Archieven: Verhalen

‘Vijfenzestig leden van mijn familie zijn in Sobibor vermoord.’

Het gezin van Henny woont in Scheveningen wanneer de oorlog begint. Haar vader heeft meerdere slagerijen. Voor de oorlog was Henny zich helemaal niet zo bewust van haar joods zijn, maar daar komt snel verandering in, omdat de anti-joodse maatregelen al snel worden ingevoerd. Wanneer op de verplichte joodse school steeds minder leerlingen in de klas zitten en zelfs leraren verdwijnen, besluit de vader van Henny dat zij met het gezin gaan onderduiken aan de Valkenboskade.

Wat veranderde er voor u, toen de oorlog begon?
Ik was altijd een zorgeloos kind, maar opeens werd ik ‘schuldig’ bevonden. Ik was joods en plots was dat iets verkeerds. Er kwamen allerlei verboden voor joden. Ik begreep het niet, ik deed toch niets verkeerd? We mochten niet meer naar de bioscoop, naar het theater of bij niet-joden op bezoek. Dat was heel moeilijk. Als een vriendinnetje vroeg, kom je spelen of ga je mee naar de film, dan moest ik antwoorden: ‘Nee dat mag niet’. Dan antwoordde zo’n vriendinnetje: ‘Ach, vraag het je moeder toch nog een keer.’ Maar het was niet mijn moeder die het verbood, het mocht niet van de Duitsers.
Ik heb trouwens weinig Duitsers gezien. Het waren vooral Hollanders die op ons letten, ons verraden hebben, ons hebben opgepakt en die ons in het Oranjehotel (de Scheveningse gevangenis) vasthielden.
Wat er echt veranderde, was de vrijheid. Je weet pas wat vrijheid is, als die je wordt afgenomen.

Hoe was het om onder te duiken?
We konden terecht bij een heel lief jong echtpaar, dat hun leven voor ons riskeerde. Wij kregen drie kleine kamertjes, twee om in te slapen en één om met elkaar in te zitten. Overdag moesten we muisstil zijn, omdat het echtpaar buitenshuis werkte. De buren mochten dan geen geluiden horen. Dus geen schoenen aan en geen wc doortrekken. Ik was toen niet bang, want ik was toch met mijn ouders en zusje. Ik verveelde me ook niet. Maar we zijn verraden en naar Westerbork gestuurd. Daar hebben we anderhalf jaar gezeten, omdat we (valse) dooppapieren hadden. Op Dolle Dinsdag zijn we toch doorgestuurd naar concentratiekamp Theresienstadt. De man van het echtpaar is naar concentratiekamp Vught gestuurd. Hij heeft het gelukkig overleefd.

Hoe was het om in Westerbork en Theresienstadt gevangen te zijn?
Westerbork betekende heel hard op het land werken en soms helpen met de wekelijkse transporten. Dat was heel verdrietig. Maar soms waren er toch ook grappige momenten. Eén keer moest ik, samen met mijn beste vriendin die ik daar ontmoet had, een wagon bij het perron wegduwen. Het moest, maar het was onmogelijk. Daar moesten we onbedaarlijk om lachen. Gek genoeg voelde ik me na anderhalf jaar in Westerbork thuis op die plek. Zo lang op dezelfde plek, met dezelfde mensen, met mijn ouders en zusje erbij en met mijn beste vriendin.
In Theresienstadt was het veel zwaarder. Er was weinig en slecht eten, lijken werden voorbij gereden op houten karren.
Als een wonder werden wij plotseling naar Zwitserland gebracht, in passagierstreinen vol met brood, koek en drinken. Wat bleek, Duitsland had medicijnen en verbandmiddelen nodig voor aan het front. Zwitserland gaf hen wat ze nodig hadden in ruil voor een groep concentratiekampgevangenen. Omdat wij niet kaalgeschoren waren, niet in gestreepte gevangenispakken liepen, niet totaal ondervoed waren, geen nummer op ons arm hadden en als gezin nog compleet waren, werden wij uitgewisseld. Dan zou de rest van de wereld een bepaald beeld van concentratiekampen krijgen. Een ander beeld dan de waarheid. Vijfenzestig leden van mijn familie zijn in Sobibor vermoord.

