Archieven: Verhalen

‘Toen we uit de schuilkelder kropen was het één grote chaos met rook en vuur. ’

Het huis van Doortje Groen aan de Adelheidstraat wordt door het bombardement en de brand die daarbij uitbreekt, helemaal verwoest. De brand maakt een diepe indruk op haar. Nu, 71 jaar later, denkt Doortje direct aan het Bezuidenhout als ze brand ruikt.

Wat is het eerste waar u aan denkt bij de oorlog?
Aan brand. Bij het bombardement was brand zo’n overheersende geur dat, als ik iets ruik van brand, een kaars of een lucifer bijvoorbeeld, de eerste associatie het Bezuidenhout is. Dat is wat ik mij het meest herinner.

Hoe merkte u dat het bombardement kwam?
Het was anders dan anders. Tijdens de dagen voor het bombardement was het al onrustig. Er vlogen vaker vliegtuigen over dan normaal. Hier en daar werd er al een bom gegooid. Al vrij snel kwamen er veel vliegtuigen, veel meer dan je gewend was. De sirenes gingen af. Er was paniek en mijn moeder nam ons mee naar de schuilkelder. Het was een afschuwelijke herrie. We probeerden zo ver mogelijk van het raam te staan, want het glas sprong kapot. Ik gilde. Het leek of het úren duurde. Het was afschuwelijk. De herrie die je hoort, je weet niet hoe lang het gaat duren, je weet niet wat de gevolgen zijn. Op een gegeven moment hield het op, de sirenes, de bommen. Wij wilden eruit, maar dat kon niet. De kelder was helemaal ingestort en lag vol puin. Dus we gilden en riepen om hulp. De buurman, die buiten was gebleven, leefde gelukkig nog en maakte een gat. Toen we eruit kropen was het één grote chaos met rook en vuur. Ons huis hing helemaal naar voren en kleedjes hingen uit het raam. Overal was brand en stroomde er water, omdat de leidingen waren gesprongen. Dat beeld zit in mijn hoofd. En de brandlucht vergeet ik ook nooit meer.

Waar ging u toen heen?
Daar stond ik met mijn zusjes en mijn moeder met mijn broertje van 6 weken op de arm. Op blote voeten, soms door de glasscherven, zijn we naar mijn oma gegaan. Zij woonde op dat moment ergens in het centrum bij iemand in. Onderweg liepen we door de Passage en we zagen een wieg staan in een etalage. De ruiten van de etalage waren kapot en die wieg hebben we toen meegenomen. We hebben mijn broertje erin gelegd en zo hebben we hem een eind gedragen. Toen er weer een aanval kwam, hebben we de wieg laten staan en zijn we met mijn broertje op de arm gaan schuilen. Later bleek dat mijn moeder het geldkistje ook in de wieg had gelegd. Dat waren we dus ook kwijt.

Archieven: Verhalen

‘Bij terugkomst uit Zwitserland bleek mijn hele familie te zijn vermoord. ’

Thea Anholt is bijna 21 jaar als de oorlog uitbreekt. Na een verloving van ruim drie jaar zou ze op 28 augustus 1940 in de synagoge aan de Carpentierstraat trouwen met haar man Menno, die ze tijdens een joodse dansavond in Seinpost heeft ontmoet.

Wat herinnert u zich van de eerste oorlogsjaren?
In het begin veranderde er niet zoveel, maar stukje bij beetje werd onze vrijheid beperkter. Iedere maand kwamen er weer verboden voor joden bij. Natuurlijk hadden wij de opkomst van Hitler in Duitsland gevolgd, maar toch dachten we niet dat we direct gevaar liepen. Mijn vader had een prachtige bontzaak aan de Korte Poten, met een groothandel aan de Amsterdamse Veerkade. Hij was lid van de Kerkeraad en had de bouw van de synagoge in de Carpentierstraat geïnitieerd. Mijn moeder was een echte Haagse, opgegroeid in de oude joodse buurt in het centrum. Wij waren geworteld in Den Haag. Ik voelde me niet anders dan andere inwoners, maar dat waren we in de ogen van Hitler wel.


