Archieven: Verhalen

‘Eigenlijk was het ook na de bevrijding nog een nare tijd’

Aniek, Chan, Olivier en Saar van OBS De Hasselbraam in Eindhoven gaan op bezoek bij Betsie van der Vleut. De kinderen krijgen tijdens het interview een lekkere eierkoek. Mevrouw Van der Vleut was acht jaar toen de oorlog begon en woonde met haar ouders en vijf broers en zusjes aan de Hastelweg in Eindhoven. Ze maakte verschillende bombardementen mee, zoals de beschieting een dag na de bevrijding.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
‘Het luchtalarm ging vaak af voor al die vliegtuigen die overkwamen. Thuis was er een schuilkelder gemaakt, vaak sliepen we in de kelder. Mijn vader had die zelf gemaakt. Op Biesterdwarsweg zijn twee families omgekomen door een bom die de opening van de schuilkelder raakte. De mensen hadden geen schijn van kans door de luchtdruk van de bom. Het hele woonblok was weggebombardeerd, er staan nu nieuwe huizen. Ook de Trudokerk en de Catharinakerk werden getroffen.’

Hoe kwam u aan eten tijdens de oorlog?
‘We hadden distributiebonnen voor suiker, koffie en aardappelen. Deze werden wel vaak verkocht op de zwarte markt, maar dat was eigenlijk niet zo netjes. Er was ook een gaarkeuken in de oorlog. Wij hadden zelf groenten en vlees want mijn vader was boer dus die wist precies hoe hij eten in de tuin kon verbouwen. We hamsterden voor de winter en zo hadden we altijd eten. Sommige boeren waren niet zo eerlijk. Er was veel zwarte handel waar ze beter van werden omdat veel mensen honger hadden. Andere mensen verdienden aan de distributiebonnen.

We hadden twee varkens maar we mochten er maar een hebben. Op een dag kregen we controle van de politie, maar gelukkig was de politieagent die in de kelder ging kijken erg aardig en zei dat hij niets had gevonden.’

Hoe was het feest toen de oorlog voorbij was?
‘Iedereen was heel blij bij de bevrijding. Mensen zwaaiden met vlaggen en zongen koningsgezinde liedjes. Toch was het niet zo vrolijk want de Duitsers zaten nog overal in de omgeving dus het bleef gevaarlijk. Het bedrijf Philips had mitrailleurs op het dak staan en die hoorden we schieten. Toen wisten we dat het niet goed was. De Duitsers schoten twee lichtkogels af. De mensen die op straat waren, dachten dat het vuurwerk was. Onmiddellijk na dit bombardement zijn we midden in de nacht gevlucht, door de korenvelden naar Veldhoven. Dat was erg gevaarlijk, maar uiteindelijk hebben Engelse soldaten ons naar oma gebracht. Eigenlijk was het ook na de bevrijding nog een nare tijd want toen besefte iedereen pas wat er echt was gebeurd en dat veel mensen niet meer terugkeerden naar huis.’

Wat gaat u nooit meer vergeten van de oorlog?
‘Een vliegtuig werd uit de lucht geschoten door mitrailleurs die bij Philips op het dak stonden. De piloot kwam met zijn vliegtuig over ons huis aan de Hastelweg en ging steeds lager vliegen. Ik kon de jonge piloot goed zien en ik zag de doodsangst in zijn ogen. Hij kon er niet uit springen want hij vloog te laag om de parachute te openen. Ik dacht dat-ie op ons huis zou landen. Uiteindelijk is hij ergens in Strijp in het kanaal terecht gekomen. Het is me altijd bijgebleven.’

Archieven: Verhalen

‘Ze lachten mij uit omdat ik op straat liep in mijn pyjama…’

Luuk, Valentijn, Amélie en Jagger van basisschool De Hasselbraam in Eindhoven fietsen naar het gezellige huis van Ad van Thoor (1936). Daar ontvangt hij hen hartelijk, samen met zijn vrouw Paula. Tijdens het interview worden kinderen getrakteerd op drankjes en andere lekkernijen van Paula en op de grapjes van Ad.

Wat gebeurde er tijdens het bombardement van 1944?
‘Het bombardement van 19 september 1944 kan ik bijna fotografisch zien, zo’n indruk heeft dit op mij gemaakt. Ik was acht jaar en zat in mijn pyjama met een aantal mensen in een schuilkelder aan de Aalsterweg, waar nu de Cool Blue is gevestigd. Het was een verrassingsbombardement van de Duitsers, want Eindhoven was eigenlijk net bevrijd door de Engelse en Amerikaanse soldaten. Ik was als enige van mijn gezin in die schuilkelder, want mijn ouders hadden hun kinderen verspreid over verschillende locaties. Zodat ze niet in één klap al hun kinderen zouden verliezen als er iets ergs zou gebeuren. In de schuilkelder brandden kleine lichtjes. We hoorden de vliegende bommen vallen en er viel er ook een op het café naast ons. De lichtjes vielen uit en er ontstond paniek. Iedereen wilde uit de schuilkelder vluchten. Ik kwam er als laatste uit en daar stond ik, alleen op de binnenplaats. Een bekende van mijn moeder nam mij mee naar een veilige plek. De volgende morgen bracht zij mij te voet terug naar huis. Ik zag overal doden en gewonden liggen. Ik heb gezien dat ze werden opgehaald door boerenkarren en huifkarren. Het bombardement was voorbij en het was mooi weer. De zon scheen en de kinderen speelden op straat, en ze lachten mij uit omdat ik daar liep in mijn pyjama…’

Had u een huisdier in de oorlog?
‘Ja, ik had een hondje, een fox terriër, genaamd Foxxie. Ik stond met mijn hondje voor de winkel van mijn moeder naar de Duitsers te kijken met hun mooie groene jassen. Toen kwamen er twee grote Duitse officieren en die liepen daar, met hun schoenen beslagen met ijzeren pinnen. Die maakten zoveel lawaai dat het hondje zich los trok van mij en pardoes in de jas van een van de officieren hapte. Er zat een grote winkelhaak in. Ik schrok heel erg en de Duitse officier zei: ‘Wo ist deine Mutti?’ We moesten naar mijn moeder en zij heeft op de naaimachine de winkelhaak in de jas van de Duitse officier gerepareerd. Dat was een van de heftigste dingen die ik heb meegemaakt in de oorlog.’

Wat deden jullie in de vrije tijd?
‘Wij waren vooral aan het voetballen met zelfgemaakte voetballen. Want er was weinig te krijgen. Wij maakten die voetballen van in elkaar gefrommeld krantenpapier en elastieken van de weckpotten. Die weckpotten werden gebruikt om groente langer houdbaar te houden. Als er geen verse groente meer verkrijgbaar was, kon je uit de weckpotten eten.

Mijn broer had als grote uitzondering een leren voetbal gekregen van mijn vader. Maar dit was uniek in Eindhoven! Naast het voetballen hielden we ons bezig met tollen, repen met een fietswiel, schieten met pijl en boog of met een katapult. Ook dat moest je allemaal zelf maken, want er was niks. Er was niks te koop, of je kreeg bonnen waarmee je wat kon kopen.’