Archieven: Verhalen

‘Mijn zus heeft, zo klein als ze was, mij opgetild en naar binnen gebrach’

Het duurde even voordat we Corrie Vinke gevonden hadden op het drukke Haarlemmerplein. Wij zochten iemand die op een grijze oma lijkt en dat is Corrie zeker niet. Laten we lekker in het zonnetje gaan zitten. Stellen jullie maar vragen, want als ik eenmaal begin met vertellen kan ik niet meer stoppen.

Hoe is het met uw familie gegaan in de oorlog?
Vanaf het moment dat de oorlog begon, mocht je ´s avonds niet meer naar buiten. Maar mijn ouders wilde toch graag wel eens gaan kaarten bij mijn tante die dichtbij woonde. Toen zijn ze een keer in het pikdonker over het dak geklommen. Mijn vader zei opeens: laten we maar even stoppen. Toen scheen er een straaltje licht op het dak en stonden ze vlakbij de rand. Als ze een stap verder waren gelopen, dan waren ze allebei van het dak gevallen. Mijn oom haalde altijd veel uit. Zo heeft hij een keer een meelwagen overvallen. Dat meel deelde hij dan met de familie, want je hielp elkaar allemaal toen. Mijn vader is met een aantal vrienden ondergedoken, omdat ze niet wilde werken in Duitsland. Zij zaten in een kruipruimte onder een huis met allemaal viezigheid en spinnen. Dat hebben ze tot het eind van de oorlog volgehouden.

Heeft u mensen verloren tijdens de oorlog?
De eerste bom die op de Blauwburgwal terecht kwam, was voor mijn opa. Hij is daar overleden. Later heb ik daar foto´s van gezien. Dat is toch wel heel raar. Ook hebben wij gezien dat de buurvrouw werd weggevoerd. Zij had een zoontje van mijn leeftijd. Mijn buurvrouw hebben we nooit meer terug gezien. Haar zoon is wel terug gekomen. Na de oorlog werden veel kinderen van NSB ´ers met de nek aangekeken. Dat is natuurlijk vreselijk. Die kinderen kunnen daar ook helemaal niks aan doen.

Hoe was de hongerwinter?
Ik heb tijdens de hongerwinter grote tekorten gehad. Ik kreeg Engelse ziekte en daardoor waren mijn benen heel zwak. Ik kon dus niet goed lopen, maar speelde wel graag buiten. Dan zat ik in een kar. Op een dag zat ik ook buiten toen er vliegtuigen overgingen. We wisten dat ze zouden gaan schieten, maar ik kon dus niet weg. Mijn zus heeft, zo klein als ze was, mij opgetild en naar binnen gebracht. Zij heeft eigenlijk mijn leven gered. Het was dus ook heel mooi dat de Canadezen kwamen. Mijn tante maakte met thee haar benen bruin zodat het leek of ze kousen aanhad, maar ook mijn moeder zagen ze wel zitten. Dat was ook een knappe vrouw vroeger. Mijn oom zei tegen mij dat ik om een smokey moest vragen. Maar ik was nog klein en vroeg de Canadezen om Snokeys. Hij begreep mij wel en ik kreeg een pakje sigaretten mee.

We lopen met Corrie naar de straat waar zij woonde. Dat huis staat er niet meer en is vervangen door nieuwbouw. Maar de Planciusschool waar zij op zat, staat er nog wel. Ze laat ons de kogelgaten zien die nog altijd in de buitenmuur zitten.

Archieven: Verhalen

‘Er is veel wat je nooit meer vergeet.’

Op een zonnige voorjaarsochtend komen we aanlopen bij het schip aan de van Noordtkade. Ad van Deventer staat ons al op het dek op te wachten. Hij is best een bekendheid in de buurt. Bij zijn boot kunnen de kinderen waterfietsen en kanoën. Maar dat meneer Ad ook verhalen over de oorlog had, dat wisten de kinderen tot die dag nog niet.