Hebben u en uw man ondergedoken gezeten?
Direct na mijn huwelijk betrokken mijn man en ik een appartement aan het Stationsplein, dat eigendom was van mijn schoonouders. De inrichting was een huwelijkscadeau van mijn ouders. Alles was helemaal nieuw. Het viel me dan ook zwaar om dat achter te laten om onder te duiken. Korte tijd verbleven we op een onderduikadres, maar we besloten toch terug te keren naar ons appartement. We hadden ons voor 100 gulden per persoon op de Weinreb-lijst laten plaatsen. Weinreb beweerde, dat de mensen op die lijst uitstel van deportatie kregen. Toch werden wij in november 1942 door de Haagse politie in de vroege ochtend uit huis gehaald. Er kwam geen Duitser aan te pas. We werden naar Westerbork gebracht, waar mijn man in paniek zijn vader berichtte, dat de Weinreb-lijst oplichterij bleek te zijn. Hij vroeg of er een mogelijkheid was dat wij op de Van Dam-lijst kwamen. Mijn schoonvader stond op die lijst en kreeg het voor elkaar ons er ook op te plaatsen. In Westerbork ontmoette ik voor de laatste keer mijn zusje Betty en haar man Leo. Zij waren in de zomer van 1942 getrouwd. Zij had toen de jodenster op haar bruidsjapon genaaid. In februari 1943 zijn ze in Auschwitz vermoord. Vanuit Westerbork werden we naar De Schaffelaar in Barneveld gebracht. Daar kwamen de meeste mensen, die op de Van Dam-lijst stonden, terecht. Het was een kasteel, dat ingericht was als interneringskamp voor joden, die van maatschappelijk belang waren. Bij aankomst werden we ontvangen in het kantoor van de commandant en tot mijn grote verbazing stapten we als het ware onze eigen woonkamer binnen. De inboedel van alle joden op de Van Dam-lijst bleek naar de Schaffelaar te zijn gebracht, zo ook die van ons. Ik nam plaats op mijn eigen bank, maar durfde er niets over te zeggen. Na negen maanden bleek ook deze lijst ons niet te kunnen beschermen en werden mijn man en ik met het laatste transport van 4 september 1944 via Westerbork naar Theresienstadt gedeporteerd. In Theresienstadt werden we tewerkgesteld. Op een nacht, in februari 1945, moest iedereen in een rij staan voor een stempel, zonder te weten wat die betekende. Mijn man en ik kregen er één en in de ochtend bleek iedereen met een stempel in een geblindeerde passagierstrein te moeten stappen. Na een lange reis bleken we in Zwitserland te zijn, waar we vrijgelaten werden. We waren uitgewisseld tegen medicijnen en verbandmiddelen.

Hoe was het om na de oorlog terug te keren naar Den Haag?
Bij terugkomst uit Zwitserland bleek mijn hele familie te zijn vermoord. Mijn man had me al voorbereid op de mogelijkheid dat mijn familie was omgekomen. Maar je echt voorbereiden op een terugkomst naar een stad, waar niemand meer is, kan bijna niet. In mijn ouderlijk huis aan de Pieter Bothstraat woonde inmiddels het gezin van Cor Ruys, de toneelspeler. En ook in onze woning aan het Stationsplein woonden anderen. Wel kreeg ik mijn kist met foto’s en wat spullen, die we hadden ondergebracht bij een vriend van mijn schoonvader, terug. Ook van de boekhouder van mijn vader kreeg ik enkele dingen terug, zoals een doos sigaren. Die sigaren bleken goud waard, want die gebruikten mijn man en ik als omkoopmiddel voor een appartement in de Irisstraat. De inboedel van mijn zusje, die tevens was opgeslagen, vormde mijn nieuwe inrichting.

Archieven: Verhalen

‘ Ik schrik nog altijd als ik harde knallen hoor. ’

Jos Poels waarschuwt de kinderen die hem interviewen: Heel belangrijk jongens, stel vast dat oorlog vreselijk is. Blijf weg van oorlog. Zorg dat je er wat moois van maakt in het leven. Een oorlog levert echt niets op. Voor alle partijen is het een verlies.

Hoe was de oorlog voor u?
Heel gek, maar er kon voor ons veel doorgaan. En je bent kind, dus je accepteert ook veel en denkt over een aantal zaken helemaal niet na. Ik was 5 toen de oorlog begon. Ik wist niets over Hitler en ook niet wat er allemaal gebeurde. Mijn vader was kunstschilder en maakte speelgoed voor ons. Spelletjes maakte hij ook, dus Sinterklaas ging gewoon door. Tot ongeveer oktober 1944 heb ik ook gewoon op school gezeten. Ik speelde veel buiten. Met mijn vrienden oorlogje spelen. Door de vele bombardementen in onze wijk lagen er grote hulzen van het afweergeschut. Daar speelden wij mee. Ook na het bombardement gingen wij gewoon naar buiten en speelden we in de puinhopen.