Wat heeft veel indruk op u gemaakt?
‘Toen de Duitsers waren verdreven, kwamen de Engelse bevrijders en zij sloegen hun tenten op in het Stadswandelpark. Gedurende een aantal weken reden ze met militaire voertuigen over de Aalsterweg van Valkenswaard naar Eindhoven en terug om al hun materieel op te halen. Ik stond dan met mijn hondje langs de kant van de Aalsterweg te kijken naar die militaire voertuigen. Plotseling stopte zo’n voertuig vlak voor onze winkel, de klep ging open en er kwamen allemaal lekkere dingen uit. In de consternatie had mijn hondje zich weer los gerukt en voordat ik het in de gaten had, trok een van de soldaten het hondje in de auto. De deur ging dicht en ze reden weg en ik heb mijn hondje, mijn maatje, nooit meer teruggezien!’

 

Archieven: Verhalen

‘In één keer brak de hel los… echt de hel!’

Roos, Saar, Jasmijn en Fern zijn op bezoek bij Peter Buddemeijer (1936) in zijn appartement. Ze zitten op de school De Hasselbraam in Eindhoven en gaan hem interviewen over de oorlog. Hij kan heel gedetailleerd vertellen en ze weten na afloop nu ook wat de naam van hun school betekent.

Had u veel eten in de oorlog?
‘Wij kwamen in de oorlog niets tekort. Dat wil zeggen: ons gezin, dus mijn vader en moeder, mijn broertje en zusje en ik. Mijn vader was voor de oorlog slager en kon dus dieren slachten. Dat deed hij in de buurt. Dan vroegen de mensen: Toon, wilde gij slachten? Als hij klaar was, wilde hij geen geld maar een gedeelte van het vlees. We kwamen dus niks tekort, maar het eten was wel afgepast. Het brood was op de bon, we kregen niet meer dan vier sneetjes per persoon. Mijn ouders kwamen oorspronkelijk uit Eersel en zij kenden dus veel mensen in die buurt. Mijn vader ging regelmatig ‘de boer op’ om melk en graan te kopen. Als hij thuiskwam, moest ik in actie komen. Met zo’n ouderwetse koffiemolen moest ik het koren malen, net zolang totdat ik 1 kilo meel bij elkaar had.

Mijn vader was voor d’n duvel niet bang, maar mijn moeder had juist heel veel schrik. Vooral als mijn vader weer eens op strooptocht was. Mijn moeder moest ook af en toe mee om het stuk vlees op te halen, als hij bij mensen had geslacht. Dan namen ze mijn zusje mee, die nog een baby was. Mijn zusje lag in de kinderwagen. Onderin de kinderwagen had mijn vader een luikje gemaakt en daar stopten ze dan het stuk vlees in. Luikje dicht en dan mijn zusje daar weer bovenop. Zo hadden de Duitsers niet in de gaten dat ze eigenlijk vlees aan het smokkelen waren.’

Kunt u iets vertellen over het Sinterklaasbombardement?
‘Vroeger werd Sinterklaas ’s morgens op 6 december gevierd, zo ook die keer in 1942. Mijn broer en ik kregen samen een toverlantaarn, waarmee je plaatjes op de muur kon projecteren. Wij waren er reuze blij mee! Er stonden ook twee cyclamen op tafel en die waren voor oma. ’s Middags ging mijn vader die cyclamen naar oma op de Hoogstraat brengen, samen met mij en mijn broertje. Ik zat achterop de fiets en mijn broertje zat voor in het stoeltje. Wij kwamen bij de spoorwegovergang bij de Demer, maar die was dicht. We moesten heel lang wachten, want we konden niet met de fiets en al over de voetgangersbrug. In één keer brak de hel los… echt de hel! Vanaf de kant van het PSV-stadion kwamen heel veel Engelse vliegtuigen, Spitfires en Mosquito’s. Dat zijn bommenwerpers. Ze wierpen die bommen op de Philipsfabrieken vlak voor onze neus. Op de lichttoren stonden mitrailleurs opgesteld van de Duitsers en die begonnen te ratelen. Ze schoten op die Engelse vliegtuigen. Daar stonden wij vlakbij. Mijn vader liet zijn fiets vallen, wij lieten onze bloempotten vallen en we plasten van schrik in onze broek. Het waren fosforbommen en overal waar ze vielen begon het te branden. We konden schuilen in een huis in de buurt. Daarna kwam de tweede golf van vliegtuigen. Omdat de vliegtuigen heel laag vlogen, was er geen alarm afgegaan. Door die bombardementen wilden de Engelsen de Philipsfabrieken uitschakelen, zodat ze geen oorlogstuig meer konden maken. Daarom hadden ze de zondag uitgekozen om te bombarderen. Maar toch zijn er veel burgerslachtoffers gevallen. Toen de aanvallen voorbij waren, gingen we naar huis. Zonder fiets, zonder bloemen. En die toverlantaarn… die hebben we nooit meer gebruikt.’

Hadden jullie Joodse onderduikers in huis?
‘Ja, in de oorlog hadden wij Joodse onderduikers in huis. Mijn vader was niet bang. Door die onderduikers in huis te halen, riskeerde hij de doodstraf. Ik wist niet dat wij onderduikers in huis hadden, want onze ouders hadden ons niets verteld omdat ze bang waren dat wij ons misschien zouden verspreken. Vroeger hadden veel huizen een afgesloten trap naar de zolder en dat was bij ons ook zo. Voordat die onderduikers er waren, speelden wij wel eens op de zolder, maar ineens was de deur op slot. Onze ouders zeiden: Als je iets hoort op zolder, zullen het wel pieten zijn’. En wij geloofden toen nog vast in Sinterklaas, dus wij vroegen niet verder. Mijn ouders waren bang dat de buren iets zouden horen. Dat waren NSB’ers en dan zouden ze verraden worden. Op een gegeven moment heeft mijn vader de onderduikers naar een ander adres gebracht want mijn moeder leefde constant in angst. Gelukkig heeft dit Joodse gezin de oorlog overleefd.’