Weet u nog veel van de oorlog?
Ik was natuurlijk nog maar een jongetje, dus ik weet niet alles meer. Toch is er veel wat je nooit meer vergeet. Zoals wat er met al die kinderen gebeurd is. Duizenden kinderen zijn er toen vermoord. Dat vergeet je nooit meer. Elk jaar rond 4 mei komt dat allemaal weer terug. Zo zijn er kinderen gewoon levend in de verbrandingsoven gegooid. Natuurlijk hoorden wij dat allemaal pas na de oorlog wat er precies gebeurd was. Ook over Anne Frank hoorde ik pas na de oorlog. Zij is een symbool geworden voor die duizenden kinderen die vermoord zijn.

Wat vindt u van NSB´ers?
Dat waren foute mensen, die konden zo je vader of moeder verraden. Het probleem was dat je nooit precies kon weten wie het was. Je moest dus altijd heel voorzichtig zijn. Maar na de oorlog gebeurde er ook nog dingen die niet kunnen. Mijn buurvrouw werd uit haar huis gesleurd en kaalgeschoren. Ook kreeg zij verf op haar gezicht, omdat mensen dachten dat ze wat met een Duitser had gehad. Daar kan ik nu nog kwaad om worden. Misschien deed ze dat wel om eten te krijgen voor haar twee kleine kinderen. Die mannen hadden tijdens de oorlog zo flink moeten zijn tegen de Duitsers.

De tafel in Ad´s boot ligt vol met kranten, posters en voorwerpen.

Kunt u wat vertellen over die spullen uit de oorlog?
Ik heb allerlei kranten verzameld over de oorlog. Hier staat bijvoorbeeld een foto van een Duitse soldaat in. Daar kunnen jullie zien hoe die eruit zag. Ook heb ik nog allemaal posters uit die tijd. Een aantal posters heb ik ook voor mijn raam gehangen, zodat iedereen ze kan zien. Ik vind het altijd wel interessant om die dingen te hebben. Ad houdt een verwrongen stuk staal omhoog. Dit is een onderdeel van het vliegtuig dat hier op de school terecht is gekomen. Gelukkig was dat op woensdagmiddag en was er dus niemand op de school.

We lopen met Ad mee naar de locatie waar het vliegtuig is neergestort. Ook laat hij ons de posters zien die hij elk jaar voor 4 mei voor zijn raam hangt.

Archieven: Verhalen

‘Voor mij was ze niks veranderd, maar mijn zusje was jonger en die herkende haar niet meer’

Greet Roodveldt was zes jaar toen de oorlog uitbrak. Na de Februaristaking veranderde haar jonge leven in de Spaarndammerbuurt enorm.

Waar woonde u vroeger?
Ik woonde met mijn ouders en zusje in de Wormerveerstraat toen de oorlog begon. Mijn vader en moeder zaten allebei in het verzet en hebben geholpen met de organisatie van de Februaristaking. Na die staking werd er jacht gemaakt op de deelnemers. Mijn moeder is opgepakt en mijn vader is ondergedoken. Vanaf dat moment woonden wij bij mijn opa en oma in de Spaarndammerstraat. Ik woonde daar met mijn zusje, maar ook mijn oudere neef en nog een nichtje en neefje woonde bij mijn grootouders. Mijn oom en tante zaten namelijk ook in het verzet. Voor ons was dat eigenlijk heel normaal. Ik zag bij mijn grootouders ook vaak illegale krantjes van de Waarheid liggen.

Hoe ging dat toen u moeder werd opgepakt?
Het was een zondagochtend in april 1941. Wij liepen nog in ons pyjama toen er werd aangebeld. Het waren politieagenten uit de Spaarndammerstraat die mijn moeder op kwamen halen. Ze heeft jaren in de gevangenis gezeten. En zij is overgebracht naar Ravensbruck, dat was een speciaal kamp voor vrouwen. Veel vrouwen van het verzet gingen daarheen. Dat moet verschrikkelijk geweest zijn. Al die tijd hebben wij niks meer van haar gehoord. Wij dachten echt dat ze dood was. In april 1945 is zij door Zweden, samen met andere gevangenen, vrijgekocht uit het concentratiekamp. Toen heeft het nog tot Augustus geduurd voordat zij eindelijk terug kon komen naar Nederland. Het was zaterdagavond laat en ik lag al in bed. Opeens hoorde ik mijn moeders stem op de trap. Voor mij was ze niks veranderd, maar mijn zusje was jonger en die herkende haar niet meer.