Was u dan niet bang?
Ik was ook erg bang in de oorlog. Wij woonden in het Bezuidenhout en daar werd veel gebombardeerd. Tijdens de bombardementen was ik altijd erg bang. In het huis hadden we geen schuilkelder. We gingen bij elkaar staan op een stevige plek, meestal bij het trappenhuis. Heel dichtbij elkaar, want als we dan geraakt zouden worden, dan waren we in ieder geval allemaal dood. Ik schrik nog altijd als ik harde knallen hoor. Ik herinner me nog dat we naar de dierentuin waren geweest. Daar had ik een leeuw gezien. Ik droomde over de leeuw en hij brulde hard. Ik werd er wakker van. Maar het bleek geen leeuwengebrul te zijn, maar de start van een bombardement.

Kreeg u iets mee over joden uit uw buurt of de NSB?
Er was een joodse leraar bij ons op school. Zijn verdwijning ging langs me heen. Een meisje in de buurt, Sisi, was tijdens de oorlog ineens weg. Er werd gezegd, dat ze op vakantie ging. Zij was ook joods en ze is nooit meer terug gekomen. Ik heb als kind nooit geweten wat het inhield om joods te zijn in de oorlog. Pas veel later werd mij dat verteld en toen begreep ik dat ze helemaal niet op vakantie was gegaan. NSB-ers hadden we ook in onze buurt. Het waren heel aardige, simpele en arme mensen. Zij hadden zich aangesloten bij de NSB omdat ze daarmee geld kregen. Aan het eind van de oorlog heeft er bij ons iemand van de NSB ondergedoken gezeten. Er zat een gaskastje onder het portiek. Daar zat een luik in en er was een bed neergezet. Ik had helemaal niet in de gaten wat het betekende om NSB-er te zijn. Ik was daar ook helemaal niet mee bezig. Waar ik wel mee bezig was, was de vraag wat die persoon dan toch moest doen als hij moest plassen daar achter dat luik.

Heeft u erg veel honger gehad in de oorlog?
Nee, gelukkig niet. We merkten wel dat er in de stad niet veel eten te krijgen was. Mijn moeder kwam uit Boskoop en daar had ze nog veel vrienden wonen. Zij liep dan 80 kilometer met een kinderwagen om in Boskoop aardappelen te halen. Ik ben een keer met haar meegelopen. Ik mocht toen een paar weken bij een boer blijven, boer Maurits. Bij hem had ik een leuke tijd: paardrijden, door de weilanden struinen, slootje springen en natuurlijk lekker eten. Toen het grote bombardement plaats vond op het Bezuidenhout riepen ze: ‘Den Haag staat in brand’. In de weilanden keken we naar enorme grote zwarte wolken. Dus op 40 km afstand zagen we de wijk branden. Een paar uur later kwam mijn moeder naar Boskoop. Zij wilde dat we bij elkaar waren. Dus toen hield mijn tijd in Boskoop bij boer Maurits op.

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers klommen van balkon naar balkon en gingen de huizen binnen door openstaande ramen of deuren.’

Gerard Duijvestein is 6 jaar als de oorlog begint. Op school krijgt hij waarschuwingen over mijnenvelden: ‘Als je een bordje ziet met verboden toegang, loop niet over zo’n veld. Ook niet voor de grap, want dat is gevaarlijk!’ Door deze waarschuwingen leert Gerard dat hij soms voorzichtig moet zijn.

Wat weet u nog van de evacuatie van de Vogelwijk?
Wij woonden in de Vliegenvangerlaan. Eind 1942 kregen we een ontruimingsbevel. In december 1942 zijn we verhuisd naar Voorburg. Daar had mijn vader een huis gekocht. De meubels werden met paard en wagen verhuisd. In Voorburg gingen we ook naar een nieuwe school. Ik vond dat jammer om mijn oude klasgenootjes te verlaten. In eerste instantie waren mijn ouders van plan om na de oorlog weer terug te gaan naar de Vogelwijk, maar we waren zo gevestigd in Voorburg dat we daar zijn blijven wonen.

Was u bang voor de Duitsers?
In het begin van de oorlog hadden we nog weinig met ze te maken. We voelden wel dreiging, maar verder viel het mee. De Duitsers probeerden aardig te zijn tegen de Nederlanders. Zo werden er speldjes verkocht voor de winterhulp. Wij vonden die lichtgevende speldjes hartstikke mooi! Op die manier probeerden de Duitsers ons in te pakken. Ook hingen ze posters op de reclamezuilen als de Engelsen hadden gebombardeerd. Daar schreven ze op: ‘Van je vrienden moet je het maar hebben!’ Daarmee probeerden ze Nederlanders op te hitsen tegen de Engelsen.
Toen we in Voorburg woonden, kwam er meer oorlogsdreiging. Ik liep als jongetje niet veel gevaar, maar op straat zag je wel veel meer Duitsers. Soms gingen ze op zoek naar verboden spullen, bijvoorbeeld radio’s. Dan belden ze niet aan bij de voordeur, maar klommen ze van balkon naar balkon en gingen de huizen binnen door openstaande ramen of deuren. Zo konden ze de mensen overvallen. Daardoor ontstond er meer angst voor de Duitsers. Ik was ook bang voor de V1- en V2-raketten die werden afgeschoten. We luisterden altijd of het afschieten lukte of niet. In Voorburg is er ook een keer één raket neergekomen.