Hoe was het om met paard en wagen naar Waalre te gaan?
‘De bevrijding begon op 17 september 1944. De lucht zag zwart van de vliegtuigen. Wij zagen ze overkomen. Ze landden op de Sonse Heide en uit die vliegtuigen kwamen soldaten en militaire voertuigen. Op 18 september was de bevrijding. Ik was de hele dag op de Boschdijk, want daar kwamen de voertuigen en de soldaten overheen. Op Vlokhoven is flink gevochten. De Amerikaanse soldaten strooiden koekjes en wij maar graaien natuurlijk. Ik leerde mijn eerste Engelse woordjes: please, biscuits en cigarettes for papa. Toen ik thuiskwam zei ik tegen mijn moeder: Ik heb een zwarte piet gezien, die soldaat is. Ik had voor die tijd nog nooit een zwarte man gezien…

Op 19 september waren er grote feesten op de Markt in Eindhoven. Rond 20.00 uur kwamen er oranje bollen uit de lucht vallen. Mensen dachten dat het vuurwerk was, maar het waren lichtkogels en 15 minuten later vielen er ineens heel veel Duitse bommen uit de lucht. Onze straat, de Lijmbeekstraat, stond vol met Amerikaanse auto’s die benzine vervoerden. Wij waren bang dat er een bom op zou vallen. De volgende morgen was het puin ruimen. Er was een gerucht dat de Duitsers ’s avonds weer zouden gaan bombarderen en daarom zijn er veel mensen gevlucht uit Eindhoven. Wij ook. We mochten op de kar van de schillenboer, met een paard ervoor. En zo kwamen wij in Waalre terecht, bij een boer, en daar mochten wij in de stal slapen, in het hooi. Als kinderen vonden we het wel leuk, we hadden een vakantiegevoel. We bleven daar drie nachten en toen konden we terugkeren naar ons huis in Eindhoven.’

Archieven: Verhalen

‘Toen we op transport werden gezet naar een ander jappenkamp zonder eten en drinken had ik zo n dorst dat ik onderweg toen we stilstonden omdat de locomotief water nodig had, even ontsnapte om water te halen’

Truida woont echt midden in het centrum van Alkmaar. De interviewers zijn best zenuwachtig, ze zijn het eerste groepje en dat vinden ze heel spannend.

Als we bij Truida aankomen begint Truida direct te vertellen, de kinderen komen er bijna niet meer tussen…..wat een bijzondere verhalen!

  1. Hoe was het op school in Indonesië?

Toen ik zes jaar was woonde ik op Oost-Java en ging ik voor het eerst naar school.

De school was ver weg en om zes uur smorgens wachtte ik op de bus naar Kediri waar mijn schooltje was. De school begon om 7 uur maar dat haalde ik nooit want de bus was altijd laat. Als ik uitstapte stond de dogcar die mijn ouders huurden al klaar met chauffeur.

Op school kon je niet spieken omdat als je links zat je de opgaven van het linkerrijtje op het bord moest maken en als je rechts zat het rechterrijtje.

Ook moesten we met de handen op onze rug zitten. Toen ik in Nederland kwam deed ik dat dus ook en zei de meester; “Wat doe jij nou?”

Wat deed uw vader?

Mijn vader voer voor een pakketvaartmaatschappij die er om bekend stond als: ‘die komt pas morgen’. Hij was op zaterdagmiddag vrij en moest zondag om 5 uur alweer aan boord

Dit was niet zo leuk voor de kinderen, en daarom zocht mijn vader een baan aan de wal en ging hij werken in de vleesfabriek in Jakarta

Hoe was het in Jakarta?

Bij ons huis was een prachtige tuin en achter ons huis waren stallen voor paarden die we aaiden en eten gaven. Op een dag waren alle paarden verdwenen. Mijn moeder zei dat ze iets verkeerds hadden gegeten maar eigenlijk waren ze naar de vleesfabriek gebracht en geslacht.

Later zijn we verhuisd naar een klein eilandje Madoera waar zout gewonnen wordt. Omdat het heel corrupt was wilde mijn vader daar niet blijven.

Madoera vond ik zelf heel leuk, want we mochten in de zoutbakken zwemmen.

We verhuisden daarna naar Surabaya dat 800 km verderop lag. We gingen met de trein en in de trein zag ik, toen ik wakker werd omdat de locomotief water nodig had, de mooiste zonsondergang die ik ooit had gezien.

**

Hoe was de Tweede Wereld oorlog voor jullie in Indonesië?

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak hoorden we over brandende huizen door bombardementen en bommenwerpers in Nederland. Ik kon me daar toen niets bij voorstellen.

Mijn vader kwam in die tijd bijna niet meer thuis. Mijn moeder zei: “Hij moet oefenen in zee en ik vroeg me af wat hij daar in de zee deed?

Mijn vader bleek later van alles te saboteren in opdracht en we hoorden dat hij ontsnapt was met een boot naar Australië. Later is hij verraden, opgepakt en doodgeschoten.

**

Waarom moesten jullie naar het jappenkamp?

De Japanners hadden spullen en huizen nodig. Wij waren in Surabaya 1 v.d. laatste die aan de beurt waren. Ze kwamen bij ons langs en zeiden; over 4 dagen moet je het huis uit zijn en dat en dat en dat willen wij hebben. Ik sloop stiekem weg en nam fotoboeken mee in een laken naar ons nieuwe huis in het kamp.

Hoe zag een Jappenkamp eruit?

De Japanners zochten delen van alle steden uit die ze omheinden met prikkeldraad met gevlochten bamboe zodat je niet naar buiten kon kijken. In het kamp liep een stadswacht die ‘s nachts patrouilleerde.

Akelig was dat de mensen in de kampen bijna niets te eten kregen en er steeds meer mensen in de kampen kwamen.

De huizen in de kampen waren niet zo groot en we sliepen met zijn 8en in een kamer. Toen ik 11 jaar woonden we met 35 mensen in het huis.

De leiders van het kamp waren heel aardig voor ons kinderen. Dat vond ik wel bijzonder.

Gingen jullie ook wel eens naar een ander kamp?

Jazeker. Er werd op een keer gezegd: “Jullie gaan naar een ander kamp en je mag 7 hutkoffers meenemen. Deze moesten wel specifieke maten hebben dus we probeerden te ruilen voor goede maten. Alles moest met de trein mee en het duurde de hele nacht. We hadden geen eten en drinken en het ergste was de dorst als je in zo n trein zit boven op elkaar. Ik had zo n dorst! Op een gegeven moment stopte de trein omdat de locomotief water nodig had en toen ben ik stiekem uit het raam van de trein geklommen, dat lukte goed omdat ik klein en vlug was. Ongezien heb ik toen een flesje water gevuld. Ik ga dus nooit meer op weg zonder een flesje water.

Uw ouders zijn beiden overleden, wat is er met uw moeder gebeurd?

Mijn moeder gaf altijd het meeste eten aan ons en ze deed alles voor ons. Eigenlijk moest ze werken in het Jappenkamp maar ze wilde dat niet omdat ze voor ons wilde zorgen. Maar de officier in het kamp was hier niet van gediend. Toen zei ze tegen hem ‘als ik niet voor mijn kinderen mag zorgen.. steek me dan maar dood! Toen was hij wel onder de indruk en ze heeft niet hoeven werken en mocht voor ons zorgen!

Maar omdat mijn moeder zichzelf in het kamp standaard te weinig eten gaf, werd ze ziek en overleed ze uiteindelijk. De oorlog was toen net afgelopen. Daarna moesten wij met een vrachtauto naar het weeshuis en later gingen we met alle andere wezen op de boot naar Nederland. Daar sliepen we in hangmatjes en werden we begeleid door de oudere kinderen. Wij waren met zijn zevenen en werden de 7 geitjes genoemd.