Wat merkte u nog meer van de oorlog?
Je bleef vroeger toch vooral in je eigen buurtje. Wat er in andere buurten, zoals in Zuid waar Anne Frank woonde, gebeurde dat wisten wij eigenlijk niet. Wij waren natuurlijk ook nog maar kinderen. Wat wij er vooral van merkte was dat er veel minder mocht. Zo mocht opeens niemand meer het Westerpark in. Dat er joodse mensen in de buurt woonden daar kwamen we pas tijdens de oorlog achter toen ze een ster moesten gaan dragen. Daarvoor speelde dat helemaal geen rol. Natuurlijk heb ik wel meegemaakt dat hier het vliegtuig naar beneden is gekomen op de school. Gelukkig gebeurde dat op woensdagmiddag en was de school leeg. Wij hebben toen de brokstukken op straat zien liggen. De dag dat de Canadezen door de Spaarndammerstraat kwamen, was zo mooi. Iedereen danste op straat. Ik heb toen nog tulpen aan de Canadezen gegeven.

Archieven: Verhalen

‘Wij mochten meteen onderduiken, terwijl het voor haar ook gevaarlijk was’

Hans Aussen is een ´hippe opa´ die een foto van zijn vrouw op zijn smartphone laat zien. Aan Tatum en Cio vertelt hij een ander verhaal, van een 14-jarig jongetje in 1940. Hij woonde niet in de buurt, maar zat er wel ondergedoken.

Hoe wist u dat de oorlog begonnen was?

Het eerste wat ik merkte, was dat ik thuis moest blijven en niet meer naar school mocht. Wij wisten toen nog niet hoe groot de ellende zou worden. Daarna moest ik verplicht naar een joodse school. Ik werd een klas terug gezet, omdat de opleidingen niet gelijk waren. Gelukkig heb ik wel nog eindexamen kunnen doen. In 1942 kregen mijn broer en ik een oproep om te gaan werken in Duitsland. Mijn vader zei: ´Ga je koffertje maar pakken en ga maar.` Mijn moeder had wat meer voorzien wat ze van plan waren en protesteerde. Ze dreigde zelfs een eind er aan te maken. Toen zijn we gaan onderduiken. Hoe ze het precies geregeld hebben, weet ik niet. Dat zal met hulp van mijn vaders contacten geweest zijn. Meneer Koning, een collega van mijn vader, bracht ons weg. Wij hebben al onze kleren over elkaar aan gedaan, zodat we meer ruimte in onze koffers hadden. Van ons huis in Amsterdam Zuid hebben wij gelopen naar de Jan van Galenstraat. Wij moesten dwars door het Vondelpark, terwijl joden daar toen eigenlijk al niet meer in mochten. Gelukkig zijn we niet ontdekt

Hoe was het om onder te moeten duiken?

Wij zaten bij een hele aardige dame, juffrouw Gerda Mulder. Zij heeft meteen ja gezegd toen wij vroegen om onderduik, terwijl het voor haar toch ook heel gevaarlijk was. Als ze ons ontdekten, gingen wij en juffrouw Mulder naar een concentratiekamp. We zaten op twee zolderkamertjes en moesten heel stil zijn. Verder waren we creatief bezig of deden wij spelletjes. Daar heb ik ook leren bridgen. We leefden dus ook elke dag in spanning of wij ontdekt zouden worden. Twee keer is dat bijna gebeurd. Er kwam eens een meneer boven . Eerst vroeg hij aan ons of wij tegeltjes voor hem wilde beschilderen. Later chanteerde hij ons… we moesten betalen of anders ging hij naar de politie. Een keer kwam de Grune Polizei boven. Ik weet nog altijd het geluid van laarzen die tegen elkaar klikken. We lieten onze vervalste persoonsbewijzen zien en toen zijn ze weer gegaan. Gelukkig is er dus nooit iets ergs gebeurd.

Hoe ging u verder na de oorlog?

Op Dolle Dinsdag dachten we al dat we bevrijd waren, maar dat was toen nog niet zo. Toen het wel zo was, was er zo´n blijdschap. Daar heb je geen idee van! We zijn toen meteen de straat op gegaan en richting onze huis gelopen. Onder het bed van mijn ouders hadden wij waardevolle spullen in de vloer verstopt. Een Duitse officier had daar geslapen, maar hij heeft de spullen nooit gevonden. Die hadden we dus weer gewoon terug.