Heeft uw vader ook moeten werken voor de Duitsers?
Mijn vader viel binnen de leeftijd waarop mannen moesten werken voor de Duitsers. Omdat hij toch wat kwetsbaar en ziekjes was, is hij op bed gaan liggen met een doktersbewijs dat hij niet kon werken. Daarom hoefde mijn vader niet naar Duitsland.
Ik heb eens gezien hoe jonge mannen van straat werden opgepikt door de Duitsers. Zij werden bij elkaar gezet op het Malieveld. Daar vandaan werden ze met de trein naar Duitsland afgevoerd, om te werken. Aan omstanders werd gevraagd wie er in Rijswijk, Voorburg en andere plaatsen woonden. Dan konden zij briefjes meenemen, van die jonge mannen aan hun families. Toen ik ‘Voorburg’ hoorde, heb ik mijn vinger opgestoken en kreeg ik een briefje mee. Dat heb ik naar de ouders van die opgepakte jongen gebracht. Zij woonden aan de Van de Wateringenlaan.

Archieven: Verhalen

‘Ineens stonden er Nederlandse soldaten in onze tuin, met getrokken geweren. ’

Maarten de Heer merkt in de oorlog dat er schaarste aan de meest normale spullen is. Maar dat doet er eigenlijk niet zo toe. In de bezettingstijd wil je maar twee dingen, zegt Maarten. Eten en correcte informatie.

Hoe was het om ineens in oorlog te zijn?
Best eng. Mijn broer is tien jaar ouder dan ik en hij werd meteen opgeroepen voor de mobilisatie. Hij woonde in Rotterdam en heeft daar gevochten. Hij heeft me later aangewezen waar hij zat, bij één van de bruggen. Mijn vader is na de capitulatie direct op de fiets gesprongen. Toen hij bij de kazerne in Rotterdam aankwam, kwam er net een groepje militairen aangemarcheerd. Daar liep mijn broer tussen. Mijn vader was zo opgelucht toen hij weer thuis kwam. Vrij snel daarna is mijn broer tijdens een razzia in Rotterdam opgepakt: voor de arbeitseinsatz. Het enige wat we wisten was dat hij net over de grens in Duitsland in een werkkamp zat. Wij hebben in die bezettingstijd geen brief of ander teken van leven gekregen. Echte informatie was schaars. Mijn zus was op de fiets altijd eten voor ons gezin en dat van haar verloofde aan het regelen. Mijn vader was leraar en mocht blijven werken. Mijn moeder was veel ziek en lag vaak in bed. Daardoor was ik veel alleen. Ik ging vooral naar school en buiten spelen met mijn vrienden uit de buurt. De Duitsers lieten mij eigenlijk overal doorlopen. Zo heb ik op de vliegtuigen gezeten, die de Duitsers op het strand hadden achter gelaten. Ik wist wel dat het niet mocht, maar ik deed het toch.

Kende u joden, of iemand in het verzet of bij de NSB?
Op het moment dat de oorlog uitbrak, stonden er ineens een aantal Nederlandse soldaten in onze tuin. Met getrokken geweren. Ik was niet bang, maar vooral verbaasd. Mijn vader ook en vroeg ‘wat komen jullie hier doen?’ Ze waren op zoek naar een NSB-er. Bleek dat ze bij het verkeerde huisnummer stonden. Ze moesten bij onze overbuurman zijn. In het verzet durfde ik niet. Ik was ook nog erg jong, maar ik begreep heel goed dat je de Duitsers niet kwaad moest maken. Mijn vriend en ik maakten een blaadje met verhalen. Er stond niets bijzonders in, maar gewoon, dat je wat deed was heel belangrijk. Ik heb ook verzetsblaadjes rondgebracht. Ik had een joods vriendje op school. Niet dat ik wist dat hij joods was hoor, daar was ik niet mee bezig. Hij vocht als een meisje en dat was pas echt stom. Op een gegeven moment stond er een bord in de bosjes van Poot: verboden voor joden. Dat snapte ik niet. Niet lang daarna moest hij naar een aparte school waar alleen maar joodse kinderen zaten. Ik weet niet hoe de oorlog voor hem is afgelopen.