Archieven: Verhalen

Shakuntala’s oma werd in India opgepakt, in een loods gegooid en de volgende dag op de boot gezet naar Suriname om daar als contractarbeider te werken op de plantages

Bojana, Levi en Timo zijn het laatste groepje dat gaat interviewen. Bij Shakuntala moeten eerst de schoenen uit en heeft ze lekkere geurtjes en kaarsjes in een schaal met water en  bloemblaadjes  voor een goede energie. De pers is erbij dus het is extra spannend! Ze interviewen zelfs zonder briefjes!

Hoe was het op school?

Ik ging naar een Hindoestaanse school, maar kinderen uit allerlei culturen gingen daarnaartoe.

Suriname is een smeltkroes van allerlei culturen omdat tijdens de slavernijperiode mensen vanuit allerlei landen naar Suriname gebracht zijn om te werken op de plantages.

De tot slaaf gemaakte werden meestal afschuwelijk behandeld en het was heel hard werken. Er waren er ook die weigerden en de bossen invluchten, zij heten de Marrons. De Marrons woonden nog steeds in de bossen toen ik daar opgroeide en ze kwamen af en toe bij mij in de klas. Ook Boutersen ging bij ons naar school.

Op school stonden de ramen altijd open en in de klas zat je in de knappe rij, de midden rij, de domme rij of de hele domme rij. Als je in de hele domme rij zat was dat heel erg, want dan wist iedereen dat.

**

U was Hindoestaanse; waarom besloot u om moslim te worden?

Ik kreeg een goede vriendin die moslim was. Toen zij ging vasten nam ze me daarin mee. Dat vond ik zo geweldig, die discipline van het vasten. Zelf ben ik van geboorte hindoestaanse. Maar wanneer we vroeger met hindoestaanse rituelen bezig waren giechelde we heel erg en werden we vaak weggestuurd.

De traditie van het vasten maakte ik echt met haar mee en kon ik serieus nemen.

**

Welke culturen en geloven waren er in Suriname?

Er waren Indianen die natuurgodsdiensten hadden en in bomen goden zagen. Er waren Afrikanen dei hun eigen natuurreligie hadden. En er waren kolonialisten, de Nederlanders, die rooms-katholiek waren en de natuurvolken probeerden te kerstenen, kerstenen is deze volken laten bekeren naar het christendom. Maar ook waren er Hindoestanen uit India en Boeddhisten uit Indonesië.

Wat vindt u van die geloven?

Ik herinner me dat ik een tijdje op een Rooms-katholiek internaat zat. Daar waren heel veel beelden. Heel eng! En dan moest je ook nog knielen voor al die beelden!

Maar ik heb veel onderzoek gedaan naar de overeenkomsten tussen de verschillende geloven. Dat is interessant, om te zoeken naar overeenkomsten i.p.v. naar verschillen en elkaar daarmee te lijf gaan.

**

Welke tradities heeft u meegenomen naar Nederland?

Ik hou ervan om lampjes te branden. Ik doe daar geklaarde boter in met een lontje die we branden voor zonsopkomst. We hebben ook een lichtjesfeest eind oktober waarbij we de maanstanden gebruiken.

De schalen op tafel met water, bloemblaadjes en kaarsjes zijn om een fijne energie in huis te creëren. Dat doen we ook met geuren.

Wat deden jullie met verjaardagen in Suriname?

Iedere verjaardag werd er een verjaardags-bus gehuurd waarmee we door de stad gingen touren met veel lawaai!

**

Uw oma kwam naar Suriname om op de plantages te werken. Hoe kwam ze daar terecht?

Mijn oma woonde in India en was Hindoestaanse. Bij de hindoestanen is het zo dat de schoonouders van de man met wie je trouwt alles met je mogen doen, dus zij mochten je slaan en mishandelen. Mijn oma had een dochtertje van 3 en werd dus zwaar mishandeld door haar schoonouders. Keer op keer keerde ze terug naar haar ouders, maar die stuurden haar meteen weer terug naar haar man en schoonfamilie.

Op een dag was ze onderweg naar huis en ontmoette ze mensen die haar zeiden kom lekker hier zitten. Toen ze nee zei hebben ze haar gewoon opgepakt, in Calcutta in een loods gegooid en de volgende dag op de boot gezet en naar Suriname. Die reis duurde 99 dagen!

Er werden in die tijd hele groepen van straat geplukt in India. Er werd ze gezegd dat ze naar god siram gingen. Dat geloofden de mensen maar later kwamen ze erachter dat het heel zwaar werk was in Suriname. Na 5 jaar zware arbeid op de plantages mochten de contractarbeiders weer terug en kregen ze een gratis ticket naar huis. Maar als je een kind had moest je voor dat kind wel de overtocht betalen. Als je dan geen geld had bleef je in Suriname. Wel kreeg je dan in plaats van het ticket een stukje grond.

Werkte u ook op plantages in Suriname?

Ja, ik werkte daar omdat ik het leuk vond! Dat was een hele andere tijd!

Zelf heb ik rijst geplant en gesneden en in de moerassen gelopen.  In de moerassen werkte ik graag als het heel heet was, lekker koel met al dat water. Ik ving vissen en garnalen in mijn handen als kommetjes.

Op de plantage was een heel irrigatiesysteem met heel veel sluizen, dus dat was heerlijk!

Hoe bent u opgevoed?

Heel streng! Ik mocht niet alleen op straat lopen omdat ze bang waren dat ik een leuke jongen tegen zou komen en een vriendje zou krijgen.

Mijn ouders hielden me constant in de gaten, daar was ik aan gewend. We mochten in de vakantie ook nergens naar toe, behalve naar de bioskoop en de klimles met een chaperonne, dus onder begeleiding. Dat klinkt vervelend maar ik wist niet beter.

Ik had wel stiekem een vriendje…. maar daar mocht ik niet mee trouwen omdat hij moslim was.

 

Archieven: Verhalen

“Een vriend van mij gaf me een hele mooie pijl en boog mee toen ik naar Nederland ging met de woorden: “die zul je daar wel hard nodig hebben!” Ik had echt geen idee waar ik terecht zou komen!”

We komen binnen in een warm en prachtig huis ingericht met allerlei mooie spullen uit Indonesië en Papoe New Guinea. We worden ontzettend hartelijk ontvangen door Huib en zijn vrouw en zijn zoon met vriendin die over is uit Balie. De kinderen voelen zich meteen op hun gemak en vinden het heerlijk bij Huib. Hij kan ook prachtig vertellen!

Waren jullie arm of rijk?

Wij waren arm als je kijkt naar geld maar heel rijk als je kijkt naar andere dingen.

Wat herinnert u zich van Indonesië?

Ik had een baboe die me dagelijks naar school bracht. Op een keer, ik was 4 jaar, was ze er niet en ben ik alleen naar huis gelopen. Achteraf bleek dat heel gevaarlijk omdat kinderen vaak ontvoerd werden en als lokaas werden gebruikt en ruilmiddel. Ik kwam toen gelukkig iemand tegen die ik kende op een bedja, soort bakfiets, die heb ik geroepen en hij heeft me toen naar huis gebracht omdat hij wist waar ik woonde.