Archieven: Verhalen

‘In de speelzaal van deze school was een gaarkeuken’

Joke Lammen woonde met haar broer Lex, haar ouders en grootouders op de Adm. de Ruyterweg. Zij en haar broer Lex zijn beiden oud-leerlingen van de Adm. de Ruyterschool. Zij heeft nog een oude schoolfoto waar zij in marinejurk op staat. Op de school werd zij geïnterviewd door Leshane, Romaisa-Chalysa, Kay en Danielle.

Weet u nog veel van de oorlog?

Ik was zelf nog wel heel klein, dus ik weet er niet echt veel meer van. Ik weet wel dat ik altijd heel stil moest zijn. Ook herinner ik de harde knallen en het luchtalarm. Dan schrok ik en begon ik heel hard te huilen. Mijn familie praatte altijd veel met elkaar en ook over de oorlog. Mijn broer heeft een boekje over de buurt geschreven. Ook heb ik veel over de oorlog gelezen. Dan denk ik wel eens: zat ik daar echt midden in? Als ik een film over de oorlog zie, kan ik zo gaan huilen. Ik denk dat het anders is, omdat ik wel in de oorlog geboren ben en niet vlak daarna.

Hoe was het tijdens de Hongerwinter?

Wij waren met zes mensen thuis. Dat was dus al behoorlijk vol. En in de hongerwinter was het helemaal moeilijk om aan eten te komen. Mijn vader werkte bij een papierwinkel. Hij kon dan wel eens een pak papier ruilen tegen een brood of boter. Mijn moeder en oma gingen ook vaak op zoek naar eten. Mijn oma kon bijvoorbeeld van bloembollen een soort koekjesdeeg maken. In die tijd was er hier in de speelzaal van de school een gaarkeuken. Daar konden mensen die echt niks meer te eten hadden, soep komen halen. Nou ja soep, het was meer water met een kleurtje. Het zal voor mijn moeder niet zo makkelijk zijn geweest met een klein kindje midden in die oorlog.

Hoe was het in deze buurt tijdens de oorlog?

Als het luchtalarm ging, moest je naar de schuilkelder. Wij hadden geen schuilkelder, dus wij moesten op de trap gaan zitten. Mijn broer nam dan altijd dit koffertje mee. Daar zat zijn beer in, zodat hij ook iets van zichzelf mee had. Mijn vader wilde niet werken in Duitsland, dus hij sliep vaak in de winkel. Dan ging hij stiekem ´s avonds nog de straat op. Gelukkig hebben wij het allemaal overleefd. Maar mijn ouders zijn wel veel joodse vrienden verloren. Onze joodse buren hebben moeten onderduiken. Alleen hun zoon is daarvan terug gekomen. Wij hadden geen ruimte voor onderduikers. Dat was ook veel te gevaarlijk, want aan de buren aan de andere kant waren van de NSB. Op Dolle Dinsdag zijn zij gevlucht en hebben hun kat achter gelaten. Die hebben wij toen in his genomen. Toen hadden wij dus een NSB-poes. Er woonden ook wel mensen die in het verzet zaten zoals meneer Nauta. Maar daar wisten wij eigenlijk niets van. Als je echt iets geheim wil houden, moet je het aan niemand vertellen.

Archieven: Verhalen

‘Wij keken uit op de landerijen van Dirk van den Broek’

Mien Hak woonde tot eind 2015 in haar geboortehuis aan de Orteliusstraat 215. Zo jong als ze was, heeft ze veel herinneringen aan de periode 1940-1945. Onder het genot van een blikje Sisi en chocolade paaseitjes vertelt ze onder andere over die keer dat ze een man doodgeschoten zag worden op straat en over het gestamp van de marcherende laarzen van de NSB’ers. Een geluid dat zij nooit zal vergeten.

Hoe zag de buurt er toentertijd uit?