Heeft u altijd aan de Nieboerweg gewoond?
Ik woonde met mijn vader, moeder, broer en zus aan de Nieboerweg. We moesten weg vanwege de bouw van de Atlantikwall. Alle buren hadden van alles geregeld, maar wij niet. We zijn toen op de Thorbeckelaan terecht gekomen, drie hoog. Er was heel weinig, dus nam ik geloof ik alleen mijn schoolspullen mee. Wat ik me goed herinner is de V1-bom die op ons afkwam. Wij stonden bij het raam en we zagen de raket recht op ons afkomen. Mijn zus was helemaal over haar toeren. Ik besefte dat bang zijn de raket niet de andere kant op zou sturen. De raket zwaaide op het laatste moment weg van ons en sloeg een paar straten verder in. Daar zijn wel doden gevallen. Tegen het einde van de oorlog werd ik naar Friesland gebracht. Ik was te mager en heb toen een tijd bij een boerengezin gewoond. Ik werkte mee op de boerderij. Verder was het heel raar om na de bevrijding terug te keren in het huis aan de Nieboerweg. De Duitsers hadden er een zooitje van gemaakt. Ieder van ons gezin kwam terug. We hadden het allen overleefd.
Ik herinner me nog een grappig verhaal uit de oorlog. Mijn zus was op één van haar voedseltochten richting Noord-Brabant gefietst. Het was te laat om nog terug te fietsen, dus mocht ze op een boerderij in de stal slapen. De volgende ochtend was haar gekochte brood voor thuis weg: de koe, die ook in de stal sliep, had het opgegeten.

Archieven: Verhalen

‘We zagen de vlammen van het bombardement boven de spoorweg uitkomen. ’

Lia Aleman moet onder het schuine dak in haar  kamer zitten als het luchtalarm afgaat. Maar ze voelt zich niet angstig, omdat ze al haar eigen spulletjes op haar kamer heeft.

Bent u wel eens bang geweest in de oorlog?
Ik ben wel één keer heel bang geweest. Ik was met de trein op weg naar Oudenbosch, dat ligt in Noord-Brabant. Ik ging daarnaartoe, omdat er eten te vinden was, terwijl er in Zuid-Holland erg honger werd geleden. We gingen de Moerdijkbrug over en werden beschoten door de Duitsers. Dat was heel eng. Ik kan me ook goed herinneren, dat ik met mijn moeder over straat liep en we onderweg een Duitse soldaat tegen kwamen. Hij zwaaide naar mij, dus ik zwaaide terug. Ik kreeg gelijk een tik op mijn vingers van mijn moeder, want iedereen had een hekel aan de Duitsers, dus zwaaien dat mocht niet. Dat heeft wel indruk op me gemaakt.

Wat is u het beste bijgebleven in de oorlog?
Ik had een goede band met allebei mijn ouders. Helaas werd mijn vader in 1943 opgeroepen om te werken voor de Duitsers. Ik was toen nog maar 5 jaar oud. Mijn vader had in het begin van de oorlog gevochten op de Grebbelinie bij Amersfoort, maar nu moest hij weer weg. Ik heb hem in die jaren erg gemist. Na de oorlog is hij gelukkig wel teruggekomen.
Pas na de oorlog heb ik me gerealiseerd hoe moeilijk mijn moeder het moet hebben gehad. Haar man was weg en ze moest mij alleen opvoeden. Toch heeft ze mij nooit laten voelen dat ik bang moest zijn. Ik ben haar daar nog steeds dankbaar voor.

Kunt u zich het bombardement op het Bezuidenhout nog herinneren en wat er daarna gebeurde?
Jazeker! We moesten evacueren en we gingen naar mijn tante in Voorburg, net achter de spoorweg. We zagen de vlammen van het bombardement boven de spoorweg uitkomen. Mijn tante had veel mensen in huis en we aten allemaal tulpenbollen en suikerbieten, die op een grote hoop in de hoek van de huiskamer lagen. Ik vond het vooral heel gezellig met al mijn neefjes en nichtjes. Ik mocht zelfs op hun kamer slapen. En die tulpenbollen en suikerbieten vond ik helemaal niet erg. Het zoetige van de tulpenbollen vond ik juist heerlijk! Nu geniet ik meer van de bloemen die uit de tulpenbollen komen, dan van de smaak.

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader en ooms hebben tijdens een razzia in een wijnvat verstopt gezeten.’

Als de ouders van de kleine Els de vliegtuigen nog niet kunnen horen, begint het vierjarige meisje al te huilen. Gehuil dat snel daarna wordt opgevolgd door het ronkende geluid van overvliegende luchtvoertuigen. Het gezin van Els Vlek woont in het centrum van Den Haag, bij de wijnhandel en distilleerderij van vader Vlek.