Is er familie van u overleden in de oorlog?

Ik herinner me mijn nichtje Maudi. Zij ging boodschappen doen voor haar moeder en toen ze thuiskwam was haar hele familie uitgemoord. Haar vader moeder, broers, zusters. Ze is toen zo geschrokken dat ze in 2 dagen kaal werd.

Jouw familie heeft in een Jappenkamp gezeten, hoe was dat?

Mijn vader heeft heel lang uit de kampen kunnen blijven. Hij kleedde zich in een sarong en overviel pakhuizen voor rijst om aan mensen te geven die honger hadden. Maar op een gegeven moment is hij verraden en opgepakt.

In het Jappenkamp was er geen melk en hadden veel kinderen last van hongeroedeem., dan heb je een hele dikke buik omdat je geen eten hebt

Het leven was heel heftig in het Jappenkamp. Mijn vader werd gemarteld en zijn rug werd stuk geslagen.

Wanneer ging u naar Papoea New Guinea?

Toen ik 4 jaar was vluchtten we naar Papoea New Guinea. Ik reed op mijn driewielertje en mijn vader met een geweer in zijn handen zei:’ nu is het tijd om te vertrekken!’ Hij pakte mij met het driewielertje en al op en zette me in een vrachtwagen met matrassen aan de zijkanten. We moesten onder de matrassen gaan zitten omdat de matrassen de kogels tegenhielden.

Hoe zag uw huis in Papoea New Guinea eruit?

Wij hadden het huis zelf gebouwd van oude tractorkistjes, palen van omgezaagde bomen en palmbladeren gebruikten we voor het dak. Het huis was heel groot, 6 meter breed en 18 meter lang. Mijn ouders hielden veel van dansen dus ze hadden een hele grote woonkamer gemaakt. We hadden een oude grammofoon en dansten de tango en de Engelse wals. We konden dus heerlijk hollen door het huis.

We woonden 80 meter van het strand en niet zo ver van de bewoonde wereld.

U heeft veel wapens aan de muur hangen; waar werden die voor gebruikt?

Ik heb een zwaard/mes dat ik altijd bij me had. Wanneer je in Papoea door de bossen liep kon er een wurgslang op je hoofd vallen. Dus ik was altijd alert; als dat gebeurde hield ik mijn mes omhoog en kronkelde de slang om dat mes en doodde ik de slang.

Ook hadden we speren om vissen te vangen en een pijl en boog om dieren te doden.

De kris is een heilig wapen, dat mag alleen worden doorgegeven aan iemand persoonlijk met de belofte dat je er met een goede energie mee omgaat. Wanneer de kris uit zichzelf een stukje uit de schede komt. Betekent dit dat er iets vreselijks gaat gebeuren.

Waaiers met mesjes werden gebruikt om mensen af te schrikken als je werd aangevallen. Je moet je dus voorstellen dat aan deze waaier allemaal mesjes zitten! Dat ging zo! (zal vragen of Huib zo n waaier mee neemt naar de eindontmoeting zodat ze het kunnen demonstreren.)

Ging u daar ook naar school?

Er was een missieschool waar ik naar toe ging die was opgericht door missionarissen. Om daar te komen gingen we met een pontje en daarna moesten we nog 5 km lopen naar de school. We liepen op blote voeten over het hete asfalt, smorgens was het al 32 graden en smiddags als we terugliepen 45 graden. We begonnen daarom ook heel vroeg, al om 08.00 uur.  Als we teruggingen met het pontje gingen we heerlijk zwemmen!

Er was een prachtig koraalrif voor de kust waar prachtige visjes zwommen, ik zwom iedere dag onder water om dit te bewonderen, dat was zo mooi! Zwemmen had ik geleerd van de hond dus ik zwom op zijn hondjes….

Ook had ik heel veel eelt onder mijn voeten en mijn vader haalde 1x per week de steentjes eruit.

Deed u ook andere activiteiten?

Ik voetbalde ook heel graag. Op een keer hielp ik mee met een varken roosteren en vroeg de meneer wat ik graag wilde hebben; voetbalschoenen zei ik. Mijn moeder vond dat niet kunnen en was boos. Voetbalschoenen moesten uit het buitenland komen en waren heel duur! Maar de meneer gaf ze me toch! Mijn vriendje was de linkerkant met voetballen en ik de rechterkant dus hij kreeg de linkerschoen en ik de rechter. Zo hebben we vaak wedstrijden gewonnen!

Hoe was het om in Nederland te komen en te wonen?

Heel erg beroerd. Ik had geen idee waar ik terecht kwam. Een vriend van mij gaf me een hele mooie pijl en boog mee met de woorden: “die zul je daar wel hard nodig hebben!” Ik had echt geen idee hoe Nederland er uit zag!

Toen ik aankwam stond ik daar alleen in een kort broekje, wat was het koud!

Ik vond het ook heel moeilijk. Mensen zagen me als een ander ras omdat ik er anders uit zag. En ik sprak Nederlands maar met een klemtoon. Ik werd ook regelmatig gediscrimineerd. Als ik naar de bioskoop ging en ik bijna aan de beurt was voor een kaartje gingen grote jongens voor me staan:” wat moet je blauwe ga achteraan sluiten! Dan begonnen we te vechten maar die jongens wisten niets van de Indonesische vechtkunst dus ze waren zo geveld!

Ook tijdens mijn werk heb ik meegemaakt dat een collega niet wilde dat ik meereed, hij zei:’ in principe neem ik geen kleurlingen mee’ Dan kun je wel boos worden maar dat moet je dus niet doen.

Als je gewoon vriendelijk blijft en vrolijk doet los je vaak al veel op.

**

Kinderen gaven na het interview aan dat ze graag willen vertellen over:

  • Hoe het was in het jappenkamp en wat er gebeurde met Maudi, zijn nichtje.
  • Leven in Papoea New Guinea / Wapens en gebruik
  • Hoe het was om in Nederland te komen

Het verslagje is ook naar de docent gestuurd met de vraag of de kinderen ernaar willen kijken en nog een keer willen kijken naar wat ze graag willen vertellen.

Archieven: Verhalen

‘Iedere zondag moest ik naar de kerk; anders was je afvallig. Als je ging ontving je een reçu (een strookje met het stempel van de kerk erop) als bewijs dat je naar de kerk was geweest. Dat moest je maandag op school inleveren, zo niet dan werd je met een mooi geslepen lat op je vingers geslagen’

Ditte, Amy en Thijn gaan met de auto naar Alkmaar om Henk Heilbron te interviewen die opgroeide in Paramaribo in Suriname. De Surinaamse vogel in het huis van Henk trekt meteen de aandacht, mogen we die aaien? Later blijkt dat de vogel vrij rondvliegt en land op het hoofd van Ditte en de arm van Amy, hoe leuk is dat!

Ditte: Waarom ging u weg uit Suriname?  Hoe voelde u zich in Nederland? Werd u gediscrimineerd? Hoe hield u zich staande?

