouw en kinderen in Rusland gebleven. Het was een goede man voor ons want hij sneed randjes af van de koek die hij voor de Duitsers bakte, en gaf die aan ons.’

Woonden er ook Duitse soldaten bij u in de straat?
‘In een straat dichtbij ons huis stonden allemaal barakken waar Duitse soldaten sliepen. De hoge piefen hadden huizen gevorderd in het dorp. De Duitsers kwamen soms ook naar de bakkerij. Ik kende wel een paar soldaten en omdat wij nog kinderen waren deden ze best aardig tegen ons. Op en dag werden we zelfs gewaarschuwd om niet te dichtbij een bepaalde plek te komen.’

Zijn er ook dierbaren omgekomen tijdens de oorlog?
‘De broer van mijn vader en zijn gezin met drie kinderen en een dienstmeisje zijn allemaal omgekomen tijdens een bombardement op Nijmegen. Zij woonden daar, terwijl wij redelijk veilig op Terschelling woonden.’

Wat weet u nog van het einde van de oorlog?
‘Ik was bij mijn oom op West-Terschelling. We waren aan het wandelen, toen we ineens zagen hoe de Duitse soldaten werden afgevoerd. Sommigen die niet wilden, werden beschoten. Mijn oom en ik zijn snel weggevlucht. Dat was best spannend.’

 

Archieven: Verhalen

‘Bij de bombardementen op de scheepswerf van Harlingen was ik heel bang’

Ronald van de Vossersschool op Terschelling is nog aan het jeu-de-boulen op het plein van het zorgcentrum de Stilen als zijn klasgenoten Lauren en Floris aan komen lopen. Met zijn drieën gaan ze eerst nog vragen voorbereiden in de koffieruimte van de Stilen voor hun interview met Nely Haringa (91). Met een lekker koekje gaat dat prima. Mevrouw Haringa woonde in Harlingen tijdens de oorlog.

Met hoeveel mensen woonde u in huis?
‘Ik groeide op in Harlingen en woonde samen met vader en moeder en zes broers en zussen in een klein huisje. Ik was zeven jaar toen de oorlog uitbrak en twaalf toen hij over was.’

Had u honger tijdens de oorlog?
‘We hadden geen honger. Wij kregen tegenover ons een Duits ziekenhuis en daar was wel eens wat eten over. Als kind moest ik wel een heel eind lopen om melk te halen bij de boer. Dan liep ik helemaal alleen want als ik met een broertje of zusje ging, kregen we samen maar één liter. Gingen we alleen, dan kregen we drie keer een liter melk.’

Kende u mensen die voor de Duitsers moesten werken?
‘Mijn zuster werkte in het hotel waar de Duitsers verbleven en daar luisterde ze stiekem naar de Engelse zender. De vrouw van de notaris kwam dan bij ons thuis zodat mijn zus alles kon vertellen wat ze had gehoord. Die notarisvrouw deed net alsof ze kleren voor ons bracht. Mijn vader werkte als havenarbeider en mocht zijn fiets houden om naar zijn werk te gaan. Ook hij moest voor de Duitsers werken.’

Wat was het ergste wat u heeft meegemaakt?
‘Tijdens de bombardementen op de scheepswerf van Harlingen was ik heel bang. We woonden daar dichtbij en op een nacht lagen de dakpannen in mijn bed. Dat was heel erg. Het beschieten, de bombardementen… Twee gezinnen zijn omgekomen, ze woonden dichtbij ons.’

Hoe was het na de bevrijding?
‘We gingen gewoon door. Het was wel heel vreemd want de ene dag hoorde je Duits praten en de andere dag hoorde je Engels. We vierden groot feest. Mijn vader had een Canadees op zijn nek die op een doedelzak speelde.

Ik hoop dat jullie zo’n oorlog nooit meer hoeven mee te maken. Want dat gaat je hele leven mee.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892