“Ik woon nu aan de Orteliuskade, dit deel van het gebouw stond er toen nog niet. De Orteliusstraat was het randje van de stad en we keken uit op landerijen waar Dirk van de Broek zijn boerderij had. Verderop waren tuinders. Via bruggetjes kon je die bereiken en er wat andijvie of sla kopen. Er lag veel zand en daar konden we soms de hele dag op spelen. Kregen we een fles water en een boterham mee van m’n moeder. Soms speelden we stiekem op het weiland van Dirk van de Broek. Maakten we ‘dempies’, planken die we over de sloot konden leggen, om de overkant te bereiken. Gingen we bloemen plukken. De oorlog was verschrikkelijk, maar voor mij als kind waren er ook leuke momenten en nu goede herinneringen.”

Hoe heeft u de oorlog als kind beleefd?

“Ik was drie toen de oorlog uitbrak, daar weet ik niets meer van. Maar vanaf een jaar of vijf heb ik herinneringen. Gewone dingen, zoals het buitenspelen, maar ook enge dingen als het luchtalarm dat zo maar opeens afging. Dan kwamen de NSB’ers met hun grote laarzen marcheren door de straat; we hadden er ook eentje in de straat wonen trouwens. ‘Aus, aus, aus,’ riepen ze. En dan ging je snel naar binnen. Ook herinner ik me dat je je ramen moest afplakken. Als de soldaten ook maar één streepje licht van binnenaf zagen komen, schreeuwden ze heel hard of schoten ze kogels af in de lucht.

Hoe was de Hongerwinter voor u?

“In de Hongerwinter aten mijn ouders geroosterde tulpenbollen, maar voor mij hadden ze wat anders, dat vast wat beter smaakte. Op school kregen we extra te eten, een bordje soep of pap. Alles was op de bon en ik herinner me de lange rijen, het uren wachten. Ook was er een tekort aan hout voor de kachel. Mensen stalen houten blokjes uit de tramrails of kapten bomen om in het Jan van Galenpark, zoals het Erasmuspark toen heette. Gelukkig kon mijn vader van zijn werk op de Westergasfabriek  eens in de zoveel tijd kolen meenemen. Mijn vader heeft wel geleden tijdens de oorlog. Hij had hongeroedeem;  opgezwollen voeten door vitaminetekort. Wat waren we blij toen ze na de oorlog vanuit vliegtuigen  koekbiscuitjes en wit brood op het land achter ons huis gooiden. Dat werd eerlijk verdeeld; er was controle aanwezig.”

Heeft u zelf nare dingen meegemaakt in de oorlog?

“Ik heb geen familieleden verloren en niet veel nare dingen meegemaakt. Wel werd onze hoofdonderwijzer, meneer Kannegieter, van de Van Wassenaarschool in de Chasséstraat onder schooltijd weggehaald. En ik zag een keer samen met mijn moeder hoe op klaarlichte dag in onze straat een man door de Duitsers tegen een muur werd gezet en gefusilleerd werd. In koelen bloede, dat vergeet je nooit meer.”

Archieven: Verhalen

‘Tegen mijn vader zeiden ze: jij verkoopt te weinig melk.’

Pia Korstman woonde tijdens de oorlog in de van Speijkstraat war haar vader een melkwinkel had. Ze laat de kinderen wat foto´s zien van toen zij nog op school zat. Met een grote strik in het haar kijkt ze in 1944 als 10-jarige vanuit haar schoolbank de camera in. “Dat was mode toen”, zegt ze met een lach.

Wat heeft u onthouden van de oorlog?

Toen ik klein was, wist ik van niks. Als je zes jaar bent, vertellen ze je dat niet. Ik was toen nog te jong om het echt eng te vinden. Ik zag wel eens militairen in uniform lopen en vroeg wat dat waren en wat ze met dat pistool gingen doen. Later begreep ik dat je met een pistool op mensen schiet. Er kwamen steeds meer militairen op straat. Ik werd ouder en ging ook meer begrijpen wat er aan de hand was. Als er oorlog is, pik je een ander land in en wil je daar de baas spelen. Dat gebeurde bij ons ook. Tegen mijn vader zeiden ze: jij verkoopt te weinig melk. Toen moest hij een grotere winkel kopen, want anders moest hij naar de fabrieken in Duitsland. Ook liet hij zijn grijze haar en baard groeien zodat hij op een oude man leek. Eigenlijk was het vroeger altijd wel fijn. Je kon gewoon rustig buiten spelen. Alleen het laatste oorlogsjaar was verschrikkelijk. Dat was het slechtste wat er is.