Natuurlijk werd ik gediscrimineerd, vooral in het begin. “Ga terug naar je apenland” riepen ze dan, sambo! Dat was soms wel pijnlijk.

Toen ik jong was voelde ik me vaak verdrietig en boos. Ik was toen nog heel vatbaar voor dat soort opmerkingen. Maar je groeit er mee op en raakt eraan gewend.  Het heeft me ook sterker gemaakt zonder dat ik het wist. Heel lang had ik geen zelfvertrouwen en twijfelde ik aan mezelf. Maar op een dag werd ik wakker en dacht ik: als ik nu niet de volgende stap zet blijf ik hier staan en kom ik niet verder. Ik ben wie ik ben en doe wat ik moet doen om mijn doel te bereiken.

Iedereen heeft zijn kwaliteiten. Vaak werd er gedacht bij sollicitaties en op de werkvloer: hij is een donkere man, wat zal hij kunnen? Maar je kunt bewijzen in je werk dat je het kan en dat heb ik gedaan.

Overal wordt er gediscrimineerd. Ook onderling gebeurt dat in Nederland en ook Surinamers pesten elkaar.  Mensen weten niet beter. Daarom is het belangrijk om altijd sterk te staan, op je eigen benen en je er niets van aan te trekken.

Ik ben gaan werken met mensen met autisme en hersenbeperkingen; ik had een goede klik met ze en in dat werk werd ik heel er gewaardeerd.

Net zoals wilde dieren in de rimboe, dieren scannen en pakken die zwak zijn, doen mensen de mensen pijn die daar ontvankelijk voor zijn. Je kunt dus beter je zwaktes niet laten zien omdat dat tegen je gebruikt kan worden.

Heb ook niet te veel verwachtingen van mensen, maar wel van jezelf. Ik heb 1 ding geleerd; als je goed doet naar andere toe, dat het goede vanzelf naar je toe komt. Als je te boosaardig bent trek je het boze naar je toe.

Thijn: Hoe zat dat met de kerk in Suriname en het geloof? Waar werden de bijbel en het geloof door de kolonialisten voor gebruikt?

Het geloof had alles te maken met het koloniale verleden. Nederland gebruikte het geloof en de bijbel om de bevolking haar regels en waarden en normen op te leggen en om mensen aan zich te binden.

Ik werd dus katholiek opgevoed omdat Nederland dat wilde. Het geloof werd me opgedrongen; je had in Suriname protestant, katholiek en het geloof van de bevolking zelf, in de natuur. Maar je moest katholiek zijn omdat Nederland het voor het zeggen had.

Iedere zondag moest je naar de kerk; anders was je afvallig. Als je ging ontving je een reçu (een strookje met het stempel van de kerk erop) als bewijs dat je naar de kerk was geweest. Dat moest je maandag op school inleveren. Als je dat op school niet maandag kon overhandigen aan de frater, een pastoor die hoofd van de school was, werd je in de hoek gezet. Na afloop van de ceremonie werd je op het matje geroepen. Veel jongens kregen met de lat. Deze lat werd gemaakt van mooi hout en werd mooi geslepen en daarmee sloeg de pastoor je op de vingers. Dat deed echt heel veel pijn.

Amy: wat is er gebeurd met uw voorouders? Werkten zij als tot slaafgemaakten? Hoe werkt dat door in u?

Mijn ouders moesten hard werken in de koloniale tijden en werden niet naar behoren uitbetaald. Nederland had het voor het zeggen. Ze moesten zwaar werk verrichten, mijn vader werkte als mecanicien in de mijnbouw van aardolie en goud en mijn moeder als schoonmaakster. Ik hielp ze altijd mee omdat het zo zwaar was voor ze. Zij zijn mijn grote voorbeelden.

Mijn oma s moeder was een slavin. Dat was wel een periode waarin de kansen iets beter werden voor de tot slaafgemaakten. De slavenhandelaren in die tijd gingen relaties aan met en maakten misbruik van donkere vrouwen. Hun kinderen waren lichter van kleur en hoe lichter van kleur hoe beter de kansen.

Mijn ouders hebben weinig onderwijs gehad, dat was in die tijd niet voor iedereen en dat heeft me wel beziggehouden. Ik dacht altijd; ik moet het beter doen dan zij het hebben gedaan.

Maar als je bezig blijft met het verleden is dat niet goed denk ik. Sommige mensen zitten nog in de pijn van het slavernijverleden maar de samenleving van nu kan niets doen aan het slavernij verleden. Dat waren hun voorouders en misschien dat niet eens.

Wat wel zo is dat jouw voorouder ook een donkere man of vrouw kan zijn geweest en daarom leg ik iedereen uit dat je nooit weet wat jouw afkomst is en dat je nooit moet neerkijken op een ander. Probeer altijd begrip te tonen voor iedereen.

Hoe was het om op te groeien onder een koloniaal systeem?

Ik wist niet beter maar naarmate ik ouder werd ging ik het leven anders bekijken en besefte ik dat er dingen niet klopten. Ik zag dat niet iedereen gelijk was. Vooral op school merkte je dat; hoe lichter je van kleur was hoe beter je kansen waren.

Maar het systeem had ook zijn voordelen. Er was goed onderwijs en structuur maar daarnaast was er te veel kastijding en machtsmisbruik.

 

Archieven: Verhalen

‘In Nederland maken mensen zich heel erg druk over kleur en buitenlanders. Maar op Curaçao leefde iedereen door elkaar heen en maakte niemand zich daar druk om. Je leefde met mensen die overal vandaan kwamen; hindoestanen, Indiërs, chinezen, Javanen, fransen, Engelsen, Nederlanders, Amerikanen’

Fien, Eva, Dimitri en Daniel hebben ieder een paar vragen voorbereid en hebben zin om te gaan interviewen. Wanneer ze bij Franklin komen serveert hij ze een tropisch drankje en heel veel paaseitjes. Die worden regelmatig gepakt tijdens het interviewen en aan het einde mogen ze ze allemaal meenemen! Het gesprek met Franklin is heel gezellig en aan het einde krijgt hij dikke knuffels.

Hoe woonde u op Curaçao?

Wij hadden een alleenstaande woning met een grote tuin en 4 slaapkamers. Er was een grote veranda buiten en ik had een eigen slaapkamer. Best wel lux dus!

Hoe zag Curaçao eruit?

Er waren vooral veel wilde cactussen en het was er erg droog. Je kon dus niet lekker door de bush rennen vanwege al die cactussen.

Er waren wel hele mooie baaien. Er waren baaien die apart voor witte en zwarte mensen waren maar ook de marine had haar eigen baai voor haar medewerkers. Het beste gedeelte was natuurlijk voor de witte mensen.

Wij gingen vaak vissen, vogels jagen en soms met de oranje bronco naar de stranden.

Hoe was het op school in Curaçao? Was u wel een stout?

Jazeker! Ik zat bijna nooit stil en hield van een beetje pesten. Als straf moest ik dan het schoolreglement overschrijven in hele kleine lettertjes! Vreselijk!