Hoe was het leven in de oorlog voor u?
Eigenlijk ging het leven voor ons gewoon door, maar ik was wel altijd bang. De Duitse soldaten deden niks vervelends tegen ons, maar toch kreeg ik de rillingen van die uniformen en helmen.
Ik werd ook bang van het luchtalarm. Als dat afging, moest je rennen naar een schuilplaats. Op school was dat onder de trap. Een keer liep ik buiten over het plein bij de Grote Kerk met mijn kleine broertjes op weg naar school. Zij gingen naar de kleuterschool in de Oude Molstraat en ik naar de St. Willibrordusschool in dezelfde straat. Plots ging het luchtalarm. De portier van de boekhandel op de hoek van de Prinsestraat riep snel alle kinderen op het plein naar binnen, de winkel in. Daar moesten we wachten tot we de dubbele toon van het alarm hoorden, het sein dat het veilig was.

Kende u joodse kinderen?
Ik zat op een katholieke school. In die tijd was dat allemaal zo gescheiden van elkaar. Ik kende helemaal geen joodse kinderen. Maar omdat joden op een gegeven moment de ster moesten dragen, zag ik opeens heel veel sterren door onze buurt lopen. Ik wist daarvoor helemaal niet dat zij joods waren. Wij woonden vlakbij de joodse buurt van Den Haag, die rondom de synagoge in de Wagenstraat was.
Ik kreeg een keer op school van een klasgenootje een speldje van de ‘winterhulp Nederland’. Dat vond ik werkelijk prachtig. Het leek net of licht gaf in het donker. Ik liep er dolblij mee naar huis, maar eenmaal thuis moest ik de broche inleveren van mijn moeder. Daar werd ik zo verdrietig door. Pas veel later begreep ik dat de winterhulp bij de NSB hoorde. Mijn moeder wilde niet dat mensen zouden denken dat wij daarbij hoorden, als ik dat speldje droeg. Blijkbaar zat de familie van dat vriendinnetje wel bij de NSB.

Heeft uw familie gevaar gelopen tijdens de oorlog?
Mijn vader en ooms wel. Zij moesten in Duitsland werken, omdat ze jonger dan veertig jaar waren. De Duitsers pakten deze mannen op tijdens razzia’s. Mijn vader en ooms hebben tijdens zo’n razzia in een wijnvat verstopt gezeten in de zaak van mijn vader. Twee Duitsers kwamen aan de deur. Eén van de twee bleef bij ons, kinderen, de andere nam mijn moeder mee. Zij moest hem door het hele huis meenemen om te bewijzen dat mijn vader er niet was. Vlak voor de wijnvaten zat een hek, met een heel klein slotje erop. Mijn moeder zei dat ze de sleutel niet had. De Duitser zei: ‘Schon gut’, het is al goed. Later brak de hongerwinter uit. Omdat mijn vader producten nodig had voor zijn wijn en sterke drank, en de Duitsers dit graag afnamen, kreeg hij extra voedselbonnen. Daar konden wij en het personeel van eten. Dat was ons geluk.

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder verstopte het eten in de badkamer, want mijn vader had hongeroedeem en at alles op.’

Netty is 3 jaar als de oorlog begint. Ze speelt met kartonnen stroopblikken die haar moeder op elkaar stapelt en die ze vervolgens mag omgooien. Ze krijgt met Sinterklaas een poppenhuis. Haar vader heeft het voor haar gebouwd met meubeltjes, precies zoals ze die in huis hebben. Het poppenhuis blijft altijd in de familie. Ook heeft Netty honger, maar ze ziet vooral hoe haar vader lijdt onder het gebrek aan voedsel.

Moest uw vader voor de Duitsers werken?
Mijn vader wilde niet naar Duitsland toe. Hij zei ‘ik ga niet’. Hij is in bed gekropen en heeft een heel groot papier op de deur van zijn slaapkamer gehangen, waarop stond ‘Ik heb roodvonk’. Roodvonk was heel erg besmettelijk. Als je dat had, kon iedereen het krijgen. Hij had geen roodvonk, maar hij ging liggen alsof hij ziek was, met een thermometer naast zich. En toen kwamen de Duitsers boven. Ze klopten heel hard op de deur en ze zagen dat papier hangen. Ze waren zo weer beneden, want dat vonden ze heel erg. Ik stond boven. Ik kon net over de vensterbank kijken en toen zei
mijn moeder ‘weg bij die ramen, weg bij die ramen’ want ze was bang dat het hem zou verraden.