Heeft u honger geleden tijdens de hongerwinter?

In 1944 was er praktisch geen eten meer. Dat ging niet in een keer, maar geleidelijk. Er was steeds minder en later was er bijna niks meer. Onze meester zei: neem maar een schaaltje en een lepel mee, dan krijgen jullie eten op school. Voor sommige kinderen was dat de enige maaltijd die ze op een dag kregen. Er gingen toen ook kinderen dood van de honger. Er was geen schoon water meer en geen gas en elektra, want dat was allemaal afgesloten. We liepen op zelf gemaakte schoenen. De melkflessen in de etalage van de melkwinkel waren wit geschilderd, want daar zat geen melk meer in. Toch hadden wij nog een beetje eten. Dan stonden er kleine kinderen voor de deur om eten te vragen. Mijn moeder nam ze mee naar de keuken en kregen ze een sneetje zelfgemaakt brood met melkpoeder als beleg. Als mijn vader ´s avonds wilde lezen, ging ik op een fiets zitten en door de dynamo had hij dan een beetje licht. Met kerst hadden we helemaal niks te eten. Dan ga je aan de slag met suikerbieten en bloembollen.

Hoe vond u de bevrijding?

Oooo dat was fantastisch! Niet te beschrijven hoe blij ik toen was. Laat ik nou net ziek zijn tijden die dagen en dus mocht ik niet naar buiten. Ik zat in de etalage van de winkel naar buiten te kijken en zag honderden mensen, met vijf of zes naast elkaar, dansen op straat. Later heb ik nog mee gedaan met de optochten en spellen die voor kinderen werden georganiseerd. Toen ben ik nog eerste geworden met het zaklopen.

Archieven: Verhalen

‘Pas na de oorlog hoorde ik dat ze vermoord waren.’

Op een mooie zonnige ochtend in februari interviewen Dean, Roumaise en Chenille Simon Italiaander. Na afloop van het interview bezoeken zij de Stolpersteine die ter herinnering aan de ouders van Simon op de Admiraal de Ruijterweg zijn neergelegd.

Heeft u nog veel herinneringen aan de oorlog?
‘Ik was zelf nog een kind, dus ik heb niet veel herinneringen. Maar ik weet nog wel wat. Voor veel mensen is de oorlog eigenlijk nooit echt afgelopen. Daar heb ik gelukkig nooit last van gehad. Af en toe is er een geluid wat mij aan de oorlog herinnert. Als er bijvoorbeeld een motorvliegtuig overvliegt, dan denk ik “Dat is een geluid van de oorlog.” Zo´n vliegtuig was slecht nieuws, want die laat vaak iets vallen. De voedseldroppings in april 1945 kan ik mij wel nog goed herinneren. En van mijn onderduik in Alkmaar kan ik mij ook nog veel herinnerne. Ik heb nog altijd warm contact met die familie.’

Hoe ging dat toen u was ondergedoken?
‘Hoe dat precies gegaan is, weet ik niet. Daar was ik te jong voor. Mijn vader en grootvader hadden veel contact met boeren via de groothandel in groenten en fruit waar zij allebei werkten. Ik ben eerst naar Haarlem gegaan. Daar ben ik een keer zomaar de straat over gestoken, omdat ik met het buurmeisje wilde spelen en dat terwijl de hele straat vol stond met politie. Die mensen kregen zelf nog een kindje en konden de zorg voor mij er niet meer bij hebben. Toen ben ik naar Alkmaar gegaan. Daar heb ik het heel fijn gehad. Er werd verteld dat ik een jongetje uit gebombardeerd Rotterdam was. Dat hele straatje moet geweten hebben dat ik eigenlijk een Joods jongetje was, maar iedereen heeft zijn mond gehouden. Er hoeft maar een persoon tussen te zitten die je kan verraden. Dat is bij mijn ouders gebeurd. Zij zijn op de avond voordat ze zouden onderduiken op een tussenlocatie verraden door Ans van Dijk.’