Jullie spraken Papiamento. Wat is dat voor taal?

Papiamento is een mengelmoes van verschillende talen. Tijdens de koloniale tijd kwamen er veel verschillende culturen naar Curaçao die ieder een andere taal spraken. Het Papiamento is een straattaal ontstaan doordat al die culturen zich met elkaar mengden op straat.

Merkt u op Curaçao iets van discriminatie?

Nee, het woord discriminatie heb ik hier juist leren kennen. Op Curaçao was iedereen gelijk, iedereen had zijn eigen waarde, dus de kleur maakte niet uit. Bij ons op Curaçao was er geen verschil als je wit of gekleurd was.

Pas in Nederland kwam ik in aanraking met discriminatie.

In Nederland voel je vaak iets, maar er wordt niets gezegd. Dat was in het begin toen ik hier kwam, 35 jaar geleden anders, toen waren Nederlanders veel directer. Mensen zijn voorzichtiger geworden, door alles wat er nu speelt over het slavernijverleden. Maar ik heb liever dat mensen direct zijn, dan weet je waar je staat. Nu voel ik alleen dingen en weet ik niet wat ze werkelijk denken.

Wat zijn de cultuurverschillen?

In Nederland maken mensen zich heel erg druk over kleur en buitenlanders. Maar op Curaçao leefde iedereen door elkaar heen en maakte niemand zich daar druk om. Je leefde met mensen die overal vandaan kwamen; hindoestanen, Indiërs, chinezen, Javanen, fransen, Engelsen, Nederlanders, Amerikanen,

Niemand maakte zich ook druk over illegalen daar. Mensen kwamen langs om spullen te verkopen om te overleven. 9 van de 10 keer is zo n persoon is illegaal. Maar op Curaçao werd dat gewoon geaccepteerd. Ik zeg altijd: ‘Leven en laten leven’.

Waarom kwam u naar Nederland?

Ik deed de dienstplicht op Curaçao en wilde heel graag bij de marine. Dat leek me fijn en heel avontuurlijk. Ook leek het me sportief en heel kameraadschappelijk. Op Curaçao kon dat niet en werd me geadviseerd om naar Nederland te gaan en zo kwam ik bij het korpsmariniers.

Hoe voelde het om naar Nederland te gaan?

Ik was bezig met hoe het hier zou zijn, was heel benieuwd! Vond het ook heel leuk! Weer wat anders!

Ik was meteen ook veel in dienst bij de marine. Dat maakte het makkelijk om me aan te passen. Ik ben heel flexibel dus ik doe niet zo moeilijk over dingen

Wel vond ik het heel koud. Van mijn neef kreeg ik de tip: “als het koud is moet je er gewoon niet aan denken” Dat was een goed advies! Ik fietste gewoon door de regen en door een pak sneeuw en besloot er niet aan te denken…

Kwam u alleen naar Nederland?

Ja, ik liet mijn familie achter, die heb ik wel heel erg gemist. Mijn ouders zijn later ook gekomen, maar zij vonden Nederland maar niets. De mensen vonden ze te gehaast hier en het weer vreselijk. Ze zijn snel weer teruggegaan!

Archieven: Verhalen

“Wij kwamen naar Nederland met de babyboot de Ranchi, een schip speciaal voor vrouwen die zwanger waren of babies hadden en we sliepen daar in hangmatjes.”

Maxim, Emalyn en Robin hebben het interview heel goed voorbereid en al veel vragen bedacht. Ze hebben er heel veel zin in! Frank verwelkomt ze met een grote glimlach en ze beginnen al met het interview voor we het startsein gegeven hebben. Even wachten nog!

  1. Wat herinnert u zich van uw leven in Surabaya en op Madoera?

Ik was heel klein, 3 jaar, mijn ouders hadden een baboe, een kindermeisje die mij de hele dag rondsjouwde. Toen we in 1950 naar Nederland gingen mocht zij niet mee. Later hoorden we dat zij gestorven was van heimwee naar ons. Ze werkte ook al heel lang voor ons, wij waren haar leven. Ik denk dat ik haar ook heel erg miste maar dat weet ik niet zo goed meer. Toen we naar Nederland kwamen moest mijn moeder alles zelf doen. Dat was wel wennen!

In Indonesie woedde toen ik daar woonde een vrijheidsstrijd omdat de Indonesiers zelfstandig wilden worden. Zij wilden geen Nederlandse kolonie meer zijn.

Veel Nederlands Indische mensen / mensen met gemengd bloed en Chinezen zijn toen vermoord door de Indonesische vrijheidstrijders.

Wij werden ook beschoten en ik lag als baby met mijn moeder onder het bed om te schuilen.

  1. Wat deed uw vader tijdens de koloniale overheersing?

Mijn vader werkte voor de knil en is opgepakt door de Japanners. Hij werd krijgsgevangene en zat vast samen met 2300 andere mensen in houten barakken van een gevangeniskamp. Maar op 1 of andere manier wist hij te ontsnappen en hij dook onder op het eilandje Madoera, voor de kust van Surabaya.

Daar leefde hij in de heuvels bij een oom van hem. Hij moest er wel voor zorgen dat hij niet weer gevangen genomen werd door de Japanners. Maar omdat hij de Madoereese taal vloeiend sprak, eruit zag als een Madoerees, zich gedroeg als een Madoerees en in hun kleding liep viel hij daar niet op. En als de Japanners kwamen dan werd hij gewaarschuwd en dook hij snel ergens onder. Hij is gelukkig nooit meer opgepakt!

  1. Hoe kwam u naar Nederland?

Ik kwam naar Nederland met de Baby boot SS Ranchi. Vrouwen die in verwachting waren of een kleine baby of kindje hadden werden op deze bayboot gezet. Als ze moesten bevallen was er medische verzorging aan boord. Wij sliepen op het schip in het ruim waar allemaal hangmatjes hingen.

  1. Hoe was het voor u in Nederland?

Ik sprak toen Madoerees, de taal van het eiland Madoera, een sterk dialect van Indonesie. Dat verstonden mensen bijna niet. Je moest daar geboren zijn om dat te spreken en te verstaan.

Maar in Nederland zeiden mijn ouders; nu zijn we in Nederland dus nu spreken we alleen Nederlands. Dat heb ik later best jammer gevonden, dat ze me niet tweetalig hebben opgevoed.

Mijn eerste heldere herinnering aan Nederland is dat ik met mijn vader over het strand van Zandvoort liep tegen een grote storm in, ik moest zijn hand vasthouden, zo heftig was dat, anders kon ik niet vooruitkomen.

  1. Voelde u zich gediscrimineerd?

Ik werd wel eens uitgescholden en dan ging ik achter ze aan, even matten en dan was het weer voorbij.

Ook hadden de meeste Nederlandse mensen in die tijd nog nooit Indische mensen gezien. En de sterke geur als we kookten en de kruiden die we gebruikten kenden ze niet. Dus dat vonden ze allemaal heel vreemd!