Wat is het naarste dat u heeft gegeten tijdens de Hongerwinter?
We waren met z’n vieren en er was één goudvis in een kommetje. Mijn vader was ten einde raad. Ik vergeet het nooit meer. Hij heeft het visje uit het kommetje gehaald. We hadden een klein beetje boter of margarine en we hebben het visje gebakken. Het was zo vies! En wat zat er in die vis? Graat, alleen maar graat. Dat vonden wij het ergste. Maar het is natuurlijk ook emotioneel, want je zag een mooi visje in een kommetje zwemmen en je keek er de hele dag naar. Ik had al haast geen speelgoed meer. Ik kon nog tegen het visje praten. En toen was de goudvis er niet meer.

Bent u bij de boeren geweest om eten te halen?
Mijn moeder wel, ik niet. Ik was nog te jong. Ze ging op de fiets naar de boeren, sla of bietjes halen of wat er te halen was. Als ze thuis kwam verstopte mijn moeder het eten in de badkamer, want mijn vader had hongeroedeem. Hij had zo weinig eten en vitamines binnen gekregen, dat hij helemaal was verzwakt. Hij had zoveel honger, dat hij alles opat. En dan zouden wij geen eten meer hebben. Je kunt het je natuurlijk best voorstellen, want hij zat in het leger en hij was een echte soldaat. En als soldaat moet je in goede conditie blijven. Ik denk dat het vaker gebeurde, dat mensen een soort hongeroedeem hadden en alles opaten. Niet uit egoïsme, maar omdat ze niet anders konden.

Archieven: Verhalen

‘Je zag zo’n vliegtuig naar beneden duiken en dan hoorde je ‘tak tak tak!’ de kogels in het water spatten. ’

Op een dag wordt Peter Struve op het Sweelinckplein aangehouden door een Duitser: ‘Halt!’ Zijn fiets wordt ingenomen. Ook  krijgt hij een bon van 75 gulden. Dat geld kan zijn vader terugvragen bij de Duitsers. Maar een nieuwe fiets kan met dat geld niet worden gekocht, dus moet Peter vanaf dat moment lopend naar school.

Hoe begon de oorlog?
De dag dat de oorlog uitbrak weet ik nog precies. Ik keek uit het zolderraam en zag aan de overkant van de straat Nederlandse soldaten. Ze slopen achter elkaar aan, met helmen op, richting de Appelstraat. Dat maakte grote indruk op me. Die soldaten met bajonetten op hun geweren. Ze zijn in gevecht geraakt met Duitse luchtlandingstroepen. Die kon ik vanuit mijn zolderraam uit de vliegtuigen zien springen. Van de hevige gevechten die volgden merkten we niet veel, al hoorden we in de verte wel de schoten. Ik weet nog dat een aantal dagen later de eerste colonne Duitsers aan kwam rijden. Ze stopten in de Vlierboomstraat. Ik liep er met een paar anderen heen om te kijken. De Duitsers stapten uit hun wagens en gingen eten. Eén van de soldaten merkte ons op en vroeg of we trek hadden. We kregen Duitse boterhammen: van dat zurige brood. Dat is de enige goede daad die ik me kan herinneren van de Duitsers.

Kon u naar school tijdens de oorlog?
Ik zat op de Zonnebloemschool, maar ons gebouw werd ontruimd door de Duitsers omdat het ‘sperrgebied’ werd. We werden verplaatst naar het gebouw van de Nachtegaalschool (nu OBS Houtrust). Onze leraren verhuisden mee. We kregen niet meer de hele dag les, want we zaten met twee scholen in één gebouw. Als wij ’s ochtends les hadden tot 12 uur, hadden de leerlingen van de Nachtegaalschool ’s middags les. Na een half jaar werden we weer overgeplaatst en gingen we naar het gebouw van een katholieke jongensschool aan de Hortensiastraat. Na de zomer van 1944 ging ik naar het Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Scheveningen. Twee maanden later werd die school gesloten, omdat er geen brandstof en elektriciteit meer was. Het laatste half jaar van de oorlog ging ik daarom niet meer naar school.