Hoe ging het verder na de oorlog?
‘Na de oorlog was het: we leven nog en we gaan door met leven. Ik heb het er dus ook weinig met mijn kinderen over gehad, terwijl zij dat misschien wel hadden willen weten. Nu ik zo met jullie zit te praten, vind ik het eigenlijk wel heel fijn om het verhaal te vertellen. Als mijn kleinzoon een paar jaar ouder is, ga ik hem ook het verhaal maar vertellen. Ik ben liever niet meer bij de georganiseerde herdenkingen op 4 mei, maar kies daar liever zelf een moment voor uit. Mijn ouders heb ik op een speciale manier herdacht. Voor hen heb ik Stolpersteine, struikelsteentjes, laten plaatsen op hun laatste zelfgekozen adres op de Admiraal de Ruijterweg. Die steentjes herinneren aan mensen die in rook opgegaan zijn.’

         

Archieven: Verhalen

‘Ik zat twee jaar achter prikkeldraad’

“Ik zat twee jaar achter prikkeldraad.” Virry de Vries Robles woonde op de Willem de Zwijgerlaan voordat zij als jong meisje in Westerbork kwam. Aan Jay en Nikita vertelt zij hoe het leven was voor, in en na Westerbork

Hoe was het leven in de oorlog?

Mijn vader was huisarts op de Willem de Zwijgerlaan. Ik was dus gewend om hem in zijn witte doktersjas te zien. In de oorlog zag ik hem voor het eerst in uniform. Dat vond ik best wel spannend. Ik vond de hele oorlog wel spannend in het begin. Ik ben ook nog gewoon naar school gegaan. Tot het niet meer mocht van Hitler en zijn cluppie en wij moesten opeens een ster gaan dragen. Waarom dat was, wist ik niet. Ik wist helemaal niet was Joods is. Wij deden niks met het geloof. Er gebeurde in de buurt ook niet zoveel, omdat het geen jodenbuurt was. Wel hebben wij een keer voor het raam gestaan, omdat ergens in de verte een grote brand was door een neergestort vliegtuig. Op een dag stonden de Duisters voor de deur. Zij renden meteen naar boven en riepen: ´Koffers pakken!` Het duurde heel lang voordat de politie er was. Dat was namelijk en patient van mijn vader en hij heeft van schrik een maagbloeding gekregen. In de tussentijd moesten wij onze koffers weer uitpakken. Alles wat de Duitsers mooi vonden of konden gebruiken, deden ze in een hun eigen koffer.

Hoe was het in Westerbork?

Dat waren grote barakken met aparte gedeeltes voor mannen en vrouwen. De wc´s hadden geen dak, dus als het slecht weer was, was dat niet zo prettig. Als je ´s nachts je bed uit wilde, struikelde je over de spullen die op de grond lagen. En dan werd iedereen natuurlijk weer kwaad. Vrienden maken, kon niet in het kamp. Elke week gingen er weer mensen weg. Ik heb wel nog een broertje gekregen. Mijn jongere broertje is geboren in kamp Westerbork . Wij hebben heel lang in Westerbork gezeten. 600 mensen zijn in Westerbork achter gebleven om het kamp af te breken. Dan zouden er geen sporen meer van te vinden zijn. Mijn vader was dokter geworden in de Hollandsche Schouwburg en dat heeft eigenlijk ons leven gered. Op 13 september 1944 zaten wij al in de trein richting Bergen-Belsen. De kampcommandant wilde liever een heel gezin op transport doen en mijn vader zat nog in Amsterdam. Wij zijn toen uit de trein gehaald. Een paar dagen later brak de spoorwegstaking uit en er is gelukkig geen trein meer vertrokken vanuit Westerbork. Ik heb gewoon stinkend geluk gehad.

Wat gebeurde er na de bevrijding?

Wij zijn bevrijd door de Canadezen. Een soldaat kwam regelmatig bij ons langs in Westerbork om appeltaart te eten. Ik was eigenlijk een beetje verliefd op hem. Na de bevrijding konden wij niet meteen naar huis. In ons huis aan de Willem de Zwijgerlaan woonde namelijk andere mensen. En de Nederlandse regering wist eigenlijk ook niet zo goed wat ze met ons aan moesten. Ik voelde mij niet echt welkom meer. Uiteindelijk zijn wij met een vrachtwagen van het Rode Kruis terug naar Amsterdam gegaan. Ik zie nu nog veel dingen gebeuren die in die jaren ook gebeurd zijn. Niemand heeft het recht om over het leven van iemand anders te beslissen.

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892