Maar echt gediscrimineerd voelde ik me niet. Anderen werden ook wel eens uitgescholden.

Wij waren juist trots op het feit dat we indo waren!

Denk dat als je je normaal gedraagt en je gewoon tussen de mensen komt er geen reden voor is. Wie goed doet goed ontmoet.

Het is denk ik maar net hoe je er mee omging als je uitgescholden werd. Maar ik ken mensen die er wel moeite mee hadden.

**

Kinderen gaven na het interview aan dat ze graag willen vertellen over:

  • Wat vader deed tijdens de koloniale overheersing: opgepakt door de Japanners/ ontsnapt/ ondergedoken op Madoera
  • Babyboot de Ranchi/ reis
  • Hoe het was in Nederland en hoe ze met hem omgingen

Het verslagje is ook naar de docent gestuurd met de vraag of de kinderen ernaar willen kijken en nog een keer willen kijken naar wat ze graag willen vertellen.

 

 

 

Archieven: Verhalen

Op de plantage waren ook heel veel apen dus we moesten heel snel de sinaasappels plukken anders aten de apen ze op!

Waar woonde u in Suriname?

Ik woonde op Plantage Waterland aan de Surinamerivier. Mijn vader was de directeur van de plantage. De plantage was heel erg groot. Aan de ene kant verbouwden we koffiebomen en aan de andere kant sinaasappels. Ook stonden er grote hoge bomen die de lagere koffiebomen beschermden.

Er woonden 80 families die op de plantage werkten, de meesten kwamen uit Java. Er waren heel veel kinderen en ik groeiden tussen hen op. Er was geen verschil tussen ons, ik was wel de zoon van de baas maar qua kleur was er geen verschil, je speelde met iedereen. Omdat ik het zoontje van de baas was werd wel op ons gelet.

100 meter voor ons huis was een grote rivier, de Surinamerivier, die was wel 500 meter breed met hele grote vissen.

We hadden een boot om mee te varen, we gingen jagen en vissen en we waren de hele dag op stap met zijn allen. Ik had een heerlijke jeugd. Wij schoten met katapulten en joegen op vogels. We gingen op zaterdagen met pannetjes en rijst samen met de Javaanse jongens die veel wisten van de groenten en planten het bos in, groenten zoeken, vogels of vissen schieten en zelf een potje koken.

Er was ook een winkeltje op de plantage dat werd gerund door een Chinese familie. Daar kocht iedereen wat we niet konden verbouwen of vangen zoals brood meel en kaas. Van een dubbeltje zakgeld ging ik af en toe pindakaas bij ze kopen die zelf maakten.

Toen we 9/10 jaar waren mochten we meedoen met de koffiepluk op de plantage. De koffiebonen gingen in een grote jute zak, die om je nek hing. Ik klom in de boom en dan gooide ik de bonen erin. Als er voldoende geplukt was kwam er een boot langs om alle bonen en sinaasappelen naar de fabriek op de plantage te transporteren. Op de zak stond ook jouw naam zodat als de zak werd gewogen ze wisten wie wat kreeg uitbetaald.

Op de plantage waren ook heel veel apen dus we moesten heel snel de sinaasappels plukken anders aten de apen ze op!

Op de plantage was heel veel water en een Uitwateringssluis zorgde voor het juiste waterpeil in de sloten. Ik vond al die sloten geweldig en we probeerden altijd onze eigen sluisjes te bouwen! Vanuit die liefde ben ik waterbouwkunde gaan studeren.

Hoe was het op school?

We zaten met 50 kinderen in de klas, strak in de rij. Als de leraar boos was werd je geslagen met de lat; als je niet zo stout was sloeg de leraar op je hand en als je erg stout was op je billen.

Op school was ik 1 van de weinige witte leerlingen. Heel soms op school werd ik bacra genoemd, dat is een scheldwoord voor witte man. Er zaten kinderen in de klas die Indiaas waren, hindoestaans, Amerikaans, chinees en marron. De marrons waren tot slaafgemaakten die tijdens de slavernij gevlucht waren van de plantage diep het bos in en daar een nieuw leven op hadden gebouwd.

Er waren een heleboel tot slaafgemaakten die de omstandigheden zoals zij behandeld werden niet accepteerden. Toen de slavernij werd afgeschaft ging een deel in Paramaribo wonen maar een groot deel is in de bossen gebleven en woonden daar toen ik daar woonde. Na de slavernij haalde de plantage contractarbeiders uit China, India en later uit Indonesië. Toen ik opgroeide op Plantage waterland woonden daar de nazaten van de laatste contractarbeiders. De meesten kwamen uit Java.

Waren er gevaarlijke dieren?

Slangen en kaaimannen, een soort krokodil met een hele lange bek, waren het gevaarlijkst. Je moest wel oppassen!

1 keer fietsten we van school via de schelpenpaden naar de bus toen er 2 slangen op het pad lagen. Direct naast het pad groeide koffiebomen dus je kon niet zomaar van het pad afgaan. We moesten dus wachten totdat ze weggingen. We durfden echt niet met steentjes te gooien of met een stok de slangen te manen weg te gaan.

Wat voor directeur en vader was uw vader?

Mijn vader was de eerste die zorgde voor pensioenen voor alle medewerkers en hij behandelde de mensen goed.

Hij was niet altijd makkelijk voor zijn kinderen maar wel voor zijn werknemers.

Op Plantage Waterland was veel water en op plekken verder weg waren slangen en krokodillen. Mijn vader had nooit zicht op wat we aan het doen waren omdat de plantage zo groot was. Daarom probeerde hij ons wat kort te houden maar dat lukte niet altijd natuurlijk…

Hoe is het afgelopen met de plantage?

In 1976 werd Suriname onafhankelijk en was er veel concurrentie vanuit Brazilië. De opbrengsten gingen achteruit en de plantage werd steeds minder rendabel.

Uiteindelijk is de plantage verkocht aan Surinaamse mensen maar die hebben niets meer met de plantage gedaan.

Hoe was het om uit Suriname weg te gaan en naar Nederland te komen?

Ik had heel veel heimwee. Het was echt een hele grote verandering.

Wij spraken Surinaams Nederlands. De toon daarvan is veel zangeriger dus er werd vaak gevraagd: waar komen jullie vandaan? Zelf hoor je dat niet.

Ik herinner me nog dat 1 v.d. eerste dagen er een jongetje naar me toe kwam die zei: Ik ben Ruud, kom maar met mij mee en hij nam me op sleeptouw. Dat helpt wel.

Maar het was overweldigend. Nederland was veel drukker. Op de plantage hadden we 25 kinderen om ons heen, maar daar was het zo groot dat het niet druk was

Ik had zoveel heimwee naar de tropen.

En op 5 december zag ik voor het eerst sneeuw. Wauw!  Op blote voeten rende ik naar buiten. En net zo hard weer naar binnen, wat was dat koud!

Maar ik wist altijd: ik ga hier zo snel mogelijk weer weg. Ik heb later ook in 15 verschillende de tropische landen gewerkt.

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892