Heeft u heel de oorlog in Den Haag gewoond?
Bijna de gehele oorlog. Alleen de laatste maanden niet. In maart 1945 ben ik via het Interkerkelijk Comité naar Friesland gegaan om daar bij een boer te wonen. Ik moest me met andere kinderen melden op de Goudriaankade. Met grote binnenvaartschepen vaarden we via Leiden, Haarlem en Alkmaar. Uiteindelijk moesten we het IJsselmeer oversteken naar Stavoren. Daar zijn we beschoten door Engelse vliegtuigen. Dat was heel griezelig. Je zag zo’n vliegtuig naar beneden duiken en dan hoorde je ‘tak tak tak!’ de kogels in het water spatten. Het schip werd nauwelijks geraakt en gelukkig konden we doorvaren. Maar het was wel angstig! Het duurde misschien maar een kwartier, maar voor mijn gevoel werden we uren beschoten.
Eenmaal in Stavoren kregen we een geweldig maal met hutspot en worst en andere dingen die we jaren niet hadden gegeten. Fantastisch! Maar uiteindelijk werden we allemaal ziek, omdat onze maag zoveel eten niet kon verdragen. Daarna werden we verspreid over verschillende boeren. Ik kwam in huis bij een boer in Bergum, waar ik tot na de bevrijding ben gebleven.

Archieven: Verhalen

‘We zagen hoe dokters uit de ziekenhuisramen zwaaiden met grote witte lakens.’

Voor en tijdens de oorlog heeft de vader van Trees een tinfabriek in de Molenstraat en een winkel in luxe en huishoudelijke producten in de Schoolstraat. Het gezin Van Adrichem woont boven de winkel. De Duitse bezetter wil al het tin invorderen. Vader Van Adrichem verstopt een deel onder de grond. De 14-jarige Trees plaatst daar haar koperen spaarpotje bij, wat ze nooit meer heeft teruggevonden. Dat ligt waarschijnlijk nog steeds ergens onder de grond in de Haagse Schoolstraat.

Wat was voor u de grootste verandering tijdens de oorlog?
Je was niet meer zo vrij als voorheen. Je mocht bijvoorbeeld niet meer zomaar naar buiten. Na acht uur ’s avonds moest je binnen blijven en alles moest donker zijn. Ik ging met een lantaarntje in de hand naar bed. Je kon ook niet meer zomaar van alles kopen. Uiteindelijk ging heel veel op de bon. Gelukkig hadden wij de winkel met allerlei producten, die we bij de boeren in het Westland konden ruilen voor eten.

Wat vond u van de Duitsers?
Ik was een tienermeisje tijdens de oorlog en als ik die Duitsers door de straat zag marcheren, vanuit mijn raam, was ik behoorlijk onder de indruk. Het waren in onze ogen best mooie jonge knullen en ze zongen het hoogste lied. Dat vonden wij fantastisch. Sommigen waren misschien wel goeie Duitsers. Niet alle soldaten wilden zelf het leger in. Maar er zaten ook echte fanatiekelingen tussen. Die waren verschrikkelijk, de SS’ers. Ook de Nederlandse NSB’ers waren erg. Die verraadden mensen.
Een keer was er controle door de Duitsers. Ze kwamen ook bij ons thuis. Ik was aan het afwassen en zag in mijn ooghoek hoe die Duitser met z’n geweer overal in prikte. In kasten en achter deuren op zoek naar ondergedoken joden. Verderop in onze straat zijn die dag de slager Salomon en zijn vrouw meegenomen. We hebben ze nooit meer gezien. We wisten destijds niet wat er met de joden gebeurde. Dat hebben we pas na de oorlog gehoord.
Later hadden we wel twee onderduikers, dat waren twee niet-joodse mannen die niet in Duitsland wilden werken. Mijn eigen broer zat ergens anders ondergedoken. Die heb ik de hele oorlog niet gezien.

Hoe heeft u de Bevrijding beleefd?
Vlak voor de Bevrijding werden er al voedselpakketten gedropt. Het was zondagmiddag en we zaten met het gezin aan tafel. Wij mochten nooit van tafel, maar dit keer wel. We gingen op het dak staan en daar vandaan zagen wij hoe op vliegveld Ypenburg de pakketten uit de lucht vielen. Later kregen we wittebrood met boter, dat smaakte als cake. Heerlijk!
Op de dag van de Bevrijding liepen mensen op straat en riepen: ‘We zijn vrij, we zijn vrij!’ Snel gingen we naar het Noordeinde en voor het paleis zongen we het Wilhelmus. Daarna gingen we met duizenden tegelijk door de stad. We kwamen aan bij het Westeinde ziekenhuis en daar zagen we hoe de dokters uit de ramen zwaaiden met grote witte lakens. Ook zag ik hoe de laatste Duitsers uit woede nog gaten schoten in wapperende Hollandse vlaggen. Maar wij waren vrij. Ik stapte als 19-jarig meisje met plezier op de jeeps van de Canadezen. Er werd gezongen:
‘Trees heeft een Canadees,
Oh wat is dat meisje in d’r sas
Trees heeft een Canadees,
samen op de jeep en dan vol gas.’
Ik heette dan toevallig wel Trees, maar ik heb nooit verkering met een Canadees gehad!

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892